Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Onderzoeken doorzoeken

Criteria voor het filteren van documenten
Zaak
Datum marge
Trefwoorden
Of probeer oude trefwoorden (voor 2016)

1 - 20 van 309 resultaten weergeven

Besluit in zaak 386/2016/MDC over het vermeende onrechtmatige besluit van de Commissie om een inbreukklacht af te sluiten

Vrijdag | 15 december 2017

De zaak betrof het verzuim van de Europese Commissie om te antwoorden op correspondentie die was verzonden in het kader van een klacht wegens niet-nakoming tegen Italië en haar vermeende onrechtmatige besluit om de klacht wegens niet-nakoming af te sluiten.

De Ombudsman onderzocht de kwesties en constateerde dat de Commissie in haar antwoord aan klager in de loop van dit onderzoek een overtuigend en volledig antwoord had gegeven. De Commissie had derhalve het eerste probleem opgelost. De Ombudsman stelde met name vast dat de Commissie voldoende uitleg had gegeven voor haar besluit om de inbreukprocedure in deze zaak niet te heropenen. Met betrekking tot het tweede punt was zij derhalve van mening dat er geen sprake was van wanbeheer.

De Ombudsman sloot het onderzoek dus af.

Besluit in zaak 668/2016/EIS betreffende het verzuim van de Europese Commissie om een klager naar behoren te antwoorden over zijn bezorgdheid in verband met een staatssteunkwestie in Duitsland

Woensdag | 06 december 2017

De zaak betrof het verzuim van de Europese Commissie om behoorlijke antwoorden te geven aan een klager die een klacht had ingediend over een staatssteunkwestie in Duitsland. Klager was van mening dat Duitsland de EU-staatssteunregels schendt vanwege zijn nieuwe financieringsregeling voor de publieke omroep. De Ombudsman onderzocht de kwestie en stelde vast dat er geen sprake was van wanbeheer, aangezien de Commissie uiteindelijk een passend antwoord had gegeven.  

Besluit in zaak 478/2014/PMC betreffende de tweetalige visuele identiteit van de Europese Commissie die in haar persconferentiezaal wordt gebruikt

Donderdag | 31 maart 2016

De zaak betrof het visuele identiteitslogo van de Commissie, dat sinds 2012 in haar persconferentiezaal in Brussel wordt gebruikt. Volgens klager vormt het exclusieve gebruik van het Engels en het Frans in dit logo voor visuele identiteit discriminatie op grond van taal.

De huidige talenregeling van de EU omvat het recht van elke burger om in zijn eigen taal met de instellingen van de EU te communiceren en het overeenkomstige recht op een antwoord in die taal. De beginselen die aan deze taalregeling ten grondslag liggen, zijn ook van toepassing op andere vormen van communicatie, zoals communicatie via publicaties en websites. Elke differentiatie in het gebruik van talen in dergelijke omstandigheden moet objectief gerechtvaardigd zijn. Met betrekking tot de vraag of er in de onderhavige zaak een objectieve rechtvaardiging bestaat, is de Ombudsman het ermee eens dat het technisch niet mogelijk is om de term "Europese Commissie" in 24 talen op een televisiescherm te presenteren, hetzij onder, naast of achter een spreker.

Met betrekking tot de vraag of de Commissie meer dan twee talen had kunnen kiezen, is de Ombudsman van mening dat het redelijk was dat de Commissie slechts twee talen had gekozen. De keuze van het aantal te gebruiken talen komt neer op een oordeel over de vraag of meer dan twee talen het visuele beeld op een onaanvaardbare manier zouden vertroebelen. Het feit dat ook andere combinaties van talen redelijke keuzes kunnen zijn, betekent niet dat de keuze van het Engels en het Frans niet redelijk was.

De Ombudsman is van mening dat het door de Commissie gekozen beleid objectief gerechtvaardigd was. Zij concludeerde derhalve dat de invoering door de Commissie van een nieuw logo voor visuele identiteit in haar persconferentiezaal in Brussel geen wanbeheer vormde.

Behandeling van een inbreukklacht

Donderdag | 03 maart 2016

Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van het onderzoek naar klacht 403/2014/MHZ tegen de Europese Commissie

Dinsdag | 01 maart 2016

De zaak betrof de behandeling door de Europese Commissie van een inbreukprocedure met betrekking tot het gebruik van EU-cohesiefondsen in Polen op het gebied van infrastructuur en milieu. De klager, een ecolandbouwer, maakt zich zorgen over de bescherming van het lokale milieu en het passende gebruik van EU-middelen. Hij diende bij de Commissie een inbreukklacht in met het argument dat de openbare raadplegingen in Polen niet op bevredigende wijze plaatsvonden. Hij beklaagde zich erover dat de Commissie zijn klacht had afgesloten zonder zijn betoog naar behoren te hebben onderzocht.

De Ombudsman onderzocht de klacht en stelde voor dat de Commissie haar aanpak zou herzien om na te gaan of de lidstaten volledig voldoen aan de vereisten inzake openbare raadplegingen in het geval van projecten die met EU-middelen worden ondersteund. Zij stelde ook voor dat het bewijsmateriaal van klager dat bij zijn specifieke klacht bij de Ombudsman is gevoegd, vanuit milieuoogpunt wordt onderzocht en dat de vertegenwoordiging van de Commissie in Polen een bijeenkomst met klager organiseert om hem te helpen de standpunten van de Commissie vollediger te begrijpen en de Commissie in staat te stellen de zorgen van klager beter te begrijpen. De Ombudsman was tevreden met het antwoord van de Commissie op de eerste twee suggesties. In het geval van het derde voorstel (een vergadering met de klager) aanvaardde de Ombudsman het standpunt van de Commissie dat een dergelijke vergadering mogelijk geen efficiënt gebruik van middelen is met betrekking tot reeds afgeronde klachten; maar zij moedigde de Commissie aan deze mogelijkheid open te houden in het geval dat de klager in de toekomst nieuwe kwesties aan de orde stelt. De Ombudsman sloot de zaak op deze basis af.  

Een klacht over staatssteun

Maandag | 15 februari 2016

Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van het onderzoek naar klacht 1731/2013/PHP betreffende de behandeling door de Europese Commissie van drie vermeende gevallen van staatssteun aan voetbalclubs in Spanje en een daarmee verband houdend verzoek om toegang tot documenten

Donderdag | 11 februari 2016

Deze zaak betrof de behandeling door de Europese Commissie van door klager verstrekte informatie over drie gevallen van onrechtmatige staatssteun aan Spaanse voetbalclubs. De klager voerde aan dat de Commissie niet binnen een redelijke termijn had besloten of zij een formeel onderzoek moest instellen naar de vermeende onrechtmatige staatssteun. Aangezien de Commissie volgens klager geen actie ondernam, diende klager een verzoek in om toegang tot bepaalde documenten met betrekking tot twee van deze zaken. De Commissie heeft de toegang geweigerd om redenen van bescherming van het doel van de onderzoeken.

De Ombudsman onderzocht de kwestie en constateerde geen wanbeheer over beide kwesties door de Commissie. Daarom heeft zij de zaak gesloten.

Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van het onderzoek naar klacht 1983/2013/LP betreffende het onderzoek van de Europese Commissie naar een vermeende inbreuk op Verordening (EG) nr. 1008/2008

Maandag | 18 januari 2016

De zaak betrof een vermeend verzuim van de Europese Commissie om een onderzoek in te stellen naar de afgifte door de autoriteiten van de [lidstaat][1] van een exploitatievergunning aan [een andere] luchtvaartmaatschappij. De klager (Ryanair-luchtvaartmaatschappij) voerde aan dat het feit dat [een luchtvaartmaatschappij] Air uiteindelijk onder zeggenschap stond van een in een derde land gevestigde onderneming, in strijd was met Verordening (EG) nr. 1008/2008. Daarom heeft zij de Commissie verzocht haar eigendomsstructuur te onderzoeken. De Commissie heeft de autoriteiten van de [lidstaat] om alle nodige informatie verzocht en geconcludeerd dat er geen bewijs was van een inbreuk op de verordening.

De Ombudsman onderzocht de kwestie en stelde vast dat de Commissie de verordening naar behoren had nageleefd en de zaak grondig had onderzocht. De Ombudsman concludeerde derhalve dat er geen sprake was van wanbeheer door de Commissie.

Besluit in zaak 1977/2013/MDC betreffende de beoordeling door de Europese Commissie van een inbreukklacht betreffende beperkingen van het vrije verkeer binnen de interne markt van de EU

Vrijdag | 25 september 2015

Klager in deze zaak, een Luxemburgs staatsburger, werd uitgesloten van deelname aan een baan in Frankrijk op grond van het feit dat zij geen Frans staatsburger is. De functie in kwestie was die van een niet-voorzittende rechter die de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen zou vertegenwoordigen bij het Franse asielhof. Klager stelde de Europese Commissie voor dat de beperking van de functie tot Franse onderdanen een inbreuk leek te zijn op de bepalingen van het EU-recht inzake het vrije verkeer van werknemers. Toen de Commissie van oordeel was dat er geen sprake was van een inbreuk op het EU-recht, nam klager contact op met de Ombudsman.

De Commissie was van mening dat een uitzondering op het recht van vrij verkeer van werknemers van toepassing was. Deze uitzondering geldt voor werkgelegenheid in overheidsdienst en is vastgelegd in artikel 45, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De Commissie erkende dat een besluit in deze kwestie een concrete beoordeling van de aard van de taken en verantwoordelijkheden van de niet-presiderende rechter vereiste en voerde aan dat zij een dergelijke beoordeling had gemaakt. De Ombudsman merkte op dat de Commissie in het kader van deze beoordeling geen contact had opgenomen met de Franse autoriteiten om nadere informatie over de betrokken functie te verkrijgen. Het oorspronkelijke voorstel van de Ombudsman was dan ook dat de Commissie haar beoordeling van de inbreukklacht zou herzien en zij stelde voor dat de Commissie de Franse autoriteiten zou raadplegen. In haar antwoord op dit voorstel bleef de Commissie erbij dat zij over voldoende informatie beschikte om een besluit over de kwestie te nemen en dat het daarom niet nodig was contact op te nemen met de Franse autoriteiten. Na bestudering van haar uitvoerige antwoord op het voorstel aanvaardde de Ombudsman dat de Commissie in dit geval over voldoende informatie beschikte om haar besluit te kunnen baseren. Zij sloot het onderzoek derhalve af met de constatering dat er geen sprake was van wanbeheer door de Commissie.

Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van het onderzoek naar klacht 2093/2012/EIS tegen de Europese Commissie

Donderdag | 09 juli 2015

De zaak betrof de behandeling door de Europese Commissie van een inbreukklacht met betrekking tot de rechten van luchtvaartpassagiers. De vlucht van klager van Londen naar Sofia werd geannuleerd wegens hevige sneeuwval en hij werd omgeleid via München. Zijn vlucht kwam echter te laat aan in München en hij miste zijn aansluitende vlucht. Klager moest daar dus overnachten en kreeg van zijn vervoerder geen hotelkamer aangeboden. Na contacten met de autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland diende hij bij de Commissie een inbreukprocedure in, waarin hij aanvoerde dat de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk in strijd met de relevante EU-regels inzake de rechten van luchtreizigers handelden.

De Commissie voerde aan dat de problemen werden veroorzaakt door "buitengewone omstandigheden", wat betekende dat klager, in overeenstemming met de desbetreffende EU-verordening, geen recht had op een vergoeding in contanten. Vervolgens heeft zij ook de correspondentie met klager gestaakt.

De Ombudsman aanvaardde het standpunt van de Commissie met betrekking tot het bestaan van "buitengewone omstandigheden" in verband met de sneeuwval. Klager had dus geen recht op een vergoeding in contanten. Klager had echter wel een "recht op verzorging" en had van de vervoerder hotelaccommodatie moeten krijgen. Gezien het verzuim van de vervoerder om hotelaccommodatie te verstrekken, was de Ombudsman van mening dat er sprake was van een schending van de zorgplicht. Om deze reden was de Ombudsman van mening dat het standpunt van de Commissie dat er geen sprake was van een schending van de zorgplicht, niet overtuigend was.

De Ombudsman heeft de Commissie aanbevolen om bij de behandeling van dergelijke klachten over inbreuken in de toekomst terdege rekening te houden met de zorgplicht van de luchtvaartmaatschappij ten aanzien van luchtreizigers. Wat betreft zijn besluit om de correspondentie met klager te beëindigen, was de Ombudsman het niet eens met het standpunt van de Commissie dat zijn correspondentie "onjuist" was en deed hij in dit verband een andere aanbeveling aan de Commissie.

De Commissie heeft de tweede aanbeveling van de Ombudsman in beginsel aanvaard. Hoewel de Commissie de eerste aanbeveling van de Ombudsman niet heeft verworpen, blijkt uit haar antwoord duidelijk dat zij het niet eens is met het standpunt van de Ombudsman met betrekking tot de omvang van de zorgplicht van een vervoerder jegens een passagier. Ter afsluiting van haar onderzoek heeft de Ombudsman dit als een kritische opmerking behandeld. Zij heeft haar besluit ook ter informatie doorgestuurd naar de bevoegde commissies van het Parlement en naar de nationale ombudsmannen.