Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van het onderzoek naar klacht 403/2014/MHZ tegen de Europese Commissie
Besluiten
Zaak 403/2014/MHZ - Geopend op Vrijdag | 04 april 2014 - Besluit over Dinsdag | 01 maart 2016 - Betrokken instelling Europese Commissie ( Geen verder onderzoek gerechtvaardigd ) - Land Polen
De zaak betrof de behandeling door de Europese Commissie van een inbreukprocedure met betrekking tot het gebruik van EU-cohesiefondsen in Polen op het gebied van infrastructuur en milieu. De klager, een ecolandbouwer, maakt zich zorgen over de bescherming van het lokale milieu en het passende gebruik van EU-middelen. Hij diende bij de Commissie een inbreukklacht in met het argument dat de openbare raadplegingen in Polen niet op bevredigende wijze plaatsvonden. Hij beklaagde zich erover dat de Commissie zijn klacht had afgesloten zonder zijn betoog naar behoren te hebben onderzocht.
De Ombudsman onderzocht de klacht en stelde voor dat de Commissie haar aanpak zou herzien om na te gaan of de lidstaten volledig voldoen aan de vereisten inzake openbare raadplegingen in het geval van projecten die met EU-middelen worden ondersteund. Zij stelde ook voor dat het bewijsmateriaal van klager dat bij zijn specifieke klacht bij de Ombudsman is gevoegd, vanuit milieuoogpunt wordt onderzocht en dat de vertegenwoordiging van de Commissie in Polen een bijeenkomst met klager organiseert om hem te helpen de standpunten van de Commissie vollediger te begrijpen en de Commissie in staat te stellen de zorgen van klager beter te begrijpen. De Ombudsman was tevreden met het antwoord van de Commissie op de eerste twee suggesties. In het geval van het derde voorstel (een vergadering met de klager) aanvaardde de Ombudsman het standpunt van de Commissie dat een dergelijke vergadering mogelijk geen efficiënt gebruik van middelen is met betrekking tot reeds afgeronde klachten; maar zij moedigde de Commissie aan deze mogelijkheid open te houden in het geval dat de klager in de toekomst nieuwe kwesties aan de orde stelt. De Ombudsman sloot de zaak op deze basis af.
De achtergrond
1. Klager is een Poolse ecoboer en eigenaar van een bos met beekjes in het berggebied aan de Poolse grens met Slowakije. Op 22 augustus 2012 heeft hij bij de Commissie een inbreukklacht tegen Polen ingediend. Hij voerde aan dat de Poolse beheersautoriteit tussen 2007 en 2013 geen openbare raadplegingen heeft georganiseerd over alle prioriteiten van het operationele programma voor infrastructuur en milieu (het "programma") voor Polen. Hij voerde verder aan dat openbare raadplegingen per definitie niet beperkt kunnen blijven tot aankondigingen in de pers, maar moeten worden uitgevoerd door middel van bijeenkomsten van de autoriteiten met inwoners van de betrokken gebieden. Volgens hem heeft het uitblijven van behoorlijke openbare raadplegingen geleid tot milieuschade als gevolg van het onvoorzichtige gebruik van EU-middelen door de begunstigden.
2. De Commissie heeft zijn klacht in oktober 2012 geregistreerd. Klager was niet tevreden over de manier waarop de Commissie zijn klacht behandelde en wendde zich tot de Ombudsman (zaak 583/2013/MHZ) wegens procedurele tekortkomingen.[1] De Ombudsman constateerde wanbeheer in die zin dat de Commissie de start van de EU-Pilot-procedure voor de behandeling van klachten over inbreuken vertraagde en het als gevolg daarvan voor zichzelf onmogelijk maakte om de termijn van één jaar na te leven om een besluit te nemen over de klacht over de inbreuk van de klager. Ze sloot de zaak af met een kritische opmerking in december 2013.[2]
3. Op 17 maart 2014 heeft de Commissie klager in kennis gesteld van haar voornemen om het inbreukdossier van klager af te sluiten door een zogenaamde "aankondigingsbrief" te sturen. Ondanks de bezwaren van klager in een brief van 26 maart 2014 heeft de Commissie de zaak gesloten en klager daarvan op 29 april 2014 in kennis gesteld.
4. Klager was niet tevreden met de antwoorden van de Commissie en wendde zich opnieuw tot de Ombudsman (klacht 403/2014/MHZ). De Ombudsman opende vervolgens een onderzoek naar i) de bewering dat de Commissie haar standpunt dat de openbare raadplegingen van de Poolse autoriteiten met betrekking tot "het programma" bevredigend waren en dat de relevante EU-wetgeving dus niet was geschonden, niet overtuigend had toegelicht, en ii) de bewering dat de Commissie ermee moest instemmen klager een schadevergoeding ex gratia te betalen voor de gebrekkige behandeling van zijn inbreukklacht. Het onderzoek heeft geleid tot drie voorstellen voor een oplossing [3].
Vermeende ontoereikende toelichting bij openbare raadplegingen en verzoek om schadevergoeding ex gratia
Voorstellen van de Ombudsman voor een oplossing
5. Op 9 april 2015 deed de Ombudsman drie voorstellen voor een oplossing (zie punt 8). Bij het voorstellen van de oplossing heeft de Ombudsman rekening gehouden met de argumenten en standpunten van de partijen.
6. De Ombudsman verduidelijkte eerst het begrip openbare raadpleging waarnaar de klacht verwees. Zij merkte op dat artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1828/2006 [4], waarin de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 zijn vastgelegd [5], bepaalt dat "[de beheersautoriteit] [...] ervoor [zorgt] dat de informatie over de financieringsmogelijkheden die door de gezamenlijke bijstand van de Gemeenschap en de lidstaat via het operationele programma worden geboden, zo ruim mogelijk wordt verspreid". (nadruk toegevoegd). Volgens de Ombudsman moet de door de nationale beheersautoriteit te verstrekken relevante informatie ervoor zorgen dat potentiële begunstigden van relevante middelen zoveel mogelijk worden geïnformeerd. Voorts begrijpt de Ombudsman dat de lidstaten in de praktijk, alvorens operationele programma's vast te stellen waarin hun prioriteiten voor de uitvoering van de Europese structuur- en investeringsfondsen (voorheen Structuur- en Cohesiefondsen genoemd) zijn vastgelegd, belanghebbenden om opmerkingen verzoeken. Dit laatste kan van invloed zijn op de financieringsprioriteiten door inzendingen te doen via het proces van openbare raadplegingen. De verwijzing naar verspreiding in de verordening lijkt betrekking te hebben op een situatie waarin de beheersautoriteit informatie verstrekt over de projecten die uit de EU-fondsen moeten worden gefinancierd, en de belanghebbenden aanvragen en voorstellen indienen die tot wijzigingen van het operationele programma kunnen leiden voordat het door de nationale autoriteiten wordt goedgekeurd en ter goedkeuring aan de Commissie wordt voorgelegd. [6] Dit zijn de openbare raadplegingen waarop de onderhavige klacht betrekking heeft.
7. De Ombudsman erkende dat wederzijds vertrouwen centraal staat in de samenwerking tussen de nationale autoriteiten en de Commissie. Toen de klager echter beweerde dat de openbare raadplegingen met betrekking tot het programma niet naar behoren waren uitgevoerd, was de Commissie duidelijk verplicht na te gaan of de betrokken lidstaat de openbare raadpleging op passende en adequate wijze had uitgevoerd.
8. Hoewel de Commissie contact heeft opgenomen met de Poolse autoriteiten om uitleg te krijgen naar aanleiding van de inbreukklacht van klager, bleek dat de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie niet voldoende grondig door de Commissie was onderzocht. Er werd geen rekening gehouden met de afstand tussen de locatie van de vergaderingen waar openbare raadplegingen zouden moeten plaatsvinden en de locatie van de daadwerkelijke begunstigden. De Ombudsman was het voorts met klager eens dat raadplegingen in beginsel zo dicht mogelijk bij de plaats waar de potentiële begunstigden wonen, moeten worden georganiseerd. Aangezien de openbare raadpleging in kwestie betrekking had op een programma dat reeds was afgelopen, heeft de Ombudsman de Commissie niet verzocht dit wanbeheer te verhelpen. In plaats daarvan stelt zij voor dat de Commissie:
(Ten eerste) haar beleid te herzien met betrekking tot de wijze waarop zij nagaat hoe openbare raadplegingen in de lidstaten worden uitgevoerd met betrekking tot projecten die met EU-middelen worden ondersteund;
(Tweede) het door klager bij de Ombudsman ingediende bewijsmateriaal, samen met zijn opmerkingen over het advies van de Commissie, vanuit milieuoogpunt grondig te onderzoeken om te beslissen of het nodig is maatregelen te nemen om de naleving van het EU-recht op dit gebied te waarborgen;
(Derde) Een bijeenkomst organiseren tussen de klager en de vertegenwoordiger van de Commissie in Polen. Op deze manier zou de Commissie een sterke symbolische verklaring afleggen dat de bescherming van het milieu zeer hoog op de agenda van de EU staat en dat de stemmen van waakzame burgers, die zorgen voor het welzijn van het milieu op lokaal niveau, worden gehoord en gerespecteerd.
9. In haar antwoord op het eerste voorstel van de Ombudsman (herziening van haar beleid inzake de controle van de wijze waarop openbare raadplegingen in de lidstaten worden gehouden met betrekking tot de komende programma's) maakte de Commissie een onderscheid tussen de noodzaak van openbare raadpleging en de behoefte aan adequate informatie over potentiële begunstigden.
10. Wat de openbare raadpleging in het kader van de programmeringsperiode 2014-2020 betreft, heeft de Commissie erop gewezen dat de bepalingen inzake inspraak en raadpleging van het publiek zijn aangescherpt in een nieuwe Verordening (EU) nr. 1303/2013.[7] De wijzigingen in de verordening hebben tot doel te zorgen voor een adequate deelname van lokale overheden, het maatschappelijk middenveld en milieubelangen.
11. Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie bevat gedetailleerde richtsnoeren en beste praktijken inzake de betrokkenheid van de relevante partners bij de voorbereiding van oproepen tot het indienen van voorstellen, terwijl in verschillende andere instrumenten is bepaald dat de lidstaten moeten aangeven welke partners bij de voorbereiding van de operationele programma's moeten worden betrokken. Daarnaast bevat Uitvoeringsverordening (EU) nr. 288/2014 van de Commissie [8] in de bijlagen I en II een deel waarin de lidstaten moeten aangeven welke partners bij de voorbereiding van het programma betrokken zijn. De Commissie lijkt dus al bijzondere aandacht te hebben besteed aan de wijze waarop de lidstaten de betrokken partners betrekken. Bovendien heeft de Commissie voor de programmeringsperiode 2014-2020 een deskundigengroep gestructureerde dialoog voor de ESI-fondsen opgericht, bestaande uit regionale, lokale en andere overheden, sociaal-economische partners, het maatschappelijk middenveld en ngo’s, om te beraadslagen over de toepassing van het partnerschapsbeginsel. De Commissie is ook begonnen met een lopende studie naar de wijze waarop de nieuwe bepalingen inzake partnerschap in het programmeringsproces zijn geïntegreerd.
12. Verordening (EU) nr. 1303/2013 verplicht de Commissie en de beheersautoriteiten ook te zorgen voor de verspreiding van richtsnoeren onder potentiële begunstigden. Artikel 13 van die verordening verplicht de Commissie om voor begunstigden richtsnoeren op te stellen over de wijze waarop toegang kan worden verkregen tot en doeltreffend gebruik kan worden gemaakt van de ESI-fondsen en hoe complementariteit met andere instrumenten van het relevante beleid van de Unie kan worden benut. Het bepaalt ook dat de richtsnoeren openbaar moeten worden gemaakt op de websites van de relevante directoraten-generaal van de Commissie. DG Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling heeft de vereiste richtsnoeren al op zijn website gepubliceerd. De links in het hele document zullen potentiële begunstigden in staat stellen hun weg te vinden via materiaal dat online beschikbaar is en hen door te verwijzen naar de meest relevante en nuttige websites en documenten. Er is ook een online checklist beschikbaar om potentiële begunstigden te helpen de meest geschikte financieringsbronnen te vinden.
13. De Commissie verklaarde dat, om de toegankelijkheid en transparantie van informatie over financieringsmogelijkheden en begunstigden van projecten te verbeteren, in elke lidstaat één portaalsite beschikbaar moet worden gesteld met informatie over alle operationele programma’s, met inbegrip van de lijsten van concrete acties die in het kader van elk operationeel programma worden ondersteund. Hoewel de Commissie erkende dat niet iedereen toegang heeft tot internet, met name in afgelegen gebieden (volgens artikel 2, lid 10, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 kan een natuurlijke persoon hoe dan ook geen begunstigde zijn van de nieuwe programmering 2014-2020), bleef de Commissie van mening dat het internet, om een zo breed mogelijke verspreiding van informatie te waarborgen, het meest geschikte instrument is. In dit verband merkte hij op dat een van de prioriteiten van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling de uitbreiding van de uitrol van breedband is, met inbegrip van de uitrol van hogesnelheidsnetwerken en de invoering van opkomende technologieën en netwerken voor de digitale economie.
14. Wat het tweede voorstel van de Ombudsman betreft (om het door klager ingediende bewijsmateriaal grondig te onderzoeken vanuit milieuoogpunt), antwoordde de Commissie dat de beschuldigingen van klager met betrekking tot inbreuken op het milieurecht reeds waren onderzocht in nauwe samenwerking met DG Milieu en DG Landbouw en Plattelandsontwikkeling. De Commissie was niet in staat inbreuken op de EU-milieuwetgeving vast te stellen en de klager was reeds dienovereenkomstig in kennis gesteld.
15. De Commissie heeft vervolgens in detail uitgelegd waarom er geen sprake was van een inbreuk op het milieurecht van de EU met betrekking tot het Natura 2000-gebied Ostoja Popradzka, waarnaar de klacht van klager bij de Commissie verwees:
· De investering met betrekking tot de bouw van de uitkijktoren op de top van de Eliaszowka-berg werd onderworpen aan een screeningprocedure als gevolg waarvan een besluit werd genomen door de regionale directie voor milieubescherming in Krakau waarin werd verklaard dat het niet nodig was om een beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied Ostoja Popradzka uit te voeren. In deze procedure werd redelijke zekerheid verkregen dat de investering geen significant negatief effect had op de beschermingsdoelstellingen en -doelen van een Natura 2000-gebied. Na alle verstrekte informatie te hebben geanalyseerd, heeft de Commissie geen schending van het EU-recht vastgesteld.
· Wat betreft de vermeende verslechtering van het Natura 2000-gebied Ostoja Popradzka als gevolg van overstromingshulpwerkzaamheden aan de rivier de Poprad en de daarmee verband houdende vermeende schendingen van de vogelrichtlijn van de EU (2009/147/EG) en de habitatrichtlijn (92/43/EEG), heeft de Commissie gezegd dat het doel van deze richtlijnen de instandhouding van beschermde habitats en soorten is in plaats van de beheersing van overstromingen. Het zei dat het onderhoud van rivieren met het oog op overstromingsbeheersing over het algemeen onder het gezag van de lidstaten valt en niet onder dat van de EU. Artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn verbiedt de verslechtering van de natuurlijke habitats en de verstoring van beschermde soorten in de Natura 2000-gebieden. Dit betekent echter niet dat fysieke werken op dergelijke sites verboden zijn. De juiste uitlegging van deze bepaling verbiedt niet alleen dat de staat van instandhouding van de beschermde habitats of soorten in het gebied verslechtert, maar impliceert ook een zekere mate van verslechtering of verstoring die kan worden aanvaard, met name wanneer zij beperkt is tot een klein gebied, tijdelijk is en waarschijnlijk zal worden verholpen door natuurlijke hydrologische processen van een riviersysteem (met name wanneer zij in het algemeen belang wordt uitgevoerd). De Commissie herhaalde dat er geen inbreuken op de EU-milieuwetgeving konden worden vastgesteld.
16. Met betrekking tot het derde voorstel van de Ombudsman (vergadering met klager) merkte de Commissie op dat de correspondentie van klager vaak vexatoir en beledigend was. Door de aantijgingen van klager zorgvuldig te beoordelen, grondig te onderzoeken, hem rechtstreeks in kennis te stellen van de redenen waarom er geen sprake was van een inbreuk en hem volledige toegang te geven tot de gevraagde documenten, heeft de Commissie echter aangetoond dat de bescherming van het milieu hoog op haar agenda staat. Tot slot herinnerde zij eraan dat volgens de in de mededeling aangekondigde toezeggingen "de behandeling van de betrekkingen met de klager met betrekking tot de toepassing van het recht van de Unie actualiseren", "[op elk moment tijdens de procedure kunnen klagers de Commissie ter plaatse en op eigen kosten verzoeken de redenen voor hun klacht toe te lichten of te verduidelijken."[9]) Aangezien de beweringen van de klager naar behoren zijn onderzocht en de procedure is afgesloten, is het moeilijk voor te stellen dat de Commissie, gezien het aantal klachten dat zij elk jaar ontvangt, in dit stadium een bijeenkomst met de klager zou kunnen overwegen . Zij merkte echter op dat indien de klager een nieuwe klacht indiende, de Commissie kon besluiten een nieuwe klacht in te dienen.
17. In zijn opmerkingen uitte klager zijn teleurstelling over het standpunt van de Commissie. Hij voerde verder aan dat de Commissie zijn beweringen niet begreep. Hij vestigt de aandacht op het verband tussen enerzijds het onderhoud van de oevers en de rivierbedding en anderzijds de schade aan het milieu en aan beschermde of bedreigde soorten die de oevers van de rivier of de rivierbedding bewonen en die door de overstromingen worden vernietigd of aan schadelijke behandeling worden onderworpen.
18. Bovendien was klager ontevreden over het feit dat de Commissie het voorstel van de Ombudsman om een bijeenkomst met hem te organiseren, verwierp, waardoor hij de Commissie beter had kunnen uitleggen wat zijn milieubelangen voor de betrokken locaties waren, waarbij hij zijn vertegenwoordigers de feitelijke locaties kon laten zien, waarnaar hij in zijn klachten verwees. Hij concludeert dat hij het betreurt dat projecten die door de Europese Unie worden gefinancierd of medegefinancierd en die schadelijk zijn voor het milieu en de natuurlijke habitats van dieren, het logo van de Europese Unie met zich meebrengen.
Beoordeling van de Ombudsman na de voorstellen
19. De Ombudsman waardeert het dat de antwoorden van de Commissie op haar drie voorstellen gedetailleerd en grondig waren. Wat het antwoord van de Commissie op het eerste voorstel betreft, is de Ombudsman ingenomen met de acties die de Commissie heeft ondernomen (beschreven in de punten 11 en 12 hierboven) op basis van de nieuwe bepalingen van Verordening (EU) nr. 1303/2013. Zoals de Commissie in detail heeft uitgelegd, vereist die verordening een uitgebreide betrokkenheid van partners bij de uitvoering, monitoring en evaluatie van de programma’s voor de periode 2014-2020. Het zorgt dus voor een adequate participatie van het maatschappelijk middenveld en de milieupartners en is in dit opzicht strenger dan de vorige wetgeving. De Ombudsman is ook ingenomen met het feit dat in de nieuwe verordening is bepaald dat EU-middelen zullen worden gebruikt om de verdere ontwikkeling van breedbandnetwerken en connectiviteit in de toekomst te bevorderen. Dit zal bijdragen tot een bredere en betere verspreiding van informatie over het gebruik van EU-fondsen.
20. Met betrekking tot het antwoord van de Commissie op haar tweede voorstel merkt de Ombudsman op dat de Commissie, na onderzoek van het nieuwe fotografische bewijsmateriaal van klager, vasthield aan haar eerdere standpunt dat er geen sprake was van een inbreuk. Bij het nemen van dat besluit heeft de Commissie een toereikende motivering gegeven om haar standpunt te onderbouwen. In die zin heeft de Commissie voldaan aan het voorstel van de Ombudsman.
21. Tot slot begrijpt de Ombudsman dat de Commissie moet vertrouwen op de medewerking van de overheidsdiensten van de lidstaten bij de beoordeling van en het toezicht op de naleving van de EU-milieuwetgeving door de lidstaten. In dit verband is de rol van de burgers van cruciaal belang om mogelijke inbreuken op de EU-milieubeschermingsnormen in de verschillende lidstaten onder de aandacht van de Commissie te brengen. De burgers kunnen echter niet de volledige last dragen van het verstrekken van volledige en volledige informatie aan de Commissie over kwesties in verband met milieubescherming en het beheer van EU-middelen op nationaal niveau. Regelmatige klachten van burgers aan de leden van het Europees netwerk van ombudsmannen wijzen erop dat de Commissie meer aandacht zou kunnen besteden aan beweringen van EU-burgers in dit verband. In dit verband wijst de Ombudsman erop dat de Commissie in een antwoord [10] op een ander onderzoek van de Ombudsman heeft erkend dat haar personeel in de lidstaten "optrad als de stem van de Commissie in het gastland en toezicht hield op de publieke opinie." De Ombudsman merkt op dat de Commissie in haar antwoord op haar derde voorstel de mogelijkheid van een ontmoeting met klager op een dag niet uitsluit, ook al weigerde zij in dit stadium een ontmoeting tussen haar vertegenwoordiging in Warschau en klager. De Ombudsman vertrouwt erop dat EU-burgers die zorgen voor en strijden voor de bescherming van het milieu op lokaal niveau, alsook organisaties die op dit gebied ingrijpen, kunnen deelnemen aan evenementen die door de vertegenwoordigers van de Commissie in hun lidstaat worden georganiseerd over milieukwesties.
Conclusie
Op basis van het onderzoek naar deze klacht sluit de Ombudsman de klacht af met de volgende conclusie:
De Ombudsman vertrouwt erop dat EU-burgers die strijden voor de bescherming en het behoud van het milieu, alsook maatschappelijke organisaties die op dit gebied op lokaal niveau optreden, kunnen deelnemen aan evenementen die door de vertegenwoordigers van de Commissie in hun lidstaat worden georganiseerd over milieukwesties.
Klager en de Commissie zullen van dit besluit in kennis worden gesteld.
Emily O'Reilly
Straatsburg, 1 maart 2016
Definitieve Engelse versie van het besluit inzake klacht 403/2014/MHZ
[1] Deze zaak betrof ook de behandeling door de Commissie van een andere door klager bij de Commissie ingediende inbreukklacht, namelijk dat de Poolse autoriteiten de relevante EU-bepalingen inzake het gebruik van EU-middelen voor de bescherming van het milieu en de verdeling van milieuvoordelen hebben geschonden.
[2] Het besluit van de Ombudsman over deze klacht is te vinden op: . http://www.ombudsman.europa.eu/cases/decision.faces/nl/52917/html.bookmark
[3] Voor meer informatie over de achtergrond van de klacht, de argumenten van de partijen en het onderzoek van de Ombudsman wordt verwezen naar de volledige tekst van het voorstel van de Ombudsman voor een oplossing, beschikbaar op: http://www.ombudsman.europa.eu/cases/caseopened.faces/en/54093/html.bookmark
[4] Verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Raad van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en van Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, PB L 371.
[5] Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Commissie van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds (PB 2006, L 210, blz. 25). Verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB 2006, L 371, blz. 1).
[6] http://ec.europa.eu/regional_policy/index.cfm/nl/policy/how/stages-step-by-step/. Ook: https://www.pois.2007-2013.gov.pl
[7] Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20 december 2013, blz. 320).
[8] PB L 087 van 22.3.2014, blz. 1.
[9] COM(2012) 154 final, punt 7.
[10] OI/8/2014. Dit onderzoek op eigen initiatief had betrekking op de vraag hoe de Europese Commissie ervoor zorgt dat de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrechten worden geëerbiedigd wanneer het cohesiebeleid van de EU door de lidstaten wordt uitgevoerd. Het onderzoek werd gestart toen de Unie begon aan een nieuwe periode van zeven jaar voor financiering in het kader van Verordening (EU) nr. 1303/2013, die de periode 2014-2020 bestrijkt. Het antwoord van de Commissie op het verbeteringsvoorstel van de Ombudsman is te vinden op: