FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Ontwerpaanbeveling van de Europese Ombudsman in het onderzoek naar klacht 995/2011/KM tegen de Europese Commissie

Gemaakt overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het Statuut van de Europese Ombudsman [1]

De achtergrond

1. Op 19 februari 2010 diende klager, een Duitse onderdaan, bij de Europese Commissie een klacht in dat Duitsland de e-privacyrichtlijn [2] (hierna "de richtlijn" genoemd) niet naar behoren had uitgevoerd. Hij identificeerde drie overtredingen. Ten eerste voerde hij aan dat de relevante Duitse wetgeving - het Telekommunikationsgesetz (TKG) en het Telemediengesetz (TMG) - niet voorziet in een even uitgebreide verplichting om gebruikers te informeren over de gegevens die met betrekking tot hen zijn opgeslagen als de richtlijn. Meer in het bijzonder is de opslag van gegevens of de toegang tot informatie die is opgeslagen op een apparaat (bekend als 'cookies') niet afhankelijk van het feit dat de gebruiker op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid van een dergelijke opslag of toegang. In de tweede plaats voerde klager aan dat artikel 100 TKG de algemene opslag van gegevens toestaat, niet alleen bij wijze van uitzondering, en dus in strijd is met artikel 15, lid 1, van de richtlijn. Artikel 15, lid 1, bepaalt dat elke wettelijke maatregel die de reikwijdte van de rechten en verplichtingen waarin de richtlijn voorziet, beperkt, "een noodzakelijke, passende en evenredige maatregel in een democratische samenleving"moet zijn. Ten derde zijn de Duitse regels inzake e-mailmarketing volgens klager toleranter dan die van de richtlijn.

2. Op 31 januari 2011 heeft de Commissie een "aankondigingsbrief" gestuurd om klager ervan in kennis te stellen dat zij voornemens was de zaak te sluiten. Ten eerste was zij van mening dat Duitsland de richtlijn naar behoren had uitgevoerd: de TMG stelt dat gebruikers moeten worden geïnformeerd over de wijze en het doel van elke verzameling en verwerking van persoonsgegevens, en de definitie van persoonsgegevens in het Duitse recht is voldoende breed om een adequate bescherming te waarborgen. Wat in de tweede plaats de opslag van gebruikersgegevens betreft, staat het relevante Duitse recht de verwerking van gegevens alleen toe om misbruik te bestrijden, op basis van het noodzakelijkheidsbeginsel. Dit is in overeenstemming met artikel 4 en overweging 29 van de richtlijn, waarin wordt opgeroepen tot maatregelen om de veiligheid van de dienst te waarborgen en de verwerking van factureringsgegevens mogelijk te maken om misbruik van de diensten te bestrijden. Ten derde bepaalt de Duitse wet tegen oneerlijke concurrentie (Gesetz gegen unlauteren Wettbewerb - UWG) dat e-mailmarketing moet worden beperkt tot e-mailadressen die zijn verkregen in het kader van de verkoop van een product of dienst en tot klanten die uitdrukkelijk zijn geïnformeerd dat zij bezwaar kunnen maken tegen het gebruik van hun e-mailadressen.

3. Klager maakte bezwaar tegen de analyse van de Commissie. Ten eerste is de opslag van verbindingsgegevens volgens de richtlijn ongeldig indien een gebruiker niet volledig wordt geïnformeerd, maar is een dergelijke bepaling niet opgenomen in het TMG. Ten tweede is artikel 6 van de richtlijn de enige rechtsgrondslag voor de verwerking van verkeersgegevens. Artikel 4 en overweging 29 zijn derhalve irrelevant. Ten derde is het TKG specifieker dan het UWG en heeft het dus voorrang op het UWG.

4. Op 18 april 2011 heeft de Commissie klager meegedeeld dat zij de zaak op 7 april 2011 had afgesloten, aangezien hij geen nieuwe feiten had verstrekt die de Commissie ertoe hadden kunnen brengen haar standpunt te heroverwegen.

5. Kort daarna wendde klager zich tot de Europese Ombudsman en beweerde dat de Commissie zijn inbreukklacht niet naar behoren had behandeld en dat zij dat moest doen. De Ombudsman heeft een onderzoek geopend [3].

Vermeend verzuim om de inbreukklacht en de daarmee verband houdende vordering naar behoren te behandelen

6. In haar advies verwees de Commissie naar de analyse in haar aankondiging van afsluiting, waarin zij tot de conclusie was gekomen dat Duitsland de richtlijn naar behoren had omgezet. Zij had derhalve besloten geen inbreukprocedure in te leiden. In de voorafgaande afsluitingsbrief waren de meeste argumenten die klager in zijn antwoorden naar voren had gebracht, reeds behandeld. Zij had het argument van klager over de "cookie"-bepaling afgewezen en had reeds de kritiek van klager op zijn beroep op artikel 4 en overweging 29 van de voorafgaande afsluitingsbrief behandeld. De Commissie voegde daaraan toe dat het standpunt van klager over de relatie tussen de TKG en de UWG was gebaseerd op zijn persoonlijke interpretatie van de wet, een interpretatie die hij ook al in zijn eerste beoordeling had afgewezen.

7. De Commissie benadrukte dat zij overeenkomstig vaste rechtspraak [4] over een ruime beoordelingsmarge beschikt om al dan niet een inbreukprocedure in te leiden en beroep in te stellen bij het Hof, dat "geen ruimte laat voor inmenging van derden"[5].

8. In zijn opmerkingen stelde klager dat de Commissie haar besluit om zijn inbreukklacht af te wijzen onvoldoende had gemotiveerd. In het bijzonder was de Commissie niet ingegaan op zijn argument dat het TMG, in strijd met het vereiste van de richtlijn, heeft nagelaten te bepalen dat de opslag van verbindingsgegevens ongeldig is, behalve wanneer de gebruiker volledig is geïnformeerd. Evenmin was ingegaan op zijn argument dat een overweging niet kon worden ingeroepen ter rechtvaardiging van beperkingen van de grondrechten, dat artikel 6 de kwestie van de verwerking van verbindingsgegevens afdoende had bepaald en dat de beperkingen van overweging 29 niet in de Duitse wetgeving waren opgenomen. Hij voegt eraan toe dat hij in een e-mail die hij de Commissie op 25 mei 2011 heeft gestuurd, een aantal nieuwe kwesties aan de orde heeft gesteld en de Commissie heeft verzocht de zaak te heropenen. De Commissie heeft dit in haar advies niet vermeld. Klager wees erop dat artikel 5, lid 3, van de richtlijn inmiddels was gewijzigd. In zijn e-mail had hij de aandacht van de Commissie gevestigd op het feit dat, wat het eerste aspect van zijn klacht betreft, de termijn voor de uitvoering van de nieuwe versie van artikel 5, lid 3, van de richtlijn reeds was verstreken, zonder dat Duitsland uitvoeringsmaatregelen had vastgesteld [6]. Wat het tweede aspect betreft, had klager verwezen naar een arrest van het Duitse Bundesgerichtshof [7], dat volgens hem zijn standpunt bevestigde. Evenzo had hij met betrekking tot het derde aspect van zijn klacht opgemerkt dat de relevante nationale regelgevende instantie zijn interpretatie van de relatie tussen de TKG en de UWG deelde en onderschreef.

Het voorstel van de Ombudsman voor een minnelijke schikking

9. De Commissie beschikt over een ruime beoordelingsvrijheid om te beslissen of zij een inbreukprocedure tegen een lidstaat inleidt. Zoals elke overheidsinstantie moet zij echter altijd goede redenen hebben om de ene handelwijze te kiezen in plaats van de andere, en zij moet die redenen toelichten [8].

10. In haar aan de afsluiting voorafgaande brief heeft de Commissie uitgelegd waarom zij geen redenen voor verdere maatregelen heeft gevonden. Toen de klager echter verdere argumenten aanvoerde, beperkte de Commissie zich ertoe te verklaren dat de klager geen "nieuwe feiten " had aangedragen die haar ertoe zouden brengen haar analyse te heroverwegen. De Commissie heeft dit standpunt niet toegelicht of gemotiveerd.

11. Wat het eerste aspect betreft, is de Commissie onvoldoende ingegaan op het argument van klager dat Duitsland de herziene versie van artikel 5, lid 3, van de richtlijn niet had uitgevoerd. Wat het tweede aspect betreft, zijn artikel 4 en overweging 29 van de richtlijn door de Commissie zelf genoemd. De Ombudsman kon derhalve het standpunt van de Commissie dat zij de argumenten van klager met betrekking tot deze punten reeds had behandeld, niet volgen. Wat het derde aspect betreft, is de vraag of het UWG van toepassing is op e-mailmarketingregels eerst door de Commissie aan de orde gesteld en heeft klager pas later zijn standpunt uiteengezet (en dat van de Bundesnetzagentur). De Ombudsman kon dus het standpunt van de Commissie dat klager geen nieuwe feiten aan de orde had gesteld, niet begrijpen.

12. De Ombudsman was van oordeel dat de maatregelen van de Commissie niet in overeenstemming waren met haar mededeling over de betrekkingen met klagers [9], volgens welke de Commissie eerst een "brief schrijft waarin zij uiteenzet op welke gronden zij voorstelt de zaak te sluiten" (de pre-sluitingsbrief) en klager vier weken de tijd geeft om er opmerkingen over te maken. Indien deze opmerkingen de Commissie er niet toe overhalen haar standpunt te heroverwegen, kan zij besluiten de zaak te sluiten. De Commissie had dus ten minste op de argumenten van klager moeten ingaan en moeten uitleggen waarom deze ontoereikend waren om haar ertoe aan te zetten haar standpunt te wijzigen. Anders zou het verzoek om opmerkingen geen enkel nuttig doel dienen. De Ombudsman kwam derhalve tot de voorlopige bevinding dat deze tekortkoming een geval van wanbeheer kon vormen en stelde voor dat de Commissie zou overwegen de argumenten die klager naar aanleiding van zijn voorafgaande afsluitingsbrief had ingediend, meer in detail te behandelen, met name de verdere argumenten en bewijzen die klager in zijn e-mail van 25 mei 2011 had aangevoerd.

13. In haar antwoord verklaarde de Commissie dat zij het voorstel van de Ombudsman voor een minnelijke schikking had aanvaard en dat zij daarom had besloten in te gaan op de aanvullende opmerkingen van klager van 25 mei 2011.

14. Met betrekking tot het eerste aspect (de verplichting om gebruikers te informeren dat gegevens worden opgeslagen) en met name het argument van klager dat de omzettingstermijn voor het herziene artikel 5, lid 3, van de richtlijn was verstreken zonder dat Duitsland voldoende uitvoeringsmaatregelen had vastgesteld, heeft de Commissie verklaard dat Duitsland haar op 10 mei 2012 heeft meegedeeld dat het Richtlijn 2009/136 [10], waarbij artikel 5, lid 3, van de richtlijn is herzien, had omgezet. Wat het tweede aspect van de klacht (de opslag van verzamelde gegevens) betreft, verklaarde de Commissie dat zij het niet eens was met het standpunt van de klager dat artikel 6 van de richtlijn "uitsluitend [d] bepaalt" hoe verbindingsgegevens kunnen worden verwerkt en handhaafde zij haar beoordeling dat artikel 4 de bewaring van verkeersgegevens toestaat. Bovendien betwistte zij het standpunt van klager dat de grondrechten werden beperkt. De Commissie was het ermee eens dat de overweging als zodanig niet juridisch bindend was, maar merkte op dat zij wel inzicht gaf in de bedoeling van de wetgever, op een wijze die het standpunt van de Commissie en de door de relevante Duitse wetgeving nagestreefde doelstellingen ondersteunde. Ten slotte was de Commissie niet van mening dat het arrest van het Bundesgerichtshof waarnaar klager verwees, "wezenlijke gevolgen voor de onderhavige zaak"had. Wat het derde aspect betreft (de regels inzake e-mailmarketing), bleef de Commissie bij haar standpunt dat artikel 13, lid 2, van de richtlijn correct in Duits recht was omgezet. Zij voegde daaraan toe dat de e-mailuitwisseling van klager met het Bundesnetzagentur deze beoordeling niet heeft gewijzigd.

15. Klager was het niet eens met deze analyse.

16. Hij wees erop dat de Commissie enkel had verklaard dat Duitsland haar had meegedeeld dat zij de gewijzigde richtlijn had omgezet. Het feit dat de betrokken lidstaat uitvoeringsmaatregelen had meegedeeld, was echter niet voldoende. Indien de Commissie de zaak naar behoren had onderzocht, zou zij zich hebben gerealiseerd dat de relevante Duitse wet de kwestie van cookies helemaal niet behandelde en dat Duitsland dus duidelijk nog niet aan zijn verplichtingen had voldaan. Volgens de Duitse toezichthouder voor gegevensbescherming moesten de Europese regels inzake cookies zelfs rechtstreekse werking krijgen omdat Duitsland ze niet naar behoren in Duits recht had omgezet. Klager concludeerde dat de Commissie geen bepaling had kunnen vaststellen die kon worden geacht artikel 5, lid 3, te hebben omgezet. Bovendien had zij verschillende andere lidstaten voor het Hof gedaagd, maar Duitsland niet.

17. Klager was het ook niet eens met het standpunt van de Commissie dat op grond van artikel 4 van de richtlijn verkeersgegevens maximaal zes maanden mogen worden bewaard. Hij verklaarde dat in artikel 6 van de richtlijn het beginsel is vastgelegd dat verkeersgegevens moeten worden gewist. Het voorziet in bepaalde uitzonderingen, maar de in artikel 4 genoemde doelstellingen behoorden daar niet toe. Hoe dan ook was het voor klager duidelijk dat de Duitse regel die het bewaren van gegevens om technische redenen toestaat (in plaats van om ernstige redenen zoals het voorkomen van ernstige criminaliteit) te algemeen is om als evenredig te worden beschouwd. Ten slotte voorziet overweging 29 alleen in de bewaring van gegevens " in individuele gevallen" terwijl de Duitse wetgeving de bewaring van verkeersgegevens over de hele linie toestaat. Klager stelde voor dat de Commissie de EDPS en de werkgroep artikel 29 [11] raadpleegt alvorens een interpretatie van artikel 4 als "ruimschoots en juridisch betwistbaar"aan te nemen zoals zij had gedaan.

18. Wat ten slotte het derde aspect betreft, merkte klager op dat de Commissie zich uitsluitend op het advies van de Duitse regering had gebaseerd en voorbij was gegaan aan het standpunt van de autoriteit die bevoegd is om toezicht te houden op de wet waarbij de richtlijn in Duits recht is omgezet. Hij verzocht de Ombudsman een ander voorstel voor een minnelijke schikking te doen, aangezien het eerste voorstel de Commissie ertoe had aangezet ten minste zijn argumenten in overweging te nemen.

Beoordeling door de Ombudsman na het voorstel voor een minnelijke schikking

19. Het is duidelijk dat de Commissie, naar aanleiding van het voorstel van de Ombudsman voor een minnelijke schikking, een veel gedetailleerdere uitleg heeft gegeven van de redenen waarom zij van mening is dat er geen verdere actie nodig is naar aanleiding van de inbreukklacht van klager. Het is ook duidelijk dat klager het nog steeds niet eens is met het standpunt van de Commissie dat Duitsland de richtlijn naar behoren heeft uitgevoerd.

20. Goed bestuur vereist dat klagers in kennis worden gesteld van de redenen die de Commissie ertoe hebben gebracht een inbreukprocedure af te sluiten. Deze redenen moeten niet alleen juist zijn, maar ook duidelijk en ondubbelzinnig. Door haar discretionaire besluiten adequaat te motiveren, kan de Commissie de betrekkingen met de burgers verbeteren, haar legitimiteit vergroten en haar doeltreffendheid als hoedster van de Verdragen versterken. De Ombudsman zal dus onderzoeken of de Commissie een voldoende gedetailleerde en redelijke verklaring heeft gegeven voor haar besluit om de inbreukklacht van klager niet voort te zetten.

21. Wat het eerste aspect betreft, merkt de Ombudsman op dat de Commissie zich eenvoudigweg heeft gebaseerd op het feit dat Duitsland haar had meegedeeld dat het de herziene versie van artikel 5, lid 3, van de richtlijn in nationaal recht had omgezet. Zoals de klager echter terecht heeft opgemerkt, betekent het feit dat een lidstaat kennis heeft gegeven van maatregelen tot omzetting van een richtlijn niet dat hij deze naar behoren heeft uitgevoerd. Het zou redelijk zijn te verwachten dat de Commissie zou hebben gewezen op een specifieke bepaling, in een specifieke wet, die volgens haar de gewijzigde bepaling van de richtlijn in Duits recht heeft omgezet. De Commissie heeft derhalve onvoldoende uitgelegd waarom zij van mening is dat Duitsland de richtlijn naar behoren heeft uitgevoerd.

22. Wat het tweede aspect van de klacht betreft, voerde klager aan dat artikel 100 TKG in strijd is met de richtlijn omdat het te algemeen is. Artikel 100 TKG geeft dataproviders het recht om, wanneer er voldoende bewijs is van misbruik of fraude, te verwijzen naar opgeslagen verbindingsgegevens die minder dan zes maanden oud zijn om dergelijke zaken te vervolgen. De Commissie voerde daarentegen aan dat deze bepaling "gebaseerd was op het noodzakelijkheidsbeginsel" en uitvoering gaf aan de in artikel 4 en overweging 29 van de richtlijn genoemde doelstellingen, namelijk het waarborgen van de veiligheid van diensten en het opsporen en beëindigen van fraude in de vorm van onbetaald gebruik van de elektronische-communicatiedienst.

23. Het standpunt van de Commissie dat de door klager bekritiseerde regels inzake de opslag van gegevens in het tweede aspect van de klacht de grondrechten niet beperken, is verrassend, gezien de inhoud van de artikelen 7 (betreffende het recht op privacy) en 8 (betreffende de bescherming van persoonsgegevens) van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name gezien het recente arrest van het Hof van Justitie [12] waarbij de richtlijn gegevensbewaring [13] nietig werd verklaard wegens een "ruime en bijzonder ernstige inmenging in deze grondrechten [te weten het recht op privacy en de bescherming van persoonsgegevens] in de rechtsorde van de Europese Unie, zonder dat een dergelijke inmenging nauwkeurig wordt afgebakend door bepalingen om ervoor te zorgen dat deze daadwerkelijk beperkt blijft tot wat strikt noodzakelijk is"[14]. Bovendien heeft de Commissie niet uitgelegd waarom zij van mening is dat het arrest van het Bundesgerichtshof (dat betrekking heeft op de werkingssfeer van artikel 100 TKG met betrekking tot de opslag van IP-adressen) "geen materiële gevolgen"heeft voor de onderhavige zaak. De uitleg van de Commissie op dit punt is dus niet overtuigend genoeg.

24. Wat het derde aspect betreft, had de Commissie aangevoerd dat artikel 7 UWG, dat Duitsland had aangemeld in het kader van de maatregelen tot omzetting van de richtlijn in nationaal recht, op de zaak van toepassing was. Klager deelde de Commissie echter mee dat de Bundesnetzagentur, die belast was met de uitvoering van de omgezette regels in de praktijk, het niet eens was met dit standpunt. De Commissie verwierp de relevantie van dit feit. Het is echter duidelijk dat wanneer de wetgever een standpunt inneemt en de met de uitvoering van de relevante wetgeving belaste administratieve autoriteit een ander standpunt inneemt, de burgers waarschijnlijk te maken zullen krijgen met rechtsonzekerheid over de correcte omzetting en toepassing van het Unierecht door een lidstaat. Aangezien de Commissie hierover geen zinvolle uitleg heeft gegeven, is het niet duidelijk waarom zij haar standpunt handhaaft dat er geen sprake is van schending van het Unierecht en er dus geen reden is om in te grijpen.

25. In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman van oordeel dat de Commissie haar besluit om de inbreukklacht van klager af te wijzen onvoldoende heeft toegelicht. Dit is een geval van wanbeheer. Daarom doet zij hieronder een overeenkomstige ontwerpaanbeveling, overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het Statuut van de Europese Ombudsman.

De ontwerpaanbeveling

Op basis van het onderzoek naar deze klacht doet de Ombudsman de volgende ontwerpaanbeveling aan de Commissie:

De Commissie moet haar onderzoek naar de door de klager bij haar ingediende inbreukklacht hervatten of passende toelichtingen geven om te rechtvaardigen waarom zij van mening is dat er geen verdere maatregelen nodig zijn.

De Commissie en de klager zullen van deze ontwerpaanbeveling in kennis worden gesteld. Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het Statuut van de Europese Ombudsman zendt de Commissie uiterlijk op 31 augustus 2014 een omstandig advies toe.

 

Emily O'Reilly

Gedaan te Straatsburg op 21 mei 2014


[1] Besluit van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese Ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt (94/262/EGKS, EG, Euratom), PB L 113, blz. 15.

[2] Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB 2002, L 201, blz. 37), laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 (PB 2009, L 337, blz. 11).

[3] Voor meer informatie over de achtergrond van de klacht, de argumenten van de partijen en het onderzoek van de Ombudsman wordt verwezen naar de volledige tekst van het voorstel voor een minnelijke schikking van de Ombudsman, beschikbaar op http://www.ombudsman.europa.eu/en/cases/correspondence.faces/en/54437/html.bookmark

[4] In dit verband verwees de Commissie naar het arrest van het Hof van 14 september 1999, Commissie/België (C-207/97, Jurispr. blz. I-275, punt 24).

[5] De Commissie heeft verwezen naar zaak C-236/99, Commissie/België, Jurispr. 2000, blz. I-5657, punt 28, en naar zaak C-383/00, Commissie/Duitsland, Jurispr. 2002, blz. I-4219, punt 19.

[6] De nieuwe versie waarnaar klager verwijst, is ingevoerd bij Richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten, Richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie en Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming. De uiterste datum voor de omzetting van dit amendement was 25 mei 2011.

[7] Namelijk het besluit van 13 januari 2011, III ZR 146/10, Speicherung dynamischer IP-Adressen..

[8] Zie het besluit van de Ombudsman tot afsluiting van het onderzoek naar klacht 995/98/OV.

[9] Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Europese Ombudsman over

betrekkingen met de klager in verband met inbreuken op het Gemeenschapsrecht (COM(2002) 141 def.), PB 2002, C 166, blz. 3. Sinds de inleiding van dit onderzoek is dit geactualiseerd in de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 2.4.2012 (COM(2012) 154 final).

[10] Zie voetnoot 6.

[11] De klager verwijst naar de "Groep gegevensbescherming artikel 29", een onafhankelijke adviesgroep die is opgericht bij richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281, blz. 31). Het bestaat uit vertegenwoordigers van de relevante toezichthoudende autoriteiten van elke lidstaat van de EU, een vertegenwoordiger van de EDPS en een vertegenwoordiger van de Europese Commissie.

[12] Arrest van 8 april 2014, Digital Rights Ireland en Seitlinger e.a. (C-293/12 en C-594/12, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).

[13] Richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronischecommunicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van Richtlijn 2002/58/EG (PB 2006, L 105, blz. 54).

[14] Punt 65 van het in voetnoot 12 aangehaalde arrest.

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!