Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van haar onderzoek naar klachten 1874/2011/(EIS)LP en 1877/2011/(EIS) LP tegen de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen
Besluiten
Zaak 1874/2011/LP - Geopend op Donderdag | 27 oktober 2011 - Besluit over Woensdag | 26 februari 2014 - Betrokken instelling Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen ( Kritische opmerking )
Achtergrond van de klacht
1. De onderhavige onderzoeken hebben betrekking op het besluit dat de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen ("EIOPA") in 2011 heeft genomen over de samenstelling van de Stakeholdergroep verzekeringen en herverzekeringen ("IRSC") en de Stakeholdergroep bedrijfspensioenen ("OPSG"). Dat besluit is genomen krachtens Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie [1] ("de verordening"). Op 4 oktober 2013 en na een nieuwe selectieprocedure te hebben uitgevoerd (die in mei 2013 van start is gegaan), kondigde de Eiopa aan dat de twee groepen belanghebbenden hun tweede werkperiode zouden beginnen met een herziene samenstelling. Het onderzoek naar deze klacht omvatte constructieve besprekingen tussen het personeel van Eiopa en de diensten van de Ombudsman. Op basis van deze besprekingen verwachtte de Ombudsman dat de Eiopa het nieuwe selectieproces naar behoren en in overeenstemming met de analyse van het oorspronkelijke proces door de Ombudsman zou uitvoeren. In dit besluit wordt de tweede selectieprocedure of de uitkomst ervan echter niet geëvalueerd.
2. De klager in zaak 1874/2011/(EIS)LP, EuroFinuse (voorheen EuroInvestors), is een Europese federatie van gebruikers van financiële diensten, bestaande uit spaarders, beleggers, aandeelhouders, houders van levensverzekeringspolissen, kredietnemers en andere belanghebbenden die onafhankelijk zijn van de financiële sector.[2] De klager in zaak 1877/2011/(EIS)LP, BEUC (Bureau européen des Unions de Consommateurs), is een Europese consumentenorganisatie die onafhankelijke nationale consumentenorganisaties uit meer dan dertig Europese landen vertegenwoordigt. Haar voornaamste taak bestaat erin haar leden te vertegenwoordigen en de belangen van de Europese consumenten te verdedigen.
3. Overweging 47 van de verordening luidt als volgt:
"De Autoriteit moet de belanghebbende partijen raadplegen over technische regelgevings- of uitvoeringsnormen, richtsnoeren en aanbevelingen en hen een redelijke gelegenheid bieden opmerkingen te maken over voorgestelde maatregelen. Alvorens ontwerpen van technische regulerings- of uitvoeringsnormen, richtsnoeren en aanbevelingen vast te stellen, moet de Autoriteit een effectbeoordeling uitvoeren. Om redenen van efficiëntie moeten daartoe een Stakeholdergroep verzekeringen en herverzekeringen en een Stakeholdergroep bedrijfspensioenen worden gebruikt, die in evenwichtige verhoudingen de relevante financiële instellingen vertegenwoordigen die in de Unie actief zijn en die de diverse bedrijfsmodellen en omvang van financiële instellingen en bedrijven vertegenwoordigen; kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's); vakbonden; academici; consumenten; andere niet-professionele gebruikers van die financiële instellingen; en vertegenwoordigers van relevante beroepsverenigingen. Die groepen van belanghebbenden moeten fungeren als interface met andere gebruikersgroepen op het gebied van financiële diensten die door de Commissie of door de wetgeving van de Unie zijn opgericht.
4. Artikel 37, lid 2, van de verordening bepaalt:
"De Stakeholdergroep verzekeringen en herverzekeringen [IRSG] bestaat uit 30 leden, die in evenwichtige verhouding verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en verzekeringstussenpersonen vertegenwoordigen die in de Unie actief zijn, en hun werknemersvertegenwoordigers, alsmede consumenten, gebruikers van verzekerings- en herverzekeringsdiensten, vertegenwoordigers van kmo's en vertegenwoordigers van relevante beroepsverenigingen. Ten minste vijf van haar leden zijn onafhankelijke hooggeplaatste academici. Tien van haar leden vertegenwoordigen verzekeringsondernemingen, herverzekeringsondernemingen of verzekeringstussenpersonen, van wie er drie coöperatieve en onderlinge verzekeraars of herverzekeraars vertegenwoordigen.
5. Artikel 37, lid 3, van de verordening bepaalt:
"De Stakeholdersgroep bedrijfspensioenen [OPSG] bestaat uit 30 leden, die in de Unie werkzame instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, vertegenwoordigers van werknemers, vertegenwoordigers van begunstigden, vertegenwoordigers van kmo's en vertegenwoordigers van relevante beroepsverenigingen evenwichtig vertegenwoordigen. Ten minste vijf van haar leden zijn onafhankelijke hooggeplaatste academici. Tien van haar leden vertegenwoordigen instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening".
6. Artikel 37, lid 4, van de verordening luidt als volgt:
"De leden van de Stakeholdersgroepen worden benoemd door de raad van toezichthouders van de Eiopa op voordracht van de relevante belanghebbenden. Bij het nemen van zijn besluit zorgt de raad van toezichthouders, voor zover mogelijk, voor een passend geografisch en genderevenwicht en een passende vertegenwoordiging van belanghebbenden in de hele Unie".
7. Op 26 november 2010 is op de website van Eiopa een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling voor de oprichting van de OPSG en de IRSG gepubliceerd, met als uiterste datum voor het indienen van aanvragen 31 december 2010. Op 8 maart 2011 heeft de Eiopa een persbericht uitgebracht over de samenstelling van haar twee groepen belanghebbenden.[3] Het persbericht bevatte informatie over de namen van de nieuw benoemde leden van de twee groepen belanghebbenden, de instellingen die elk van hen vertegenwoordigde, hun nationaliteit en de categorie waarvoor zij waren geselecteerd.
8. Op 16 maart 2011 heeft de klager in zaak 1874/2011/(EIS)LP een brief gericht aan de voorzitter van de Eiopa waarin hij zijn teleurstelling uitte over de samenstelling van de twee groepen belanghebbenden. De klager voerde aan dat de samenstelling van deze twee groepen niet in overeenstemming was met de bepalingen van de verordening en verzocht de Eiopa "onmiddellijke actie" te ondernemen om te zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van alle gebruikers in overeenstemming met de verordening. Op 21 april 2011 heeft de klager in zaak 1877/2011/(EIS)LP ook een brief aan de voorzitter van de Eiopa gestuurd waarin hij soortgelijke punten van zorg aan de orde stelde en de Eiopa verzocht de samenstelling van beide groepen belanghebbenden te heroverwegen.
9. Op 14 september 2011 dienden de klagers de onderhavige klachten in.
Onderwerp van het onderzoek
10. De klagers dienden vrijwel identieke beweringen en argumenten in, met als enige verschil dat, terwijl de klager in zaak 1874/2011/(EIS)LP klaagde over de samenstelling van zowel de IRSG als de OPSG, de klager in zaak 1877/2011/(EIS)LP alleen klaagde over de samenstelling van de IRSG. Omwille van de administratieve efficiëntie besloot de Ombudsman derhalve beide klachten gezamenlijk te onderzoeken en de volgende beweringen en vorderingen in één onderzoek op te nemen.
Beschuldigingen:
1. De Eiopa heeft niet gezorgd voor i) geografisch evenwicht en ii) genderevenwicht binnen en tussen de categorieën belanghebbenden van de IRSG en de OPSG, zoals vereist op grond van artikel 37, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1094/2010.
2. De Eiopa heeft bij de selectie van leden van de IRSG en de OPSG niet gezorgd voor een passend evenwicht tussen de vertegenwoordigers van de sector enerzijds en die van gebruikers en consumenten anderzijds.
3. De Eiopa heeft een onjuiste definitie vastgesteld van de verschillende categorieën belanghebbenden waarin Verordening (EU) nr. 1094/2010 voorziet.
Vorderingen:
1. De Eiopa moet de samenstelling van de IRSG en de OPSG zo spoedig mogelijk heroverwegen, en in ieder geval zonder te wachten op de vernieuwing van haar lidmaatschap, die in 2013 zal plaatsvinden.
2. De Eiopa moet de cv's van de geselecteerde leden en de selectiecriteria op haar website publiceren.
Het onderzoek
11. Op 27 oktober 2011 heeft de Ombudsman de Eiopa verzocht een advies uit te brengen over bovengenoemde aantijgingen en vorderingen.
12. Op 31 januari 2012 heeft de Eiopa haar advies ingediend, dat voor opmerkingen aan de klagers is toegezonden. Op 29 en 30 maart 2012 hebben respectievelijk EuroFinuse en BEUC hun opmerkingen ingediend.
13. Na het advies van Eiopa en de opmerkingen van de klagers te hebben onderzocht, concludeerde de Ombudsman dat het noodzakelijk was over te gaan tot een inspectie van het dossier van Eiopa met betrekking tot deze zaak. De inspectie vond plaats op 18 april 2013. Het inspectieverslag is op 30 mei 2013 aan de klagers toegezonden met het oog op hun eventuele opmerkingen. De klagers hebben geen opmerkingen ingediend.
Analyse en conclusies van de Ombudsman
A. Bewering dat de Eiopa niet heeft gezorgd voor i) geografisch evenwicht en ii) genderevenwicht binnen en tussen de categorieën belanghebbenden van de IRSG en de OPSG, zoals vereist op grond van artikel 37, lid 4, van de verordening
Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten
14. De klagers betwisten de wijze waarop de Eiopa omging met de vereisten van artikel 37, lid 4, van de verordening. Zij bekritiseerden met name het feit dat i) met betrekking tot de IRSG er geen vertegenwoordigers van de verzekerings- en herverzekeringssector uit de "nieuwe" lidstaten zijn (d.w.z. de lidstaten die in of na 2004 tot de EU zijn toegetreden), terwijl met betrekking tot de OPSG slechts één van de tien leden van de sector uit een "nieuwe" lidstaat kwam, ii) met betrekking tot de IRSG acht van de dertig leden uit Duitsland kwamen, terwijl met betrekking tot de OPSG vijf van de dertig leden uit het Verenigd Koninkrijk kwamen, waarbij deze twee landen dus oververtegenwoordigd waren in de respectieve twee groepen belanghebbenden, en iii) de Eiopa slechts acht vrouwen uit de dertig leden van zowel de IRSG als de OPSG selecteerde.
15. In haar advies voerde de Eiopa aan dat zij, om te voldoen aan het vereiste van “een passend geografisch evenwicht” en “vertegenwoordiging van belanghebbenden in de hele Unie”, heeft besloten dat de leden moeten worden gekozen uit zoveel mogelijk verschillende soorten cultureel erfgoed, waardoor een brede vertegenwoordiging van regelgevingsbenaderingen en marktstructuren wordt gewaarborgd. Het benadrukte ook dat het selectieproces in de eerste plaats gebaseerd was op de professionele expertise en ervaring van de kandidaten.
i) Wat het geografisch evenwicht betreft
16. De Eiopa legde uit dat wat de IRSG betreft, slechts 12 van de 100 in aanmerking komende kandidaten afkomstig waren uit "nieuwe" lidstaten (12 %) en dat slechts 3 van hen een aanvraag indienden voor de categorie "industrie". Geen van hen werd echter geselecteerd vanwege onvoldoende ervaring, uitsluitend nationale professionele focus en/of beperkte Engelse taalvaardigheden. Er waren echter drie kandidaten uit "nieuwe lidstaten" die in de IRSG werden benoemd, twee in de categorie "consumenten" en één in de categorie "academici", wat neerkomt op 10 % van de IRSG. Wat de OPSG betreft, waren er uit een in aanmerking komende pool van 91 kandidaten slechts 11 afkomstig uit "nieuwe" lidstaten, van wie er vier zich kandidaat stelden voor de categorie "industrie". Op basis van hun kwalificaties heeft de Eiopa slechts één zeer ervaren kandidaat geselecteerd. Het heeft een tweede verzoeker voor deze categorie afgewezen, aangezien hij afkomstig was van dezelfde organisatie als het eerst gekozen lid. In totaal heeft de Eiopa vier kandidaten uit nieuwe lidstaten voor de OPSG benoemd, één voor de categorie "industrie", twee voor de categorie "consumenten" en één voor de categorie "academici". Hoewel kandidaten uit "nieuwe" lidstaten slechts 12,1 % van alle in aanmerking komende kandidaten vertegenwoordigden, vormden zij 13,3 % van de leden van de OPSG.
ii) Het aantal Duitse en Britse kandidaten
17. Volgens de Eiopa vertegenwoordigden, wat de IRSG betreft, aanvragen van Duitse onderdanen 20,8 % van alle in aanmerking komende aanvragen. De Eiopa benadrukte dat alle geselecteerde Duitse aanvragers niet alleen als de beste in hun respectieve categorie werden beschouwd (op basis van hun professionele en/of academische ervaring), maar ook een specifieke expertise boden die waardevol was voor de IRSG. Wat de OPSG betreft, wees de Eiopa erop dat de aanvragen van het VK 14,3 % van alle in aanmerking komende aanvragen vertegenwoordigden en dat zij besloot vijf Britse kandidaten (16,7 %) aan te wijzen, niet alleen vanwege hun ervaring en deskundigheid, maar ook vanwege het belang van de Britse markt voor pensioenregelingen.
iii) Wat het genderevenwicht betreft
18. De Eiopa wees erop dat er negen, niet acht vrouwen bij de IRSG waren aangesteld. Zij is van mening dat 30 % van de IRSG-leden vrouw is, vergeleken met een aandeel van slechts 20 % in aanmerking komende vrouwelijke aanvragen, en dat 26,7 % van de OPSG-leden vrouw is, vergeleken met een aandeel van slechts 14,3 % in aanmerking komende vrouwelijke aanvragers, en dat zij volledig heeft voldaan aan de eis van de verordening om, voor zover mogelijk, een genderevenwicht te waarborgen.
Beoordeling door de Ombudsman
19. Het is de eerste keer dat de Eiopa overeenkomstig de verordening een groep belanghebbenden aanwijst. In dit verband acht de Ombudsman het nuttig om twee inleidende opmerkingen te maken. Ten eerste is het niet de taak van de Ombudsman om haar keuze van leden van de IRSG en de OPSG in de plaats te stellen van die van de Eiopa. Bij het onderzoek naar wanbeheer gaat de Ombudsman na of de Eiopa bij de uitvoering van de selectieprocedure rechtmatig en in overeenstemming met de beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Ten tweede is de Ombudsman zich bewust van de moeilijkheden die inherent zijn aan het combineren van geografische, gender- en belangenvertegenwoordigingscriteria met de noodzaak om ervoor te zorgen dat de gekozen leden bekwaam zijn, met name gezien het feit dat, zoals hierboven vermeld, de Eiopa geen eerdere ervaring had met de uitvoering van deze taak. Ten slotte is de Ombudsman van mening dat het redelijk was dat de Eiopa haar selectie van de leden van de twee groepen had beperkt tot kandidaten uit degenen die belangstelling hadden getoond voor benoeming na een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling gericht aan potentiële belanghebbenden. Deze aanpak was in overeenstemming met artikel 37, lid 4, van de verordening en het daarin neergelegde vereiste dat "de leden van de Stakeholdersgroepen worden benoemd door de raad van toezichthouders, op voorstel van de relevante belanghebbenden".
20. Vervolgens merkt de Ombudsman op dat zij reeds zeer vergelijkbare selectieprocedures heeft onderzocht die werden uitgevoerd door i) de Europese Bankautoriteit (besluit tot afsluiting van haar onderzoek naar klacht 1966/2011/(EIS)LP - het "UNI-besluit"), en ii) de Europese Autoriteit voor effecten en markten (besluit tot afsluiting van haar onderzoek naar klacht 1967/2011/(EIS)LP - het "UNI II-besluit"), waarin ook zeer vergelijkbare argumenten werden aangevoerd. [4] Aangezien de selectieprocedures waarop de UNI- en UNI II-besluiten betrekking hebben, gebaseerd waren op twee verordeningen [5] waarvan de relevante bepalingen vrijwel identiek zijn aan die van de onderhavige verordening, zal de Ombudsman in voorkomend geval verwijzen naar haar bevindingen en conclusies in deze twee besluiten.
i) Wat het geografisch evenwicht betreft
21. De Ombudsman heeft in het UNI-besluit reeds benadrukt dat, gezien het bestaan van een interne markt voor financiële diensten, waarvan de markten voor verzekeringen en bedrijfspensioenen volgens de verordening twee belangrijke segmenten zijn, het van essentieel belang is dat elke adviesgroep van belanghebbenden die is opgericht om de belangen van verschillende segmenten van de financiëledienstensector te weerspiegelen, voor zover mogelijk een getrouwe weergave is van de werkelijke geografische spreiding van de sector, die in beginsel zoveel mogelijk EU-landen bestrijkt. Na eerst te hebben opgemerkt dat het doel van het in de toepasselijke verordening vastgestelde vereiste van een passend geografisch evenwicht zou worden gedwarsboomd, tenzij het ook, voor zover mogelijk, binnen elk van de verschillende categorieën leden van de betrokken groep belanghebbenden zou worden toegepast, kwam de Ombudsman tot de volgende conclusies.
22. Wat ten eerste de samenstelling van de categorie "industrie" betreft, constateerde de Ombudsman in het UNI-besluit dat de EBA, bij gebrek aan een overtuigende verklaring, door te besluiten 9 van de 10 leden van de categorie "industrie" te benoemen door vertegenwoordigers uit "oude" lidstaten te selecteren, niet voldeed aan het vereiste om "voor zover mogelijk" te zorgen voor "een passend geografisch evenwicht en een passende vertegenwoordiging van belanghebbenden in de hele Unie". In het onderhavige geval stelt de Ombudsman vast dat de Eiopa evenmin overtuigend heeft uitgelegd waarom alle leden van de categorie "industrie" van de IRSG en 9 van de 10 van de categorie "industrie" van de OPSG afkomstig waren uit "oude" lidstaten.
23. Wat meer in het bijzonder de samenstelling van de IRSG betreft, voerde de Eiopa aan dat in aanmerking komende aanvragen uit "nieuwe" lidstaten slechts 12 % van alle aanvragen vertegenwoordigden en dat geen van de drie aanvragers die zich hadden aangemeld voor de categorie "industrie" over de vereiste ervaring, voldoende Engelse taalvaardigheid en/of een Europese "professionele focus" beschikte. De Ombudsman erkent dat het geringe aantal sollicitaties van kandidaten uit "nieuwe" lidstaten de taak van Eiopa om te zorgen voor een passend geografisch evenwicht bemoeilijkte. Afgezien van het vereiste van voldoende beroepservaring is er echter niets in de verordening waarop een beroep kan worden gedaan om het besluit van de Eiopa om kandidaten af te wijzen te rechtvaardigen op gronden als "beperkte Engelse taalvaardigheid" en/of "exclusieve nationale beroepsgerichtheid". Wat met name de vermeende beperkte Engelse taalvaardigheid van de kandidaten in kwestie betreft, is de Ombudsman van mening dat de Eiopa met alternatieve oplossingen had kunnen komen (zoals het toestaan dat die aanvragers een andere taal gebruiken die ook door de resterende leden van die categorie kan worden begrepen of het verlenen van vertaaldiensten of zelfs simultaanvertolking tijdens vergaderingen) in plaats van te eindigen met een situatie waarin geen van de tien leden van de categorie "industrie" uit een "nieuwe" lidstaat kwam. Wat betreft de vermeende overdreven nationale professionele focus van de betrokken kandidaten, zou men verwachten dat aanvragers een zeer goede en solide kennis hebben van kwesties die in de eerste plaats betrekking hebben op hun eigen industriële markt, in plaats van die van de hele Unie. Het eigenlijke doel van de oprichting van dergelijke Stakeholdergroepen is om vertegenwoordigers van de verschillende lidstaten in staat te stellen de kennis en ervaring van hun eigen nationale industrie te delen met de resterende leden van de Stakeholdergroep, en zo bij te dragen tot de bevordering van een stabiele en eengemaakte markt van de Unie voor financiële diensten, zoals vastgelegd in de verordening.
24. Zo stelt de Ombudsman vast dat de Eiopa in het onderhavige geval, wat de samenstelling van de IRSG betreft, een geval van wanbeheer heeft begaan (zie naar analogie de punten 26-29 van het UNI-besluit). Om deze redenen zal de Ombudsman hieronder dezelfde kritische opmerking maken als in het UNI-besluit.
25. Wat de samenstelling van de OPSG betreft, voerde de Eiopa aan dat zij, na slechts vier sollicitaties van kandidaten uit de "nieuwe" lidstaten voor de categorie "industrie" te hebben ontvangen, slechts één zeer ervaren kandidaat had geselecteerd en een tweede kandidaat moest afwijzen op grond dat hij dezelfde organisatie vertegenwoordigde als de geselecteerde kandidaat. De Ombudsman erkent dat de Eiopa in dit geval met zo'n beperkt aantal aanvragen mogelijk geen andere keuze had dan de enige aanvrager aan te wijzen die over de vereiste kwalificaties beschikte. Zij is ook van mening dat het standpunt van de Eiopa om geen tweede kandidaat uit de "nieuwe" lidstaten te benoemen op grond van het feit dat hij dezelfde organisatie vertegenwoordigde als de eerste te benoemen persoon redelijk is. In dit verband kan dus geen wanbeheer worden vastgesteld. Niettemin is de Ombudsman van mening dat het in het belang van de Eiopa is dat zij alle maatregelen neemt die zij passend acht, of het nu gaat om bewustmaking van vertegenwoordigers van het bedrijfsleven uit "nieuwe" lidstaten of om verdere versterking van haar banden met de overeenkomstige regelgevende instanties van die lidstaten, om ervoor te zorgen dat in de toekomst een groter aantal aanvragen voor de sectorcategorie wordt ontvangen, ten minste wat de OPSG betreft. De Ombudsman zal hieronder dus nog een overeenkomstige opmerking maken.
ii) Het aantal Duitse en Britse kandidaten
26. Wat het aantal vertegenwoordigers van de Duitse (IRSG) en Britse (OPSG) nationaliteit betreft, benadrukte de Eiopa dat het belangrijkste criterium "beroepservaring" was en dat de relevante benoemingen het feit weerspiegelden dat de meeste aanvragen voor de IRSG en de OPSG respectievelijk uit Duitsland en het Verenigd Koninkrijk kwamen. Zoals hierboven vermeld, erkent de Ombudsman dat het selectieproces wordt beïnvloed door de kwaliteit en, tot op zekere hoogte, ook door het aantal sollicitaties van kandidaten uit een bepaalde lidstaat. Hoewel het op het eerste gezicht vrij moeilijk te begrijpen is waarom van de 30 leden die moesten worden geselecteerd uit kandidaten uit de toenmalige 27 lidstaten, acht leden in het geval van de IRSG en vijf leden in het geval van de OPSG werden gekozen uit één enkele lidstaat (respectievelijk Duitsland en het Verenigd Koninkrijk), merkt de Ombudsman op dat de klagers geen kritiek hebben geuit op de uitleg van de Eiopa over de redenen die haar ertoe hebben gebracht de betrokken benoemingen te verrichten. Bovendien neemt de Ombudsman nota van het feit dat 3 van de 8 Duitse onderdanen die bij de IRSG waren benoemd en 2 van de 5 Britse onderdanen die bij de OPSG waren benoemd, vrouwen waren, een overweging die ook moet worden gezien als onderdeel van de algemene inspanningen van Eiopa om, voor zover mogelijk, een passend genderevenwicht te waarborgen. In deze omstandigheden stelt de Ombudsman geen wanbeheer vast met betrekking tot dit aspect van de onderhavige zaak. Niettemin acht de Ombudsman het nuttig de Eiopa eraan te herinneren dat het raadzaam zou zijn om in de toekomst zodanig op te treden dat het risico wordt vermeden dat een of meer lidstaten oververtegenwoordigd lijken. De Ombudsman zal in dit verband hieronder nog een opmerking maken.
iii) Wat het genderevenwicht betreft
27. Wat ten slotte de argumenten van klagers betreft dat slechts 9 van de 30 bij de IRSG benoemde verzoekers en 8 van de 30 bij de OPSG benoemde verzoekers vrouwen waren, is de Ombudsman om dezelfde redenen als die welke in de UNI- en UNI II-besluiten zijn uiteengezet, niet van mening dat de Eiopa zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeheer (zie bijvoorbeeld punt 34 van het UNI-besluit). Net als in de UNI- en UNI II-besluiten neemt de Ombudsman nota van de uitleg van Eiopa dat aanvragen van vrouwen voor de IRSG slechts 20 % van alle ontvangen subsidiabele aanvragen vertegenwoordigden, terwijl aanvragen van vrouwen voor de OPSG een nog lager percentage vertegenwoordigden, namelijk 14,3 % van alle ontvangen subsidiabele aanvragen. Om te voldoen aan de eis om, voor zover mogelijk, een passend genderevenwicht te waarborgen, heeft de Eiopa uiteindelijk besloten 9 vrouwen in de IRSG te benoemen, dat wil zeggen 30 % van het totale aantal leden van de IRSG, en 8 vrouwen in de OPSG, dat wil zeggen 26,7 % van het totale aantal leden van de OPSG. Zo erkent de Ombudsman, net als in de UNI- en UNI II-besluiten, de inspanningen van de Eiopa om het zeer lage percentage aanvragen van vrouwen tegen te gaan door een groter percentage vrouwelijke leden te benoemen. In deze omstandigheden vindt zij geen wanbeheer met betrekking tot dit aspect. Om de in de UNI- en UNI II-besluiten uiteengezette redenen (zie punt 34 van het UNI-besluit) zal de Ombudsman hieronder echter nog een opmerking maken.
B. Bewering dat de Eiopa niet heeft gezorgd voor een passend evenwicht tussen de vertegenwoordiging van de sector enerzijds en die van gebruikers en consumenten anderzijds
Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten
28. De klagers voerden aan dat de Eiopa niet heeft gezorgd voor een passend evenwicht tussen de categorieën belanghebbenden waarin de verordening voorziet. Meer in het bijzonder voeren zij aan dat: i) wat de IRSG betreft, zijn slechts vier van de vijf geselecteerde leden daadwerkelijke vertegenwoordigers van consumenten, en wat de OPSG betreft, zijn slechts twee van de drie geselecteerde leden daadwerkelijke vertegenwoordigers van begunstigden of consumenten, waarbij de derde een academische vertegenwoordiger is en geen consumentenvertegenwoordiger; ii) in beide groepen belanghebbenden zijn er geen vertegenwoordigers van kmo’s; iii) wat de IRSG betreft, zijn intermediairs, met name makelaars, ondervertegenwoordigd, terwijl wat de OPSG betreft, de Eiopa werkgeversvertegenwoordigers heeft geselecteerd zonder dat de verordening hierin voorziet; iv) wat de IRSG betreft, is een van de in de categorie "academici" geselecteerde personen directeur van een nationale federatie van verzekeringsondernemingen en kan hij dus niet als onafhankelijk worden beschouwd, terwijl twee andere leden werken voor organisaties die grotendeels door de financiële sector worden gefinancierd; en v) wat betreft "retailgebruikers" en "vertegenwoordigers van relevante beroepsverenigingen", geen vertegenwoordigers van verenigingen van houders van levensverzekeringen zijn benoemd in de IRSG en geen vertegenwoordigers van "pensioendeelnemersverenigingen"in de OPSG.
29. De Eiopa voerde aan dat de selectie van de leden van de verschillende categorieën in overeenstemming was met de vereisten van de verordening.
i) Wat consumenten/begunstigden betreft
30. De Eiopa legde uit dat de in zowel de IRSG als de OPSG benoemde consumentenvertegenwoordiger een academische functie bekleedt aan de Warschau School of Economics, zes jaar als verzekeringsombudsman in Polen heeft gediend, en dat zijn meest recente onderzoeksproject gericht was op consumentenkrediet en woningkredieten en de rol van activa en hun verdeling in de pensioenen, huisvesting en financiële besparingen van mensen. Hij werd dus geselecteerd voor de IRSG in zijn persoonlijke hoedanigheid als gewone consument. Dezelfde aanvrager, die lid was van een verplicht pensioenfonds in Polen, werd ook geselecteerd voor de categorie begunstigden/consumenten van de OPSG.
ii) Wat het MKB betreft
31. De Eiopa legde uit dat er met betrekking tot de IRSG vier aanvragen waren voor de categorie kmo’s. Twee van hen vertegenwoordigden entiteiten die al in de categorie "industrie" waren benoemd, de derde was een onderlinge verzekeringsmaatschappij die niet onder de definitie van een kmo viel, en de vierde was een vertegenwoordiger van de International Association of Legal Protection Insurance (RIAD). De KMO's waren dus reeds vertegenwoordigd door twee entiteiten die in de categorie "industrie" waren aangewezen. Wat de OPSG betreft, was er geen aanvraag voor de categorie kmo’s. De Eiopa heeft echter een aanvrager geselecteerd die is aangesloten bij een vereniging waarvan bekend is dat zij de belangen van kmo's behartigt ("BusinessEurope").
iii) Wat betreft de vertegenwoordiging van tussenpersonen (IRSG) en de benoeming van werkgeversvertegenwoordigers (OPSG)
32. De Eiopa legde uit dat de "Europese Federatie van verzekeringstussenpersonen (BIRAP) in de IRSG vertegenwoordigd is via de voorzitter van haar directiecomité, waardoor een sterke vertegenwoordiging van "tussenpersonen", met inbegrip van makelaars, wordt gewaarborgd. Hoewel zij drie aanvullende aanvragen ontving van (her)verzekeringstussenpersonen, waren er twee van leden van BIRAP en een derde van een kandidaat met een sterke nationale focus. Wat de benoeming van vertegenwoordigers van werkgevers in de OPSG betreft, voerde de Eiopa aan dat het voor het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening belangrijk is dat zowel werkgevers- als werknemersvertegenwoordigers in de OPSG worden benoemd. De EIOPA is van mening dat de lijst van categorieën van artikel 37, lid 3, van de verordening niet uitputtend is.
iv) Wat de academici betreft
33. De Eiopa wees erop dat de bij de IRSG benoemde academicus met ingang van 1 januari 2012 is afgetreden en dat een nieuwe oproep voor een kandidaat om hem te vervangen zal worden gelanceerd. Wat betreft de twee andere academici wier onafhankelijkheid ook in twijfel werd getrokken, erkende de Eiopa dat een van hen inderdaad een begiftigd hoogleraarschap/voorzitter aan een Duitse universiteit heeft. Dergelijke gesponsorde leerstoelen worden echter gereguleerd door een gedetailleerde gedragscode die de vereiste transparantie, onafhankelijkheid en vrijheid van onderzoek en onderwijs waarborgt. Er zijn meer dan 1000 van dergelijke stoelen aan Duitse universiteiten. De leerstoel in kwestie wordt ook gefinancierd door de Duitse verzekeringsvereniging en de deelstaat Hessen, waarbij elke sponsor 250 000 EUR per jaar verstrekt voor een geplande financieringsperiode van 10 jaar. De onafhankelijkheid van onderzoek en onderwijs wordt gewaarborgd door de Principles of Best Practice in Research and Teaching van de universiteit in kwestie. De tweede academicus is Senior Research Fellow en Head of Research van de Financial Institutions, Prudential Policy and Tax Unit bij het Centre for European Policy Studies (CEPS). De inkomsten van het CEPS zijn afkomstig van een groot aantal contracten van de EU en de lidstaten die op concurrerende basis worden gegund, evenals van studies en briefings die voor het Europees Parlement zijn voorbereid, waarbij 27% van zijn inkomsten afkomstig is van (bedrijfs)lidmaatschapsbijdragen.
34. In zijn opmerkingen wees de klager in zaak 1877/2011/(EIS)LP erop dat het instituut dat verantwoordelijk is voor de gesponsorde voorzitter op zijn website vermeldt dat het zijn best zou doen om aan de verwachtingen van de Duitse verzekeringsvereniging en de deelstaat Hessen te voldoen. Klager in zaak 1874/2011/(EIS) LP merkte op dat niet de bewering van de universiteit van "onafhankelijkheid van onderzoek en onderwijs" van belang is, maar het feit dat de desbetreffende leerstoel voor 50 % door de Duitse verzekeringsvereniging wordt gefinancierd. Wat het CEPS betreft, wees de klager in zaak 1877/2011/(EIS)LP erop dat zijn lijst van "corporate members" niet openbaar was.
v) Voor eindgebruikers ("verzekeringsnemers van levensverzekeringen" en "pensioendeelnemersverenigingen")
35. Volgens de Eiopa worden de vertegenwoordigers van i) de Deense consumentenraad, ii) het consumentenpanel van de FSA uit het Verenigd Koninkrijk, iii) de Duitse vereniging van consumentenorganisaties en iv) de benoemde Poolse "consument" allemaal geacht zorg te dragen voor kwesties die relevant zijn voor houders van levens-, schade- en ziektekostenverzekeringen. Zij voegde eraan toe dat zij slechts één aanvraag ontving waarin specifiek melding werd gemaakt van "verzekeringsnemers van levensverzekeringen" en "verenigingen van deelnemers aan pensioenen". De Eiopa verklaarde dat, hoewel de vertegenwoordiger van de klager in zaak 1874/2011/(EIS)LP over de vereiste ervaring op de effectenmarkt beschikte (als vermogens- en beleggingsbeheerder), hij niet over voldoende ruime ervaring beschikte om een grote verscheidenheid aan levens-, ziekte- en schadeverzekeringskwesties te bestrijken die door de IRSG worden behandeld. De ervaring van verzoeker op het gebied van bedrijfspensioenen (OPSG) was evenmin voldoende onderbouwd in vergelijking met andere verzoekers.
36. In zijn opmerkingen merkte de klager in zaak 1874/2011/(EIS)LP op dat de aanvrager in kwestie, een vertegenwoordiger van zijn organisatie, tien jaar ervaring heeft op het gebied van bedrijfspensioenen en reeds in 2007 door de Commissie werd aangemerkt als deskundige op het gebied van levensverzekeringen en pensioenen in haar "Forum van gebruikersdeskundigen op het gebied van financiële diensten" (FIN-USE).
Beoordeling door de Ombudsman
37. De Ombudsman herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 37, lid 2, van de verordening de "Stakeholdergroep verzekeringen en herverzekeringen bestaat uit 30 leden, die in evenwichtige verhouding verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en verzekeringstussenpersonen vertegenwoordigen die in de Unie actief zijn, en hun werknemersvertegenwoordigers, alsmede consumenten, gebruikers van verzekerings- en herverzekeringsdiensten, vertegenwoordigers van kmo's en vertegenwoordigers van relevante beroepsverenigingen. Ten minste vijf van haar leden zijn onafhankelijke hooggeplaatste academici. Tien van haar leden vertegenwoordigen verzekeringsondernemingen, herverzekeringsondernemingen of verzekeringstussenpersonen, van wie er drie coöperatieve en onderlinge verzekeraars of herverzekeraars vertegenwoordigen." Evenzo is in artikel 37, lid 3, het volgende bepaald: "De Stakeholdergroep bedrijfspensioenen bestaat uit 30 leden, die evenwichtig vertegenwoordigd zijn in instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die in de Unie actief zijn, vertegenwoordigers van werknemers, vertegenwoordigers van begunstigden, vertegenwoordigers van kmo's en vertegenwoordigers van relevante beroepsverenigingen. Ten minste vijf van haar leden zijn onafhankelijke hooggeplaatste academici. Tien van haar leden vertegenwoordigen instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.
38. Hieruit volgt dat 10 van de 30 zetels van de IRSG en de OPSG uitdrukkelijk worden toegewezen aan deelnemers uit de "industrie" en dat ten minste 5 zetels moeten worden gereserveerd voor vooraanstaande academici. Dat betekent dat de resterende 15 zetels in beide groepen belanghebbenden in beginsel in "evenwichtige verhoudingen" moeten worden toegewezen aan de resterende vier categorieën belanghebbenden, waardoor voor elk van deze categorieën mogelijk ten minste drie zetels kunnen worden toegewezen. Bij de uitvoering van de selectieprocedure moet de Eiopa ook voldoen aan artikel 37, lid 4, van de verordening, waarin is bepaald dat de samenstelling van de groepen belanghebbenden, naast het waarborgen van een geografisch en genderevenwicht, voor zover mogelijk ook een passende "vertegenwoordiging van belanghebbenden in de hele Unie" moet weerspiegelen. In het licht van deze overwegingen zal de Ombudsman hieronder de argumenten van de klagers onderzoeken.
i) Wat consumenten/begunstigden betreft
39. Wat betreft de benoeming in de IRSG en de OPSG van een consumentenvertegenwoordiger die ook een academicus was, merkt de Ombudsman op dat zij reeds een zeer vergelijkbare bewering in het UNI-besluit heeft onderzocht. In dat besluit benadrukte de Ombudsman dat het enkele feit dat een van de geselecteerde leden in de categorie "consumenten" daadwerkelijk een academicus was, niet noodzakelijkerwijs impliceert dat dat lid geen expertise of connectie met de consumentenbeweging had. Als academicus betekent dit op zich niet dat iemand niet in staat is om consumenten te vertegenwoordigen of voor hun rechten op te komen. In het UNI-besluit benadrukte de Ombudsman echter dat het enkele feit dat een gekozen lid, net als elk ander lid van de stakeholdergroep, een consument van financiële diensten is, niet kan dienen als een adequate en geldige rechtvaardiging voor de benoeming van dat lid in de categorie "consumenten". Anders zou het tot aanstelling bevoegd gezag misbruik kunnen maken van de selectieprocedure door in de categorie "consumenten" vertegenwoordigers van de sector (of van een van de andere vijf categorieën) aan te wijzen op de enkele grond dat deze laatsten in hun eigen hoedanigheid ook consumenten van financiële diensten zijn. Daarom was de Ombudsman in het UNI-besluit van mening dat in elk geval moet worden onderzocht of een geselecteerd lid inderdaad kan optreden als een objectieve en toegewijde consumentenvertegenwoordiger.
40. In dit verband merkte de Ombudsman in het UNI-besluit op dat er in beginsel een sterk vermoeden moet bestaan dat kandidaten die consumentenorganisaties en/of duidelijke consumentenbelangen vertegenwoordigen, geschikter zijn om tot de categorie "consument" te worden benoemd dan kandidaten wier voornaamste deskundigheid en/of beroepservaring betrekking heeft op andere gebieden. In casu heeft de Eiopa op overtuigende wijze uiteengezet waarom zij van mening was dat het betrokken lid (een academicus), gelet op zijn beroepservaring op dit gebied, geacht werd over de vereiste bekwaamheid en ervaring te beschikken om de belangen van de consumenten te behartigen. De klagers hebben geen concrete argumenten aangevoerd om te suggereren dat het lid in kwestie de belangen van consumenten van financiële diensten niet kon vertegenwoordigen of dat hij door andere tegenstrijdige belangen kon worden beïnvloed. Evenals in het UNI-besluit stelt de Ombudsman in dit verband dus geen wanbeheer vast. Niettemin is de Ombudsman van mening dat het gehele selectieproces zou worden vergemakkelijkt en verbeterd indien de Eiopa in de toekomst zou eisen dat aanvragers van de IRSG en de OPSG bij voorkeur slechts één van de zes categorieën aanduiden waarvoor zij in aanmerking zouden willen komen. Op die manier kunnen sollicitaties beter aansluiten bij de beoogde categorie, waardoor de waarschijnlijke omvang van de uitdagingen waarmee de Eiopa zou kunnen worden geconfronteerd, verder wordt beperkt door kandidaten aan te wijzen waarvan de belangrijkste kwalificaties mogelijk niet die van de betrokken categorie zijn. De Ombudsman zal in dit verband hieronder nog een opmerking maken.
ii) Met betrekking tot KMO's
41.Wat de categorie kmo's van de IRSG betreft, neemt de Ombudsman nota van de uitleg van de Eiopa dat de enige twee in aanmerking komende aanvragen voor deze categorie afkomstig waren van vertegenwoordigers van kmo's die reeds tot de categorie "industrie" waren benoemd en dus ook de belangen van de kmo's konden behartigen. Wat de OPSG betreft, merkt de Ombudsman ook op dat, zoals de Eiopa heeft uitgelegd, zij, ondanks het feit dat er geen aanvraag voor die categorie was ingediend, wel een aanvrager heeft aangewezen die was aangesloten bij een vereniging ("BusinessEurope") waarvan bekend was dat zij de belangen van kmo's vertegenwoordigde. De klagers hebben dienaangaande geen opmerkingen ingediend die de belangen van kmo’s ter discussie stelden of suggereerden dat de gekozen persoon de belangen van kmo’s niet kon behartigen. Het is nuttig erop te wijzen dat de Ombudsman in het UNI-besluit, waarin ook een soortgelijk argument werd aangevoerd, een bewering verwierp dat de vereniging in kwestie ("BusinessEurope") de belangen van de kmo's niet vertegenwoordigde. De Ombudsman stelt in dit verband dus geen wanbeheer vast.
iii) Wat betreft de vertegenwoordiging van tussenpersonen (IRSG) en de benoeming van werkgeversvertegenwoordigers (OPSG)
42. Wat de vermeende ondervertegenwoordiging van verzekeringstussenpersonen in de IRSG betreft, merkt de Ombudsman op dat artikel 37, lid 2, van de verordening bepaalt dat "[t]en van haar leden verzekeringsondernemingen, herverzekeringsondernemingen of verzekeringstussenpersonen vertegenwoordigen, van wie er drie coöperatieve en onderlinge verzekeraars of herverzekeraars vertegenwoordigen". Wat de overige zeven leden van de bedrijfstak betreft, bepaalt de verordening dus niet het aantal verschillende soorten ondernemingen dat in die categorie moet worden benoemd, zodat de Eiopa over een beoordelingsmarge beschikt met betrekking tot de wijze waarop de bedrijfsmodellen in evenwicht moeten worden gebracht. In dit verband heeft de Eiopa overtuigend uitgelegd waarom zij, na vier aanvragen van verzekeringstussenpersonen te hebben ontvangen, heeft besloten de voorzitter van de Europese Federatie van verzekeringstussenpersonen aan te wijzen als enige vertegenwoordiger van verzekeringstussenpersonen. De klagers hebben de bovenstaande uitleg van Eiopa niet ter discussie gesteld. De Ombudsman stelt in dit verband dus geen wanbeheer vast.
43. Wat de benoeming van werkgeversvertegenwoordigers in de OPSG betreft, heeft de Eiopa haar besluit gemotiveerd met het argument dat de lijst van categorieën in artikel 37, lid 3, van de verordening niet uitputtend is en dat het belangrijk is dat zowel werknemers als werkgevers in de OPSG vertegenwoordigd zijn. De Ombudsman vindt geen steun in de formulering van artikel 37, lid 3, voor het standpunt van Eiopa dat de lijst van categorieën van artikel 37, lid 3, indicatief is. Als de EU-wetgever had gewild dat ook werkgeversvertegenwoordigers in de OPSG zouden worden benoemd, zou hij dit expliciet hebben gemaakt. Werkgevers lijken al vertegenwoordigd te zijn in de OPSG via de tien leden van de categorie "industrie". De Ombudsman is derhalve van mening dat Eiopa, door in de OPSG vertegenwoordigers van werkgevers te benoemen, een geval van wanbeheer heeft begaan. De Ombudsman zal hieronder dus een kritische opmerking formuleren.
iv) Wat de academici betreft
44. Na de aankondiging van Eiopa dat een van de drie academici die naar verluidt niet over de vereiste onafhankelijkheid beschikte, zou aftreden en zou worden vervangen door een nieuwe kandidaat, hoeft de Ombudsman dit aspect van de zaak niet langer te onderzoeken. Wat de twee andere academici betreft, is de Ombudsman van mening dat het feit dat een van hen een begiftigde leerstoel aan een Duitse universiteit bekleedt, als zodanig niet betekent dat hij niet over de nodige onafhankelijkheid beschikt om zijn functie als academicus uit te oefenen. Zoals de Eiopa heeft uitgelegd, worden dergelijke voorzitters ,, hoewel zij vaak worden gesponsord door de sector of andere soortgelijke belangen, waaronder in dit geval de Duitse verzekeringsvereniging, gereguleerd door een gedetailleerde gedragscode die transparantie, onafhankelijkheid en vrijheid van onderzoek waarborgt. In feite erkent de website van de universiteit in kwestie duidelijk dat haar voorzitter (het International Centre for Insurance Regulation) "genereus wordt gesponsord door de Duitse Vereniging voor Verzekeringen (GDV) en de staat Hessen. We zullen ons best blijven doen om aan hun verwachtingen te voldoen door internationaal zichtbare onderzoeksresultaten te leveren, door een onafhankelijk internationaal platform voor de uitwisseling van ideeën op te zetten en ten slotte door opleidingsprogramma's op hoog niveau aan te bieden voor regelgevende instanties en verzekeraars. De klagers hebben geen specifieke argumenten aangevoerd om te suggereren dat de houder van de gesponsorde leerstoel in kwestie, ondanks de bovengenoemde duidelijke toezegging om een "onafhankelijk internationaal platform voor de uitwisseling van ideeën" op te richten om "opleidingsprogramma's op hoog niveau voor regelgevende instanties en verzekeraars" aan te bieden, niet over de vereiste academische onafhankelijkheid beschikte of door andere tegenstrijdige belangen kon worden beïnvloed. Wat betreft de overige academici die bij het CEPS betrokken zijn, heeft de Eiopa overtuigend uitgelegd waarom zij van mening was dat de activiteiten van het CEPS geen afbreuk deden aan de onafhankelijkheid van het geselecteerde lid. In dat verband merkt de Ombudsman op dat de doelstellingen van het CEPS worden omschreven als gericht op "het bereiken van hoge normen voor academische excellentie en het handhaven van onvoorwaardelijke onafhankelijkheid", en op "volledige onafhankelijkheid om zijn eigen onderzoeksprioriteiten vast te stellen en vrij te zijn van invloeden van buitenaf"[7]. Op haar website stelt CEPS dat haar lidmaatschap inderdaad bestaat uit 120 "Corporate Members" en 130 "Institutional Members", die expertise en praktische ervaring bieden en fungeren als een "klankbord voor CEPS-beleidsvoorstellen". In tegenstelling tot wat de klagers hebben verklaard, wordt de lijst van leden van de CEPS-vennootschappen gepubliceerd op haar website [8]. De klagers hebben geen concrete argumenten aangevoerd om de onafhankelijkheid van de betrokken academicus in twijfel te trekken. De Ombudsman stelt derhalve geen wanbeheer vast in deze zaak.
v) Wat de eindgebruikers betreft ("verzekeringsnemers van levensverzekeringen" en "pensioendeelnemersverenigingen")
45. De Ombudsman merkt op dat de bewering van de klagers dat er in geen van de twee groepen belanghebbenden vertegenwoordigers van retailgebruikers waren aangesteld (d.w.z. geen vertegenwoordigers van houders van levensverzekeringspolissen in de IRSG en geen vertegenwoordiger van pensioendeelnemers in de OPSG), intrinsiek verband houdt met hun derde bewering, volgens welke de Eiopa een onjuiste definitie van het begrip "retailgebruikers" heeft aangenomen. Daarom zal de Ombudsman deze argumenten samen met de derde bewering onderzoeken.
C. Bewering dat de Eiopa een onjuiste definitie heeft gegeven van de verschillende categorieën belanghebbenden waarin de verordening voorziet
Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten
46. Volgens de klagers heeft de Eiopa een onjuiste definitie gegeven van de verschillende categorieën belanghebbenden waarin de verordening voorziet. Ten eerste is een van de geselecteerde leden in de categorie "consumenten" van de IRSG en de OPSG eigenlijk een academicus die geen banden heeft met "begunstigden" of "consumenten". Ten tweede zijn in beide Stakeholdergroepen de geselecteerde vertegenwoordigers van "gebruikers" in feite aanbieders van verzekerings- en pensioendiensten afkomstig van invloedrijke organisaties.
47. Met betrekking tot de aanwijzing van een academicus in de consumentencategorie , verwees de Eiopa in haar advies naar de uitleg die zij reeds had gegeven met betrekking tot de tweede bewering. Wat de procedure voor de selectie van "gebruikers" betreft, heeft de Eiopa uitgelegd dat zij, bij gebreke van een definitie van dat begrip in de verordening, ervoor heeft gekozen zich te baseren op de definitie in het besluit van de Commissie tot oprichting van een gebruikersgroep financiële diensten (FSUG)[9]. Overweging 10 van dat besluit luidt als volgt: "De groep moet bestaan uit deskundigen op het gebied van financiële diensten, zoals personen die zijn aangewezen om de belangen van consumenten, retailbeleggers of micro-ondernemingen te behartigen, maar ook uit individuele deskundigen met bijzondere deskundigheid op het gebied van de behoeften en prioriteiten van gebruikers op het gebied van financiële diensten, bijvoorbeeld advocaten die consumenten vertegenwoordigen, vertegenwoordigers van werknemers of werknemers of academici". Gezien het gebrek aan overeenstemming tussen de lidmaatschapsregels voor de FUSG en de Stakeholdergroepen van de Eiopa, en in het belang van het betrekken van alle mogelijke belanghebbenden, heeft de Eiopa besloten het begrip "gebruiker" ruim uit te leggen en dus in die categorie juridische deskundigen, actuarissen, accountants, auditors en kredietbeoordelings- en financieel analisten op te nemen, d.w.z. beroepen met deskundige kennis van haar taken en regelgevende prerogatieven. Volgens de Eiopa heeft de Commissie, toen zij hierover werd geraadpleegd, geen bezwaar gemaakt tegen een dergelijke uitlegging.
Beoordeling door de Ombudsman
48. Wat betreft de argumenten van de klagers met betrekking tot de benoeming van een academicus tot de categorie "consumenten" in zowel de IRSG als de OPSG, heeft de Ombudsman deze reeds onderzocht in het kader van de tweede bewering (zie hierboven, punten 39-40).
49. Wat de definitie van het begrip "gebruikers" betreft, merkt de Ombudsman op dat, wat de IRSG betreft, vier van de acht vertegenwoordigers van de "gebruikers van verzekerings- en herverzekeringsdiensten" hogere leidinggevenden van grote verzekerings- of financiële ondernemingen lijken te zijn, twee vertegenwoordigers zijn van twee grote accountants- en auditkantoren, één advocaat is van een internationaal advocatenkantoor en één bemiddelaar is benoemd door een nationale verzekeringsfederatie. Evenzo omvatten de vijf "gebruikers van bedrijfspensioendiensten" van de OPSG het hoofd van een nationaal actuarisseninstituut, een actuaris, een advocaat van een internationaal advocatenkantoor, een bestuurder van een beroepsorganisatie van financiële analisten en een bestuurder van een van de grootste accountants- en accountantskantoren. Hoewel artikel 37 van de verordening geen definitie van het begrip "gebruikers" bevat, wordt in overweging 47 van de verordening aangegeven dat de twee groepen belanghebbenden moeten bestaan uit vertegenwoordigers van "financiële instellingen die in de Unie actief zijn en die de uiteenlopende bedrijfsmodellen en -groottes van financiële instellingen en ondernemingen vertegenwoordigen; kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's); vakbonden; academici; consumenten; andere niet-professionele gebruikers van die financiële instellingen; en vertegenwoordigers van relevante beroepsverenigingen." Financiële instellingen die van financiële diensten gebruikmaken, moeten derhalve in de categorie "industrie" worden opgenomen. Voorts is het duidelijk dat de "gebruikers" waarnaar in de verordening als een afzonderlijke categorie wordt verwezen, "retailgebruikers" van financiële diensten moeten zijn. Aangezien consumenten die "eindgebruikers" of "eindgebruikers" van financiële (verzekerings- en herverzekerings)diensten zijn, in de verordening als een afzonderlijke categorie worden genoemd, zou kunnen worden aangevoerd dat de term "gebruikers" ook retailgebruikers omvat die zich tussen de aanbieders van financiële diensten en consumenten bevinden. Er was dus geen reden voor de Eiopa om de term "gebruikers" uit te leggen door gebruik te maken van de formulering van een ander besluit van de Commissie dat betrekking had op een andere groep belanghebbenden (FSUG). In artikel 37, lid 2, van de verordening wordt, in strijd met de bewoordingen van overweging 10 van het FSUG-besluit, niet verwezen naar "individuele deskundigen die bijzondere ervaring hebben met de behoeften en prioriteiten van gebruikers op het gebied van financiële diensten, zoals advocaten", maar wordt alleen verwezen naar "vertegenwoordigers" van de verschillende categorieën belanghebbenden.
50. Zoals de Ombudsman echter reeds heeft opgemerkt in het UNI-besluit, waarin ook soortgelijke argumenten werden aangevoerd met betrekking tot de categorie "gebruikers" van de Stakeholdergroep bankwezen van de Europese Bankautoriteit, hoeft niet te worden onderzocht wat de precieze definitie van niet-professionele gebruikers van financiële diensten moet zijn voor de toepassing van de verordening. In het licht van overweging 47 kan de benadering die de Eiopa in casu heeft gevolgd, namelijk het aanwijzen van vertegenwoordigers van entiteiten die duidelijk geen retailgebruikers van de betrokken diensten waren, maar verleners van diensten aan de sector (boekhoudings- en auditkantoren, advocatenkantoren, actuarissen, analisten), in de categorie "gebruikers" in elk geval niet als in overeenstemming met de verordening worden beschouwd. Evenmin is er iets in de formulering van de verordening dat de aanpak van de Eiopa zou kunnen ondersteunen om in deze categorie entiteiten op te nemen die een "instrumentele" rol spelen bij het bijstaan van de Eiopa bij de uitvoering van haar taken. Hoewel de term "gebruikers" entiteiten zou kunnen omvatten die, vanwege hun gespecialiseerde kennis en ervaring met de werking en mechanica van de financiële sector, een positieve bijdrage aan de IRSG zouden kunnen leveren, is het niet aanvaardbaar dat winstgevende verleners van bezoldigde diensten aan de financiële sector in die categorie worden opgenomen. Dergelijke entiteiten zouden waarschijnlijk worden gezien als vertegenwoordigers van commerciële belangen in plaats van die van de bredere categorie van (retail) "gebruikers". Volgens de Ombudsman zou de verordening een andere term dan "gebruikers" van financiële diensten hebben gebruikt indien de Uniewetgever inderdaad de bedoeling had gehad om vertegenwoordigers van dergelijke beroepen in de twee groepen belanghebbenden op te nemen. Door aanvragen van entiteiten die duidelijk verleners van bezoldigde diensten aan de financiële sector zijn en geen gebruikers van de diensten van de financiële sector, niet uit te sluiten van de categorie "gebruikers", heeft Eiopa zich schuldig gemaakt aan wanbeheer. De Ombudsman zal dus hieronder dezelfde kritische opmerking formuleren als in het UNI-besluit.
D. De beweringen van klager
De beweringen van klager
51. De klagers voerden aan dat: de Eiopa moet i) de samenstelling van de IRSG en de OPSG zo spoedig mogelijk heroverwegen, en in elk geval zonder te wachten op de verlenging van haar lidmaatschap in 2013, en ii) de cv’s van de geselecteerde leden samen met de selectiecriteria op haar website publiceren.
52. In haar advies voerde de Eiopa aan dat de selectieprocedure te goeder trouw en naar beste vermogen was uitgevoerd. De Eiopa stelde de Ombudsman vervolgens ook in kennis van het feit dat de cv’s van de geselecteerde leden van de twee groepen belanghebbenden op haar website beschikbaar waren gesteld. Zij verklaarde ook dat de selectiecriteria werden bekendgemaakt in de eerste oproep tot het indienen van blijken van belangstelling voor de leden van de twee Stakeholdergroepen en dat zij verder zouden worden herzien in het kader van de komende vernieuwing van het lidmaatschap van de twee groepen, op basis van de "geleerde lessen" tijdens twee vervangingsprocedures die reeds in 2012 en 2013 werden uitgevoerd.
Beoordeling door de Ombudsman
53. Aangezien de Eiopa op 4 oktober 2013 de samenstelling van een nieuwe IRSG en OPSG heeft aangekondigd (met ingang van 1 januari 2014), is de Ombudsman van mening dat het niet langer mogelijk is de samenstelling van de begin 2011 opgerichte Stakeholdergroep te heroverwegen. Het eerste argument van de klagers kan dus niet slagen.
54. Wat betreft het argument van de klagers dat de cv's van de leden van de IRSG en de OPSG op de website van de Eiopa moeten worden gepubliceerd, merkt de Ombudsman op dat de Eiopa inmiddels aan dit argument heeft voldaan. Met betrekking tot het verdere argument dat de Eiopa ook gedetailleerde informatie publiceert over de gebruikte selectiecriteria en het proces waarbij elke kandidaat werd geselecteerd, merkt de Ombudsman op dat de Eiopa op 8 maart 2011 een persbericht heeft uitgegeven met informatie over de namen van de nieuw benoemde leden van de IRSG en de OPSG, de instellingen die elk van hen vertegenwoordigde, hun nationaliteit en de categorie waartoe zij waren geselecteerd. Bovendien heeft de Eiopa specifieke regels vastgesteld inzake de toegang tot documenten ter uitvoering van artikel 72 van de verordening [10], waardoor derden toegang kunnen krijgen tot documenten, met inbegrip van documenten die betrekking hebben op de selectieprocedure, die openbaar kunnen worden gemaakt.[11] Het lijkt erop dat de klagers geen gebruik hebben gemaakt van deze mogelijkheid. In deze omstandigheden is de Ombudsman er niet van overtuigd dat de Eiopa verplicht zou zijn gedetailleerde informatie te publiceren over de gebruikte selectiecriteria en de procedure voor de selectie van elke kandidaat, zoals de klager had gevraagd. Dat gezegd hebbende, zou het volgens de Ombudsman de algehele transparantie van het selectieproces verder verbeteren en ook het vertrouwen van de burgers in de algemene naleving van artikel 37 van de verordening door de Eiopa versterken, indien zij, zodra de leden van de Stakeholdersgroepen zijn benoemd, zinvolle informatie zou publiceren waaruit zou blijken hoe de Eiopa, in het licht van de verschillende ontvangen aanvragen, voldeed aan het vereiste om te zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van alle verschillende categorieën belanghebbenden in de Unie, en hoe zij daarbij ook "voor zover mogelijk (...) een passend geografisch en genderevenwicht en een passende vertegenwoordiging van belanghebbenden in de hele Unie"heeft gewaarborgd. De Ombudsman zal hieronder dus nog een opmerking maken.
D. Conclusies
55. Op basis van haar onderzoek naar deze klacht sluit de Ombudsman de zaak dus af met de volgende kritische opmerkingen:
1. Door het vereiste van artikel 37, lid 4, van de verordening toe te passen om voor zover mogelijk "een passend geografisch en genderevenwicht en een passende vertegenwoordiging van belanghebbenden in de hele Unie" te waarborgen, alleen wat betreft de samenstelling van de IRSG als geheel, en niet ook binnen elke categorie lidmaatschap, heeft de Eiopa zich schuldig gemaakt aan wanbeheer.
2. Door vertegenwoordigers van werkgevers in de OPSG te benoemen, voldeed de Eiopa niet aan de uitputtende lijst van categorieën waarin artikel 37, lid 3, van de verordening voorziet, en heeft zij zich dus schuldig gemaakt aan wanbeheer.
3. Door in de categorie "gebruikers" van de Stakeholdergroepen aanvragen op te nemen van vertegenwoordigers van entiteiten die duidelijk geen retailgebruikers zijn van de door de financiële sector verleende diensten, maar eerder aanbieders van bezoldigde diensten aan laatstgenoemden, heeft de Eiopa zich opnieuw schuldig gemaakt aan wanbeheer.
Er is geen wanbeheer vastgesteld met betrekking tot de andere aspecten van de beweringen en beweringen van de klagers.
De klagers en de Eiopa zullen van dit besluit in kennis worden gesteld.
Verdere opmerkingen
1. De Eiopa moet passende maatregelen nemen om kandidaten uit "nieuwe" lidstaten die belangstelling hebben om zich in te schrijven voor de categorie "industrie" van de OPSG, beter bekend te maken.
2. Bij toekomstige selecties van leden van de Stakeholdersgroepen zou het raadzaam zijn dat de Eiopa het risico vermijdt dat een of meer lidstaten oververtegenwoordigd lijken.
3. De Eiopa kan toekomstige oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling om lid te worden van de Stakeholdersgroepen publiceren, niet alleen op haar eigen website, maar ook in de gespecialiseerde financiële pers, en in het algemeen elk ander communicatiekanaal gebruiken dat het bewustzijn en de belangstelling van vrouwelijke kandidaten zou kunnen vergroten.
4. Het zou het selectieproces vergemakkelijken en verder verbeteren als de Eiopa van toekomstige aanvragers zou verlangen dat zij slechts één van de vijf categorieën aangeven waarvoor zij in aanmerking willen komen.
5. Het zou de algemene transparantie van het selectieproces verder verbeteren indien de Eiopa, zodra de leden van de groepen van belanghebbenden zijn benoemd, zinvolle informatie zou publiceren waaruit zou blijken hoe de Eiopa, in het licht van de verschillende ontvangen aanvragen, voldeed aan het vereiste om te zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van alle verschillende categorieën belanghebbenden, en hoe zij daarbij ook "voor zover mogelijk (...) een passend geografisch en genderevenwicht en een passende vertegenwoordiging van belanghebbenden in de hele Unie"heeft gewaarborgd.
Tijdens het onderzoek, en met name ter gelegenheid van de inspectie van documenten (zie punt 13 hierboven), vonden informele en constructieve besprekingen plaats tussen de Eiopa en de diensten van de Ombudsman. Tijdens deze besprekingen heeft de Eiopa zich bereid verklaard haar aanpak voor de tweede selectieronde te herzien. Zoals reeds opgemerkt, heeft de Eiopa op 4 oktober 2013 de nieuwe samenstelling van de Stakeholdergroepen aangekondigd. Hoewel dit besluit alleen betrekking heeft op de eerste selectieprocedure die in 2011 heeft plaatsgevonden, verzoekt de Ombudsman de Eiopa in haar follow-up van de hierboven uiteengezette kritische en verdere opmerkingen toe te lichten hoe zij haar aanpak tijdens de tweede selectieprocedure heeft herzien om rekening te houden met de lessen die tijdens het onderzoek van de Ombudsman zijn getrokken.
Emily O'Reilly
Gedaan te Straatsburg op 26 februari 2014
[1] PB 2010, L 331, blz. 48.
[2] http://www.eurofinuse.org/index.php?id=72
[3] https://eiopa.europa.eu/fileadmin/tx_dam/files/pressreleases/Stakeholder-Groups.pdf
[4] Besluit van 7 november 2013, http://www.ombudsman.europa.eu/en/cases/decision.faces/en/52432/html.bookmark en besluit van 19 december 2013, http://www.ombudsman.europa.eu/en/cases/decision.faces/en/52944/html.bookmark
[5] Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (EBA) (PB 2010, L 331, blz. 12) en verordening (EG) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) (PB 2010, L 331, blz. 84).
[6] http://www.icir.de/weblinks
[7] http://www.ceps.be/content/about-ceps
[8] http://www.ceps.eu/files/20131113CEPSCorpMemb.pdf
[9] Overweging 10 van het besluit van de Commissie van 20 juli 2010 tot oprichting van een gebruikersgroep financiële diensten (PB C 199 van 21.7.2010, blz. 12).
[10] Overeenkomstig artikel 72, lid 2, van de verordening "stelt de raad van bestuur uiterlijk op 31 mei 2011 praktische maatregelen vast voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1049/2001".
[11] https://eiopa.europa.eu/fileadmin/tx_dam/files/aboutceiops/Public-Access-(EIOPA-MB-11-051).pdf