Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
Onderzoeken doorzoeken
1 - 20 van 2728 resultaten weergeven
VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap: De behandeling van personen met een handicap in het kader van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering (GSZV)
Woensdag | 10 april 2019
Besluit van de Europese Ombudsman in haar strategisch onderzoek OI/4/2016/EA naar de wijze waarop de Europese Commissie personen met een handicap behandelt in het kader van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering voor EU-personeel
Woensdag | 10 april 2019
In 2015 heeft een VN-comité vastgesteld dat de ziektekostenverzekeringsregeling voor EU-personeelsleden, het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering (GSZV), niet in overeenstemming is met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD). Het comité heeft aanbevolen het GSZV te herzien om een alomvattende dekking te bieden voor gezondheidsbehoeften in verband met handicaps.
Nadat de Ombudsman klachten had ontvangen van personeelsleden die problemen hadden ondervonden om hun eigen medische kosten of die van hun familieleden volledig te vergoeden, voerde hij een strategisch onderzoek uit. Zij was van mening dat het verzuim van de Europese Commissie om doeltreffende maatregelen te nemen naar aanleiding van de aanbeveling van de commissie neerkwam op wanbeheer. Zij heeft de Commissie dan ook aanbevolen de regels voor het GSZV te herzien. Zij heeft de Commissie ook een aantal suggesties gedaan over de wijze waarop de behoeften van personen met een handicap in het GSZV worden gedekt, alsook over de noodzaak om personeel op te leiden en belanghebbenden naar behoren te raadplegen om ervoor te zorgen dat het GSZV de behoeften van personen met een handicap weerspiegelt.
De Commissie antwoordde dat zij de regels voor het GSZV zal herzien en actie zal ondernemen om gevolg te geven aan de meeste suggesties van de Ombudsman.
Aangezien de Commissie haar aanbeveling heeft aanvaard, sluit de Ombudsman haar strategisch onderzoek af. Gezien het belang van deze kwestie verzoekt zij de Commissie binnen zes maanden verslag uit te brengen over de uitvoering van de aanbeveling. De Ombudsman bevestigt ook haar suggestie dat de Commissie haar regels van 2004 inzake het tegemoetkomen aan de behoeften van personeel met een handicap moet herzien.
Besluit in zaak 1641/2015/ZA betreffende de weigering van het Europees Bureau voor personeelsselectie om de klager toe te staan in het kader van twee vergelijkende onderzoeken een aanvraag in te dienen voor de aanwerving van vertalers en het niet uitleggen van de redenen voor de toepassing van deze praktijk
Dinsdag | 17 juli 2018
De zaak betrof de praktijk van het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) om kandidaten niet toe te staan om te solliciteren voor meer dan één vergelijkend onderzoek voor de aanwerving van EU-ambtenaren, zelfs als zij aan de criteria voldeden. EPSO weigerde klager te laten solliciteren in het kader van twee vergelijkende onderzoeken voor de aanwerving van vertalers voor de EU-instellingen, en legde de redenen voor de toepassing van deze praktijk niet overtuigend uit.
De Ombudsman stelde vast dat deze praktijk tot gevolg kan hebben dat de aanwerving van de meest gekwalificeerde personen wordt belemmerd en dat EPSO derhalve overtuigend moet kunnen motiveren waarom het deze praktijk toepast. De Ombudsman constateerde dat het verzuim van EPSO´ om klager een dergelijke motivering te geven, neerkwam op wanbeheer. Zij was ook van mening dat elke voortzetting van de praktijk, bij gebreke van een solide motivering, noodzakelijkerwijs ook wanbeheer zou vormen. Daarom heeft de Ombudsman EPSO aanbevolen zijn beleid met betrekking tot deze praktijk onmiddellijk te herzien.
Als reactie hierop heeft EPSO een interne reflectiegroep opgericht om een gedetailleerde effectbeoordeling uit te voeren van elke beleidswijziging op dit gebied. De beoordeling zal uiterlijk in december 2018 aan de raad van bestuur van EPSO worden voorgelegd. Het bestuur moet de definitieve beslissing nemen. Aangezien EPSO gevolg geeft aan haar aanbeveling, heeft de Ombudsman besloten de zaak te sluiten.
Besluit van EPSO om klager uit te sluiten van een vergelijkend onderzoek omdat het zijn diploma niet relevant achtte
Vrijdag | 25 mei 2018
Besluit in zaak 1333/2015/MDC betreffende het besluit van het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) om klager uit te sluiten van een vergelijkend onderzoek op grond van het feit dat zijn diploma niet relevant was
Woensdag | 23 mei 2018
Klager werd in 2013 uitgesloten van een vergelijkend onderzoek voor de aanwerving van administrateurs op het gebied van audit door het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO). Hij werd uitgesloten op grond van het feit dat zijn academische kwalificaties niet voldoende relevant waren voor de geadverteerde functie. Klager wees er in zijn klacht bij de Europese Ombudsman op dat verschillende kandidaten die in 2010 tot hetzelfde vergelijkend onderzoek waren toegelaten, dezelfde of minder relevante diploma's hadden dan zijn diploma. Hij voerde aan dat indien de kwalificaties van de andere kandidaten in 2010 toereikend waren, zijn diploma ook in 2013 toereikend zou moeten zijn.
De Ombudsman onderzocht de kwestie en stelde vast dat het vergelijkend onderzoek voor 2013 hetzelfde vergelijkend onderzoek was als het vergelijkend onderzoek dat oorspronkelijk in 2010 werd gehouden en dat in 2013 dezelfde criteria inzake kwalificaties moesten gelden als in 2010. De Ombudsman constateerde wanbeheer door EPSO en beval EPSO aan de jury te verzoeken haar besluit over de kwalificaties van klager te herzien.
EPSO weigerde de aanbeveling van de Ombudsman te aanvaarden zonder
overtuigende redenen voor zijn standpunt. De Ombudsman sloot de zaak daarom af met een bevinding van wanbeheer.
Besluit in zaak 1984/2015/JN betreffende het besluit van de Europese Commissie om niet-subsidiabele kosten die worden gedeclareerd door een partner in een door de EU gefinancierd project ter bestrijding van racisme tegen Roma als niet-subsidiabel te beschouwen
Woensdag | 23 mei 2018
De zaak betrof een besluit van de Europese Commissie om bepaalde door een niet-gouvernementele organisatie, die heeft deelgenomen aan een door de EU gefinancierd project ter bestrijding van racisme tegen Roma, gedeclareerde kosten als niet-subsidiabel te beschouwen. De klager voerde aan dat de Commissie het bewijsmateriaal niet naar behoren had onderzocht alvorens vast te stellen dat de kosten niet subsidiabel waren.
De Ombudsman onderzocht de kwestie en constateerde dat er geen sprake was van wanbeheer door de Commissie.
Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) – rol van de nationale ombudsmannen
Woensdag | 16 mei 2018
Besluit in zaak 1512/2015/PD over de terugvordering door de Europese Commissie van middelen in verband met verschillende door de EU gefinancierde projecten
Dinsdag | 03 april 2018
De zaak betrof het besluit van de Europese Commissie om in het kader van verschillende door de EU gefinancierde projecten uitbetaalde subsidies terug te vorderen. Het besluit is genomen naar aanleiding van audits die door een auditor namens de Commissie zijn uitgevoerd. Klager was het niet eens met de bevindingen van de audit. Klager wilde onder meer dat de audits door de nationale rekenkamer in zijn lidstaat zouden worden beoordeeld. De Commissie achtte dit niet nodig.
De Ombudsman onderzocht de kwestie en constateerde dat er geen sprake was van wanbeheer door de Commissie.
Privé-e-mailaccount gebruikt voor schijnbaar werkgerelateerde correspondentie bij het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek - vragen in verband met de toegang van het publiek tot de e-mails
Zaterdag | 23 december 2017
Besluit in zaak 66/2016/DK over het optreden van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad met betrekking tot een verzoek om toegang tot documenten
Donderdag | 21 december 2017
De zaak betrof het verzoek van klager om toegang tot twee e-mails die vanaf de privé-e-mailaccount van de voorzitter van de raad van bestuur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad naar de leden van de Wetenschappelijke Raad van het Agentschap waren gestuurd. Toen het Agentschap de toegang weigerde op grond van het feit dat de twee e-mails niet in zijn bezit waren omdat ze waren verzonden vanaf een privérekening, wendde klager zich tot de Europese Ombudsman.
De Ombudsman opende een onderzoek naar de kwestie, waarna de voorzitter van de raad van bestuur het Agentschap kopieën van de twee e-mails verstrekte. Het Agentschap zou dus het verzoek van klager om toegang tot de e-mails op grond van Verordening (EG) nr. 1049/2001[1] kunnen beoordelen. Het Agentschap heeft klager vervolgens gedeeltelijke toegang tot de documenten verleend. De Ombudsman verkreeg volledige kopieën van de twee e-mails en kon nagaan of de bewerkingen in de aan klager meegedeelde kopieën gerechtvaardigd waren.
De Ombudsman sloot het onderzoek derhalve af met de bevinding dat er geen sprake was van wanbeheer.
Besluit in zaak 386/2016/MDC over het vermeende onrechtmatige besluit van de Commissie om een inbreukklacht af te sluiten
Vrijdag | 15 december 2017
De zaak betrof het verzuim van de Europese Commissie om te antwoorden op correspondentie die was verzonden in het kader van een klacht wegens niet-nakoming tegen Italië en haar vermeende onrechtmatige besluit om de klacht wegens niet-nakoming af te sluiten.
De Ombudsman onderzocht de kwesties en constateerde dat de Commissie in haar antwoord aan klager in de loop van dit onderzoek een overtuigend en volledig antwoord had gegeven. De Commissie had derhalve het eerste probleem opgelost. De Ombudsman stelde met name vast dat de Commissie voldoende uitleg had gegeven voor haar besluit om de inbreukprocedure in deze zaak niet te heropenen. Met betrekking tot het tweede punt was zij derhalve van mening dat er geen sprake was van wanbeheer.
De Ombudsman sloot het onderzoek dus af.
Besluit in zaak 559/2016/MDC over de weigering van de Europese Investeringsbank om ten aanzien van de klager de bemiddelingsprocedure in te leiden
Dinsdag | 31 oktober 2017
De zaak betrof het vermeende oneerlijke ontslag en intimidatie van een voormalige werknemer bij de Europese Investeringsbank (EIB).
Het onderzoek van de Ombudsman spitste zich toe op de kwestie dat de EIB klager ten onrechte het voordeel zou hebben ontzegd van wat bekend staat als de “bemiddelingsprocedure” waarin artikel 41 van het Statuut van de ambtenaren van de EIB voorziet (waarin is bepaald dat personeelsleden beroep kunnen instellen bij het Hof van Justitie van de EU wanneer er een geschil ontstaat met de EIB en dat zij, alvorens dit te doen, via de bemiddelingsprocedure naar een minnelijke schikking moeten streven). De Ombudsman kwam tot de voorlopige conclusie dat de EIB zich schuldig had gemaakt aan wanbeheer door te oordelen dat de bemiddelingsprocedure niet kon worden toegepast op een voormalig personeelslid dat geen EIB-pensioen ontving. De Ombudsman stelde daarom voor dat de EIB onverwijld de bemiddelingsprocedure zou inleiden, zowel wat betreft het ontslag als wat betreft de intimidatiekwesties. De Bank stemde ermee in de bemiddelingsprocedure in te leiden met betrekking tot de ontslagkwestie en verwees klager naar een andere procedure met betrekking tot de kwestie van intimidatie.
De Ombudsman concludeerde dat na haar tussenkomst een oplossing was gevonden. Daarom heeft zij de zaak gesloten.
Besluit in zaak 1688/2015/JAP betreffende het besluit van de Europese Commissie om middelen terug te vorderen van een deelnemer aan een EU-project inzake ouderen en ICT (SENIOR)
Vrijdag | 06 oktober 2017
Klager, een in België gevestigde non-profitorganisatie, nam deel aan een door de EU gefinancierd project dat gericht was op het aanpakken van problemen waarmee ouderen worden geconfronteerd bij het gebruik van ICT-oplossingen. Uit een financiële controle bleek dat het door klager gebruikte systeem voor de registratie van de arbeidstijd onbetrouwbaar was. Bijgevolg heeft de Commissie getracht meer dan 85 000 EUR van klager terug te vorderen.
De Ombudsman informeerde naar de kwestie en constateerde dat de controleurs hadden erkend dat het werk dat klager met betrekking tot twee specifieke “prestaties” had verricht, legitiem was, evenals de betrokken arbeidstijd. Zij was derhalve van mening dat de Commissie niet gerechtvaardigd was om de personeelskosten in verband met deze werkzaamheden af te wijzen. Om dit aan te pakken, deed zij een aanbeveling aan de Commissie om het bedrag dat zij wilde terugvorderen dienovereenkomstig te verlagen.
De Commissie aanvaardde de aanbeveling van de Ombudsman volledig en stemde ermee in het terug te vorderen bedrag met bijna 37 000 EUR te verlagen. Tegen deze achtergrond sloot de Ombudsman de zaak. De Ombudsman gaat echter verder met een afzonderlijk onderzoek naar de terugvordering van middelen met betrekking tot de andere “prestaties”.
Besluit in zaak 947/2016/JN over de behandeling door de Commissie van het Facebook-onderzoek van de klager
Maandag | 24 juli 2017
Deze zaak is het gevolg van het feit dat de vertegenwoordiging van de Europese Commissie in Kroatië niet heeft gereageerd op een verzoek om informatie op Facebook en dat zij klager op haar Facebook-pagina heeft geblokkeerd. Klager had gevraagd of het hoofd van de vertegenwoordiging in Kroatië een voormalig lid van de communistische partij van Joegoslavië was.
Aangezien de Commissie nu haar Facebook-pagina heeft gedeblokkeerd en heeft geantwoord, stelt de Ombudsman vast dat de Commissie deze aspecten van de zaak heeft geregeld. De Ombudsman stelt voorts vast dat de Commissie geen wanbeheer heeft gepleegd door de gevraagde informatie niet openbaar te maken omdat het beschermde persoonsgegevens betrof.
De Ombudsman doet echter een suggestie voor verbetering met betrekking tot de behoefte aan antwoorden op burgers die op sociale media met de Commissie communiceren. De Commissie moet er rekening mee houden dat het recht op een antwoord, dat wordt gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de EU en de beginselen van behoorlijk bestuur, zoals vastgelegd in de Europese code van goed administratief gedrag, van toepassing is op communicatie die via sociale media wordt ontvangen, behoudens beperkingen die gerechtvaardigd zijn op grond van het evenredigheidsbeginsel. De Commissie moet hiermee rekening houden bij de herziening van haar gids voor informatieverstrekkers en bij alle andere relevante werkzaamheden.