Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Onderzoeken doorzoeken

Criteria voor het filteren van documenten
Zaak
Datum marge
Trefwoorden
Of probeer oude trefwoorden (voor 2016)

1 - 20 van 495 resultaten weergeven

Besluit in zaak 212/2016/JN over de jaarlijkse evaluatie door de Europese Commissie van de exportkredietinstellingen van de lidstaten

Maandag | 10 februari 2020

De zaak betrof de toereikendheid van de jaarlijkse evaluatie door de Europese Commissie van exportkredietinstellingen — nationale instanties die financiële steun verlenen aan ondernemingen die zaken doen op risicovolle markten — met name met betrekking tot de bescherming van de mensenrechten en het milieu.

De Ombudsman onderzocht de kwestie en stelde vast dat de methodologie en procedures van de Commissie konden worden verbeterd. De Ombudsman heeft de Commissie met name aanbevolen een dialoog aan te gaan met de lidstaten en andere belanghebbenden om het model te verbeteren dat de lidstaten gebruiken om de verslagen over exportkredietinstellingen samen te stellen die zij jaarlijks bij de Commissie moeten indienen. De Ombudsman heeft de Commissie ook aanbevolen de analyse- en evaluatie-inhoud van de jaarlijkse evaluaties van exportkredietinstellingen die zij aan het Europees Parlement voorlegt, te verbeteren.

De Commissie deelde de Ombudsman mee dat zij de Raad, het Parlement en de Europese Dienst voor extern optreden zou raadplegen en met het maatschappelijk middenveld zou samenwerken om de aanbevelingen van de Ombudsman uit te voeren. De Commissie zal de Groep exportkredieten van de Raad met name een herzien checklistmodel voorstellen dat de lidstaten voor hun jaarverslagen moeten gebruiken. De Commissie zal ook overwegen relevante richtsnoeren op te stellen voor de verslaglegging door de lidstaten.

Aangezien de door de Commissie aangekondigde maatregelen adequaat tegemoetkomen aan de aanbevelingen van de Ombudsman, sloot de Ombudsman haar onderzoek af, maar verzocht zij de Commissie binnen een jaar verslag uit te brengen.

Besluit van de Europese Ombudsman in haar strategisch onderzoek OI/4/2016/EA naar de wijze waarop de Europese Commissie personen met een handicap behandelt in het kader van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering voor EU-personeel

Woensdag | 10 april 2019

In 2015 heeft een VN-comité vastgesteld dat de ziektekostenverzekeringsregeling voor EU-personeelsleden, het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering (GSZV), niet in overeenstemming is met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD). Het comité heeft aanbevolen het GSZV te herzien om een alomvattende dekking te bieden voor gezondheidsbehoeften in verband met handicaps.

Nadat de Ombudsman klachten had ontvangen van personeelsleden die problemen hadden ondervonden om hun eigen medische kosten of die van hun familieleden volledig te vergoeden, voerde hij een strategisch onderzoek uit. Zij was van mening dat het verzuim van de Europese Commissie om doeltreffende maatregelen te nemen naar aanleiding van de aanbeveling van de commissie neerkwam op wanbeheer. Zij heeft de Commissie dan ook aanbevolen de regels voor het GSZV te herzien. Zij heeft de Commissie ook een aantal suggesties gedaan over de wijze waarop de behoeften van personen met een handicap in het GSZV worden gedekt, alsook over de noodzaak om personeel op te leiden en belanghebbenden naar behoren te raadplegen om ervoor te zorgen dat het GSZV de behoeften van personen met een handicap weerspiegelt.

De Commissie antwoordde dat zij de regels voor het GSZV zal herzien en actie zal ondernemen om gevolg te geven aan de meeste suggesties van de Ombudsman.

Aangezien de Commissie haar aanbeveling heeft aanvaard, sluit de Ombudsman haar strategisch onderzoek af. Gezien het belang van deze kwestie verzoekt zij de Commissie binnen zes maanden verslag uit te brengen over de uitvoering van de aanbeveling. De Ombudsman bevestigt ook haar suggestie dat de Commissie haar regels van 2004 inzake het tegemoetkomen aan de behoeften van personeel met een handicap moet herzien.

Besluit in zaak 747/2016/PL over het gebruik van de drempelwaarde voor toxicologische bezorgdheid door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid

Woensdag | 19 december 2018

De zaak betrof de wijze waarop de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) de drempelwaarde voor toxicologische bezorgdheid (TTC) gebruikt. De TTC is een risicobeoordelingsinstrument dat gebaseerd is op het beginsel dat er blootstellingsniveaus zijn waaronder chemische stoffen geen significant risico voor de menselijke gezondheid vormen.

In 2014 organiseerden de EFSA en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) een workshop van deskundigen om de wetenschap achter het TTC-concept te evalueren. De conclusies van de workshop werden onderworpen aan een openbare raadpleging en werden in maart 2016 gepubliceerd.

De klager, een ngo, plaatste vraagtekens bij het gebruik van het TTC-concept door de EFSA, aangezien hij van mening was dat dit niet strookte met de huidige wetenschappelijke gegevens. Het zei ook dat veel van de deskundigen die deelnamen aan de workshop belangenconflicten hadden.

Het Bureau van de Europese Ombudsman is geen wetenschappelijk orgaan en kan zich niet uitspreken over de voordelen van een bepaald risicobeoordelingsinstrument, zoals de TTC. Op basis van de in deze zaak uitgevoerde evaluatie achtte de Ombudsman de uitleg van de EFSA over het gebruik van TTC redelijk.

Wat betreft de deskundigen die aan de workshop deelnamen, constateerde de Ombudsman dat de EFSA in dit specifieke geval niet verplicht was om hen te screenen op belangenconflicten, aangezien het redelijk was om te vertrouwen op de voorafgaande screening van deze deskundigen door de WHO.

De Ombudsman concludeerde dat er geen sprake was van wanbeheer door de EFSA.

De Ombudsman stelde echter voor dat de EFSA erop toeziet dat deskundigen die aan conferenties of vergaderingen deelnemen, geen belangenconflicten hebben wanneer de conferentie of vergadering – zoals de litigieuze – wordt georganiseerd om het besluitvormingsproces van de EFSA te onderbouwen of als zodanig kan worden beschouwd.

Aanbeveling van de Europese Ombudsman in zaak 212/2016/JN over de jaarlijkse evaluatie door de Europese Commissie van de exportkredietinstellingen van de lidstaten

Woensdag | 23 mei 2018

De zaak betrof de toereikendheid van de jaarlijkse evaluatie door de Europese Commissie van exportkredietinstellingen – nationale instanties die financiële steun verlenen aan ondernemingen die zaken doen op “risicovolle” markten – met name met betrekking tot de bescherming van de mensenrechten en het milieu.

De Ombudsman onderzocht de kwestie en stelde vast dat de methodologie en procedures van de Commissie konden worden verbeterd. Zij stelde met name voor dat de Commissie een dialoog aangaat met de lidstaten en andere belanghebbenden om het model te verbeteren dat de lidstaten gebruiken bij het opstellen van de verslagen over exportkredietinstellingen die zij elk jaar bij de Commissie moeten indienen. De Ombudsman stelde ook voor dat de Commissie van haar kant de analyse- en evaluatie-inhoud van de jaarlijkse evaluaties van exportkredietinstellingen die zij aan het Europees Parlement voorlegt, zou verbeteren.

De Commissie verwierp de voorstellen van de Ombudsman voornamelijk omdat zij van mening is dat de uitvoering ervan een wijziging van de bestaande wetgeving zou vereisen. De Ombudsman was het niet eens met het standpunt van de Commissie en heeft nu aanbevelingen aan de Commissie gedaan in dezelfde bewoordingen als die van haar eerdere voorstellen.  De Ombudsman is van mening dat de jaarlijkse evaluatie van de Commissie, die zij aan het Parlement toestuurt, meer moet zijn dan een compilatie van de inhoud van de jaarverslagen die zij van de lidstaten ontvangt, en dat zij een geïnformeerde en gedetailleerde evaluatie moet bevatten van de prestaties van de exportkredietinstellingen, met name wat betreft de eerbiediging van de mensenrechten en het milieu.

Besluit van de Europese Ombudsman met voorstellen naar aanleiding van haar strategisch onderzoek OI/8/2015/JAS betreffende de transparantie van trialogen

Donderdag | 18 januari 2018

Dit strategisch onderzoek heeft betrekking op de transparantie van een belangrijk informeel deel van het wetgevingsproces van de EU, namelijk de transparantie van “trialogen”.

De twee wetgevende organen van de EU, het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, stellen op voorstel van de Europese Commissie wetgeving vast. Tijdens dit proces onderhandelen beide medewetgevers, bijgestaan door de Commissie, vaak in zogenaamde trialogen, d.w.z. informele bijeenkomsten tussen vertegenwoordigers van de drie betrokken instellingen. Tijdens een trialoog proberen het Parlement en de Raad overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijke tekst op basis van hun oorspronkelijke standpunten, waarover vervolgens volgens de formele wetgevingsprocedure wordt gestemd. Trialogen zijn zeer doeltreffend gebleken om dergelijke overeenkomsten te bereiken, en de meeste wetgeving wordt nu op deze manier aangenomen.

De Europese Unie is een representatieve democratie, waarbij burgers het recht hebben hun vertegenwoordigers verantwoordelijk te stellen voor de politieke keuzes die namens hen worden gemaakt. Burgers hebben ook het recht om deel te nemen aan het democratische proces van de EU. De transparantie van trialogen is van cruciaal belang om ervoor te zorgen dat deze rechten doeltreffend worden gemaakt en om de wetgeving van de EU te legitimeren. Het Hof van Justitie van de EU heeft verklaard dat het vermogen van EU-burgers om kennis te nemen van de overwegingen die ten grondslag liggen aan wetgevingsmaatregelen een voorwaarde is voor de doeltreffende uitoefening van hun democratische rechten.

Hoewel het wetgevingsproces van de EU in het algemeen vrij transparant is, ook in vergelijking met veel lidstaten, heeft dit deel van het proces aanleiding gegeven tot bezorgdheid over het evenwicht tussen de efficiëntie van het trialoogproces en de transparantie ervan.

Tegen deze achtergrond heeft de Europese Ombudsman een strategisch onderzoek geopend. Zij onderzocht welke informatie en documenten proactief ter beschikking van het publiek moeten worden gesteld en op welk tijdstip, zodat burgers gebruik kunnen maken van hun rechten.

Triloogtransparantie is een essentieel element van de legitimiteit van de EU-wetgeving. Burgers moeten in staat zijn om de prestaties van hun vertegenwoordigers tijdens dit belangrijke onderdeel van het wetgevingsproces te controleren. Burgers hebben ook informatie nodig over de onderwerpen die tijdens trialogen worden besproken om doeltreffend aan het wetgevingsproces te kunnen deelnemen.

De Ombudsman is ingenomen met de vooruitgang die tot dusver is geboekt bij het verbeteren van de transparantie van trialogen; zij stelt echter voor dat de drie instellingen de volgende documentatie en informatie openbaar maken: Data van de trialoog, initiële standpunten van de drie instellingen, algemene agenda’s van de trialoog, documenten in vier kolommen, definitieve compromisteksten, openbaar gemaakte trialoognota’s, lijsten van de betrokken politieke besluitvormers en, voor zover mogelijk, een lijst van andere documenten die tijdens de onderhandelingen zijn ingediend. Al deze gegevens moeten beschikbaar worden gesteld in een gebruiksvriendelijke en gemakkelijk te begrijpen gezamenlijke databank. Hoewel sommige documenten tijdens de trialoogonderhandelingen beschikbaar kunnen worden gesteld, kunnen de instellingen het in het algemeen belang noodzakelijk achten om het publiek pas na afloop van de onderhandelingen proactieve toegang tot bepaalde soorten documenten te verlenen.

Besluit in zaak 960/2016/TM betreffende de vermeende niet-tijdige behandeling van een klacht door de Europese Investeringsbank´s

Woensdag | 06 december 2017

De zaak betrof het vermeende verzuim van het klachtenmechanisme van de Europese Investeringsbank (EIB) om een klacht tijdig te behandelen. De Ombudsman onderzocht de kwestie en stelde vast dat de vertraging gerechtvaardigd was vanwege de complexiteit van het onderwerp van de klacht. De Ombudsman constateerde derhalve geen wanbeheer door de EIB.

Besluit in zaak 947/2016/JN over de behandeling door de Commissie van het Facebook-onderzoek van de klager

Dinsdag | 25 juli 2017

Deze zaak is het gevolg van het feit dat de vertegenwoordiging van de Europese Commissie in Kroatië niet heeft gereageerd op een verzoek om informatie op Facebook en dat zij klager op haar Facebook-pagina heeft geblokkeerd. Klager had gevraagd of het hoofd van de vertegenwoordiging in Kroatië een voormalig lid van de communistische partij van Joegoslavië was.

Aangezien de Commissie nu haar Facebook-pagina heeft gedeblokkeerd en heeft geantwoord, stelt de Ombudsman vast dat de Commissie deze aspecten van de zaak heeft geregeld. De Ombudsman stelt voorts vast dat de Commissie geen wanbeheer heeft gepleegd door de gevraagde informatie niet openbaar te maken omdat het beschermde persoonsgegevens betrof.

De Ombudsman doet echter een suggestie voor verbetering met betrekking tot de behoefte aan antwoorden op burgers die op sociale media met de Commissie communiceren. De Commissie moet er rekening mee houden dat het recht op een antwoord, dat wordt gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de EU en de beginselen van behoorlijk bestuur, zoals vastgelegd in de Europese code van goed administratief gedrag, van toepassing is op communicatie die via sociale media wordt ontvangen, behoudens beperkingen die gerechtvaardigd zijn op grond van het evenredigheidsbeginsel. De Commissie moet hiermee rekening houden bij de herziening van haar gids voor informatieverstrekkers en bij alle andere relevante werkzaamheden.

Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van het onderzoek naar klacht 208/2015/PD betreffende belangenconflicten in een deskundigengroep van de Commissie inzake elektromagnetische velden

Woensdag | 19 april 2017

De zaak betrof vermeende belangenconflicten met betrekking tot leden van een werkgroep van de Commissie die belast was met de evaluatie van de wetenschappelijke kennis over de effecten die elektromagnetische velden op de gezondheid kunnen hebben. In de klacht bij de Ombudsman werd gesteld dat de Commissie niet naar behoren had onderzocht of de wetenschappers in de werkgroep belangenconflicten hadden.

De Ombudsman onderzocht de kwestie. Zij was ervan overtuigd dat de Commissie de zaak naar behoren had onderzocht en dat de wetenschappers geen tegenstrijdige belangen hadden. Er was dus geen sprake van wanbeheer door de Commissie. De Ombudsman constateerde echter dat de procedures van de Commissie konden worden verbeterd en deed enkele suggesties voor verbetering.

Besluit in zaak 18/2016/ZA over het verzuim van de Europese Centrale Bank om adequaat te reageren op een verzoek om informatie

Donderdag | 22 december 2016

De zaak betrof het verzuim van de Europese Centrale Bank (ECB) om adequaat te reageren op het verzoek van klager om informatie over de bevoegdheid van de ECB om de handhaving van de wetgeving inzake financiële regelgeving en consumentenbescherming in de lidstaten te waarborgen. De Ombudsman verzocht de ECB klager een gedetailleerd antwoord te geven over haar toezichthoudende rol ten aanzien van de nationale centrale banken, maar ook over de rol van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme bij het toezicht op particuliere entiteiten. De ECB heeft hierop duidelijk en uitvoerig geantwoord. De Ombudsman besloot derhalve de zaak te sluiten.

Besluit in zaak 1242/2016/JN over het uitblijven van een antwoord van de Europese Commissie op de correspondentie van klager

Donderdag | 22 december 2016

De zaak betrof het verzuim van de Europese Commissie om te antwoorden op de correspondentie van klager waarin klager wees op een vermeende onjuiste verklaring van commissaris Bienkowska over vuurwapens. De Commissie heeft in de loop van het onderzoek geantwoord en de onjuistheid erkend. De Ombudsman heeft het onderzoek afgesloten omdat de Commissie stappen heeft ondernomen om de zaak te schikken. De Ombudsman stelde de Commissie echter voor te overwegen een correctie bekend te maken om ervoor te zorgen dat het publiek correct wordt geïnformeerd.