Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 352/2001/(BB)IJH tegen de Europese Commissie
Besluiten
Zaak 352/2001/(BB)IJH - Geopend op Vrijdag | 30 maart 2001 - Besluit over Woensdag | 05 juni 2002
Geachte heer J.,
Op 2 maart 2001 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen de Europese Commissie, DG Personeelszaken en algemeen beheer, over de behandeling van een incident van geweld op de werkplek.
Op 30 maart 2001 heb ik uw klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Commissie. De Commissie heeft haar advies op 19 juni 2001 toegezonden en ik heb u op 9 augustus 2001 uitgenodigd om opmerkingen te maken. Uw opmerkingen zijn doorgestuurd naar de Commissie met het verzoek nadere informatie te verstrekken. Op 30 januari 2002 heeft de Commissie op het verzoek om nadere inlichtingen geantwoord. Haar antwoord is u toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 25 maart 2002 heeft toegezonden.
Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.
Het KLACHT
Klager werkt bij de Europese Commissie. Volgens de klager zijn de relevante feiten als volgt:
Op 15 maart 2000 schopte de meerdere van klager hem in de rug. Klager legde een verklaring over het incident af aan de afdeling Protocol en Veiligheid van de Commissie. Op 6 april 2000 werd een tuchtprocedure met betrekking tot het incident ingeleid.
Op 30 oktober 2000 diende klager op grond van artikel 24 van het Statuut een verzoek in om zijn medische kosten als gevolg van het incident te dekken. Volgens klager heeft de Commissie zijn verzoek niet behandeld.
Op 30 oktober 2000 heeft klager op grond van artikel 90 van het Statuut verzocht om toegang tot de documenten betreffende het incident. Aangezien hij geen antwoord ontving, verlengde klager zijn aanvraag op 7 december 2000.
Op 1 februari 2001 verzocht klager om informatie over de situatie van de tuchtprocedure die op 6 april 2000 was ingeleid, maar zonder succes. Op 15 februari 2001 werd de tuchtprocedure zonder verdere maatregelen afgesloten.
In zijn klacht bij de Europese Ombudsman verzocht klager de Ombudsman na te gaan of de administratieve en tuchtprocedures van de Europese Commissie geschikt en geschikt waren om een gelijke behandeling van de partijen te waarborgen.
Bovendien voerde klager aan dat de Commissie hem geen bijstand heeft verleend op grond van artikel 24 van het Statuut, aangezien de Commissie het verzoek dat hij op grond van genoemd artikel had ingediend om medische kosten als gevolg van het incident te dekken, niet heeft behandeld. Klager voerde ook aan dat de Commissie hem op grond van dezelfde bepaling geen bijstand in juridische zaken heeft verleend.
Voorts heeft klager aangevoerd dat de Commissie hem ten onrechte de toegang heeft ontzegd tot de documenten betreffende het incident, waarom hij op grond van artikel 90 van het Statuut had verzocht. Klager voerde aan dat het incident als gevolg daarvan niet in een rechtbank als een strafrechtelijke aangelegenheid kon worden behandeld. Hij voerde ook aan dat de Belgische autoriteiten geen toegang hebben tot de gebouwen van de Commissie zonder toestemming.
Ten slotte eiste klager toegang tot alle documenten met betrekking tot het incident. In dit verband verwees klager naar artikel 9 van Verordening (EG) nr. 45/2001.
Het onderzoek
Advies van de CommissieWat het vermeende gebrek aan medische dekking in de zin van artikel 24 van het Statuut betreft, heeft de Commissie in haar advies verklaard dat het ongevalsrapport van klager op 10 oktober 2000 aan de afdeling Ziektekostenverzekering is toegezonden. De procedure van de Regeling betreffende de verzekering van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten is ingeleid. Op 19 maart 2001 heeft de afdeling Ziektekostenverzekering besloten dat de door klager als gevolg van het incident gemaakte kosten op grond van de artikelen 72 en 73 van het Statuut in aanmerking kwamen voor een volledige vergoeding, waarvan de betaling vervolgens aan klager werd gedaan.
Met betrekking tot de vraag of de administratieve en tuchtprocedures geschikt en geschikt waren om de gelijke behandeling van beide partijen te waarborgen, heeft de Commissie erop gewezen dat, om een evenwichtige aanpak te waarborgen, beide partijen uitvoerig zijn gehoord. Als gevolg van het onderzoek werd de meerdere van klager verantwoordelijk geacht voor het incident en werden disciplinaire maatregelen tegen hem genomen.
Ten slotte was de Commissie van oordeel dat zij niet kon voldoen aan het verzoek van klager om toegang tot de documenten met betrekking tot het incident. De Commissie ging ervan uit dat het verzoek om toegang tot verklaringen van de hiërarchieke meerdere van klager betrof. De Commissie voerde aan dat dergelijke verklaringen in het kader van een tuchtprocedure vertrouwelijk van aard zijn en dat klager dus alleen toegang kan worden verleend indien dit in het belang van zijn recht van verweer is.
Opmerkingen van klagerIn zijn opmerkingen handhaafde klager zijn klacht. Volgens klager is de Commissie niet bevoegd om een strafzaak te behandelen en door de toegang tot de documenten met betrekking tot het incident op valse gronden te weigeren, verhindert zij dat de zaak naar de bevoegde nationale autoriteit wordt gebracht.
Klager voerde ook aan dat het optreden van de Commissie in strijd is met de mensenrechtenverdragen, waaronder artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Klager voerde verder aan dat de artikelen 86 tot en met 89 van het Statuut niet in overeenstemming zijn met genoemd artikel 47, aangezien zij het recht op een openbaar proces ontzeggen, en dat het Statuut derhalve niet mag worden toegepast bij de behandeling van strafzaken. Klager was van mening dat het horen van de partijen op zich geen garantie biedt voor een onpartijdige behandeling van de zaak en gelijke behandeling van de partijen.
Volgens klager volgde de Commissie geen eerdere rechtspraktijk waarin een geweldsdelict tot ontslag leidde (1). Klager voerde aan dat het slachtoffer, d.w.z. klager, in deze zaak werd gestraft door hem tegen zijn wil een nieuwe functie toe te wijzen en hem op grond van artikel 24 van het Statuut bijstand in juridische zaken te ontzeggen. Klager voerde ook aan dat de Commissie de internationale normen tegen geweld op het werk heeft genegeerd en het Gemeenschapsrecht inzake de positie van het slachtoffer niet heeft nageleefd. Volgens klager is het feit dat een persoon van wie bekend is dat hij gewelddadig is, zijn werk mag voortzetten, in strijd met de plichten van de werkgever.
Klager diende samen met de opmerkingen een door hem opgesteld document in over de juiste omgang met geweld op de werkplek.
Nadere inlichtingenNa zorgvuldige bestudering van het standpunt van de Commissie en de opmerkingen van klager bleek dat nader onderzoek noodzakelijk was.
Op 30 oktober 2001 zond de Europese Ombudsman de opmerkingen van klager naar de Commissie, samen met een verzoek om nadere informatie over de disciplinaire maatregelen die in de zaak waren genomen.
Aanvullend advies van de CommissieWat de genomen tuchtmaatregelen betreft, herhaalde de Commissie haar standpunt dat beide partijen naar behoren werden gehoord en dat de meerdere van klager verantwoordelijk werd geacht voor het incident.
De Commissie verklaarde dat de volgende procedurele stappen waren ondernomen tegen de hiërarchieke meerdere van klager:
- de veiligheidsdienst heeft na het incident van 15 maart 2000 een onderzoek ingesteld door op 3 april 2000 twee getuigen te horen;
- het tot aanstelling bevoegde gezag heeft op 6 april 2000 een tuchtprocedure tegen de meerdere van klager ingeleid;
- de hiërarchieke meerdere van klager heeft op 10 april 2000 een schriftelijke verklaring afgelegd;
- de twee partijen zijn gehoord op 26 april 2000 en 18 mei 2000;
- het eindverslag van het onderzoek is op 3 november 2000 ingediend; en
- de Juridische dienst van de Commissie heeft op 27 december 2000 advies uitgebracht.
Naar aanleiding van deze procedure heeft het tot aanstelling bevoegde gezag op 5 maart 2001 besloten de hiërarchieke meerdere van klager de tuchtmaatregel van een schriftelijke waarschuwing op grond van artikel 86, lid 2, onder a), van het Statuut te geven.
Wat de opmerkingen van klager betreft, werd erop gewezen dat de Commissie passende maatregelen had genomen door een tuchtprocedure in te leiden op grond van de artikelen 86 tot en met 87 en bijlage IX van het Statuut.
De Commissie verklaarde ook dat, indien de klager van mening is dat de door zijn meerdere gepleegde handelingen in strijd zouden kunnen zijn met het nationale strafrecht, het aan hem is om zich tot de relevante vervolgende autoriteiten te wenden. In dat geval zou de Commissie, met inachtneming van het Verdrag en het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, de bevoegde nationale rechter zo nodig volledige officiële bijstand verlenen.
De Commissie heeft ook verklaard dat de tuchtmaatregel in deze zaak vergelijkbaar was met die in vergelijkbare eerdere zaken, en dat alle omstandigheden van deze specifieke zaak in aanmerking zijn genomen.
Tot slot verwees de Commissie naar haar eerdere advies met betrekking tot de toegang tot dossiers in verband met de zaak, door te herhalen dat de tuchtprocedure vertrouwelijk is en dat toegang alleen aan de verweerder wordt verleend wanneer dit gerechtvaardigd is om ervoor te zorgen dat zijn rechten van verdediging volledig worden geëerbiedigd. De Commissie verwees ook naar artikel 2 van bijlage IX bij het Statuut, waarin alleen wordt bepaald dat "de ambtenaar ten laste het recht heeft zijn volledige persoonsdossier in te zien". Daarnaast voerde de Commissie aan dat de toegang tot deze bestanden kan worden geweigerd op grond van artikel 4, lid 1, onder b), van Verordening 1049/2001 (2) inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, wanneer openbaarmaking de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu zou ondermijnen.
Aanvullende opmerkingen van klagerKlager diende aanvullende opmerkingen in, waarin hij kort samengevat de volgende punten aan de orde stelde:
De uitkomst van de tuchtprocedure was ontoereikend, aangezien de hiërarchieke meerdere van klager een zuiver formele sanctie werd opgelegd. Met betrekking tot het standpunt van de Commissie dat de tuchtmaatregel in deze zaak vergelijkbaar was met die in vergelijkbare eerdere zaken, voerde klager aan dat tuchtrechtelijke beslissingen van een overheidsinstantie niet kunnen worden gebaseerd op eerdere besluiten die in het geheim zijn genomen. Klager voerde ook een nieuwe bewering aan dat zijn meerdere in feite was beloond door hem na het incident op de lijst van promoties te plaatsen.
Met betrekking tot het standpunt van de Commissie dat openbaarmaking van de documenten de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu zou kunnen ondermijnen, voerde klager aan dat de procedure materiaal omvat dat niet als onderdeel van de tuchtprocedure moet worden beschouwd. Klager verwees ook naar de artikelen 8 en 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en naar artikel 3 van richtlijn 95/46, met het argument dat de richtlijn niet van toepassing is op strafzaken.
Voorts heeft klager een nieuwe bewering gedaan, namelijk dat de behandeling van een geweldsdelict in een tuchtprocedure niet in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht. Volgens klager had de Commissie artikel 2 van beschikking 1999/396 van de Commissie moeten toepassen.
Bovendien bekritiseerde klager de artikelen 17 en 19 van het Statuut omdat zij een benadeelde partij beletten zich tot een bevoegde rechter te wenden. Klager voerde ook aan dat de door de Commissie gevolgde procedure het slachtoffer van een geweldsdelict belast met het inleiden van een strafprocedure.
BESLUIT
1 Nieuwe bewering en argument van klager1.1 In zijn aanvullende opmerkingen voerde klager opnieuw aan dat de behandeling van een geweldsdelict in een tuchtprocedure niet in overeenstemming is met het Gemeenschapsrecht. Volgens klager had de Commissie artikel 2 van Besluit 1999/396 van de Commissie betreffende de voorwaarden voor en de wijze van uitvoering van interne onderzoeken op het gebied van de bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit die de belangen van de Gemeenschappen schaadt (3) moeten toepassen.
1.2 De Ombudsman is van mening dat deze nieuwe bewering mogelijk complexe juridische kwesties met betrekking tot de interpretatie van het Statuut, Besluit 1999/396 van de Commissie en Verordening (EG) nr. 1073/1999 (4) aan de orde stelt en derhalve in dit stadium van dit onderzoek niet op bevredigende wijze kan worden behandeld. Klager heeft de mogelijkheid om een nieuwe klacht in te dienen bij de Ombudsman met betrekking tot deze nieuwe bewering.
1.3 Ook in zijn aanvullende opmerkingen voerde klager een nieuw argument aan dat zijn meerdere in feite was beloond door hem na het incident op de lijst van promoties te plaatsen.
1.4 De Ombudsman merkt op dat de tucht- en bevorderingsprocedures gescheiden zijn. De Ombudsman is van mening dat het onderhavige onderzoek onnodig zou worden vertraagd door de Commissie te vragen zich over dit nieuwe argument uit te spreken. Indien de klager van mening is dat er bewijs is van wanbeheer door de Commissie met betrekking tot de bevorderingsprocedure, heeft hij de mogelijkheid om een nieuwe klacht in te dienen bij de Ombudsman.
1.5 De Ombudsman merkt ook op dat klager in zijn aanvullende opmerkingen kritiek uit op de artikelen 17 en 19 van het Statuut. De Ombudsman begrijpt dit punt niet als een kwestie van mogelijk wanbeheer dat in het kader van dit onderzoek zou kunnen worden aangepakt. De Ombudsman wijst erop dat indien de klager wijzigingen van het bestaande Gemeenschapsrecht wenst voor te stellen, hij de mogelijkheid heeft een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten.
2 Vermeende ongelijke behandeling van partijen in de administratieve en tuchtprocedures van de Commissie2.1 Klager verzocht de Ombudsman na te gaan of de administratieve en tuchtprocedures van de Commissie geschikt en geschikt waren om de gelijke behandeling van de partijen na een incident van geweld op de werkplek te waarborgen. In dit verband voerde klager aan dat het optreden van de Commissie in strijd is met de mensenrechtenverdragen, waaronder artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en dat het Statuut niet mag worden toegepast in strafzaken. In zijn opmerkingen voerde klager aan dat de Commissie niet bevoegd is om een strafzaak te behandelen.
2.2 Klager voerde ook aan dat de uitkomst van de tuchtprocedure ontoereikend was, aangezien zijn meerdere een zuiver formele sanctie werd opgelegd.
2.3 Volgens de Commissie zijn beide partijen naar behoren gehoord in verband met het incident. De Commissie voerde aan dat zij passende maatregelen had genomen door een tuchtprocedure op grond van de artikelen 86 tot en met 87 en bijlage IX van het Statuut in te leiden, naar aanleiding waarvan het tot aanstelling bevoegde gezag op 5 maart 2001 heeft besloten klagers meerdere de tuchtmaatregel van een schriftelijke aanmaning op grond van artikel 86, lid 2, onder a), van het Statuut te geven.
2.4 De Commissie verklaarde ook dat indien de klager van mening is dat de actie van zijn meerdere een inbreuk op het nationale strafrecht zou kunnen vormen, het aan de klager is om zich tot de relevante vervolgende autoriteiten te wenden. In dit geval zou de Commissie de bevoegde nationale rechter desgewenst volledige officiële bijstand verlenen.
2.5 De Ombudsman is niet op de hoogte van een regel of beginsel op grond waarvan de Commissie niet kan besluiten zich van haar verantwoordelijkheden als werkgever te kwijten door een dergelijke zaak via tuchtprocedures te behandelen. Evenmin is de Ombudsman op de hoogte van een regel of beginsel op grond waarvan de Commissie verplicht zou zijn een dergelijke zaak voor te leggen aan de nationale autoriteiten die in het kader van het strafrecht moeten worden behandeld. Bovendien is de Ombudsman niet van mening dat klager heeft aangetoond dat de Commissie een bindende regel of een bindend beginsel heeft geschonden door te besluiten deze zaak niet naar de nationale autoriteiten te verwijzen.
2.6 Wat het verloop van de administratieve en tuchtprocedure betreft, beschikt de Ombudsman over het bewijs dat de veiligheidsdienst na het incident een onderzoek heeft ingesteld door zowel klager als zijn meerdere als getuigen te horen. Daarna werd een tuchtprocedure ingeleid tegen de meerdere van klager, waarbij klager en zijn meerdere beiden werden gehoord. De Ombudsman is niet van mening dat klager heeft aangetoond dat de door de Commissie toegepaste administratieve en tuchtprocedures inbreuk hebben gemaakt op zijn rechten uit hoofde van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens of artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In dit verband merkt de Ombudsman op dat het Hof heeft opgemerkt dat procedures voor de Commissie eerder administratief dan gerechtelijk zijn, zodat de Commissie niet kan worden aangemerkt als een "gerecht" in de zin van artikel 6 EVRM (5).
2.7 Wat betreft de vermeende ontoereikendheid van de sanctie die tijdens de tuchtprocedure aan de meerdere van klager is opgelegd, merkt de Ombudsman op dat het tot aanstelling bevoegde gezag heeft vastgesteld dat de meerdere van klager verantwoordelijk was voor het incident en de tuchtmaatregel heeft opgelegd van een schriftelijke waarschuwing overeenkomstig artikel 86, lid 2, onder a), van het Statuut.
2.8 Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie moet de vaststelling van de op te leggen sanctie gebaseerd zijn op een alomvattende beoordeling door het tot aanstelling bevoegde gezag van alle specifieke feiten en de verzwarende of verzachtende omstandigheden die eigen zijn aan elk individueel geval (6). Volgens de Ombudsman blijkt uit de jurisprudentie waarnaar klager verwijst (7) dat een gewelddadige daad van agressie die letsel tot gevolg heeft, voldoende ernstig is om de verwijdering van een ambtenaar uit zijn functie te rechtvaardigen, maar niet dat deze sanctie verplicht is in gevallen van geweld. Uit het onderzoek van de Ombudsman is dus niet gebleken dat het tot aanstelling bevoegde gezag bij de vaststelling van de sanctie in de onderhavige zaak buiten de grenzen van zijn wettelijke bevoegdheid heeft gehandeld.
2.9 Gezien het bovenstaande stelt de Ombudsman vast dat er met betrekking tot dit aspect van de zaak geen sprake is van wanbeheer.
2.10 De Ombudsman merkt op dat de Commissie in haar advies niet heeft verwezen naar schriftelijke beleidsrichtsnoeren voor de behandeling van geweldsincidenten op de werkplek. De Commissie kan overwegen dergelijke richtsnoeren vast te stellen, waaruit blijkt dat zij zich inzet voor goede werkgelegenheidspraktijken en de ernst waarmee zij geweld op de werkplek beschouwt. De Ombudsman zal hieronder nog een opmerking in die zin maken.
3 Vermeend verzuim om bijstand te verlenen in de zin van artikel 24 van het Statuut3.1 Klager beweerde dat de Commissie zijn verzoek op grond van artikel 24 van het Statuut om medische kosten als gevolg van het incident te dekken, niet had behandeld.
3.2 Klager voerde ook aan dat de Commissie hem geen rechtsbijstand heeft verleend op grond van hetzelfde artikel.
3.3 Volgens de Commissie is het ongevalsrapport van klager op 10 oktober 2000 naar de afdeling Ziektekostenverzekering gestuurd. Op 19 maart 2001 heeft de afdeling Ziektekostenverzekering besloten dat de door klager als gevolg van het incident gemaakte kosten op grond van de artikelen 72 en 73 van het Statuut in aanmerking kwamen voor een volledige vergoeding, die vervolgens aan klager werd betaald.
3.4 De Ombudsman is derhalve van mening dat de Commissie passende maatregelen heeft genomen om de klacht met betrekking tot de medische kosten van klager af te wikkelen.
3.5 Wat betreft de bewering van klager dat de Commissie hem geen juridische bijstand heeft verleend op grond van artikel 24 van het Statuut van de ambtenaren, merkt de Ombudsman op dat klager de Commissie niet om bijstand lijkt te hebben verzocht om klager in staat te stellen zich tot de Belgische autoriteiten te richten. Klager kon daarom een dergelijk verzoek indienen. In geval van een negatief antwoord zou de klager gebruik kunnen maken van de procedure van artikel 90, lid 2, van het Statuut.
3.6 De Ombudsman constateert derhalve geen wanbeheer met betrekking tot dit aspect van de klacht.
4 Toegang tot documenten4.1 Klager beweerde dat de Commissie hem ten onrechte de toegang tot de documenten met betrekking tot het incident had ontzegd. In zijn opmerkingen voerde klager aan dat de Commissie, door de toegang tot de documenten te weigeren, verhindert dat de zaak aan de bevoegde nationale autoriteit wordt voorgelegd. Klager eist toegang tot alle documenten met betrekking tot het incident.
4.2 Volgens de Commissie kan zij niet voldoen aan het verzoek van klager om toegang tot de documenten in verband met het incident, omdat verklaringen in het kader van een tuchtprocedure vertrouwelijk van aard zijn en klager dus alleen toegang kan worden verleend als dit in het belang van zijn recht van verweer is. De Commissie voerde ook aan dat de toegang tot de betrokken documenten kan worden geweigerd op grond van artikel 4, lid 1, onder b), van Verordening 1049/2001 (8) inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, dat voorziet in een uitzondering wanneer openbaarmaking de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu zou ondermijnen.
4.3 De Ombudsman begrijpt dat de bewering van klager niet gebaseerd is op het recht van het publiek op toegang tot documenten, maar op zijn specifieke belang bij de betrokken documenten. Bovendien merkt de Ombudsman op dat klager ook verwijst naar Verordening (EG) nr. 45/2001 (9) betreffende gegevensbescherming.
4.4 Wat het specifieke belang van klager bij toegang betreft, merkt de Ombudsman in de eerste plaats op dat artikel 2 van bijlage IX bij het Statuut bepaalt dat de aangeklaagde ambtenaar recht heeft op inzage in zijn volledige persoonsdossier. Klager was echter niet de aangeklaagde ambtenaar en de Ombudsman is niet op de hoogte van enige bepaling van het Statuut op grond waarvan de Commissie de betrokken documenten aan klager zou moeten verstrekken.
4.5 Wat ook het specifieke belang van klager bij toegang betreft, merkt de Ombudsman op dat de Commissie lijkt te aanvaarden dat klager toegang kan worden verleend indien dit in het belang van zijn recht van verweer is. De Ombudsman is zich er niet van bewust dat klager zich tot de Belgische autoriteiten heeft gewend met het oog op de inleiding van een procedure bij de nationale rechtbanken. Indien de klager een dergelijke stap zou nemen, zou hij de Commissie daarvan in kennis kunnen stellen en zich op het recht van verweer kunnen beroepen als specifiek belang bij het verkrijgen van toegang tot de documenten. Indien klager ontevreden zou zijn over het antwoord van de Commissie, zou hij een klacht kunnen indienen bij de Ombudsman.
4.6 Wat betreft de verwijzing van klager naar Verordening (EG) nr. 45/2001 betreffende gegevensbescherming, merkt de Ombudsman op dat artikel 50 van de verordening bepaalt dat de communautaire instellingen en organen ervoor moeten zorgen dat verwerkingen die op de datum van inwerkingtreding van de verordening reeds aan de gang zijn, binnen een jaar na die datum in overeenstemming worden gebracht met de verordening. De Ombudsman merkt derhalve op dat klager de mogelijkheid heeft een beroep te doen op artikel 13 van de verordening indien hij gebruik wenst te maken van het recht op toegang tot gegevens die betrekking hebben op hemzelf en die de Commissie met betrekking tot het incident in kwestie mogelijk opslaat. Het zou aan de Commissie zijn om een dergelijke aanvraag te behandelen overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG) nr. 45/2001. Indien klager ontevreden zou zijn over de behandeling van een dergelijk verzoek door de Commissie, zou hij een klacht kunnen indienen bij de Ombudsman.
4.7 In het licht van het bovenstaande stelt de Ombudsman vast dat er met betrekking tot dit aspect van de klacht geen sprake is van wanbeheer.
5 ConclusieOp basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht lijkt er geen sprake te zijn geweest van wanbeheer door de Commissie. De Ombudsman sluit daarom de zaak.
De voorzitter van de Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.
BIJZONDERE OPMERKING
De Ombudsman merkt op dat de Commissie in haar advies niet heeft verwezen naar schriftelijke beleidsrichtsnoeren voor de behandeling van geweldsincidenten op de werkplek. De Commissie kan overwegen dergelijke richtsnoeren vast te stellen, waaruit blijkt dat zij zich inzet voor goede werkgelegenheidspraktijken en de ernst waarmee zij geweld op de werkplek beschouwt.
Met vriendelijke groet,
Jacob SÖDERMAN
(1) Zaak 228/83, F/Commissie 1985, Jurispr. 1985, blz. 275, zaak 403/85, F/Commissie 1987, Jurispr. 1987, blz. 645, in het bijzonder de conclusie van advocaat-generaal Mischo.
(2) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145/43).
(3) 1999/396/EG, EGKS, Euratom: Beschikking van de Commissie van 2 juni 1999 betreffende de voorwaarden voor en de wijze van uitvoering van interne onderzoeken op het gebied van de bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de belangen van de Gemeenschappen worden geschaad (Kennisgeving geschied onder nummer SEC(1999) 802).
(4) Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).
(5) Zaak C-252/97 P, N/Commissie, beschikking van het Hof (Derde kamer) 1998, Jurispr. 1998, blz. I-4871, punt 4.
(6) Zaak T-26/89, Henri de Compte tegen Europees Parlement, 1991, Jurispr. 1991, blz. II-781, punt 8.
(7) Zaak 228/83, F/Commissie, 1985, Jurispr. blz. 275, zaak 403/85, F/Commissie, 1987, Jurispr. blz. 645.
(8) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, PB L 145/43.
(9) Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 2001, L 8).