Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Onderzoeken doorzoeken

Criteria voor het filteren van documenten
Zaak
Datum marge
Trefwoorden
Of probeer oude trefwoorden (voor 2016)

1 - 20 van 579 resultaten weergeven

Besluit van de Europese Ombudsman in haar strategisch onderzoek OI/4/2016/EA naar de wijze waarop de Europese Commissie personen met een handicap behandelt in het kader van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering voor EU-personeel

Woensdag | 10 april 2019

In 2015 heeft een VN-comité vastgesteld dat de ziektekostenverzekeringsregeling voor EU-personeelsleden, het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering (GSZV), niet in overeenstemming is met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD). Het comité heeft aanbevolen het GSZV te herzien om een alomvattende dekking te bieden voor gezondheidsbehoeften in verband met handicaps.

Nadat de Ombudsman klachten had ontvangen van personeelsleden die problemen hadden ondervonden om hun eigen medische kosten of die van hun familieleden volledig te vergoeden, voerde hij een strategisch onderzoek uit. Zij was van mening dat het verzuim van de Europese Commissie om doeltreffende maatregelen te nemen naar aanleiding van de aanbeveling van de commissie neerkwam op wanbeheer. Zij heeft de Commissie dan ook aanbevolen de regels voor het GSZV te herzien. Zij heeft de Commissie ook een aantal suggesties gedaan over de wijze waarop de behoeften van personen met een handicap in het GSZV worden gedekt, alsook over de noodzaak om personeel op te leiden en belanghebbenden naar behoren te raadplegen om ervoor te zorgen dat het GSZV de behoeften van personen met een handicap weerspiegelt.

De Commissie antwoordde dat zij de regels voor het GSZV zal herzien en actie zal ondernemen om gevolg te geven aan de meeste suggesties van de Ombudsman.

Aangezien de Commissie haar aanbeveling heeft aanvaard, sluit de Ombudsman haar strategisch onderzoek af. Gezien het belang van deze kwestie verzoekt zij de Commissie binnen zes maanden verslag uit te brengen over de uitvoering van de aanbeveling. De Ombudsman bevestigt ook haar suggestie dat de Commissie haar regels van 2004 inzake het tegemoetkomen aan de behoeften van personeel met een handicap moet herzien.

Besluit in zaak 1455/2015/JAP betreffende de voorwaarden voor een door het Europees Bureau voor personeelsselectie georganiseerd vergelijkend onderzoek in een testcentrum

Dinsdag | 07 november 2017

De zaak betrof de behandeling door het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) van een klacht over de voorwaarden in een testcentrum voor een vergelijkend onderzoek voor EU-ambtenaren. Klager had een computer naast de toegangsdeur gekregen en beweerde dat de verstoring die werd veroorzaakt door mensen die de kamer binnenkwamen en verlieten, haar prestaties negatief beïnvloedde. Haar pogingen om haar zorgen door het personeel van het testcentrum te laten behandelen, mislukten en zij diende vervolgens een klacht in bij EPSO. Ontevreden over de manier waarop EPSO met haar klacht omging, wendde zij zich vervolgens tot de Ombudsman.

De Ombudsman onderzocht de kwestie en verzocht EPSO de klacht grondiger te onderzoeken. Het onderzoeksteam van de Ombudsman had ook een ontmoeting met vertegenwoordigers van EPSO en de contractant die verantwoordelijk is voor het beheer van de tests, en bezocht een testcentrum in het hoofdkantoor van EPSO. De Ombudsman concludeerde dat verder onderzoek in deze zaak over het algemeen niet gerechtvaardigd was; zij deed echter een aantal suggesties voor verbetering aan EPSO.

Besluit in zaak 969/2016/JN betreffende de afwijzing door de adviesmissie van de Europese Unie in Oekraïne van de aanvraag van de klager in een selectieprocedure

Vrijdag | 13 januari 2017

De zaak betrof de afwijzing door de adviesmissie van de Europese Unie voor Oekraïne (EUAM) van de aanvraag van klager in een selectieprocedure. De Ombudsman onderzocht de kwestie en constateerde dat er geen sprake was van wanbeheer met betrekking tot de afwijzing van het verzoek. De Ombudsman constateerde voorts dat een administratief toetsingsmechanisme op één niveau volstaat. Tot slot was de Ombudsman verheugd te vernemen dat de Europese Dienst voor extern optreden nu heeft besloten het bericht dat hij naar afgewezen kandidaten stuurt, te wijzigen om er informatie over beschikbare rechtsmiddelen in op te nemen.

Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van het onderzoek naar klacht 52/2014/EIS betreffende het besluit van het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) om bij algemene vergelijkende onderzoeken naar behoren rekening te houden met het beginsel van overmacht

Donderdag | 17 november 2016

Klager, die tijdelijk voor het Hof van Justitie van de Europese Unie werkt, heeft een aanvraag ingediend voor een vergelijkend onderzoek van EPSO voor de aanwerving van conferentietolken. In de aankondiging van vergelijkend onderzoek was bepaald dat de ingevulde aanvragen uiterlijk op 6 augustus 2013 om 12.00 uur moesten zijn ingediend. Klager heeft de deadline gemist. Op 7 augustus 2013 deelde zij EPSO mee dat zij van 5 tot en met 6 augustus 2013 in het ziekenhuis was opgenomen en haar sollicitatie daarom niet tijdig had kunnen afronden. Op 7 augustus 2013 heeft zij EPSO verzocht de termijn te verlengen. EPSO weigerde. De voornaamste reden voor haar weigering was volgens haar dat zij alle verzoekers gelijk moest behandelen.

De Ombudsman onderzocht de kwestie en kwam tot de voorlopige conclusie dat EPSO had nagelaten te onderzoeken of de omstandigheden van klager een geval van overmacht vormden. Zij beveelt EPSO dan ook aan i) te erkennen dat er situaties zijn waarin het wegens overmacht billijk en gepast is dat kandidaten een nieuwe termijn krijgen; ii) de omstandigheden te verduidelijken waarin een dergelijke nieuwe termijn moet worden vastgesteld; en iii) de kandidaten daarvan in kennis te stellen. EPSO verwierp aanvankelijk de aanbevelingen van de Ombudsman en voerde aan dat het moeilijk zou zijn om een scheidslijn te trekken tussen de verschillende door de kandidaten aangevoerde rechtvaardigingen en om uiteen te zetten hoe de kandidaten zouden bewijzen dat er sprake was van overmacht. Zij voegde daaraan toe dat de mogelijkheid voor kandidaten om zich op overmacht te beroepen, zowel het goede verloop van algemene vergelijkende onderzoeken als de gelijke behandeling van kandidaten in gevaar zou brengen. Zij verwees ook naar statistieken waaruit volgens haar bleek dat de behandeling van alle verzoeken om verlenging van de termijn na het verstrijken van de termijn een administratieve last voor EPSO zou vormen.

Na vergaderingen tussen de Ombudsman en het personeel van EPSO heeft EPSO de aanbevelingen van de Ombudsman echter uiteindelijk in beginsel aanvaard. Wat het specifieke geval van klager betreft, merkte de Ombudsman echter op dat het betrokken vergelijkend onderzoek was beëindigd. Zij merkte ook op dat klager ervoor had gekozen geen opmerkingen te maken over het antwoord van EPSO op haar aanbevelingen. In het licht hiervan was de Ombudsman van oordeel dat er geen redenen waren voor verder onderzoek naar de vraag of de zaak van klager voldeed aan de vereisten van overmacht die EPSO nu in beginsel aanvaardt toe te passen.

Besluit in zaak 1874/2013/MG over vermeende onregelmatigheden in een aanbestedingsprocedure van de Europese Commissie

Maandag | 29 augustus 2016

Klager is een IT-bedrijf dat heeft deelgenomen aan een aanbesteding van de Commissie. De Commissie heeft alle inschrijvers verzocht twee casestudy's uit te voeren om hen in staat te stellen hun technische vaardigheden te evalueren.

Klager maakte bezwaar tegen het feit dat een van de casestudy’s sterk leek op een aanbesteding die onlangs door een EU-agentschap was georganiseerd. Zij voerde aan dat dit de ondernemingen die deze aanbesteding hadden gewonnen een concurrentievoordeel gaf in de aanbesteding van de Commissie. Klager heeft ook bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Commissie om de namen van de personen die de voorstellen voor de Commissie hebben beoordeeld, niet openbaar te maken.

Na haar onderzoek concludeerde de Ombudsman dat het ontwerp van de aanbestedingsprocedure door de Commissie de winnende inschrijver geen concurrentievoordeel opleverde. Wat de openbaarmaking van de namen van de beoordelaars betreft, stelt de Ombudsman voor dat de Commissie overweegt dergelijke namen in de toekomst vrij te geven.

Besluit van de Europese Ombudsman in zaak 1083/2015/ANA betreffende de vergoeding door Eurojust van reiskosten aan kandidaten die voor een gesprek zijn uitgenodigd

Dinsdag | 12 juli 2016

De zaak had betrekking op het beleid van Eurojust inzake de vergoeding van reiskosten van kandidaten die voor een gesprek waren uitgenodigd.

Klager wendde zich tot de Ombudsman en beweerde dat het terugbetalingsbeleid van Eurojust oneerlijk en discriminerend was ten aanzien van kandidaten die buiten de EU woonachtig waren. Tot staving van zijn bewering merkte klager op dat er een plafond van 500 EUR geldt voor kandidaten die buiten de EU verblijven, terwijl in sommige gevallen een hoger plafond geldt voor reizen vanuit de EU.

De Ombudsman onderzocht de kwestie en constateerde dat Eurojust passende maatregelen heeft genomen om de zaak te beslechten door de vergoeding voor kandidaten die buiten de EU verblijven te verhogen tot het hoogste plafond dat van toepassing is op kandidaten die binnen de EU reizen.

Besluit in zaak 14/2015/JF over de weigering van het Europees Bureau voor personeelsselectie om een kandidaat met een gehoorbeperking extra tijd te geven om een computertest af te leggen in een personeelsselectieprocedure

Dinsdag | 26 april 2016

Klager, een Frans staatsburger die doof is vanaf zijn geboorte, nam deel aan een personeelsselectieprocedure voor de EU-instellingen. Het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO), dat deze personeelsselectieprocedures organiseert, weigerde hem extra tijd te geven om de computergebaseerde toelatingstest (CBT) af te leggen, met het argument dat alle relevante informatie, evenals de test zelf, schriftelijk is gedaan. Klager wendde zich tot de Ombudsman met het argument dat EPSO er geen rekening mee had gehouden dat personen met een gehoorbeperking in sommige gevallen meer tijd nodig hebben om schriftelijke teksten te begrijpen.

De Ombudsman constateerde dat klager EPSO pas volledige informatie over zijn handicap had verstrekt nadat hij de test had afgelegd. Op basis van de informatie waarover het op dat moment beschikte, had EPSO het verzoek van klager om extra tijd voor de CGT naar behoren behandeld. De Ombudsman constateerde derhalve geen wanbeheer door EPSO.

In het kader van haar onderzoek heeft de Ombudsman echter een raadpleging van belanghebbenden gehouden waaruit bleek dat een aantal lidstaten studenten met een gehoorbeperking extra tijd geven wanneer zij schriftelijke tests afleggen. Ter afsluiting van dit onderzoek stelde de Ombudsman daarom voor dat EPSO zorgvuldig zou heroverwegen of het in toekomstige gevallen extra tijd zou moeten geven aan kandidaten met een gehoorbeperking wanneer dit wordt gevraagd in het geval van CGT’s en schriftelijke tests.

Besluit in zaak 541/2014/PMC betreffende het besluit van de Europese Commissie om, onder verschillende voorwaarden, twee gelijktijdige programma's ter bevordering van de verkoop van olijfolie in derde landen te medefinancieren

Maandag | 11 april 2016

Klager, een consortium van olijfolieproducenten uit Italië, diende bij de Ombudsman een klacht in over het besluit van de Commissie om onder verschillende voorwaarden twee gelijktijdige programma's ter bevordering van de verkoop van olijfolie buiten de EU te cofinancieren. Volgens de klager leidden inconsistenties tussen de voorwaarden van deze programma's tot een concurrentievoordeel voor de Spaanse olijfolieproducenten.

In de loop van haar onderzoek constateerde de Ombudsman dat de EU-wetgever nieuwe verordeningen had vastgesteld met bepalingen over een betere coördinatie van de twee financieringsprogramma’s, wat impliceert dat gevallen als het onderhavige zich in de toekomst niet meer zullen voordoen. De Ombudsman was derhalve van mening dat het systemische aspect van de klacht was opgelost. De Ombudsman constateerde echter dat zij niet in staat was de individuele situatie van klager aan te pakken. Daarom heeft zij de zaak gesloten.

Besluit in zaak 478/2014/PMC betreffende de tweetalige visuele identiteit van de Europese Commissie die in haar persconferentiezaal wordt gebruikt

Donderdag | 31 maart 2016

De zaak betrof het visuele identiteitslogo van de Commissie, dat sinds 2012 in haar persconferentiezaal in Brussel wordt gebruikt. Volgens klager vormt het exclusieve gebruik van het Engels en het Frans in dit logo voor visuele identiteit discriminatie op grond van taal.

De huidige talenregeling van de EU omvat het recht van elke burger om in zijn eigen taal met de instellingen van de EU te communiceren en het overeenkomstige recht op een antwoord in die taal. De beginselen die aan deze taalregeling ten grondslag liggen, zijn ook van toepassing op andere vormen van communicatie, zoals communicatie via publicaties en websites. Elke differentiatie in het gebruik van talen in dergelijke omstandigheden moet objectief gerechtvaardigd zijn. Met betrekking tot de vraag of er in de onderhavige zaak een objectieve rechtvaardiging bestaat, is de Ombudsman het ermee eens dat het technisch niet mogelijk is om de term "Europese Commissie" in 24 talen op een televisiescherm te presenteren, hetzij onder, naast of achter een spreker.

Met betrekking tot de vraag of de Commissie meer dan twee talen had kunnen kiezen, is de Ombudsman van mening dat het redelijk was dat de Commissie slechts twee talen had gekozen. De keuze van het aantal te gebruiken talen komt neer op een oordeel over de vraag of meer dan twee talen het visuele beeld op een onaanvaardbare manier zouden vertroebelen. Het feit dat ook andere combinaties van talen redelijke keuzes kunnen zijn, betekent niet dat de keuze van het Engels en het Frans niet redelijk was.

De Ombudsman is van mening dat het door de Commissie gekozen beleid objectief gerechtvaardigd was. Zij concludeerde derhalve dat de invoering door de Commissie van een nieuw logo voor visuele identiteit in haar persconferentiezaal in Brussel geen wanbeheer vormde.