Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Onderzoeken doorzoeken

Criteria voor het filteren van documenten
Zaak
Datum marge
Trefwoorden
Of probeer oude trefwoorden (voor 2016)

1 - 20 van 117 resultaten weergeven

Besluit in zaak 212/2016/JN over de jaarlijkse evaluatie door de Europese Commissie van de exportkredietinstellingen van de lidstaten

Maandag | 03 december 2018

De zaak betrof de toereikendheid van de jaarlijkse evaluatie door de Europese Commissie van exportkredietinstellingen — nationale instanties die financiële steun verlenen aan ondernemingen die zaken doen op risicovolle markten — met name met betrekking tot de bescherming van de mensenrechten en het milieu.

De Ombudsman onderzocht de kwestie en stelde vast dat de methodologie en procedures van de Commissie konden worden verbeterd. De Ombudsman heeft de Commissie met name aanbevolen een dialoog aan te gaan met de lidstaten en andere belanghebbenden om het model te verbeteren dat de lidstaten gebruiken om de verslagen over exportkredietinstellingen samen te stellen die zij jaarlijks bij de Commissie moeten indienen. De Ombudsman heeft de Commissie ook aanbevolen de analyse- en evaluatie-inhoud van de jaarlijkse evaluaties van exportkredietinstellingen die zij aan het Europees Parlement voorlegt, te verbeteren.

De Commissie deelde de Ombudsman mee dat zij de Raad, het Parlement en de Europese Dienst voor extern optreden zou raadplegen en met het maatschappelijk middenveld zou samenwerken om de aanbevelingen van de Ombudsman uit te voeren. De Commissie zal de Groep exportkredieten van de Raad met name een herzien checklistmodel voorstellen dat de lidstaten voor hun jaarverslagen moeten gebruiken. De Commissie zal ook overwegen relevante richtsnoeren op te stellen voor de verslaglegging door de lidstaten.

Aangezien de door de Commissie aangekondigde maatregelen adequaat tegemoetkomen aan de aanbevelingen van de Ombudsman, sloot de Ombudsman haar onderzoek af, maar verzocht zij de Commissie binnen een jaar verslag uit te brengen.

Aanbeveling van de Europese Ombudsman in zaak 212/2016/JN over de jaarlijkse evaluatie door de Europese Commissie van de exportkredietinstellingen van de lidstaten

Woensdag | 23 mei 2018

De zaak betrof de toereikendheid van de jaarlijkse evaluatie door de Europese Commissie van exportkredietinstellingen – nationale instanties die financiële steun verlenen aan ondernemingen die zaken doen op “risicovolle” markten – met name met betrekking tot de bescherming van de mensenrechten en het milieu.

De Ombudsman onderzocht de kwestie en stelde vast dat de methodologie en procedures van de Commissie konden worden verbeterd. Zij stelde met name voor dat de Commissie een dialoog aangaat met de lidstaten en andere belanghebbenden om het model te verbeteren dat de lidstaten gebruiken bij het opstellen van de verslagen over exportkredietinstellingen die zij elk jaar bij de Commissie moeten indienen. De Ombudsman stelde ook voor dat de Commissie van haar kant de analyse- en evaluatie-inhoud van de jaarlijkse evaluaties van exportkredietinstellingen die zij aan het Europees Parlement voorlegt, zou verbeteren.

De Commissie verwierp de voorstellen van de Ombudsman voornamelijk omdat zij van mening is dat de uitvoering ervan een wijziging van de bestaande wetgeving zou vereisen. De Ombudsman was het niet eens met het standpunt van de Commissie en heeft nu aanbevelingen aan de Commissie gedaan in dezelfde bewoordingen als die van haar eerdere voorstellen.  De Ombudsman is van mening dat de jaarlijkse evaluatie van de Commissie, die zij aan het Parlement toestuurt, meer moet zijn dan een compilatie van de inhoud van de jaarverslagen die zij van de lidstaten ontvangt, en dat zij een geïnformeerde en gedetailleerde evaluatie moet bevatten van de prestaties van de exportkredietinstellingen, met name wat betreft de eerbiediging van de mensenrechten en het milieu.

GRACE-project

Dinsdag | 06 september 2016

Besluit van de Europese Ombudsman over klacht 437/2015/ZA betreffende vermeende belangenconflicten bij een door de Europese Commissie gefinancierd project inzake ggo-risicobeoordeling

Donderdag | 28 juli 2016

De zaak had betrekking op het door de EU gefinancierde onderzoeksproject inzake de risicobeoordeling van ggo's (bekend als GRACE). Klager, een in Duitsland gevestigd onderzoeksinstituut, beweerde dat een aantal wetenschappers die bij het GRACE-project betrokken waren, in een belangenconflict verkeerden vanwege hun vermeende betrekkingen met de biotechnologische industrie. Zij voerde aan dat de Europese Commissie de bezorgdheid van klager ´ over de wetenschappelijke deugdelijkheid van de resultaten van het project en de onafhankelijkheid van de desbetreffende wetenschappelijke publicatie niet had weggenomen. De klager voerde ook aan dat de Commissie had nagelaten de objectiviteit en onafhankelijkheid van het project te waarborgen, met name volledige transparantie met betrekking tot de deskundigen die bij de selectie ervan betrokken waren.

De Ombudsman onderzocht de zaak. Zij is het met de Commissie eens dat zij zich niet mag mengen in de wetenschappelijke interpretatie of het publicatieproces van wetenschappelijke studies die zij financiert. De Ombudsman concludeerde ook dat het enkele feit dat er banden zijn tussen de wetenschappers die bij het project betrokken zijn en de industrie, geen belangenconflict bewijst. De Ombudsman wees erop dat de Commissie vaak projecten financiert die door het bedrijfsleven of door groepen met nauwe banden met het bedrijfsleven worden uitgevoerd. Niettemin stelde de Ombudsman voor dat de Commissie zou overwegen klager een volledigere en grondiger uitleg te sturen over de reden waarom zij van mening is dat de banden tussen de industrie en de GRACE-wetenschappers niet tot belangenconflicten leiden.

De Ombudsman constateerde ook dat de Commissie had voldaan aan alle wettelijke bepalingen betreffende de bekendmaking van de namen van deskundige beoordelaars die betrokken waren bij de selectie van de projecten die uit hoofde van het zevende kaderprogramma werden gefinancierd. Om de transparantie verder te vergroten en de publieke controle te vergemakkelijken, stelde de Ombudsman voor dat de Commissie in de toekomst de namen van deskundige beoordelaars zou publiceren naar uitsplitsingen die zouden overeenkomen met het onderwerp en/of de gebiedscategorieën van het zevende kaderprogramma. De Ombudsman stelde ook voor dat de belangenverklaringen van de beoordelaars ook zouden worden gepubliceerd.

Besluit in zaak 1354/2014/ANA betreffende de behandeling door de Gemeenschappelijke Onderneming voor het initiatief innovatieve geneesmiddelen (IMI) van een vermeend belangenconflict in een aanbestedingsprocedure

Maandag | 04 juli 2016

De zaak betrof de behandeling door IMI van een vermeend belangenconflict in de aanbestedingsprocedure voor een onderzoeksproject naar de risico's en voordelen van een vaccinatieprogramma in Europa.

Klager, een lid van een consortium dat aan de procedure heeft deelgenomen, voerde aan dat IMI niet heeft onderzocht of alle leden van een evaluatiecomité onpartijdig waren. Klager voerde aan dat twee leden banden hadden met het winnende consortium, wat aanleiding gaf tot een belangenconflict.

De Ombudsman constateerde dat IMI de desbetreffende regels correct toepaste en vond geen bewijs van onrechtvaardige behandeling van het voorstel door het consortium van klager. Daarom constateerde de Ombudsman dat er geen sprake was van wanbeheer met betrekking tot dit aspect van de klacht. De Ombudsman heeft voorts onderzocht of deskundigen in een belangenconflictsituatie met één voorstel een concurrerend voorstel moeten kunnen beoordelen. De Ombudsman constateerde dat, aangezien de door IMI gevolgde regels door de Europese Commissie zijn opgesteld, geen verder onderzoek naar deze kwestie gerechtvaardigd is in het kader van deze specifieke klacht.

Besluit in zaak 1408/2015/OV over de naleving door de Europese Commissie van haar regels inzake speciale adviseurs

Donderdag | 26 mei 2016

In deze klacht gaat het om de vermeende niet-naleving door de Europese Commissie van haar eigen regels ter voorkoming van belangenconflicten bij de benoeming van een speciaal adviseur.

In september 2015 klaagden twee ngo’s bij de Ombudsman dat de Commissie haar regels niet had nageleefd door een speciaal adviseur aan te stellen om de voorzitter van de Commissie bij te staan. De Commissie heeft op 18 december 2014 een persbericht gepubliceerd waarin zij de benoeming van de heer Edmund Stoiber tot speciaal adviseur van de voorzitter van de Commissie aankondigde. Deze aankondiging werd gedaan drie maanden voordat de heer Stoiber officieel werd benoemd op 4 maart 2015, zonder enige disclaimer over de lopende administratieve vereisten waaraan nog moet worden voldaan. De klagers voerden aan dat deze voorbarige aankondiging afbreuk deed aan het vermogen van de Commissie om onbevooroordeeld en kritisch te beoordelen of de persoon in kwestie belangenconflicten had. Zij klaagden ook dat de "betrouwbaarheidsverklaring" van de Commissie, een essentieel onderdeel van het benoemingsproces, geen melding maakte van de functies die de speciaal adviseur bekleedde bij Nürnberger, een grote verzekeringsgroep.  

De Ombudsman onderzocht de kwestie en stelde vast dat het persbericht van de Commissie onjuist en misleidend was. De Ombudsman constateerde ook dat de voortijdige aankondiging van de benoeming, zonder enige disclaimer, bij het geïnteresseerde publiek legitieme twijfels deed rijzen over de vraag of er na de aankondiging een onbevooroordeeld en kritisch onderzoek naar de kwestie van belangenconflicten was uitgevoerd. De Ombudsman constateerde in beide gevallen wanbeheer door de Commissie. De Ombudsman stelde ook vast dat de Commissie niet had uitgelegd waarom de functies van de benoemde bijzonder adviseur in de verzekeringsgroep niet in de "betrouwbaarheidsverklaring" waren opgenomen. Ze vond dat dit ook neerkwam op wanbeheer.

Besluit in zaak 1306/2014/OV

Maandag | 11 januari 2016

Besluit in zaak 1832/2014/TN over de behandeling door de Europese Commissie van mogelijke belangenconflicten in de werkgroep tandheelkundig amalgaam van het WCNG

Donderdag | 17 december 2015

De zaak betrof vermeende belangenconflicten in de wetenschappelijke werkgroep van de Commissie die een advies opstelde over de veiligheid en de prestaties van tandheelkundig amalgaam en de alternatieven daarvoor. De Ombudsman onderzocht de kwestie en constateerde in de onderhavige zaak geen wanbeheer met betrekking tot de beoordeling door de Commissie van de onafhankelijkheid en geschiktheid van de leden van de werkgroep.

De Ombudsman maakte van de gelegenheid gebruik om opmerkingen te maken over bepaalde meer algemene aspecten van de zaak. De Ombudsman benadrukte dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat wetenschappelijk advies, verstrekt door deskundigen die samenwerken met de wetenschappelijke comités van de Commissie, onafhankelijk en objectief is. Zelfs de perceptie dat dergelijk wetenschappelijk advies mogelijk niet onafhankelijk en objectief is, kan zeer schadelijk zijn. De Commissie moet er dus niet alleen voor zorgen dat dergelijk wetenschappelijk advies volledig onafhankelijk en volledig objectief is, maar ook dat alle redelijke twijfels over de onafhankelijkheid en objectiviteit van dergelijk advies worden weggenomen.

De Ombudsman is daarom van mening dat het belangrijk is dat de Commissie zeer robuuste procedures instelt die ervoor zorgen dat deskundigen al hun belangen bekendmaken. De Commissie moet al deze belangen zorgvuldig beoordelen. Zij moet deze procedures zo transparant mogelijk uitvoeren. De Ombudsman is dan ook zeer ingenomen met het feit dat de Commissie bezig is met het opstellen van " Richtsnoeren voor de behandeling van belangenverklaringen van leden, externe deskundigen en ad-hocdeskundigen die betrokken zijn bij de activiteiten van de wetenschappelijke comités", die tot doel hebben op transparante wijze uit te leggen hoe de belangen van deskundigen worden beoordeeld. De Ombudsman heeft de Commissie verzocht haar op de hoogte te houden van de voortgang van de opstelling en de definitieve richtsnoeren.

Besluit van de Europese Ombudsman in zaak 2086/2014/EIS betreffende een vermeend belangenconflict bij de behandeling door de Europese Commissie van een procedure wegens inbreuk op het mededingingsrecht

Maandag | 30 november 2015

De zaak betrof een vermeend belangenconflict door een voormalig lid van de Commissie in een besluit van de Commissie om een bij de Commissie ingediende klacht inzake mededinging niet te onderzoeken. In de antitrustklacht bij de Commissie werd een inbreuk op de mededingingsregels van de EU door de Unie van Europese voetbalbonden ("UEFA") aangevoerd. Klager was van mening dat de UEFA Club Licensing and Financial Fair Play Regulations (hierna "de FFP" genoemd) onwettig zijn voor zover zij voorschrijven dat de desbetreffende inkomsten van een voetbalclub over een periode van drie jaar ten minste gelijk moeten zijn aan de desbetreffende uitgaven. De Commissie heeft besloten de klacht niet te onderzoeken op grond van het feit dat de kwestie voor haar geen prioriteit vormde. Volgens klager werd dit besluit beïnvloed door de verantwoordelijke commissaris, die een belangenconflict had, aangezien hij een "geassocieerde" en een sterke voorstander was van een bepaalde club waarvoor de FFP voordelig is.Klager wees er ook op dat de commissaris meer dan een jaar voorafgaand aan zijn klacht bij de Commissie een gezamenlijke verklaring met de voorzitter van de UEFA had afgelegd waarin hij zijn steun uitsprak voor de FFP.

De Commissie voerde aan dat de voormalige commissaris geen juridische, financiële, organisatorische of andere banden met de betrokken voetbalclub had. Zij voegde daaraan toe dat de gezamenlijke verklaring van de commissaris en de voorzitter van de UEFA geen verband hield met de klacht van klager, aangezien zij geen standpunten over de FFP uit antitrustoogpunt naar voren bracht.

De Ombudsman onderzocht de kwestie en constateerde geen wanbeheer door de Commissie. Daarmee sloot ze de zaak af.