Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Brief aan de Europese Commissie over de opening van initiatiefonderzoek OI/8/2014/AN betreffende de eerbiediging van de grondrechten bij de uitvoering van het cohesiebeleid van de EU
Correspondentie - Datum Maandag | 19 mei 2014
Zaak OI/8/2014/AN - Geopend op Maandag | 19 mei 2014 - Besluit over Maandag | 11 mei 2015 - Betrokken instelling Europese Commissie ( Geen verder onderzoek gerechtvaardigd ) - Land België
|
de heer José Manuel Barroso
|
Straatsburg, 19 mei 2014
Initiatiefonderzoek OI/8/2014/AN naar de eerbiediging van de grondrechten bij de uitvoering van het cohesiebeleid van de EU
Geachte Voorzitter,
Overeenkomstig artikel 228 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is de Europese Ombudsman bevoegd om op eigen initiatief onderzoeken in te stellen naar mogelijke gevallen van wanbeheer bij het optreden van de instellingen, organen en instanties van de Unie.
Op 1 januari 2014 is het nieuwe wetgevingspakket voor het EU-cohesiebeleid voor de periode 2014-2020 in werking getreden. Op 7 januari heeft de Commissie Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen vastgesteld, die tot doel heeft de uitvoering van het partnerschapsbeginsel door de lidstaten te vergemakkelijken.
Ik ben het volledig eens met het standpunt van de Commissie dat de onlangs aangenomen teksten het bestaande wetgevingskader van het cohesiebeleid van de EU aanzienlijk moderniseren en duidelijker en efficiënter maken.
Het verbaasde mij echter dat in het nieuwe wetgevingspakket, met inbegrip van de gedelegeerde verordening, niet wordt verwezen naar de algemene toepasselijkheid van het Handvest van de grondrechten op de uitvoering van het cohesiebeleid op zowel nationaal als EU-niveau [1]. Bovendien lijkt niets in de nieuwe verordeningen de Commissie in staat te stellen enige sanctie op te leggen aan lidstaten die de grondrechten niet eerbiedigen bij de uitvoering van het cohesiebeleid van de EU. Met name lijkt de Commissie op grond van de betrokken wetgeving niet in staat te zijn de financiering op te schorten of om terugvordering te verzoeken van bedragen die in strijd met dergelijke rechten zijn uitgegeven. Dit kan betekenen dat de Commissie nationale projecten financiert die de in het Handvest verankerde fundamentele waarden van de EU niet naar behoren eerbiedigen.
Uit klachten die de afgelopen jaren bij mijn bureau zijn ingediend, blijkt dat de burgers zeer ontevreden zijn over de nationale toepassing van het cohesiebeleid van de EU, onder meer over de eerbiediging van de grondrechten. Met het oog hierop acht ik het opportuun om door middel van een onderzoek op eigen initiatief een aantal kwesties op te helderen. Deze hebben betrekking op de middelen waarover de Commissie beschikt om ervoor te zorgen dat de in het Handvest verankerde grondrechten in alle stadia van de uitvoering van het cohesiebeleid in de lidstaten worden geëerbiedigd. Ik vertrouw erop dat dit initiatiefonderzoek de Commissie ook zal helpen om vanaf het begin van de toepassing van het nieuwe wetgevingskader van het cohesiebeleid over deze kwesties na te denken.
Ik zou het daarom op prijs stellen als de Commissie mij haar mening zou kunnen geven over het volgende: "Welke middelen heeft de Commissie tot haar beschikking om ervoor te zorgen dat de in het Handvest verankerde grondrechten in alle stadia van de uitvoering van het cohesiebeleid in de lidstaten worden geëerbiedigd?"
De Commissie zou met name opmerkingen kunnen maken over de volgende kwesties:
1. Heeft de Commissie overwogen specifieke bepalingen betreffende de naleving van het Handvest op te nemen in de partnerschapsovereenkomsten die zij momenteel beoordeelt, of heeft zij de lidstaten verzocht deze op te nemen? Is de Commissie van mening dat het bestaan van dergelijke bepalingen een voorwaarde kan zijn voor de goedkeuring van de partnerschapsovereenkomst van een lidstaat?
2. Waarom heeft de Commissie in de gedelegeerde verordening betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap geen specifieke bepalingen opgenomen met betrekking tot de naleving van het Handvest, die bedoeld zijn om de lidstaten te helpen bij het organiseren van hun partnerschappen met regionale en lokale overheden en het maatschappelijk middenveld?
3. Heeft de Commissie overwogen de lidstaten te verzoeken in hun programma's een specifieke toezegging op te nemen om op te treden en ervoor te zorgen dat hun partners en de begunstigden handelen in overeenstemming met het Handvest? Is de Commissie van mening dat een dergelijke verbintenis een rol moet spelen bij de beoordeling van de programma's?
4. Beschikt de Commissie over middelen om na te gaan of de "doeltreffende regelingen voor het onderzoek van klachten over de Europese structuur- en investeringsfondsen" inderdaad doeltreffend zijn en het mogelijk maken eventuele schendingen van de in het Handvest verankerde grondrechten op te sporen en, indien nodig, te herstellen?
5. Is de Commissie voornemens de lidstaten bij te staan bij de invoering van dergelijke regelingen?
6. Is de Commissie voornemens de lidstaten systematisch te verzoeken bij de Commissie ingediende klachten die binnen het toepassingsgebied van hun regelingen vallen, te onderzoeken en de Commissie in kennis te stellen van het resultaat ervan, met name wanneer dergelijke klachten betrekking hebben op de eerbiediging van de in het Handvest verankerde grondrechten?
7. Welke middelen heeft de Commissie tot haar beschikking om situaties aan te pakken waarin de lidstaten bovengenoemde informatie niet verstrekken of waarin uit de verstrekte informatie blijkt dat het onderzoek van de lidstaat gebrekkig was?
8. Heeft de Commissie momenteel een uniforme aanpak van klachten over de nationale uitvoering van de Europese structuur- en investeringsfondsen, bijvoorbeeld door deze te behandelen als klachten over inbreuken of door klagers door te verwijzen naar de nationale rechtsmiddelen? Is dezelfde benadering van toepassing in zaken betreffende mogelijke schendingen van de in het Handvest verankerde grondrechten?
9. Overweegt de Commissie wijzigingen in bovengenoemde aanpak na de inwerkingtreding van het nieuwe rechtskader voor het cohesiebeleid?
Ik zou het op prijs stellen als u uiterlijk op 30 september 2014 een advies over de bovengenoemde kwesties indient.
Ik wil u er tevens op wijzen dat ik tijdens mijn onderzoek kan overwegen het standpunt van de Commissie bekend te maken en belanghebbende derden in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken. Voor zover relevant, zal ik ook nadenken over de feedback die ik krijg over dit onderzoek op eigen initiatief om mijn werkzaamheden in het kader van artikel 33, lid 2, van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap te onderbouwen.
Aangezien het cohesiebeleid gebaseerd is op gedeeld beheer en afhankelijkheid van de lidstaten, informeer ik het Europees netwerk van ombudsmannen ten slotte over dit initiatiefonderzoek en nodig ik hen uit opmerkingen te maken op basis van de ervaring die zij tot nu toe hebben opgedaan bij de behandeling van klachten over dit onderwerp.
Indien uw diensten meer informatie wensen over dit onderzoek op eigen initiatief, aarzel dan niet om contact op te nemen met mevrouw Alina Nedea (tel. +33 3 88 17 67 84), de juridisch ambtenaar die verantwoordelijk is voor deze zaak.
Met vriendelijke groet,
Emily O'Reilly
cc: Europees netwerk van ombudsmannen
[1] Behalve verwijzingen naar de gelijkheid van mannen en vrouwen, non-discriminatie, de integratie van personen met een handicap en het verbod op dwangarbeid.