Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van zijn onderzoek naar klacht 855/2008/(RT)OV tegen het Europees Parlement
Besluiten
Zaak 855/2008/(RT)OV - Geopend op Maandag | 19 mei 2008 - Besluit over Maandag | 20 december 2010
Achtergrond van de klacht
1. Deze klacht werd namens negen personeelsleden van het Europees Parlement ("de klagers") ingediend door een personeelsunie. Het betreft de intrekking van hun recht op de secretariaatsvergoeding na 1 mei 2004, de datum van inwerkingtreding van het nieuwe Statuut. Deze toelage voor ambtenaren van categorie C was vastgesteld in artikel 4 bis van bijlage VII bij het Statuut, dat tot en met 30 april 2004 van kracht was. Op grond van de artikelen 21 en 65 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden (hierna: "RAP") was de vergoeding naar analogie ook van toepassing op tijdelijke functionarissen en hulpfunctionarissen.
2. De vakbond diende een eerste soortgelijke klacht in (klacht 572/2008/OV) over de weigering van het Parlement om de secretariaatsvergoeding toe te kennen aan vier ambtenaren van het Parlement die vanaf 1 mei 2004 onderbrekingen in hun dienstverband hadden ondervonden die varieerden van 1 tot 41⁄2 maand. De klacht vormde het voorwerp van een afzonderlijk onderzoek door de Ombudsman, dat bij besluit van 20 april 2009 werd afgesloten met de vaststelling dat er geen sprake was van wanbeheer.
3. In 2007 heeft het tot aanstelling bevoegd gezag een beroep van een voormalig tijdelijk functionaris van de rang AST 3 aanvaard, die na te zijn geslaagd voor een algemeen vergelijkend onderzoek op grond van het nieuwe Statuut ambtenaar van de rang AST 2 is geworden, maar zijn recht op de secretariaatstoelage heeft verloren. De secretariële vergoeding werd dus aan deze persoon teruggegeven. Het tot aanstelling bevoegde gezag heeft deze maatregel uitgebreid tot alle personeelsleden die a) voldeden aan de voorwaarden van artikel 18 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut (dat wil zeggen de personeelsleden die in april 2004 de secretariaatsvergoeding ontvingen) en b) ambtenaar werden na een periode als tijdelijk functionaris die met name de maand april 2004 bestreek. Het tot aanstelling bevoegde gezag heeft deze maatregel echter restrictief toegepast, met uitzondering van i) gevallen van personen die na 1 mei 2004 als arbeidscontractant zijn aangeworven en ii) gevallen waarin de aanstelling na 1 mei 2004 is onderbroken (zelfs zeer kort).
4. De negen klagers in de onderhavige zaak, van wie er één tot april 2007 bij de Europese Commissie werkte, waren allemaal hulpfunctionarissen op 1 mei 2004, toen het nieuwe Statuut in werking trad, en ontvingen op dat moment allemaal de secretariaatsvergoeding. Hun contracten als hulpfunctionarissen eindigden op verschillende data na 1 mei 2004. Zes van de negen klagers werden onmiddellijk aangeworven als arbeidscontractant toen hun arbeidsovereenkomst als hulpfunctionaris afliep. Hun aanstelling was niet onderbroken, dat wil zeggen dat hun nieuwe arbeidsovereenkomsten als arbeidscontractant ingingen op de dag na afloop van hun oude arbeidsovereenkomsten als hulpfunctionaris. Zo is in het geval van H. zijn arbeidsovereenkomst als hulpfunctionaris op 31 maart 2005 geëindigd en is zijn nieuwe arbeidsovereenkomst als arbeidscontractant op 1 april 2005 van start gegaan. Op grond van hun nieuwe contracten hadden deze zes klagers geen recht op de secretariaatsvergoeding.
5. De situatie van de drie andere klagers was als volgt:
Toen de arbeidsovereenkomst van JM. als hulpfunctionaris op 31 december 2004 afliep, werd hij voor het eerst als hulpfunctionaris aangeworven van 1 januari 2005 tot en met 30 juni 2005 en behield hij zijn recht op de secretariaatsvergoeding. Toen hij echter op 1 juli 2005 als arbeidscontractant werd aangeworven, verloor hij zijn recht op de secretariaatsvergoeding.
- Zowel de heer SM. als de heer EPA. ondervonden een onderbreking in hun dienstverband (respectievelijk één en drie maanden) bij het verstrijken van hun hulpcontracten. Zij werden vervolgens eerst aangeworven als hulpfunctionarissen, waardoor zij geen recht meer hadden op de secretariaatsvergoeding, en vervolgens als arbeidscontractant.
6. Zeven van de klagers in de onderhavige zaak bevonden zich dus in situatie i) die in punt 3 hierboven is genoemd, terwijl SM. en EPA. zich in situatie ii) bevonden. Uit hun loopbaanbeschrijvingen blijkt dat klagers, na als arbeidscontractant te hebben gewerkt, in 2006 of in 2007 allemaal tijdelijk functionaris of ambtenaar zijn geworden. Alleen N. bleef arbeidscontractant.
7. Op 14 juni, 15 juni, 18 juni, 27 juni, 5 juli en 18 juli 2007 dienden klagers bij het tot het sluiten van arbeidsovereenkomsten bevoegde gezag (hierna: "TAB") interne klachten (hierna: "klachten op grond van artikel 90, lid 2) in tegen de besluiten waarbij hun de secretariaatstoelage werd geweigerd. N., die op dat moment nog in dienst was van de Commissie, diende zijn klacht in bij de AAC van de Commissie. In de acht andere gevallen werden de klachten op grond van artikel 90, lid 2, ingediend bij de secretaris-generaal van het Parlement.
8. Op 9 november 2007 heeft de AAC van het Parlement de door zeven van de acht klagers ingestelde beroepen afgewezen. Wat de klacht van de heer SM. betreft, heeft de AAC niet vóór het verstrijken van de relevante termijn geantwoord en dus ook dit beroep impliciet afgewezen. Op 28 november 2007 heeft de AAC van de Commissie de klacht van de heer N. afgewezen. Het wees erop dat wanneer een agent zijn/haar functie beëindigt, ook de contractuele relatie tussen de agent en de instelling eindigt. De uit de overeenkomst voortvloeiende voordelen, waaronder de secretariaatsvergoeding, zijn derhalve op hetzelfde moment beëindigd.
9. Wat de zaak EPA. betreft, heeft de AAC van het Parlement erop gewezen dat indien een functionaris, zelfs tijdelijk, zijn/haar functie na 1 mei 2004 heeft beëindigd, de instelling het recht en zelfs de verplichting heeft om bij de ondertekening van een nieuw contract de bepalingen van het nieuwe Statuut toe te passen – dat niet langer voorziet in de secretariaatsvergoeding.
10. Wat de zes andere klagers betreft, heeft de AAC de volgende toelichting verstrekt:
i) De categorie arbeidscontractanten bestond niet in het oude Statuut.
ii) De bepalingen van artikel 18 van bijlage XIII kunnen niet aldus worden uitgelegd dat de secretariaatstoelage wordt uitgebreid tot een nieuwe categorie personeelsleden, te weten arbeidscontractanten.
iii) Uit een vergadering van de hoofden van de administratie van het Parlement, de Raad, de Commissie en het Hof van Justitie van 15 mei 2007 bleek dat er sprake was van uiteenlopende interpretaties van de relevante bepalingen. De Raad en de Commissie waren van mening dat de handhaving van het recht op de secretariaatstoelage alleen van toepassing was indien de specifieke arbeidsverhouding die op 30 april 2004 bestond, bleef bestaan, terwijl het Parlement en het Hof van oordeel waren dat de secretariaatstoelage een "ad personam" verworven recht ("droit acquis") was, dat zelfs bij een wijziging van de arbeidsstatus behouden moet blijven. Geen van de instellingen was echter van mening dat de secretariaatstoelage voor arbeidscontractanten moest worden gehandhaafd.
Onderwerp van het onderzoek
11. In zijn brief van 19 mei 2008 tot opening van het onderzoek heeft de Ombudsman het Parlement verzocht een advies uit te brengen over de volgende bewering en bewering:
De klagers voerden aan dat het Parlement, door hun het recht op de secretariaatstoelage op grond van het nieuwe Statuut te ontzeggen, onjuist en willekeurig heeft gehandeld en de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen heeft geschonden.
De klagers verzochten het Parlement hun de secretariaatsvergoeding opnieuw toe te kennen vanaf de datum na 1 mei 2004, toen zij nieuwe contracten als hulpfunctionarissen of arbeidscontractanten aangingen.
12. Wat betreft de zaak van een van de klagers, de heer N., merkte de Ombudsman op dat het besluit tot afwijzing van de secretariaatstoelage in zijn geval was genomen door de AAC van de Commissie, waar hij op dat moment werkte. De Ombudsman deelde de klagers derhalve mee dat er, wat de situatie van de heer N. betreft, onvoldoende gronden waren voor een onderzoek tegen het Parlement. Het onderhavige onderzoek heeft derhalve alleen betrekking op de klacht voor zover deze betrekking heeft op de acht andere klagers.
Het onderzoek
13. De klacht werd voor advies doorgestuurd naar het Parlement. Het Parlement heeft op 23 oktober 2008 advies uitgebracht. Het advies is toegezonden aan de klagers, die op 17 november 2008 opmerkingen hebben ingediend. Deze opmerkingen hadden zowel betrekking op de onderhavige zaak als op klacht 572/2008/OV.
14. Op 19 mei 2009 heeft de Ombudsman het Parlement om nadere informatie verzocht. Het Parlement heeft op 1 oktober 2009 een aanvullend advies uitgebracht. De Ombudsman zond het naar de klagers, die op 23 november 2009 hun aanvullende opmerkingen stuurden.
15. Op 30 maart 2010 deed de Ombudsman het Parlement een voorstel voor een minnelijke schikking. Het Parlement heeft op 8 juni 2010 geantwoord. Het antwoord werd doorgestuurd naar de klagers, die op 28 juli 2010 hun aanvullende opmerkingen hebben ingediend. Op 19 oktober 2010 nam het bureau van de Ombudsman telefonisch contact op met een van de klagers om een update te krijgen over verdere ontwikkelingen waarnaar de klagers in hun aanvullende opmerkingen verwezen, namelijk dat de kwestie naar aanleiding van hun contacten door de Juridische Dienst en de secretaris-generaal moest worden heroverwogen.
Analyse en conclusies van de Ombudsman
A. Beschuldiging van ongerechtvaardigde weigering van de secretariaatstoelage
Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten
16. Wat de rechtsgrondslag voor de secretariaatstoelage betreft, herinnerden de klagers eraan dat artikel 4 bis van bijlage VII bij het oude Statuut, waarin de secretariaatstoelage was voorzien, ook van toepassing was op andere personeelsleden. Bovendien voorziet artikel 18 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut in de voortzetting van de secretariaatsvergoeding. De klagers verwezen ook naar artikel 1 van de bijlage bij de RAP, waarin is bepaald dat de bepalingen van bijlage XIII bij het Statuut van overeenkomstige toepassing zijn op de andere personeelsleden die op 30 april 2004 in dienst waren. Wat betreft het begrip begunstigden die in april 2004 recht hadden op de secretariaatstoelage, wezen klagers erop dat de wetgever in artikel 18 van bijlage XIII geen bijzondere voorwaarde heeft opgenomen. Ook het feit dat een personeelslid dat in april 2004 de toelage ontving, ambtenaar of arbeidscontractant was geworden, mag geen invloed hebben op het begrip begunstigde.
17. De klagers verwezen ook naar de bedoelingen van de wetgever en herinnerden aan de geschiedenis van de hervorming van het Statuut, met name de verklaringen van de toenmalige vicevoorzitter van de Commissie, de heer Kinnock, die volgens hen had beloofd het recht op de secretariaatstoelage te behouden. Zij voerden aan dat het standpunt van het Parlement dat personeelsleden die na 1 mei 2004 een wijziging van hun arbeidsovereenkomst hebben ondervonden, als "nieuwe personeelsleden"moeten worden beschouwd en geen recht hebben op de secretariaatsvergoeding, onaanvaardbaar was.
18. De klagers voerden aan dat de categorie arbeidscontractanten voor het eerst werd genoemd in Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut en de RAP [1] ("Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004"). Volgens de klagers waren de hulpfunctionarissen gedwongen een wijziging van hun bestaande contracten te aanvaarden en nieuwe contracten als arbeidscontractant te ondertekenen. Het Parlement had klagers onmiddellijk kunnen voorstellen contracten als tijdelijk functionaris te ondertekenen, zoals in andere gevallen het geval was. Het Parlement heeft aldus de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie geschonden doordat contracten als tijdelijk functionaris willekeurig werden aangeboden. Bovendien hadden de contracten van klagers als hulpfunctionarissen op grond van artikel 52 van de RAP tot en met 31 december 2007 kunnen worden verlengd.
19. De klagers verwezen ook naar Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd [2] en naar de desbetreffende rechtspraak, waarin de communautaire rechterlijke instanties bijzonder belang hechtten aan de stabiliteit van de werkgelegenheid en rekening hielden met de duur van overeenkomsten en de verlenging ervan. Volgens de klagers kan de onderbreking van de dienstverlening aan het Parlement die zich voor sommige van hen heeft voorgedaan, niet worden beschouwd als een totale onderbreking van hun dienstverband. De reden hiervoor was dat de vernieuwing van hun dienst in het belang was van beide partijen, met name van het Parlement. De klagers voerden verder aan dat er in feite continuïteit was in hun respectieve diensten, aangezien zij hetzelfde werk bleven doen, voor hetzelfde eenheidshoofd en in hetzelfde kantoor.
20. De klagers wezen er uiteindelijk op dat er iets willekeurigs en kwaadaardigs was (in het Franse origineel: "une attitude maléfique") over de hele zaak. Volgens hen kon inderdaad worden geconcludeerd dat de administratie van het Parlement de secretariaatsvergoeding had ingetrokken door de contracten opnieuw in te delen.
21. In zijn advies heeft het Parlement de volgende opmerkingen gemaakt:
22. Wat de zaken SM. en EPA. betreft, wijst het Parlement erop dat de betaling van de secretariaatsvergoeding is gestaakt na een onderbreking – van respectievelijk één maand en drie maanden – in hun dienst voor het Parlement na 1 mei 2004. Het Parlement was derhalve van mening dat de door de heren SM. en P. ingediende klachten vergelijkbaar waren met de situatie van de klagers in klacht 572/2008/OV.
23. Wat de zaak van de heer L. betreft, wijst het Parlement erop dat hij met ingang van 1 juli 2005 is aangeworven als arbeidscontractant in rang 7, salaristrap 1, van functiegroep II. Zij voerde aan dat klager, na te zijn aangeworven in een hogere rang dan die van artikel 18, vanaf die datum dus geen recht meer had op de secretariaatsvergoeding. Het Parlement concludeerde derhalve dat zijn klacht ongegrond moest worden verklaard.
i) Wat het begrip "begunstigde" van de secretariaatstoelage in de zin van artikel 18 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut betreft
24. Het Parlement voerde aan dat de klacht die was ingediend door de vijf andere klagers wier zaken door de Ombudsman waren onderzocht, eveneens ongegrond was. Het wees erop dat artikel 18 van bijlage XIII bij het Statuut deel uitmaakt van een overgangsregeling en dat het algemene doel van de wetgever erin bestond de secretariaatstoelage geleidelijk af te schaffen. De betrokken bepaling kan dus in geen geval voorzien in een onbeperkte voortzetting van de litigieuze regeling. Het Parlement wijst erop dat de wetgever, wanneer hij bepaalt dat begunstigden die vóór 1 mei 2004 recht hadden op de secretariaatstoelage, deze tot rang 6 kunnen handhaven, vooronderstelt dat de arbeidsverhouding tussen het betrokken personeelslid en de instelling wordt voortgezet op basis van een of meer overeenkomsten of contractverlengingen waarbij de contractuele verhouding dateert van vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut. Met andere woorden, de toepassing van artikel 18 van bijlage XIII bij het Statuut veronderstelt een band met de vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut geldende regeling. Derhalve was artikel 18 van bijlage XIII niet van toepassing wanneer in het kader van de nieuwe regeling een soort arbeidsovereenkomst werd gesloten die vóór 1 mei 2004 niet bestond, zoals het geval was voor arbeidscontractanten die op grond van titel IV van de RAP waren aangeworven. Aangezien het nieuwe Statuut niet voorzag in een recht op een secretariaatsvergoeding voor arbeidscontractanten, hadden klagers dus geen enkele reden om aan te voeren dat hun recht op de vergoeding zou worden gehandhaafd. Elke andere uitlegging zou in strijd zijn met de rechtspraak van de gemeenschapsrechter. De betrokken klagers waren na 1 mei 2004 allemaal aangeworven als arbeidscontractant. Het Parlement heeft aangevoerd dat het derhalve in overeenstemming met de vereisten van het nieuwe Statuut had gehandeld door de betaling van de secretariaatsvergoeding aan hen stop te zetten.
ii) Wat betreft de vermeende schendingen van de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen
25. Volgens vaste rechtspraak mag de toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel de handelingsruimte van de communautaire wetgever niet beperken. De communautaire wetgever kan met name te allen tijde wijzigingen in het Statuut aanbrengen die hij in het belang van de dienst acht, ook al zijn zij minder gunstig voor de betrokken ambtenaren, mits een voldoende lange overgangsperiode wordt vastgesteld [3]. Ambtenaren mogen dus niet verwachten dat het Statuut hetzelfde zal blijven als ten tijde van hun aanwerving. Bijgevolg moeten personeelsleden die na 1 mei 2004 als arbeidscontractant zijn aangeworven, worden beschouwd als nieuwe personeelsleden die onder de wettelijke regeling van het nieuwe Statuut vallen. Het rechtszekerheidsbeginsel kan dus niet rechtvaardigen dat een secretariaatsvergoeding wordt doorbetaald aan personeel dat na 1 mei 2004 als arbeidscontractant is aangeworven.
26. Wat het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen betreft, merkt het Parlement op dat de gemeenschapsrechter heeft geoordeeld dat het recht om zich op dit beginsel te beroepen zich uitstrekt tot eenieder die zich in een situatie bevindt waarin blijkt dat de gemeenschapsadministratie, door hem specifieke, onvoorwaardelijke en overeenstemmende toezeggingen van bevoegde en betrouwbare bronnen te doen, bij hem gegronde verwachtingen heeft gewekt. Voorts volgt uit de rechtspraak van de communautaire rechterlijke instanties dat dergelijke toezeggingen in overeenstemming moeten zijn met de bepalingen van het Statuut en de algemene toepasselijke regels [4]. In casu kan noch uit de interne algemene uitvoeringsbepalingen van het Parlement, noch uit de besluiten van de bevoegde diensten van het Parlement een schending van het vertrouwensbeginsel worden afgeleid. De klagers konden zich niet beroepen op specifieke, onvoorwaardelijke en overeenstemmende toezeggingen van de bevoegde autoriteiten van het Parlement ter ondersteuning van hun onjuiste interpretatie van artikel 18 van bijlage XIII bij het Statuut. Het Parlement heeft nooit toegezegd dat arbeidscontractanten recht zouden hebben op een secretariaatsvergoeding.
iii) Wat betreft de vermeende schending van Richtlijn 1999/70/EG
27. Het Parlement onderstreept dat overeenkomstig artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een richtlijn tot de lidstaten is gericht. Hieruit volgt dat richtlijn 1999/70 niet kan worden toegepast in het kader van de door het Statuut geregelde arbeidsverhoudingen tussen een gemeenschapsinstelling en haar personeel. Bovendien bevat richtlijn 1999/70 geen enkele verwijzing naar de handhaving van geldelijke rechten, zoals de secretariële vergoeding.
28. In hun opmerkingen wezen klagers erop dat het Parlement artikel 18 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut zeer restrictief had uitgelegd. Zij voerden aan dat de administratie van het Parlement, in plaats van hen nieuwe contracten te laten ondertekenen, wijzigingen op de bestaande contracten had kunnen voorstellen en dat het probleem zich dan niet zou hebben voorgedaan. In werkelijkheid waren hun overeenkomsten vernieuwd, zelfs indien de rang of de classificatie van de overeenkomsten als gevolg daarvan was gewijzigd. De klagers verklaarden dat de in artikel 18 gebruikte woorden "begunstigden", "die in de maand vóór 1 mei 2004 recht hadden" en "zullen behouden" zeer duidelijk waren en geen ruimte lieten voor interpretatie. De klagers waren daarom van mening dat elke interpretatie van artikel 18 die niet voorziet in een recht op de secretariaatstoelage in een situatie als de hunne, een teken van kwade wil en wanbeheer was.
29. Op 19 mei 2009 heeft de Ombudsman het Parlement om nadere informatie verzocht over de situatie van vijf van de klagers die na 1 mei 2004 en onmiddellijk na het verstrijken van hun contracten als hulpcontract werden aangeworven als arbeidscontractant. In zijn brief aan het Parlement wees de Ombudsman erop dat de redenering van het Parlement om deze klagers het recht op de secretariaatstoelage te ontzeggen, op twee overwegingen leek te berusten. Om in de eerste plaats het recht op de secretariaatsvergoeding te behouden, moet de arbeidsverhouding na 1 mei 2004 worden voortgezet op basis van een of meer overeenkomsten waarvan de contractuele verhouding dateert van vóór 1 mei 2004. Een dergelijke continuïteit bestond niet in gevallen waarin tijdelijke functionarissen of hulpfunctionarissen arbeidscontractanten werden, een categorie die pas met ingang van 1 mei 2004 was ingevoerd. In de tweede plaats zou het in strijd zijn met de rechtspraak van de gemeenschapsrechter om arbeidscontractanten die zich in dezelfde situatie bevinden als klagers, het recht op de secretariaatsvergoeding toe te kennen, volgens welke de regels inzake financiële voordelen strikt moeten worden uitgelegd.
30. Wat het eerste van deze overwegingen betreft, wees de Ombudsman erop dat het Parlement ermee had ingestemd de secretariaatsvergoeding te handhaven voor hulpfunctionarissen die vóór 1 mei 2004 in dienst waren en die verlengingen van hun contracten ontvingen of na 1 mei 2004 tijdelijk functionaris of ambtenaar werden. Het Parlement had er ook mee ingestemd hetzelfde te doen voor tijdelijke functionarissen die na die datum ambtenaar zijn geworden. Artikel 1 van de bijlage bij de RAP bepaalt dat de bepalingen van bijlage XIII bij het Statuut "van overeenkomstige toepassing zijn op de andere personeelsleden die op 30 april 2004 in dienst zijn". Aangezien de RAP ook van toepassing is op arbeidscontractanten, lijkt het erop dat de desbetreffende regels als zodanig de mogelijkheid niet lijken uit te sluiten om de secretariaatstoelage te handhaven voor hulpfunctionarissen of tijdelijke functionarissen die vervolgens arbeidscontractant zijn geworden, met name omdat de uitkering "ad personam" moet worden gehandhaafd. Wat de tweede overweging betreft, vestigde de Ombudsman de aandacht van het Parlement op het feit dat het ermee had ingestemd de secretariaatsvergoeding te handhaven voor hulpfunctionarissen die vóór 1 mei 2004 in dienst waren en die verlengingen van hun contracten kregen of die na 1 mei 2004 tijdelijk functionaris of ambtenaar werden, en voor tijdelijke functionarissen die na die datum ambtenaar werden. In het licht van het bovenstaande heeft de Ombudsman het Parlement verzocht uit te leggen waarom het zijn standpunt ten aanzien van de genoemde klagers gerechtvaardigd achtte, rekening houdend met de aangevoerde strikte interpretatie van de financiële voordelen.
31. In repliek heeft het Parlement met betrekking tot de eerste overweging erop gewezen dat de overgangsmaatregelen van artikel 18 van bijlage XIII niet van toepassing zijn wanneer na 1 mei 2004 een nieuwe arbeidsovereenkomst in het kader van het nieuwe Statuut is gesloten. Het Parlement verwijst voorts naar een door de Commissie opgestelde toelichtende brochure, met een voorwoord van de heer Kinnock, waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat "de secretariaatstoelage door de huidige begunstigden ad personam zal worden gehandhaafd tot en met de rang AST 6 en voor nieuw personeel zal worden stopgezet"[5] (cursivering van mij). Het verwees ook naar punt 25 van het besluit van de Ombudsman van 20 april 2009 in zaak 572/2008/OV, waarin de Ombudsman verklaarde dat het duidelijk de bedoeling van de wetgever was om het voordeel van de secretariaatstoelage niet uit te breiden tot nieuw aangeworven personeel. Bij gebreke van uitdrukkelijke bepalingen volgens welke de vergoeding moet worden betaald aan personen die op grond van het nieuwe Statuut als arbeidscontractant zijn aangeworven, was het Parlement dus niet wettelijk verplicht om de secretariaatsvergoeding aan de vijf klagers te blijven betalen.
32. Het Parlement heeft er ook aan herinnerd dat het personeel dat voor hem werkt, zich op basis van het arrest Pickering niet kan beroepen op de voortgezette toepassing ten gunste van hen van de statutaire bepalingen die vroeger op hen van toepassing waren in het kader van hun eerdere arbeidsovereenkomsten. Evenzo benadrukte het Parlement dat de financiële rechten van een personeelslid niet alleen worden bepaald door de aard van de met de instelling gesloten overeenkomst, maar vervallen bij het verstrijken van de vorige overeenkomst als hulpfunctionaris of tijdelijk functionaris. De vijf klagers die na 1 mei 2004 als arbeidscontractant zijn aangeworven, moeten op grond van het nieuwe Statuut als nieuwe personeelsleden worden beschouwd. De toepassing van het oude Statuut, dat ten tijde van de sluiting van een nieuwe arbeidsovereenkomst met de instelling niet meer van kracht was, vormde geen verworven recht van de betrokken functionaris.
33. Met betrekking tot het tweede punt dat de Ombudsman aan de orde stelde, verklaarde het Parlement dat artikel 18 van bijlage XIII impliceerde dat er een voortdurende contractuele band bestond tussen personen die de secretariaatsvergoeding ontvingen en de wettelijke regeling van het oude Statuut. Met andere woorden, hulpfunctionarissen of tijdelijke functionarissen die op 30 april 2004 de secretariaatsvergoeding ontvingen en die na die datum in dienst bleven, hetzij als tijdelijk functionaris, hetzij als ambtenaar in opleiding, hadden recht op de vergoeding, mits hun dienst niet was onderbroken. Bijgevolg werd de secretariaatsvergoeding ad personam gehandhaafd. De gemeenschapswetgever heeft echter in het Statuut een juridisch onderscheid willen maken tussen arbeidscontractanten enerzijds en ambtenaren of tijdelijke functionarissen anderzijds met betrekking tot waarborgen, sociale uitkeringen of bezoldigingen. In een dergelijk geval was het beginsel van gelijke behandeling niet van toepassing. Het Parlement verwees in dit verband naar de rechtspraak volgens welke:
"aan de bestaande verschillen in de status van de verschillende categorieën werknemers van de Gemeenschappen kan niet worden afgedaan, aangezien sommige categorieën uitkeringen kunnen genieten die niet aan andere worden toegekend. De definitie van elk van deze personeelscategorieën beantwoordt immers aan de legitieme behoeften van de communautaire administratie en de aard van haar taken"[6] (cursivering van mij).
34. Onder deze omstandigheden werd het Parlement ontheven van alle financiële verplichtingen jegens arbeidscontractanten en paste het de regels inzake financiële voordelen strikt toe. Anders gezegd, de regeling voor arbeidscontractanten in het nieuwe Statuut voorzag niet in de handhaving van de secretariaatstoelage voor gewezen hulpfunctionarissen die arbeidscontractant zijn geworden.
35. Het Parlement erkent dat er verschillen in interpretatie bestaan tussen de hoofden van de administraties van de verschillende instellingen met betrekking tot de vraag of de secretariaatsvergoeding nog steeds verschuldigd is wanneer de contractuele relatie verandert. Het Parlement en het Hof van Justitie waren de enige instellingen die een flexibele aanpak hanteerden met betrekking tot het behoud van een ad personam verworven recht wanneer de contractuele verhouding in het kader van het Statuut wordt gewijzigd, bijvoorbeeld voor tijdelijke functionarissen die ambtenaar worden. Geen van de gemeenschapsinstellingen handhaafde echter de secretariaatstoelage voor personen die na 1 mei 2004 als arbeidscontractant waren aangeworven. Het Parlement wijst er voorts op dat artikel 18 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut deel uitmaakt van de overgangsmaatregelen voor de geleidelijke afschaffing van de secretariaatsvergoeding.
36. In hun opmerkingen herhaalden de klagers de eerder aangevoerde argumenten. Zij voerden aan dat het enkele feit dat de categorie arbeidscontractanten was gecreëerd bij het Statuut dat vanaf 1 mei 2004 van toepassing was, niet volstond om de toepassing van de overgangsmaatregelen van artikel 18 van bijlage XIII af te wijzen. Klagers voerden aan dat er in feite geen nieuw Statuut was, aangezien Verordening (EG) nr. 723/2004 slechts een wijziging van het Statuut vormde. Ook was "arbeidscontractanten" geen nieuwe categorie personeel. Volgens klagers heeft de wetgever de categorie hulpfunctionarissen vervangen door de categorie arbeidscontractanten voor hulptaken ("agent contractuel auxiliaire"in het Frans). Zij verwezen naar de toelichtende brochure die de Commissie in dit verband had opgesteld en voerden aan dat het de bedoeling was geweest de secretariaatsvergoeding te handhaven voor alle begunstigden die er vóór 1 mei 2004 gebruik van hadden gemaakt. Zij voerden aan dat het begrip begunstigde in artikel 18 van bijlage XIII geenszins beperkt was en dus van toepassing was op alle personeelsleden, met uitzondering van nieuwe personeelsleden. De klagers waren echter van mening dat zij niet tot de categorie "nieuw personeel" behoorden.
Voorlopige beoordeling van de Ombudsman die tot een minnelijke schikking leidt
37. In artikel 4 bis van bijlage VII bij het Statuut, dat tot en met 30 april 2004 van kracht was, is bepaald dat "een ambtenaar van categorie C die is tewerkgesteld als kopieertypist, stenotypist, telex-operator, varitypist, uitvoerend secretaris of hoofdsecretaris, een vaste toelage" (hierna: "secretariaatstoelage") kan worden betaald. Artikel 21 van de RAP, dat tot en met 30 april 2004 van kracht was, bepaalde: "[Artikel]... 4 bis van bijlage VII bij het Statuut betreffende de betaling van [...] tijdelijke vaste vergoedingen, is van overeenkomstige toepassing [op tijdelijke functionarissen]". Artikel 65 RAP bepaalde dat "[artikel]... 4 bis van bijlage VII bij het Statuut betreffende de betaling van ... tijdelijke vaste vergoedingen, van overeenkomstige toepassing [is] op hulpfunctionarissen".
38. Bij Verordening (EG) nr. 723/2004 is artikel 4 bis van bijlage VII bij het Statuut ingetrokken. Overeenkomstig artikel 18, eerste alinea, van bijlage XIII (Overgangsmaatregelen) bij het nieuwe Statuut "houden [b] begunstigden die in de maand vóór 1 mei 2004 recht hadden op de vaste toelage als bedoeld in het vroegere artikel 4 bis van bijlage VII bij het Statuut, deze toelage ad personam tot de rang 6 ..." Ten slotte bepaalt artikel 1, eerste alinea, van de enige bijlage bij de RAP in zijn nieuwe versie dat "[d]e bepalingen van bijlage XIII bij het Statuut [...] van overeenkomstige toepassing [zijn] op de andere personeelsleden die op 30 april 2004 in dienst zijn".
39. De Ombudsman was van mening dat in de onderhavige zaak onderscheid moest worden gemaakt tussen drie verschillende situaties.
40. Wat ten eerste de situatie van de heer SM. en de heer EPA. betreft, merkte de Ombudsman op dat hun diensten voor het Parlement respectievelijk één maand (augustus 2004) en drie maanden (juni-augustus 2004) waren onderbroken. Aangezien zij na 1 mei 2004 nieuwe arbeidsovereenkomsten als arbeidscontractant zijn aangegaan, moest hun rechtspositie dus worden beoordeeld op basis van het nieuwe Statuut, dat niet langer voorziet in een secretariaatsvergoeding. Artikel 18 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut bepaalt dat begunstigden die in april 2004 recht hadden op de secretariaatstoelage, deze ad personam tot rang 6 kunnen behouden. Vaststaat dat zowel SM. als EPA. in april 2004 recht hadden op de secretariaatsvergoeding. Het feit dat in artikel 18 het woord "houden"wordt gebruikt, houdt echter ook in dat de dienst na 1 mei 2004 moet worden voortgezet. Bijgevolg hebben functionarissen zoals de twee klagers, die in april 2004 in aanmerking kwamen voor de vergoeding, maar vervolgens zijn gestopt met werken voor het Parlement en na 1 mei 2004 nieuw zijn aangeworven, geen recht meer op de secretariaatsvergoeding. De situatie van de heren SM. en EPA. was identiek aan die van de klagers in zaak 572/2008/OV. Na de beoordeling van de Ombudsman in die zaak sloot hij zijn onderzoek op 20 april 2009 af met de conclusie dat er geen sprake was van wanbeheer.
41. Dezelfde conclusie gold in de onderhavige zaak met betrekking tot de klacht van SM. en EPA. betreffende i) de vermeende schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, ii) hun argumenten op basis van richtlijn 1999/70/EG, en iii) hun argument dat het gedrag van het Parlement willekeurig en slecht was ("une attitude maléfique"). In zijn besluit in zaak 572/2008/OV constateerde de Ombudsman geen geval van wanbeheer met betrekking tot deze punten. Meer in het bijzonder constateerde de Ombudsman dat er geen sprake was van schending van het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien de communautaire wetgever overgangsmaatregelen had voorzien. Hij wees er ook op dat klagers niet hadden aangetoond dat nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen waren gedaan dat personeelsleden die na 1 mei 2004 nieuw als arbeidscontractant waren aangeworven, in aanmerking zouden komen voor de secretariaatsvergoeding. De Ombudsman was ook van mening dat het argument van klagers op basis van Richtlijn 1999/70/EG niet nader hoefde te worden onderzocht, aangezien klagers niet precies aangaven waarom zij van mening waren dat de aanpak van het Parlement niet in overeenstemming was met de richtlijn. Wat het gesuggereerde machtsmisbruik door het Parlement betreft, oordeelde de Ombudsman dat de door de klagers aangevoerde feiten niet volstonden om een dergelijk misbruik aan te tonen.
42. Wat in de tweede plaats de situatie van L. betreft, merkte de Ombudsman op dat hij tot 30 juni 2005 als hulpfunctionaris in dienst was en tot die datum de secretariaatsvergoeding ontving. Met ingang van 1 juli 2005 is hij aangeworven als arbeidscontractant in rang 7. In deze omstandigheden kon L. hoe dan ook niet in aanmerking komen voor de overgangsbepalingen van artikel 18 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut, aangezien deze bepaling bepaalt dat de toelage ad personam slechts tot de rang 6 kan worden gehandhaafd . Er werd derhalve geen wanbeheer vastgesteld met betrekking tot dit aspect van de zaak.
43. De Ombudsman, derde, onderzocht de situatie van de vijf andere klagers. Hij merkte op dat deze klagers na 1 mei 2004 zijn aangeworven als arbeidscontractant van het Parlement. Bijgevolg moest de rechtspositie van klagers worden beoordeeld op basis van het nieuwe Statuut, met inbegrip van artikel 18 van bijlage XIII, volgens hetwelk begunstigden die in april 2004 recht hadden op de secretariaatstoelage, deze ad personam tot rang 6 konden behouden. Het stond buiten kijf dat de vijf klagers recht hadden op de secretariaatstoelage en deze in april 2004 ontvingen, en derhalve voldeden aan de eerste voorwaarde van artikel 18.
44. Het Parlement voerde in wezen aan dat de in artikel 18 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut bedoelde uitkering alleen beschikbaar was voor ambtenaren of tijdelijke functionarissen die in april 2004 de secretariaatsvergoeding hadden ontvangen, maar niet voor personen die na 1 mei 2004 als arbeidscontractant zijn aangeworven. Ter rechtvaardiging van zijn standpunt heeft het Parlement erop gewezen dat de categorie arbeidscontractanten pas bij het nieuwe Statuut is ingevoerd en dus vóór 1 mei 2004 niet bestond.
45. Vaststaat dat de categorie arbeidscontractanten pas op 1 mei 2004 is ontstaan. Er moet echter nog worden onderzocht of het standpunt van het Parlement alleen al op grond van dit feit gegrond is.
46. Artikel 18 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut is van toepassing op "begunstigden" die in april 2004 recht hadden op de secretariaatstoelage. Artikel 1 van de bijlage bij de RAP bepaalt dat de bepalingen van bijlage XIII bij het Statuut van overeenkomstige toepassing zijn "op de andere personeelsleden die op 30 april 2004 in dienst zijn". Het stond echter buiten kijf dat de vijf klagers op die datum als hulpfunctionarissen in dienst waren. Volgens het oude Statuut waren hulpfunctionarissen "andere personeelsleden"in de zin van de RAP (zie artikel 1 van de versie van de RAP die tot 30 april 2004 van kracht was). Aangezien artikel 1 van de bijlage bij de RAP verwijst naar personen die op 30 april 2004 als andere personeelsleden in dienst waren, had het dus duidelijk betrekking op de genoemde klagers. In deze omstandigheden berustte het argument van het Parlement dat de relevante overgangsbepalingen niet naar analogie op arbeidscontractanten konden worden toegepast, op een onjuiste premisse.
47. In zijn besluiten van 9 november 2007 tot afwijzing van de beroepen van de klagers voerde de AAC aan dat de desbetreffende overgangsbepalingen niet van toepassing waren op arbeidscontractanten. Volgens haar leek het niet logisch dat de wetgever zou hebben gewild dat het recht van een arbeidscontractant op de secretariaatstoelage zou eindigen voordat hij/zij overging naar de laatste rang in functiegroep II. In zijn advies over de onderhavige klacht heeft het Parlement zich niet op dit argument gebaseerd. De Ombudsman achtte het niettemin nuttig er iets aan te doen.
48. In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 18 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut bepaalt dat de secretariaatsvergoeding ad personam wordt gehandhaafd tot en met rang 6. Volgens artikel 5 van het Statuut zijn er twee functiegroepen van ambtenaren: AD en AST. Ambtenaren in de categorie AD worden ingedeeld in de rangen AD 5 tot en met AD 16. Ambtenaren in de categorie AST worden ingedeeld in de rangen AST 1 tot en met AST 11. De rang AST 6 is voorzien voor ambtenaren die bijvoorbeeld als griffier werken, terwijl de rang AST 7 is voorzien voor ambtenaren die bijvoorbeeld als hogere griffier werken. Volgens artikel 10 van de RAP zijn dezelfde categorieën van toepassing op tijdelijke functionarissen. Artikel 18 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut zou dus betekenen dat de wetgever het volgende beoogde: indien de griffiers aan de in deze bepaling gestelde voorwaarden voldoen, zouden zij het recht hebben om de secretariaatsvergoeding te behouden totdat zij bevorderd zijn en hogere griffiers zijn geworden. Wat hulpfunctionarissen betreft, voorziet artikel 53 van de RAP in vier categorieën, die in totaal negen groepen omvatten (I-IX). Groep VII komt overeen met secretaresses en kantoormedewerkers, terwijl groep VI bedoeld is voor ervaren secretaresses of kantoormedewerkers. Wat arbeidscontractanten betreft, voorziet artikel 80 RAP in vier functiegroepen van 18 rangen. Functiegroep II, die de rangen 4 tot en met 7 omvat, is bedoeld voor " administratieve en secretariaatstaken, kantoorbeheer en andere gelijkwaardige taken, uitgevoerd onder toezicht van ambtenaren of tijdelijke functionarissen." In tegenstelling tot de regels voor ambtenaren, tijdelijke functionarissen en hulpfunctionarissen maakt functiegroep II dus geen onderscheid naar de anciënniteit van het betrokken personeel. Aangezien functiegroep II echter zowel administratief personeel als hoger administratief personeel omvat en vier rangen omvat, is het perfect mogelijk dat hogere griffiers onder de hoogste van deze rangen vallen, namelijk rang 7. Arbeidscontractanten die de functie van hogere ambtenaar bekleden, zouden dus niet langer recht hebben op de secretariaatsvergoeding, zoals het geval is voor ambtenaren en tijdelijke functionarissen. In deze omstandigheden lijkt de toepassing van de in artikel 18 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut vastgestelde beperking van het behoud van de secretariaatstoelage" tot de rang 6" op arbeidscontractanten geen problemen te veroorzaken. Interessant is dat het Parlement in het geval van L. zelf onder meer heeft opgemerkt dat hij was aangeworven in rang 7 en dus geen recht had op de secretariaatsvergoeding.
49. Als men zou kunnen stellen dat er sprake is van een inconsistentie, zou dit eerder betrekking hebben op de situatie van hulpfunctionarissen dan op die van arbeidscontractanten. Zoals hierboven vermeld, heeft groep VI betrekking op hulpfunctionarissen die als ervaren secretaresses of kantoormedewerkers werken. Het lijkt er dus op dat een hogere secretaresse zijn secretariaatsvergoeding zou kunnen behouden als hij als hulpfunctionaris in dienst was, maar niet als hij ambtenaar of tijdelijk functionaris was. Het argument betreffende de samenhang van de relevante regels leek dus tamelijk zwak.
50. Derhalve moest nog worden onderzocht of er een andere reden kon zijn om te concluderen dat artikel 1 van de bijlage bij de RAP, in samenhang met bijlage XIII bij het Statuut, de genoemde vijf klagers niet het recht gaf om de secretariaatsvergoeding te blijven ontvangen.
51. Zoals hierboven reeds vermeld, impliceert het feit dat in artikel 18 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut het woord "houden"wordt gebruikt, dat de dienst na 1 mei 2004 moet worden voortgezet.
52. Alle betrokken klagers ondertekenden een nieuw contract als arbeidscontractant van het Parlement nadat hun contract als hulpfunctionaris was verstreken. Men zou dus kunnen stellen dat dit feit alleen al voldoende was om de toepassing van de relevante overgangsbepalingen uit te sluiten.
53. De Ombudsman was namelijk van mening dat het legitiem zou zijn dat een instelling artikel 18 van bijlage XIII en artikel 1 van de bijlage bij de RAP in die zin uitlegt. Deze overgangsbepalingen zouden dus alleen beschikbaar zijn voor personeelsleden wier dienstverband na 1 mei 2004 ongewijzigd is gebleven. Een dergelijke strikte uitlegging zou duidelijk in overeenstemming zijn met de noodzaak om regels die financiële voordelen opleveren strikt uit te leggen. Uit de notulen van de vergadering van de hoofden van de administratie van 19 april 2007 bleek dat dit het standpunt van de Commissie en de Raad van de EU was.
54. De Ombudsman was echter van mening dat het ook legitiem leek om de desbetreffende overgangsmaatregelen aldus uit te leggen dat zij betrekking hadden op situaties waarin de contractuele voorwaarde was gewijzigd, mits er sprake was van continuïteit van de dienstverlening. Dit was de grondgedachte waarop de benadering van het Parlement was gebaseerd. Meer in het bijzonder werd in de notulen van bovengenoemde vergadering het volgende vermeld: "pour les représentants du Parlement ..., il s'agit d'un droit acquis ad personam dont aucune disposition expresse ne prévoit la suppression, même en cas de modification du type d'engagement (par exemple, au cas où un agent temporaire devient fonctionnaire). Le représentant du Parlement confirme qu'il considère que l'intéressé doit conserver ce droit ad personam tant que le lien avec l'institution n'est pas rompu".
55. De Ombudsman heeft begrepen dat het Parlement, mits er sprake is van continuïteit van de dienstverlening, van oordeel is dat de desbetreffende overgangsmaatregelen van toepassing zijn in de volgende situaties: i) wanneer een tijdelijk functionaris na 1 mei 2004 ambtenaar wordt; en ii) wanneer een hulpfunctionaris na 1 mei 2004 ambtenaar of tijdelijk functionaris wordt.
56. Wat de onderhavige zaak betreft, leek het duidelijk dat er sprake was van een continuïteit van de dienstverlening met betrekking tot de situatie van de genoemde vijf klagers. In de eerste plaats was er, in tegenstelling tot de situatie van SM. en EPA., geen onderbreking in hun dienst. Bovendien wezen de vijf klagers erop dat zij hetzelfde werk bleven doen, voor hetzelfde eenheidshoofd en in hetzelfde kantoor. Het Parlement heeft deze verklaringen niet aangevochten.
57. Op basis van de door het Parlement zelf uiteengezette logica moeten de overgangsbepalingen van artikel 1 van de bijlage bij de RAP, gelezen in samenhang met artikel 18 van bijlage XIII bij het Statuut, derhalve ook ten goede komen aan personen zoals de genoemde vijf klagers, die vroeger hulpfunctionarissen waren en die hun dienst voor het Parlement als arbeidscontractant onmiddellijk na afloop van hun arbeidsovereenkomst als hulpfunctionaris hebben voortgezet.
58. De enige reden die het Parlement aanvoerde om zijn standpunt te rechtvaardigen dat de desbetreffende overgangsbepalingen niet op arbeidscontractanten moesten worden toegepast, was dat deze categorie personeelsleden niet bestond vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut op 1 mei 2004. Dit argument was echter niet overtuigend, aangezien artikel 1 van de bijlage bij de RAP bepaalt dat de bepalingen van bijlage XIII bij het Statuut van overeenkomstige toepassing zijn "op de andere personeelsleden die op 30 april 2004 in dienst zijn". Doorslaggevend is dus niet de situatie op 1 mei 2004, maar de situatie op 30 april 2004. Zoals reeds uiteengezet, kon echter niet worden betwist dat de genoemde vijf klagers behoorden tot de "andere personeelsleden die op 30 april 2004 in dienst waren". De Ombudsman vond het daarom moeilijk te begrijpen hoe het feit dat deze klagers vervolgens arbeidscontractanten van het Parlement werden, het standpunt kon rechtvaardigen dat zij niet zouden mogen profiteren van de interpretatie van het Parlement van artikel 1 van de bijlage bij de RAP en artikel 18 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut. Deze uitzondering was niet in overeenstemming met het eigen beleid van het Parlement, zoals uiteengezet in de notulen van de vergadering van 19 april 2007.
59. Wat betreft het argument van het Parlement dat het niet de bedoeling van de wetgever was om het toepassingsgebied van de begunstigden uit te breiden tot arbeidscontractanten, merkte de Ombudsman op dat het Parlement geen bewijsmateriaal heeft aangedragen ter ondersteuning van dit voorstel. Het was juist dat het Parlement in zijn antwoord op het verzoek van de Ombudsman om nadere informatie had verwezen naar het voorwoord van de heer Kinnock bij de verklarende brochure, waarin stond dat de secretariaatstoelage "voor nieuw personeel zou worden stopgezet". Zonder dat de bewijskracht van deze verklaring hoefde te worden beoordeeld, was er echter niets dat erop wees dat de term "nieuw personeel" die door de heer Kinnock werd gebruikt, moest worden geïnterpreteerd als "arbeidscontractant".
60. De Ombudsman begreep het argument van het Parlement dat het inderdaad de algemene doelstelling van de wetgever was om de secretariaatstoelage geleidelijk af te schaffen, en dat artikel 18 van bijlage XIII derhalve niet aldus kon worden uitgelegd dat het "voorzag in een onbeperkte voortzetting van de litigieuze regeling". Het was echter moeilijk in te zien waarom dit doel relevant zou moeten zijn voor personen die als hulpfunctionaris hebben gediend en vervolgens hun dienst voor het Parlement als arbeidscontractant hebben voortgezet, maar niet voor andere personeelsleden die hun dienst na hun aanstelling als ambtenaar hebben voortgezet of als tijdelijk functionaris of hulpfunctionaris zijn aangeworven.
61. In het licht van het bovenstaande concludeerde de Ombudsman voorlopig dat het besluit van het Parlement om de genoemde vijf klagers het recht op de secretariaatstoelage te ontzeggen, niet strookte met de premisse waarop zijn beleid op dit gebied was gebaseerd, en dat zijn besluit derhalve een geval van wanbeheer vormde. Dienovereenkomstig deed de Ombudsman het Parlement een voorstel voor een minnelijke schikking, dat erin bestond het Parlement te verzoeken zijn besluit om de secretariaatstoelage voor de vijf betrokken klagers niet te handhaven, te heroverwegen.
De argumenten die aan de Ombudsman zijn voorgelegd na zijn voorstel voor een minnelijke schikking
62. In zijn antwoord herinnerde het Parlement eraan dat artikel 18 van bijlage XIII bij het Statuut bepaalde dat de secretariaatsvergoeding ad personam tot en met rang 6 moest worden gehandhaafd. Arbeidscontractanten die secretariaatstaken uitvoeren, kunnen worden ingedeeld in de rangen 4, 5, 6 of 7 van functiegroep II. Aangezien rang 7 de laatste rang van functiegroep II is en arbeidscontractanten die secretariaatstaken verrichten in deze rang kunnen worden ingedeeld, zou het inconsistent zijn geweest als de wetgever dit voordeel aan arbeidscontractanten had willen toekennen, maar tegelijkertijd had besloten hen dit voordeel te ontnemen als zij in rang 7 waren ingedeeld.
63. Het Parlement voegt hieraan toe dat de relevante bepalingen bedoeld zijn om personeelsleden die op 30 april 2004 in dienst waren en die op die datum de secretariaatsvergoeding ontvingen, toe te staan deze toelage te blijven ontvangen. Het Parlement is van mening dat deze bepalingen strikt moeten worden uitgelegd en dus niet kunnen worden toegepast op situaties waarin de contractuele situatie van de betrokkene is gewijzigd, aangezien de relevante bepalingen niet uitdrukkelijk in een dergelijke situatie voorzien.
64. Het Parlement verwees naar de jurisprudentie volgens welke de bepalingen van het Statuut "uitsluitend tot doel hebben de rechtsbetrekkingen tussen de instellingen en de ambtenaren te regelen door wederzijdse rechten en plichten vast te stellen" en " precieze bewoordingen gebruiken en er geen reden is om hun werkingssfeer naar analogie uit te breiden tot situaties waarnaar zij niet uitdrukkelijk verwijzen"[7]. Deze rechtspraak was ook van toepassing op de RAP. Daarom kunnen de bepalingen inzake de handhaving van de secretariaatstoelage in de meest strikte zin alleen worden toegepast op tijdelijke functionarissen die tijdelijk functionaris blijven, of op hulpfunctionarissen die na 1 mei 2004 hulpfunctionaris blijven, zonder dat de overeenkomst wordt gewijzigd. Het Parlement herinnert eraan dat deze strikte interpretatie, die de Ombudsman niet ter discussie heeft gesteld, door de Commissie en de Raad is overgenomen. Het Parlement wijst erop dat arbeidscontractanten een nieuwe categorie EU-werknemers vormen, die is ingevoerd bij het nieuwe Statuut, dat op 1 mei 2004 in werking is getreden. Een arbeidscontractant van een instelling is dus de facto na 1 mei 2004 aangeworven, zodat elke contractuele band met de instelling van vóór die datum noodzakelijkerwijs voortvloeide uit een andere wettelijke regeling van het oude Statuut.
65. Het Parlement heeft evenwel verklaard dat het er in de praktijk voor heeft gekozen een evenwichtige benadering te volgen, waarbij in gelijke mate rekening wordt gehouden met de bewoordingen van de relevante bepalingen en met de noodzaak om de rechtszekerheid te waarborgen. Dit heeft ertoe geleid dat de secretariaatsvergoeding in bepaalde omstandigheden is gehandhaafd wanneer de contractuele situatie van de betrokkene is gewijzigd. Mits er sprake was van continuïteit in het dienstverband, konden tijdelijke functionarissen die na 1 mei 2004 ambtenaar werden, en hulpfunctionarissen die na die datum tijdelijk functionaris of ambtenaar werden, dus in aanmerking komen voor de toepassing van artikel 18 van bijlage VII bij het Statuut, zodat de secretariaatsvergoeding die zij op 30 april 2004 ontvingen, nog steeds aan hen werd uitbetaald.
66. Het Parlement voerde aan dat de bovengenoemde flexibiliteit bij de interpretatie van de relevante regels toelaatbaar was, aangezien zij niet indruiste tegen de bedoeling van de wetgever, die er duidelijk in bestond de secretariaatstoelage geleidelijk af te schaffen. Het zou in strijd zijn geweest met het voornemen van de wetgever om de secretariaatstoelage toe te kennen aan nieuwe personeelsleden die zijn aangeworven op grond van het nieuwe Statuut dat uit de hervorming van 2004 is voortgevloeid. Het besluit van het Parlement om de bepalingen flexibel toe te passen, kan niet aldus worden uitgelegd dat het verplicht was het voordeel van deze flexibele aanpak uit te breiden tot andere categorieën personeelsleden die geen wettelijke aanspraak hadden om de secretariaatstoelage te blijven ontvangen en aan wie het niet passend zou worden geacht deze toelage toe te kennen. Het Parlement is van mening dat het zich de grenzen van deze soepele interpretatie moet kunnen stellen. Het autonoom vaststellen van dergelijke grenzen is echter alleen mogelijk bij gebreke van relevante rechtspraak ter zake en voor zover dit niet leidt tot het ontstaan van willekeurige situaties. Enerzijds was er geen arrest of beschikking waarbij de Europese instellingen werden gelast de secretariaatsvergoeding te blijven betalen aan voormalige hulpfunctionarissen die deze op 30 april 2004 ontvingen en die na 1 mei 2004 arbeidscontractanten van een instelling werden. Evenmin was er een arrest dat het Parlement verplichtte arbeidscontractanten dezelfde wettelijke of financiële voordelen toe te kennen als ambtenaren, tijdelijke functionarissen of hulpfunctionarissen. Integendeel, volgens het Gerecht van eerste aanleg heeft de Raad bij de invoering van de nieuwe categorie arbeidscontractanten " gebruikgemaakt van zijn vrijheid om te allen tijde de wijzigingen in het Statuut en de RAP aan te brengen die hij in het belang van de dienst achtte en om voor de toekomst minder gunstige bepalingen voor de betrokken personeelsleden vast te stellen"[8]. Het Parlement kwam tot de slotsom dat zijn standpunt niet ter discussie kon worden gesteld bij gebreke van relevante rechtspraak ter zake en voor zover dit niet tot arbitraire situaties heeft geleid. Het Parlement concludeerde derhalve dat het voorstel voor een minnelijke schikking moest worden verworpen.
67. In hun aanvullende opmerkingen wezen klagers erop dat de door het Parlement aangevoerde inconsistentie tussen artikel 18 van bijlage XIII bij het Statuut en de indeling van arbeidscontractanten binnen functiegroep II niet was aangetoond. Zij voerden aan dat de evenwichtige benadering van het Parlement discriminerend was, omdat zij tot gevolg had dat alleen de personen die, soms voor een zeer korte periode, als arbeidscontractant in dienst waren, werden uitgesloten. Klagers voerden aan dat artikel 18 van bijlage III bij het Statuut als wettelijke bepaling moet worden toegepast, wat betekent dat er geen ruimte is voor interpretatie en nog minder ruimte voor autonome vaststelling van grenzen. De klagers wezen er ook op dat zij tijdens de plenaire vergadering van het Parlement in juni 2010 een ontmoeting hadden met de secretaris-generaal van het Parlement. Nadat het antwoord van het Parlement op het voorstel voor een minnelijke schikking reeds door de Voorzitter van het Parlement was ondertekend, werd hun door de assistent van de secretaris-generaal meegedeeld dat het dossier door de Juridische Dienst van het Parlement opnieuw zou worden onderzocht, zodat de secretaris-generaal de zaak grondig zou kunnen onderzoeken. Gezien de goede wil van de secretaris-generaal van het Parlement om het dossier te heropenen, verklaarden de klagers dat zij hoopten op een positief resultaat.
Beoordeling van de Ombudsman na zijn voorstel voor een minnelijke schikking
68. In zijn voorstel voor een minnelijke schikking van 30 maart 2010 was de Ombudsman van mening dat het besluit van het Parlement om de vijf klagers het recht op de secretariaatstoelage te weigeren, niet strookte met de premisse waarop zijn beleid op dit gebied was gebaseerd, namelijk dat er een "flexibele interpretatie" van de toepasselijke regels moest zijn in gevallen waarin er sprake was van " continuïteit van de dienst". Hij verzocht het Parlement derhalve zijn besluit om de secretariaatstoelage voor de vijf klagers niet te handhaven, te heroverwegen. De Ombudsman nam echter geen standpunt in over de vraag of de "flexibele interpretatie" van de regels inderdaad correct was. De Ombudsman heeft nu alle argumenten die het Parlement in zijn antwoord op zijn voorstel voor een minnelijke schikking naar voren heeft gebracht, zorgvuldig onderzocht en zijn conclusies worden hieronder uiteengezet.
69. De Ombudsman merkt op dat het Parlement in zijn antwoord op het voorstel voor een minnelijke schikking van de Ombudsman uitdrukkelijk heeft erkend dat "... de betrokken bepalingen tot doel hebben andere personeelsleden die op 30 april 2004 in dienst waren en op die datum de secretariaatstoelage ontvingen, in staat te stellen deze vergoeding te blijven ontvangen. Deze bepalingen [...] moeten strikt worden uitgelegd en kunnen dus niet worden toegepast op situaties waarin de contractuele situatie van de betrokkene is gewijzigd, aangezien de relevante bepalingen niet uitdrukkelijk in een dergelijke situatie voorzien. Het Parlement concludeerde voorts dat "... in de meest strikte zin van het woord, deze bepalingen derhalve alleen kunnen worden toegepast in het geval van tijdelijke functionarissen die na 1 mei 2004 tijdelijk functionaris of hulpfunctionaris blijven, zonder enige contractwijziging". Het Parlement wijst erop dat deze strikte interpretatie, die de Ombudsman niet ter discussie heeft gesteld, door de Commissie en de Raad is overgenomen.
70. Het Parlement voerde echter aan dat zijn flexibele benadering bij de interpretatie van de relevante regels "... toelaatbaar was in die zin dat deze niet indruist tegen de bedoeling van de wetgever. In dit geval was het echter duidelijk de bedoeling van de wetgever om de secretariaatstoelage geleidelijk af te schaffen". Het Parlement was ook van mening dat "... het moet ook worden toegestaan om voor zichzelf de grenzen van deze flexibele interpretatie vast te stellen. Het autonoom vaststellen van deze grenzen is echter alleen mogelijk bij gebreke van relevante rechtspraak ter zake en voor zover dit niet leidt tot het ontstaan van willekeurige situaties.
71. De Ombudsman wil er in de eerste plaats op wijzen dat hij, zoals het Parlement zelf heeft benadrukt, heeft gekozen voor een "flexibele" benadering, volgens welke het recht op de secretariaatstoelage ook behouden blijft wanneer zich wijzigingen in de contractuele situatie voordoen, mits er sprake is van continuïteit van de dienst. De Ombudsman is er echter niet van overtuigd dat het Parlement zijn flexibele interpretatie consequent heeft toegepast en, in tegenstelling tot wat het Parlement betoogt, heeft zijn praktijk inderdaad geleid tot een willekeurige, verschillende behandeling van zijn agenten, zoals uit de onderhavige klacht blijkt. In zijn antwoord op het voorstel voor een minnelijke schikking heeft het Parlement immers niet overtuigend gemotiveerd waarom de secretariaatsvergoeding zou moeten blijven worden betaald aan hulpfunctionarissen die tijdelijk functionaris zijn geworden, of aan tijdelijke functionarissen die na 1 mei 2004 ambtenaar zijn geworden, maar niet aan hulpfunctionarissen of tijdelijke functionarissen die, zonder onderbreking van de " continuïteit van de dienst", de enige reden die het Parlement heeft aangevoerd om zijn "flexibele aanpak" te rechtvaardigen, na die datum arbeidscontractanten zijn geworden.
72. De Ombudsman wijst erop dat het nieuwe Statuut, dat op 1 mei 2004 in werking is getreden, de secretariaatstoelage definitief heeft afgeschaft. Het besluit om de secretariaatstoelage af te schaffen was de uitdrukkelijke keuze van de wetgever. Overeenkomstig het beginsel dat uitzonderingen op de algemene regel restrictief moeten worden uitgelegd, lijkt de meest legitieme en passende uitlegging dus de strikte uitlegging van artikel 18 van bijlage XIII bij het Statuut in samenhang met artikel 1 van de bijlage bij de RAP te zijn. Een dergelijke strikte uitlegging zou ook in overeenstemming zijn met de noodzaak van een strikte uitlegging van de regels die financiële voordelen opleveren. Nieuwe personeelsleden, met inbegrip van arbeidscontractanten, tijdelijke functionarissen en ambtenaren, die na 1 mei 2004 op grond van het nieuwe Statuut zijn aangeworven en die volledig gebruik hebben gemaakt van de financiële regeling van het Statuut, namelijk de nieuwe salarisschaal, mogen derhalve niet in aanmerking komen voor de secretariaatstoelage die specifiek is afgeschaft [9]. De Ombudsman merkt op dat de Commissie en de Raad terecht een dergelijke strikte interpretatie hebben gevolgd. Het Parlement heeft echter besloten te kiezen voor een flexibele interpretatie door het recht op de secretariaatstoelage uit te breiden tot personeelscategorieën die in het kader van het nieuwe Statuut een statuswijziging hebben ondergaan. Zoals hierboven is aangetoond, is deze interpretatie echter inconsequent toegepast. Om deze inconsistentie te voorkomen, zou het Parlement zijn foutieve "flexibele aanpak" ook moeten uitbreiden tot arbeidscontractanten. Volgens de Ombudsman zou een dergelijke benadering, om de hierboven genoemde redenen, indruisen tegen de wijze waarop de tekst en de geest van de betrokken bepalingen moeten worden uitgelegd, willen zij in overeenstemming zijn met de rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie.
73. Daarom is de Ombudsman van mening dat het niet passend is dit onderzoek voort te zetten. Het onderhavige onderzoek heeft immers betrekking op de vraag of klagers, die arbeidscontractanten zijn, recht hebben op de secretariaatsvergoeding, en niet op de vraag of hulpfunctionarissen die tijdelijk functionaris zijn geworden, of tijdelijk functionarissen die ambtenaar zijn geworden, volgens de flexibele interpretatie van het Parlement in aanmerking konden komen of kunnen blijven komen voor de secretariaatsvergoeding uit hoofde van het nieuwe Statuut.
74. Tot slot wenst de Ombudsman te antwoorden op het argument van het Parlement dat de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde vraag geen aanleiding heeft gegeven tot arresten van het Gerecht voor ambtenarenzaken of het Gerecht. De Ombudsman wijst erop dat het feit dat de rechterlijke instanties van de Unie zich nog niet over deze kwesties hebben uitgesproken, niet betekent dat de praktijk van het Parlement op dit gebied correct is, of dat dit niet neerkomt op een geval van wanbeheer. De opmerkingen van het Parlement in dit verband zouden aldus kunnen worden opgevat dat het Parlement alleen bereid zou zijn het standpunt van de Ombudsman te aanvaarden indien dit door de rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie zou worden ondersteund. De Ombudsman is van mening dat een dergelijke houding niet aanvaardbaar zou zijn, aangezien daardoor de rol van de Europese Ombudsman zoals vastgelegd in de Verdragen in twijfel zou worden getrokken.
B. Conclusies
Op basis van zijn onderzoek naar deze klacht sluit de Ombudsman deze af met de volgende conclusie:
Nader onderzoek van de onderhavige klacht is niet nodig.
De klagers en het Parlement zullen van dit besluit in kennis worden gesteld.
P. Nikiforos Diamandouros
Gedaan te Straatsburg op 20 december 2010
[1] Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB L 124, blz. 1).
[2] Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB L 175, blz. 43).
[3] Arrest van 23 april 2008, Pickering/Commissie, F-103/05, punt 115, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.
[4] Zaak T-237/00, Reynolds/Parlement, Jurispr. 2005, blz. I-A-385, punt 5.
[5] In het Frans: "Indemnité de secrétariat: doorgaan à être perçue ad personam par les bénéficiaires actuels jusqu'au rang 6 compris; supprimée pour le nouveau personeel".
[6] Zaak T-415/06 P, De Smedt/Commissie, beschikking van het Gerecht van 9 juli 2007, punten 54-55, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.
[7] Zaak T-415/06 P, De Smedt/Commissie, punt 57, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.
[8] Zaak T-415/06 P, De Smedt/Commissie, punt 58.
[9] Dit is ook de logische interpretatie van de uitdrukking "nieuw personeel" in de verklarende brochure over het nieuwe Statuut, die wordt voorgezeten door voormalig commissaris Kinnock.