Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Onderzoeken doorzoeken

Criteria voor het filteren van documenten
Zaak
Datum marge
Trefwoorden
Of probeer oude trefwoorden (voor 2016)

1 - 20 van 506 resultaten weergeven

Besluit in zaak 559/2016/MDC over de weigering van de Europese Investeringsbank om ten aanzien van de klager de bemiddelingsprocedure in te leiden

Dinsdag | 31 oktober 2017

De zaak betrof het vermeende oneerlijke ontslag en intimidatie van een voormalige werknemer bij de Europese Investeringsbank (EIB).

Het onderzoek van de Ombudsman spitste zich toe op de kwestie dat de EIB klager ten onrechte het voordeel zou hebben ontzegd van wat bekend staat als de “bemiddelingsprocedure” waarin artikel 41 van het Statuut van de ambtenaren van de EIB voorziet (waarin is bepaald dat personeelsleden beroep kunnen instellen bij het Hof van Justitie van de EU wanneer er een geschil ontstaat met de EIB en dat zij, alvorens dit te doen, via de bemiddelingsprocedure naar een minnelijke schikking moeten streven). De Ombudsman kwam tot de voorlopige conclusie dat de EIB zich schuldig had gemaakt aan wanbeheer door te oordelen dat de bemiddelingsprocedure niet kon worden toegepast op een voormalig personeelslid dat geen EIB-pensioen ontving. De Ombudsman stelde daarom voor dat de EIB onverwijld de bemiddelingsprocedure zou inleiden, zowel wat betreft het ontslag als wat betreft de intimidatiekwesties. De Bank stemde ermee in de bemiddelingsprocedure in te leiden met betrekking tot de ontslagkwestie en verwees klager naar een andere procedure met betrekking tot de kwestie van intimidatie.

De Ombudsman concludeerde dat na haar tussenkomst een oplossing was gevonden. Daarom heeft zij de zaak gesloten.

Besluit in zaak 515/2016/JAP over de beoordeling op proef van een tijdelijk functionaris door het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken

Vrijdag | 28 april 2017

De zaak betrof de beoordeling van de proeftijd van een tijdelijk functionaris bij het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO). Klager, die aan het einde van haar proeftijd werd ontslagen, voerde aan dat haar beoordeling een aantal procedurele tekortkomingen vertoonde. Bovendien heeft het EASO niet geantwoord op haar klachten op grond van het Statuut van de ambtenaren van de EU.

De Ombudsman onderzocht de kwestie en verzocht het EASO te antwoorden op de klachten. Zij stelde vast dat het EASO de nodige stappen had ondernomen om te zorgen voor een onpartijdige beoordeling van de proeftijd van klager en het recht van klager om te worden gehoord had geëerbiedigd alvorens het definitieve besluit over haar verdere dienstverband te nemen. De Ombudsman sloot de zaak dus af.

Besluit in zaak 2033/2015/ZA over de behandeling door het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) van een verzoek tot herziening van een taalvaardigheidsexamen

Woensdag | 14 december 2016

EU-ambtenaren moeten vóór hun eerste bevordering aantonen dat zij in een derde taal kunnen werken. Toen klager, die bij een EU-agentschap werkt, niet slaagde voor een taalvaardigheidsexamen in zijn derde taal, vroeg hij EPSO om redenen voor het relatief lage cijfer in de schrijftoets van het examen en hem ook op de hoogte te stellen van mogelijke toetsingsmechanismen. Volgens hem leken de verklaringen van EPSO over zijn rang inconsistent, terwijl zijn eerste antwoord over de herzieningsmogelijkheden onjuist was. Op aandringen van klager stemde EPSO ermee in zijn schrijftoets opnieuw te beoordelen. De tweede beoordelaar bevestigde de eerste graad.

De Ombudsman onderzocht de kwestie. Zij onderzocht de toets van klager en de beoordelingen van de twee beoordelaars. De Ombudsman heeft geen kennelijke fout of aanwijzingen van partijdigheid vastgesteld bij de beoordeling van de schriftelijke toets van klager. Wat de onjuiste informatie over de herzieningsmogelijkheden betreft, erkende EPSO zijn fout en bood het klager zijn excuses aan. De Ombudsman achtte verder onderzoek niet nodig en sloot de zaak. Zij doet echter een suggestie voor verbetering met betrekking tot de informatie die aan deelnemers aan taalvaardigheidstests wordt verstrekt over de procedure en hun recht op herziening/beroep.

Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van het onderzoek naar klacht 52/2014/EIS betreffende het besluit van het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) om bij algemene vergelijkende onderzoeken naar behoren rekening te houden met het beginsel van overmacht

Donderdag | 17 november 2016

Klager, die tijdelijk voor het Hof van Justitie van de Europese Unie werkt, heeft een aanvraag ingediend voor een vergelijkend onderzoek van EPSO voor de aanwerving van conferentietolken. In de aankondiging van vergelijkend onderzoek was bepaald dat de ingevulde aanvragen uiterlijk op 6 augustus 2013 om 12.00 uur moesten zijn ingediend. Klager heeft de deadline gemist. Op 7 augustus 2013 deelde zij EPSO mee dat zij van 5 tot en met 6 augustus 2013 in het ziekenhuis was opgenomen en haar sollicitatie daarom niet tijdig had kunnen afronden. Op 7 augustus 2013 heeft zij EPSO verzocht de termijn te verlengen. EPSO weigerde. De voornaamste reden voor haar weigering was volgens haar dat zij alle verzoekers gelijk moest behandelen.

De Ombudsman onderzocht de kwestie en kwam tot de voorlopige conclusie dat EPSO had nagelaten te onderzoeken of de omstandigheden van klager een geval van overmacht vormden. Zij beveelt EPSO dan ook aan i) te erkennen dat er situaties zijn waarin het wegens overmacht billijk en gepast is dat kandidaten een nieuwe termijn krijgen; ii) de omstandigheden te verduidelijken waarin een dergelijke nieuwe termijn moet worden vastgesteld; en iii) de kandidaten daarvan in kennis te stellen. EPSO verwierp aanvankelijk de aanbevelingen van de Ombudsman en voerde aan dat het moeilijk zou zijn om een scheidslijn te trekken tussen de verschillende door de kandidaten aangevoerde rechtvaardigingen en om uiteen te zetten hoe de kandidaten zouden bewijzen dat er sprake was van overmacht. Zij voegde daaraan toe dat de mogelijkheid voor kandidaten om zich op overmacht te beroepen, zowel het goede verloop van algemene vergelijkende onderzoeken als de gelijke behandeling van kandidaten in gevaar zou brengen. Zij verwees ook naar statistieken waaruit volgens haar bleek dat de behandeling van alle verzoeken om verlenging van de termijn na het verstrijken van de termijn een administratieve last voor EPSO zou vormen.

Na vergaderingen tussen de Ombudsman en het personeel van EPSO heeft EPSO de aanbevelingen van de Ombudsman echter uiteindelijk in beginsel aanvaard. Wat het specifieke geval van klager betreft, merkte de Ombudsman echter op dat het betrokken vergelijkend onderzoek was beëindigd. Zij merkte ook op dat klager ervoor had gekozen geen opmerkingen te maken over het antwoord van EPSO op haar aanbevelingen. In het licht hiervan was de Ombudsman van oordeel dat er geen redenen waren voor verder onderzoek naar de vraag of de zaak van klager voldeed aan de vereisten van overmacht die EPSO nu in beginsel aanvaardt toe te passen.

Besluit in zaak 726/2016/PMC betreffende de betaling door de Raad van de Europese Unie aan stagiairs van een lager bedrag dan het minimumloon

Donderdag | 29 september 2016

Een voormalige stagiair bij de Raad van de Europese Unie beklaagde zich erover dat de vergoeding die de EU-instellingen aan haar stagiairs betalen, ongepast is, aangezien deze lager is dan het minimumloon en stagiairs dus geen behoorlijke levensstandaard garandeert.

De Ombudsman opende een onderzoek naar de zaak. Zij was van mening dat de Raad voldoende gedetailleerd had uitgelegd hoe het bedrag van de stagevergoeding wordt bepaald. De Ombudsman oordeelde dat het besluit om een toelage te betalen, gelijk aan 25 % van het salaris van een ambtenaar in rang AD5.1, redelijk was. De Raad heeft dit besluit genomen binnen de grenzen van zijn discretionaire bevoegdheid, op basis van zijn administratieve behoeften en de beschikbare begroting.

De Ombudsman merkte op dat de Raad onderscheid maakt tussen stages en werkgelegenheid. Een stagiair ontvangt dus een toelage en geen salaris, omdat de rechten en plichten van een stagiair niet vergelijkbaar zijn met die van een personeelslid. De Ombudsman achtte de uitleg van de Raad redelijk.

Daarom sloot zij de zaak af met de vaststelling dat de praktijk van de Raad geen wanbeheer vormde.

Besluit in zaak 629/2015/ANA betreffende het besluit van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) om aan het einde van de proeftijd geen tijdelijk functionaris in te stellen

Maandag | 11 juli 2016

De zaak betrof het besluit van het ECDC om de overeenkomst van tijdelijk functionaris aan het einde van een proeftijd te beëindigen.

De Ombudsman heeft de zaak onderzocht en was van mening dat de door het ECDC gegeven uitleg over zijn besluit om klager aan het einde van de proeftijd niet in dienst te houden, in het algemeen redelijk was.

De Ombudsman was echter van mening dat het ECDC klager niet tijdig duidelijk had gemaakt (a) dat de in de evaluatiedialoog voor nieuwkomers vastgestelde problemen zo ernstig waren dat zij de beëindiging van het contract van klager rechtvaardigden, (b) op welke gebieden hij moest verbeteren door middel van een specifiek en duidelijk actieplan. Het verzuim om dit te doen vormde wanbeheer. Bovendien is de Ombudsman van mening dat, in omstandigheden waarin een EU-orgaan niet voldoende tijd heeft om het werk van een tijdelijk functionaris naar behoren te evalueren, of waarin de tijdelijk functionaris niet voldoende gelegenheid heeft gehad om tekortkomingen in zijn of haar prestaties te corrigeren, het een goed bestuur zou zijn om te onderzoeken of er sprake is van "uitzonderlijke omstandigheden" die de verlenging van de proeftijd rechtvaardigen. Aangezien er geen bewijs in het dossier is dat het ECDC de mogelijkheid om de proeftijd van klager te verlengen serieus heeft onderzocht, deed de Ombudsman een overeenkomstige suggestie voor verbetering voor de toekomst. Ten slotte is de Ombudsman van mening dat het ECDC, gezien het feit dat het een goed bestuur is om zich te verontschuldigen voor eventuele slechte praktijken, zijn fouten bij de behandeling van deze zaak moet erkennen en zich bij de klager moet verontschuldigen voor deze fouten.

Besluit in zaak 1408/2015/OV over de naleving door de Europese Commissie van haar regels inzake speciale adviseurs

Donderdag | 26 mei 2016

In deze klacht gaat het om de vermeende niet-naleving door de Europese Commissie van haar eigen regels ter voorkoming van belangenconflicten bij de benoeming van een speciaal adviseur.

In september 2015 klaagden twee ngo’s bij de Ombudsman dat de Commissie haar regels niet had nageleefd door een speciaal adviseur aan te stellen om de voorzitter van de Commissie bij te staan. De Commissie heeft op 18 december 2014 een persbericht gepubliceerd waarin zij de benoeming van de heer Edmund Stoiber tot speciaal adviseur van de voorzitter van de Commissie aankondigde. Deze aankondiging werd gedaan drie maanden voordat de heer Stoiber officieel werd benoemd op 4 maart 2015, zonder enige disclaimer over de lopende administratieve vereisten waaraan nog moet worden voldaan. De klagers voerden aan dat deze voorbarige aankondiging afbreuk deed aan het vermogen van de Commissie om onbevooroordeeld en kritisch te beoordelen of de persoon in kwestie belangenconflicten had. Zij klaagden ook dat de "betrouwbaarheidsverklaring" van de Commissie, een essentieel onderdeel van het benoemingsproces, geen melding maakte van de functies die de speciaal adviseur bekleedde bij Nürnberger, een grote verzekeringsgroep.  

De Ombudsman onderzocht de kwestie en stelde vast dat het persbericht van de Commissie onjuist en misleidend was. De Ombudsman constateerde ook dat de voortijdige aankondiging van de benoeming, zonder enige disclaimer, bij het geïnteresseerde publiek legitieme twijfels deed rijzen over de vraag of er na de aankondiging een onbevooroordeeld en kritisch onderzoek naar de kwestie van belangenconflicten was uitgevoerd. De Ombudsman constateerde in beide gevallen wanbeheer door de Commissie. De Ombudsman stelde ook vast dat de Commissie niet had uitgelegd waarom de functies van de benoemde bijzonder adviseur in de verzekeringsgroep niet in de "betrouwbaarheidsverklaring" waren opgenomen. Ze vond dat dit ook neerkwam op wanbeheer.

Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van het onderzoek naar klacht 2041/2014/DK tegen de Europese Commissie betreffende de overdracht van pensioenrechten

Woensdag | 25 mei 2016

De zaak betrof het besluit van de Commissie om haar oorspronkelijke voorstel betreffende de overdracht van de pensioenrechten van klager, verworven in de pensioenregeling van het VK, naar de pensioenregeling van de EU te wijzigen.

De Commissie voerde aan dat zij haar oorspronkelijke voorstel moest wijzigen, aangezien het gebaseerd was op algemene uitvoeringsbepalingen die al verouderd waren op het moment dat haar voorstel werd ingediend. Het herziene voorstel van de Commissie, dat minder gunstig was voor klager, was gebaseerd op de herziene algemene uitvoeringsbepalingen die op de datum van het oorspronkelijke voorstel reeds van kracht waren. Klager voerde aan dat de Commissie haar eerste voorstel dat hij reeds had aanvaard, moest honoreren.

De Ombudsman onderzocht de kwestie en stelde vast dat het Gerecht had geoordeeld dat de Commissie wettelijk niet verplicht was voorstellen te doen voor de overdracht van buiten de pensioenregeling van de Unie verworven pensioenrechten en dat de werkelijke waarde van dergelijke overgedragen pensioenrechten pas na de overdracht kon worden vastgesteld. In feite was dit een door de Commissie vastgestelde praktijk om haar ambtenaren eenvoudigweg beter te informeren over wat zij konden verwachten zodra zij daadwerkelijk hadden besloten om de overdracht van hun pensioenrechten naar de pensioenregeling van de EU aan te vragen.

De Ombudsman sloot de klacht derhalve af met de conclusie dat er geen sprake was van wanbeheer door de Commissie.

Besluit in zaak 1023/2014/OV over de behandeling door de Europese Commissie van de bevorderingsronde 2013 betreffende AST-ambtenaren

Maandag | 15 februari 2016

Klager is een ambtenaar van de Commissie (AST) die in de loop van de bevorderingsronde 2013 niet naar de volgende rang is bevorderd en hierover bij de Ombudsman een klacht heeft ingediend. De Ombudsman deelde klager mee dat er geen gronden waren voor een onderzoek. Klager voerde echter ook aan dat acht ambtenaren van dezelfde rang als hij, die niet waren gemarkeerd voor bevorderingsdoeleinden (op basis van bevorderingspunten die volgens de vorige regels waren verzameld), waren bevorderd. De Ombudsman opende daarom een onderzoek naar de bewering dat de Commissie niet had uitgelegd waarom acht ambtenaren die niet waren gemarkeerd, naar de volgende AST-rang waren gepromoveerd.

In haar advies legde de Commissie uit dat de acht betrokken ambtenaren relatief hogere verdiensten hadden dan de klager met betrekking tot de drie beoordelingscriteria van de algemene uitvoeringsbepalingen en dat de markering slechts een ondergeschikte rol speelde. De Ombudsman stelde vast dat de toepasselijke overgangsbepalingen niet beletten dat ambtenaren die niet onder vlag varen, worden bevorderd. De Ombudsman constateerde derhalve geen wanbeheer door de Commissie en sloot de zaak.

Besluit in zaak 1306/2014/OV

Maandag | 11 januari 2016

Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van het onderzoek naar klacht 362/2011/KM tegen de Europese Commissie

Dinsdag | 22 december 2015

De zaak betrof een verzoek aan de Commissie van een van haar voormalige ambtenaren om gedetailleerde informatie over mogelijke tuchtprocedures tegen een andere voormalige ambtenaar van de Commissie.

De Commissie antwoordde dat zij de gevraagde informatie niet kon verstrekken. Zij wilde klager ook geruststellen dat zij de kwestie van de voormalige ambtenaar behandelde door alle nodige maatregelen te nemen.

Het onderzoek van de Ombudsman naar deze kwestie omvatte inspecties van de dossiers van de Commissie met betrekking tot de voormalige ambtenaar. De Ombudsman heeft vastgesteld dat de instellingen weliswaar een hoog niveau van transparantie moeten handhaven, maar dat de Commissie zich in casu terecht op het standpunt mocht stellen dat zij de details van haar handelingen met betrekking tot de voormalige ambtenaar niet kon onthullen zonder het eerlijke verloop van de procedure in het algemeen en de persoonlijke levenssfeer van de betrokken ambtenaar te schaden.

De zaak werd dus afgesloten met de constatering dat er geen sprake was van wanbeheer.