Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Onderzoeken doorzoeken

Criteria voor het filteren van documenten
Zaak
Datum marge
Trefwoorden
Of probeer oude trefwoorden (voor 2016)

1 - 11 van 11 resultaten weergeven

Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van zijn onderzoek naar klacht 3373/2008/(BB)(BU)JF tegen de Europese Commissie

Maandag | 30 januari 2012

Klager, een Franse wetenschappelijke organisatie zonder winstoogmerk, heeft met succes drie door de Commissie gesteunde projecten in de voormalige Sovjet-Unie uitgevoerd. Uit een externe audit die vervolgens in de kantoren van klager werd uitgevoerd, bleek echter dat de regeling tussen klager en een bedrijf in Moskou met betrekking tot de betaling van personeel in strijd was met de toepasselijke regels. Klager erkende zijn fout, die hij verklaarde, het gevolg was van zijn beperkte begrip van juridische kwesties. Zij voerde echter aan dat zij de projectfunctionaris van de Commissie, die een aantal in het kader van de projecten georganiseerde evenementen had bijgewoond, steeds op de hoogte had gehouden van haar praktijken. De projectmedewerker was zich er daarom van bewust dat klager geen eigen werknemers had (aangezien zijn medewerkers allemaal vrijwilligers waren) en dat het zonder de regeling waarbij het bedrijf in Moskou betrokken was, onmogelijk zou zijn geweest om de projecten met succes af te ronden.

De Ombudsman deed eerst een voorstel voor een minnelijke schikking en later een ontwerpaanbeveling en drong er bij de Commissie op aan af te zien van haar verzoek om terugbetaling. De Commissie weigerde dit te doen. De Ombudsman benadrukte vervolgens dat organisaties zoals de klager, wanneer zij geconfronteerd worden met het stilzwijgen van projectfunctionarissen ten aanzien van hun acties met betrekking tot de projecten die zij uitvoeren, redelijkerwijs kunnen worden doen geloven dat zij handelen in overeenstemming met de toepasselijke regels. Wanneer dit niet het geval is, en zodra projectmedewerkers van dergelijke acties op de hoogte zijn gebracht, moeten zij preventieve maatregelen nemen en wanneer zij dit niet doen, moeten zij aan disciplinaire maatregelen kunnen worden onderworpen. Aangezien het voorgaande een belangrijke principiële kwestie aan de orde stelde, was de Ombudsman van mening dat een speciaal verslag aan het Europees Parlement gerechtvaardigd kon zijn. Hij heeft echter besloten een dergelijk verslag niet aan het Parlement voor te leggen voordat een specifiek onderzoek op eigen initiatief wordt uitgevoerd naar bepaalde aspecten van het gedrag van de Commissie bij de behandeling van projecten die zij financiert. Hij deelde de Commissie daarom mee dat hij zou overwegen een dergelijk onderzoek op eigen initiatief in te stellen en sloot de zaak af met een bevinding van wanbeheer door de Commissie wegens de onevenredige en oneerlijke terugvordering van bepaalde bedragen van klager.

Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van zijn onderzoek naar klacht 3031/2007/(BEH)VL tegen de Europese Commissie

Woensdag | 21 december 2011

Klager is een Canadese student die deelnam aan een masteropleiding Aeronautics and Space Technology in München en Madrid (EuMAS 2006-2008). De Commissie heeft een Erasmus Mundus-beurs van 21 000 EUR aangeboden aan studenten uit derde landen voor een aantal masteropleidingen, waaronder EuMAS 2006-2008. Op de website van de Commissie stond dat de beurs "de reis- en verblijfkosten en het collegegeld in Europa voor de volledige duur van de cursus" moest dekken.

Klager wendde zich tot de Commissie en wees erop dat hij en zijn medestudenten – een groep van minder dan 30 studenten van buiten de EU – ernstige financiële moeilijkheden ondervonden om de eindjes aan elkaar te knopen. Hij voerde aan dat, na aftrek van het collegegeld van 12 000 EUR en de reiskosten, het resterende bedrag niet voldoende was om de basiskosten van levensonderhoud in München of Madrid te dekken. Klager heeft de Commissie daarom verzocht hem en de andere studenten van EuMAS 2006-2008 financiële bijstand te verlenen. De Commissie erkende dat zij, in het licht van de in deze zaak onderstreepte kwesties, haar aanpak in de toekomst zou moeten heroverwegen. Zij was echter niet bereid de gevraagde financiële bijstand te verlenen. Klager wendde zich daarom tot de Ombudsman.

Na een grondig onderzoek concludeerde de Ombudsman dat: i) de door de Commissie verstrekte informatie over het Erasmus Mundus-programma heeft EuMAS 2006-2008-studenten van buiten de EU inderdaad doen geloven dat hun beurs hen in staat zou stellen naar Europese maatstaven een behoorlijke levensstandaard te genieten; en ii) het beschikbare bedrag daarvoor niet toereikend was. Volgens de Ombudsman verschafte de door de Commissie gepubliceerde informatie de studenten van EuMAS 2006-2008 geen correcte en betrouwbare informatie. De Commissie heeft derhalve een geval van wanbeheer begaan. De Ombudsman diende eerst een voorstel voor een minnelijke schikking in en richtte vervolgens een ontwerpaanbeveling tot de Commissie. In dat laatste heeft hij de Commissie aanbevolen om aan elk van de betrokken studenten een betaling ex gratie van 1 500 EUR te doen wegens het ongemak dat zij hadden ondervonden.

De Commissie verwierp de ontwerpaanbeveling. De Ombudsman vond de argumenten waarop de Commissie zich ter rechtvaardiging van haar weigering baseerde, niet overtuigend. Hij sloot de zaak daarom af met een kritische opmerking.

Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van zijn onderzoek naar klacht 3018/2009/(TN)(TS)TN tegen het Hof van Justitie van de Europese Unie

Woensdag | 22 juni 2011

Klager heeft deelgenomen aan een door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna "het Hof" genoemd) georganiseerde aanbesteding voor vertaaldiensten. Zijn bod werd van de aanbestedingsprocedure uitgesloten omdat de door hem aangeboden prijs als buitensporig werd beschouwd.

In zijn klacht bij de Ombudsman beweerde klager dat het Hof zijn bod ten onrechte had uitgesloten. Aangezien het gunningscriterium "de beste prijs-kwaliteitverhouding"was, vroeg hij zich af hoe zijn bod kon worden afgewezen op grond van het feit dat de prijs "te hoog"was.

Het Hof verklaarde dat de aanbestedingsprocedure een "procedure van gunning door onderhandelingen "was. Zij voerde aan dat de mogelijkheid om te onderhandelen zonder inhoud zou zijn indien zij verplicht zou zijn een offerte met een buitensporige prijs te aanvaarden, ondanks het feit dat zij de inschrijver had verzocht om te onderhandelen. Zij merkte op dat alle inschrijvers werden uitgenodigd om over hun prijzen te onderhandelen en dat zij allen ervan in kennis werden gesteld dat de offertes die nog steeds een buitensporige prijs boden, zouden worden afgewezen. Klager besloot zijn prijs niet te verlagen.

De Ombudsman constateerde dat het bij alle aanbestedingsprocedures een goed bestuur is om inspanningen te leveren om ervoor te zorgen dat biedingen met de beste prijs-kwaliteitverhouding worden verkregen. Hij is ook van mening dat er maximumbudgetten kunnen worden vastgesteld voor de aankoop van producten en diensten. Bovendien hebben inschrijvers in een onderhandelingsprocedure geen gewettigd vertrouwen in de gunning van een opdracht zonder dat zij een ingediende inschrijving moeten aanpassen. De Ombudsman stelde ook vast dat het Hof volgens de aankondiging van de opdracht de inschrijvingen mocht beoordelen aan de hand van de in de uitnodiging tot onderhandelingen vermelde criteria. Volgens het criterium in de uitnodiging tot onderhandelingen mogen de vermelde prijzen niet buitensporig zijn.

De Ombudsman concludeerde dat de aanbestedingsprocedure in kwestie in overeenstemming was met de beginselen van goed financieel beheer, gelijke behandeling en billijkheid.

In het licht van het bovenstaande concludeerde de Ombudsman dat de Rekenkamer geen geval van wanbeheer heeft begaan.

Om de aanbestedingsprocedures van de Rekenkamer verder te verbeteren, maakte de Ombudsman nog een opmerking waarin hij suggereerde dat de Rekenkamer zou kunnen overwegen om inschrijvers meer informatie te verstrekken over het soort aanbestedingsprocedure dat zij heeft gekozen.

Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van zijn onderzoek naar klacht 2651/2009/(MAM)ANA tegen de Europese Commissie

Dinsdag | 18 januari 2011

De Italiaanse autoriteiten hebben klager, een Litouws onderdaan, een boete opgelegd en zijn voertuigen in beslag genomen op grond van het feit dat hij niet in het bezit was van de vereiste vergunning van de Europese Unie voor het goederenvervoer over de weg. Klager diende bij de Commissie een inbreukklacht in. De Commissie deelde klager mee dat haar diensten de klacht niet verder zouden onderzoeken.

Klager wendde zich tot de Ombudsman, die een onderzoek instelde naar de bewering van klager dat de Commissie zijn inbreukklacht niet zorgvuldig zou hebben onderzocht. In haar advies verklaarde de Commissie dat de klacht van klager niet als een inbreukklacht werd behandeld omdat het optreden van de Italiaanse autoriteiten geen onjuiste toepassing van het EU-recht vormde. In zijn opmerkingen stelde klager dat hij niet verplicht was de betrokken vergunning bij zich te hebben, en hij voerde aan dat de Commissie zijn specifieke situatie niet zorgvuldig heeft onderzocht, hoewel hij haar alle nodige documenten en ontvangstbewijzen had verstrekt.

In zijn besluit stelde de Ombudsman vast dat de Commissie de inbreukklacht van klager niet met de nodige zorgvuldigheid en in overeenstemming met de in de mededeling van 2002 vastgestelde procedure voor de registratie en behandeling van inbreuken had behandeld. Meer in het bijzonder was hij van mening dat de mededeling van 2002 geen grondslag biedt voor het besluit van de Commissie om de correspondentie van klager niet als een klacht wegens inbreuk te behandelen en klager niet uit te nodigen zijn opmerkingen in te dienen over zijn voornemen om het dossier te sluiten. Dit is wanbeheer. Bovendien heeft de Commissie de klacht wegens niet-nakoming niet zorgvuldig onderzocht, omdat zij de verstrekte documenten niet heeft geanalyseerd; Ook heeft zij de juridische betekenis ervan niet beoordeeld. Indien de bij haar ingediende documentatie ontoereikend blijkt om vast te stellen of er sprake is van een inbreuk, moet de Commissie de klager meedelen wat aanvullende relevante feiten of bewijzen kunnen zijn. Door een dergelijke analyse niet uit te voeren, heeft de Commissie zich schuldig gemaakt aan wanbeheer, en de Ombudsman heeft daarom een kritische opmerking gemaakt.

De Ombudsman maakte nog een opmerking waarin hij de Commissie verzocht hem in kennis te stellen van eventuele aanvullende stappen, zoals richtsnoeren, die zij voornemens is uit te voeren om ervoor te zorgen dat klachten die wijzen op maatregelen of praktijken die in strijd zijn met het recht van de Europese Unie, overeenkomstig de mededeling van 2002, als zodanig worden geregistreerd en met de vereiste zorgvuldigheid worden behandeld.

Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van zijn onderzoek naar klacht 906/2009/JF tegen de Europese Commissie

Maandag | 18 oktober 2010

Bij de betaling van de klager, een hulpfunctionaris, heeft de Commissie een aantal fouten gemaakt: ten eerste heeft zij bedragen ingehouden waarop klager recht had; later betaalde zij vergoedingen waar klager geen recht op had; en ten slotte heeft zij klager opnieuw een bedrag betaald dat zij niet had mogen betalen.

De Commissie heeft een deel van het totale aan klager te veel betaalde bedrag teruggevorderd. In een klacht bij de Ombudsman betwistte de Ombudsman echter de terugvordering van het resterende deel van dat bedrag. Zij steunde haar zaak door de talrijke fouten van de Commissie en haar moeilijke financiële situatie op dat moment onder de aandacht te brengen.

De Ombudsman merkte op dat de Commissie wettelijk gerechtigd was het bedrag van klager terug te vorderen. In een voorstel voor een minnelijke schikking verzocht de Ombudsman de Commissie echter de verantwoordelijkheid voor haar herhaalde administratieve fouten op zich te nemen door af te zien van terugvordering.

De Commissie toonde aan dat zij bereid was met de Ombudsman samen te werken bij het zoeken naar een gunstig resultaat voor de klacht en annuleerde haar verzoek om terugbetaling. In zijn besluit verwelkomde de Ombudsman de aanpak van de Commissie en sloot hij de zaak af.

Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van zijn onderzoek naar klacht 2924/2007/TS tegen het Europees Economisch en Sociaal Comité

Maandag | 15 maart 2010

Klager solliciteerde naar een vacature als secretaris in het kader van een tijdelijke arbeidsovereenkomst bij het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC). Ze werd uitgenodigd voor een medisch onderzoek, een interview en een praktijktest. Na al deze fasen te hebben doorlopen, deelt het EESC haar mee dat zij voor de functie is geselecteerd. Twee weken voordat zij aan het werk zou gaan, deelt het EESC haar echter mee dat zij niet kan worden aangeworven. Dit was omdat ze geen drie jaar post-secundaire studie had voltooid, wat een minimumvereiste was voor de functie. Op dit moment had klager al ontslag genomen uit haar baan in Finland, een appartement gehuurd in Brussel en haar appartement verhuurd in Finland. Klager nam contact op met het EESC en benadrukte dat zij in haar sollicitatiebrief en cv alle informatie over haar opleiding had verstrekt, met inbegrip van de datum waarop zij zou afstuderen.

Het onderzoek van de Ombudsman betrof: i) het vermeend laattijdige besluit van het EESC om niet door te gaan met de aanwerving van klager omdat zij niet voldeed aan de minimumopleidingseisen voor de functie; en ii) haar vordering tot schadevergoeding. Na een voorlopige bevinding van wanbeheer heeft de Ombudsman het EESC een minnelijke schikking voorgesteld. Hij was van mening dat het EESC, ondanks het feit dat klager in haar sollicitatie duidelijk de datum van haar afstuderen had vermeld, ten onrechte ervan uitging dat zij voldeed aan de toelatingscriteria en haar uitnodigde voor een gesprek en tests. Kortom, het EESC heeft haar sollicitatie en cv onvoldoende beoordeeld. Bovendien heeft zij klager er ten onrechte van in kennis gesteld dat zij voor de functie was geselecteerd voordat het tot aanstelling bevoegde gezag een formeel besluit over haar aanwerving had genomen. Bovenstaande acties van het EESC waren mogelijke gevallen van wanbeheer.

Naar aanleiding van het voorstel van de Ombudsman voor een minnelijke schikking stemde het EESC ermee in klager 3 965 EUR te betalen als financiële regeling voor de materiële kosten die zij als gevolg van zijn acties had geleden.