Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit in zaak 2904/2005/(TN)(FOR)(TN)FOR - Verzuim een verzoek om compensatie correct af te handelen
Besluiten
Zaak 2904/2005/(TN)(FOR)(TN)FOR - Geopend op Woensdag | 05 oktober 2005 - Aanbeveling omtrent Donderdag | 26 februari 2009 - Besluit over Donderdag | 05 augustus 2010
Klager nam deel aan een intern vergelijkend onderzoek dat door de Europese Commissie was georganiseerd. Volgens hem slaagde hij niet voor het mondelinge examen omdat hij leed onder de effecten van geneesmiddelen die hij als gevolg van een ongeval nam. De Ombudsman onderzocht de acties van de Commissie in de kwestie (zaak 687/98/BB) en kwam tot de conclusie dat het besluit van de Commissie om de kandidaat het mondelinge examen niet te laten overdoen geen schending was van een bindende regel of een bindend beginsel. De Ombudsman merkte echter kritisch op dat de Commissie, als teken van behoorlijk bestuur, in toekomstige uitnodigingen voor mondelinge examens een clausule zou moeten opnemen die kandidaten ervan op de hoogte stelt dat het in uitzonderlijke omstandigheden mogelijk is de datum van het examen te wijzigen.
Onderhavige klacht betreft de behandeling van het verzoek om compensatie van klager door de Commissie. Volgens klager zou hij het mondelinge examen op een latere datum hebben afgelegd en geslaagd zijn, als in de oproep voor het examen een wijziging van de datum niet duidelijk was uitgesloten. Hij zou dan bij de Commissie in dienst zijn gekomen. Omdat hij niet was geslaagd, leed hij niet alleen rechtstreeks inkomensverlies, maar voelde hij zich ook onrechtvaardig behandeld en gefrustreerd.
De Ombudsman vond niet dat de Commissie schuldig was aan niet-contractuele aansprakelijkheid. Hij was echter wel van oordeel dat het wanbeheer in zaak 687/98/BB tot een zekere morele schadevergoeding aanleiding gaf. Hij concludeerde daarom dat de Commissie de betaling van een compensatie ex gratia aan de klager in overweging had moeten nemen. Dit zou, zonder een precedent te scheppen, hebben aangetoond dat de instelling met klager meevoelde en tegelijkertijd een positieve reactie op de specifieke klacht hebben betekend. Daarom heeft de Ombudsman een voorstel tot minnelijke schikking opgesteld waarin stond dat de Commissie klager een betaling ex gratia ter waarde van 5 000 EUR zou kunnen aanbieden. Na een negatieve reactie diende de Ombudsman zijn voorstel opnieuw in in een ontwerpaanbeveling. De reactie van de Commissie was echter weer negatief.
De Ombudsman betreurt dat de Commissie heeft geweigerd een serieuze dialoog met hem aan te gaan. Dergelijk gedrag strookt niet met het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Europese Unie. Daarom sloot hij de zaak af met twee kritische opmerkingen en besloot dat de Commissie zich schuldig had gemaakt aan twee gevallen van wanbeheer door (i) het verzuim een verzoek om compensatie van klager correct af te handelen, en (ii) de weigering correct te reageren op de argumenten van de Ombudsman en een serieuze dialoog met hem aan te gaan over diens beoordeling van de zaak.
DE TERUGGROND NAAR HET KLACHT
Klacht 687/98/BB
1. Klager diende in juni 1998 zijn eerste klacht in bij de Europese Ombudsman, waarin hij beweerde dat hij had gefaald bij het mondeling onderzoek van een intern vergelijkend onderzoek (COM/T/A/98) dat door de Europese Commissie was georganiseerd omdat hij onder invloed was van medicatie die vermoeidheid kon veroorzaken en zijn concentratievermogen kon verminderen. Hij kreeg deze behandeling voorgeschreven na een ongeval dat enkele weken voor het mondeling examen plaatsvond. In zijn besluit van 21 oktober 1999 concludeerde de Ombudsman dat er geen sprake was van wanbeheer door de Commissie toen zij weigerde klager toe te staan het mondeling examen opnieuw af te leggen. Naar aanleiding van zijn onderzoek stelde de Ombudsman vast dat de Commissie in de praktijk bereid was alle mogelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de mondelinge examens naar behoren werden afgenomen, indien uitzonderlijke omstandigheden een kandidaat beletten deel te nemen op de in de uitnodiging vermelde dag. De Commissie heeft dit echter niet vermeld in haar uitnodigingen voor mondelinge examens. De Ombudsman maakte daarom een kritische opmerking dat de Commissie in de genoemde uitnodigingen een clausule moet opnemen om de kandidaten van deze mogelijkheid in kennis te stellen [1].
Gerechtelijke zaken
2. Op 9 augustus 2000 heeft klager bij het Gerecht van eerste aanleg (thans het Gerecht)[2] beroep ingesteld tegen de Ombudsman en het Europees Parlement, strekkende tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij zou hebben geleden als gevolg van de wijze waarop de Ombudsman klacht 687/98/BB heeft behandeld. Het Gerecht van eerste aanleg (thans het Gerecht) heeft het beroep ongegrond verklaard, aangezien klager niet had aangetoond dat de Ombudsman bij de behandeling van klacht 687/98/BB een van zijn administratieve taken had geschonden.
3. Op 24 juni 2002 heeft de Ombudsman hogere voorziening ingesteld bij het Hof van Justitie (Zaak C-234/02 P Ombudsman tegen Lamberts)[3] met betrekking tot het feit dat het Gerecht van eerste aanleg (thans het Gerecht) het beroep tot schadevergoeding van klager ontvankelijk heeft verklaard. Klager heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en het Hof verzocht de Ombudsman te gelasten hem een schadevergoeding te betalen. Op 23 maart 2004 heeft het Hof zowel de hogere voorziening als de incidentele hogere voorziening afgewezen.
Klacht 2331/2004/MA
4. Bij brief van 13 juli 2004 diende klager een nieuwe klacht in bij de Ombudsman en verzocht hij om hulp bij het verkrijgen van schadevergoeding van de Commissie. Klager verwees met name naar een brief van de Ombudsman aan de Commissie van 16 oktober 2002 betreffende de noodzaak om slachtoffers van wanbeheer schadeloos te stellen in gevallen waarin het niet mogelijk is de door hen geleden schade ongedaan te maken. Klager verwees ook naar het antwoord van de Commissie, waarin werd gesteld dat in bepaalde gevallen financiële compensatie kon worden overwogen.
5. De klacht werd niet-ontvankelijk verklaard, aangezien klager, zoals vereist door artikel 2, lid 4, van het Statuut van de Ombudsman, geen voorafgaande administratieve stappen bij de Commissie had ondernomen met betrekking tot het onderwerp van zijn klacht [4]. Meer in het bijzonder had klager geen rechtstreeks contact opgenomen met de Commissie met zijn verzoek om schadevergoeding [5]. Klager werd derhalve geadviseerd zich tot de Commissie te wenden.
Klacht 842/2005/TN
6. Op 26 november 2004 schreef klager de Commissie hierover een brief. In maart 2005 wendde hij zich opnieuw tot de Ombudsman en beweerde dat de Commissie had nagelaten te antwoorden op zijn bovengenoemde brief.
7. Na tussenkomst van de Ombudsman heeft de Commissie klager bij brief van 18 maart 2005 geantwoord en hem om opheldering gevraagd over zijn verzoek om schadevergoeding. Aangezien de Commissie bij brief van 18 maart 2005 een antwoord had gegeven op de brief van 26 november 2004, sloot de Ombudsman de zaak af.
De onderhavige grief
8. Op 29 april 2005 schreef klager opnieuw een brief aan de Commissie over de vordering tot schadevergoeding. De Commissie heeft zijn brief niet beantwoord. Klager diende daarom een nieuwe klacht in bij de Ombudsman.
Het onderwerp van het onderzoek
9. In de onderhavige klacht voerde klager in wezen aan dat de Commissie zijn verzoek om schadevergoeding, zoals uiteengezet in zijn brieven van 26 november 2004 en 29 april 2005, niet naar behoren had behandeld.
10. Klager verklaarde in zijn klacht ook dat een bevredigende oplossing voor zijn zaak alleen kon worden bereikt door "actieve bemiddeling" door de Ombudsman.
11. Om misverstanden over de rol en de bevoegdheden van de Ombudsman te voorkomen, verduidelijkte de Ombudsman in dit verband aan klager dat zijn onderzoek naar een klacht bepaalde procedures moet volgen die zijn vastgelegd in (toenmalig) artikel 195 van het EG-Verdrag (nu artikel 228 van het Verdrag betreffende de werking van de Unie), het statuut van de Ombudsman en de door de Ombudsman vastgestelde uitvoeringsbepalingen. In de loop van een onderzoek vraagt de Ombudsman de betrokken instelling om advies en stelt hij klager vervolgens in de gelegenheid opmerkingen over dit advies te maken. Indien dit nodig blijkt, voert de Ombudsman verder onderzoek uit om alle informatie te verkrijgen die hij nodig heeft om de zaak te beoordelen. Indien de Ombudsman tot de conclusie komt dat er sprake is van wanbeheer, tracht hij, waar dit nog mogelijk is, een einde te maken aan het geval van wanbeheer. Daartoe kan de Ombudsman een voorstel voor een minnelijke schikking doen of een ontwerpaanbeveling richten tot de betrokken instelling.
Het onderzoek
12. De klacht werd voor advies doorgestuurd naar de Commissie. Het standpunt van de Commissie werd aan klager toegezonden, met een uitnodiging om opmerkingen te maken. Van klager zijn geen opmerkingen ontvangen.
13. De Ombudsman heeft de Commissie om nadere informatie over de klacht verzocht. Het antwoord van de Commissie werd doorgestuurd naar klager, die de Ombudsman zijn opmerkingen toezond.
14. De Ombudsman concludeerde dat een bepaald aspect van de zaak nog moest worden onderzocht. Daarom heeft hij de Commissie opnieuw schriftelijk om nadere informatie verzocht. In het bijzonder vroeg de Ombudsman de Commissie of zij de recente jurisprudentie van de communautaire rechtbanken betreffende "verlies van een kans" (zaken T-402/03, T-430/03 en T-166/04) van toepassing achtte op de zaak van klager.
15. De Commissie zond haar antwoord, dat desgewenst aan klager werd doorgezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken. Van klager zijn geen opmerkingen ontvangen.
16. Na zorgvuldige bestudering van de door de partijen verstrekte informatie was de Ombudsman er niet van overtuigd dat de Commissie adequaat had gereageerd op het inhoudelijke aspect van het verzoek om schadevergoeding van klager. Daarom heeft hij de Commissie een voorstel voor een minnelijke schikking voorgelegd. Het antwoord van de Commissie werd doorgestuurd naar klager, die opmerkingen indiende.
De analyse en conclusies van de OMBUDSMAN
A. Vermeend verzuim om het verzoek om schadevergoeding naar behoren te behandelen
Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten
17. Klager voerde aan dat zijn brief van 29 april 2005 de Commissie de gevraagde informatie en verduidelijkingen had verstrekt, zodat zij zijn schadevordering kon beoordelen. In zijn brief voerde klager aan dat indien de brief waarin hij werd uitgenodigd voor het mondeling examen van intern vergelijkend onderzoek COM/T/A/98 de mogelijkheid om de datum van het examen te wijzigen niet ondubbelzinnig had uitgesloten, hij om een vertraging zou hebben verzocht, waardoor hij voldoende tijd zou hebben gehad om van het ongeval te herstellen.
18. Het is billijk om aan te nemen dat indien hij de datum van het mondeling examen enigszins had kunnen vertragen, hij gemakkelijk het vereiste aantal punten had bereikt dat nodig was om op de reservelijst van geslaagde kandidaten te worden geplaatst. Hoewel plaatsing op een dergelijke lijst op zich geen garantie is dat een kandidaat als ambtenaar zal worden aangeworven, verklaarde klager dat hij er zeker van was dat hij in zijn geval ten minste één arbeidsaanbod zou hebben ontvangen. Hij was dus het slachtoffer van het wanbeheer als gevolg van de brief van de Commissie waarin hij werd uitgenodigd voor het mondeling examen van intern vergelijkend onderzoek COM/T/A/98, waardoor een wijziging van de datum van dat examen ondubbelzinnig werd uitgesloten.
19. Bovendien heeft de Commissie zijn zaak nog steeds niet serieus genomen. De Commissie heeft zijn zaak niet geanalyseerd in het kader van de correspondentie tussen de Commissie en de Ombudsman over gevallen van wanbeheer waarin de Commissie geen corrigerende maatregelen kan nemen om de veroorzaakte schade ongedaan te maken. Volgens klager heeft de Commissie in haar correspondentie met de Ombudsman overwogen een financiële vergoeding toe te kennen voor schade die is veroorzaakt door gevallen van wanbeheer.
20. Volgens hem heeft klager enorme materiële schade geleden als gevolg van het feit dat hij het examen niet heeft gehaald. Afgezien van het directe verlies van inkomen, gevoelens van onrechtvaardigheid en frustratie, had zijn falen aanzienlijke negatieve gevolgen gehad voor hem en zijn vrouw. Het feit dat de Commissie, in antwoord op de kritische opmerking van de Ombudsman in zaak 687/98/BB, zich ertoe heeft verbonden om voor toekomstige vergelijkende onderzoeken de uitnodigingsbrieven voor mondelinge examens te wijzigen, heeft op geen enkele wijze de schade en geestelijke angst die hij had geleden als gevolg van het wanbeheer van de Commissie in de uitnodigingsbrief ongedaan gemaakt of verlicht.
21. Klager verklaarde geen antwoord van de Commissie te hebben ontvangen op zijn brief van 29 april 2005.
22. De Commissie voerde aan dat in het besluit van de Ombudsman in klacht 687/98/BB geen wanbeheer van de Commissie werd vastgesteld met betrekking tot de weigering van de jury om klager toe te staan het mondeling examen te hervatten. Dit werd vervolgens bevestigd door het Gerecht van eerste aanleg (thans het Gerecht).
23. De Commissie herinnerde er verder aan dat klager zijn verzoek om schadevergoeding baseerde op het feit dat zijn falen in het examen het einde van zijn loopbaan betekende vanwege zijn leeftijd en zijn specialisatie op het gebied van milieu. Met betrekking tot dit punt herinnerde de Commissie eraan dat voor elke aanwerving als ambtenaar in vaste dienst een vergelijkend examen moet worden afgelegd. Aanwerving als tijdelijk functionaris, zelfs als het toegang geeft tot bepaalde interne vergelijkende onderzoeken, geeft geen recht op vast dienstverband als de persoon het examen niet haalt.
24. Hoewel klager faalde in intern vergelijkend onderzoek COM/T/A/98, zou hij bovendien tal van andere latere vergelijkende onderzoeken hebben kunnen organiseren, waaronder een op het gebied van milieu, zijn specialisatiegebied. De leeftijd van klager vormde geen belemmering voor deelname aan vergelijkende onderzoeken. Hij had dus alle gelegenheid om, op voet van gelijkheid met alle andere burgers van de Europese Unie, een vergelijkend onderzoek te doorlopen en permanent in dienst te zijn van de instellingen.
25. De Commissie erkende echter dat zij laks was geweest door niet te antwoorden op de brief van klager van 29 april 2005. Hij bood zijn excuses aan voor het administratieve toezicht.
26. Wat betreft de vraag van de Ombudsman in verband met de recente rechtspraak over het "verlies van een kans"[6], heeft de Commissie eerst gewezen op de vaste rechtspraak in schadevergoedingsprocedures. Volgens deze rechtspraak kan de Gemeenschap slechts aansprakelijk worden gesteld indien aan een aantal voorwaarden is voldaan. het gedrag van de instelling moet onrechtmatig zijn; de gestelde schade moet bestaan; en er moet een causaal verband bestaan tussen de gedraging en de schade.
27. Het merkte verder op dat in de drie zaken betreffende "verlies van een kans " waarnaar de Ombudsman verwijst (zaken T-402/03, T-430/03 en T-166/04), het uitgangspunt voor de analyse van het Hof was dat de betwiste handeling onwettig was. Volgens de Commissie werd echter, anders dan in de drie zaken van het Hof, een dergelijke onwettigheid niet vastgesteld in de zaak van klager. Het feit dat de Commissie klager niet in kennis heeft gesteld van de mogelijkheid om de datum van het mondeling examen te wijzigen, was geenszins "illegaal".
28. Bovendien heeft klager volgens de Commissie geen bewijsmateriaal verstrekt om aan te tonen dat de schade waarvoor schadevergoeding werd gevraagd, reëel en zeker was. Het argument van klager dat indien de Commissie hem in kennis had gesteld van de mogelijkheid om de datum van zijn mondeling examen te wijzigen, hij tot ambtenaar van de Commissie zou zijn benoemd, is gebaseerd op drie veronderstellingen, namelijk: i) dat hij de herschikte test zou hebben doorstaan; ii) dat hij dan op de reservelijst zou zijn geplaatst; en iii) dat hem dan een baan zou zijn aangeboden. Het argument van klager is dus zuiver speculatief.
29. Anders dan verzoeker in zaak T-166/04, voor wie volgens het Gerecht het verlies van een kans definitief was, was het interne vergelijkend onderzoek waaraan klager deelnam bovendien niet de enige kans voor hem om ambtenaar te worden. Aangezien het "verlies van een kans" noch definitief noch zeker was, waren de conclusies van het Hof in de door de Ombudsman genoemde zaken niet van toepassing op de onderhavige zaak.
Voorlopige beoordeling van de Ombudsman die tot een minnelijke schikking leidt
30. De Ombudsman stelde vast dat de bewering van klager met betrekking tot de behandeling door de Commissie van zijn verzoek om schadevergoeding twee aspecten omvatte, een procedurele en een inhoudelijke.
31. Het procedurele aspect had betrekking op het argument van klager dat de Commissie nooit op een van zijn brieven heeft geantwoord. In haar standpunt erkende de Commissie dat zij niet had geantwoord op de brief van klager van 29 april 2005. De Ombudsman herinnerde eraan dat het niet binnen een redelijke termijn beantwoorden van brieven door de communautaire instellingen en organen wanbeheer vormt [7]. In casu heeft de Commissie zich echter verontschuldigd voor haar verzuim op dit punt en in haar advies geantwoord. De Ombudsman vond derhalve geen redenen om dit aspect van de bewering van klager verder te onderzoeken.
32. Het inhoudelijke aspect van de bewering van klager, betreffende de behandeling door de Commissie van zijn verzoek om schadevergoeding, had betrekking op de inhoud van het antwoord van de Commissie op het verzoek, verstrekt door middel van haar advies over de onderhavige klacht en haar antwoorden op de verdere onderzoeken van de Ombudsman. De Ombudsman was van mening dat de weigering van de Commissie om compensatie te verlenen moest worden onderzocht in het licht van: i) de algemene regels en beginselen betreffende de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor schade, met inbegrip van de recente rechtspraak betreffende "het verlies van een kans"; en ii) de toezegging van de Commissie om gevallen van wanbeheer als schadevergoeding weg te nemen, aangezien klager dit als basis voor zijn verzoek om schadevergoeding heeft gebruikt.
Niet-contractuele aansprakelijkheid
33. De Ombudsman herinnerde aan de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, volgens welke de Gemeenschap slechts niet-contractueel aansprakelijk kan worden gesteld voor onrechtmatig gedrag van haar instellingen indien aan een aantal voorwaarden is voldaan. Deze zijn als volgt: i) de werkelijke schade moet zijn geleden; ii) er moet een causaal verband bestaan tussen het gedrag van de instelling en de gestelde schade; en iii) het gedrag van de instelling moet onrechtmatig zijn [8].
i) Het bestaan van schade
34. De Ombudsman merkte op dat de vermeende schade leek te bestaan uit a) materiële schade die beweerdelijk het gevolg was van het feit dat klager niet met succes was geslaagd voor intern vergelijkend onderzoek COM/T/A/98 en daardoor niet als ambtenaar was aangesteld (in zijn brief van 29 april 2005 aan de Commissie verwijst klager naar "direct verlies van … van werk en inkomen") en b) immateriële schade (in zijn brief van 29 april 2005 verwees klager naar zijn "gevoelens van onrechtvaardigheid en frustratie").
a) Materiële schade
35. De Ombudsman merkte op dat de vermeende materiële schade, dat wil zeggen het "directe verlies aan werk en inkomen " …, in overeenstemming was met de schade waarvoor vergoeding werd gevorderd in het arrest Lamberts/Ombudsman , dat wil zeggen schade die overeenkomt met het loon dat hij als ambtenaar in (destijds) rang A 4 zou hebben ontvangen tot de pensioengerechtigde leeftijd, samen met de sociale voordelen waarin het Statuut voorziet [9].
b) Immateriële schade - "morele schade voor het verlies van een kans"
36. De Ombudsman merkte op dat, wil de vermeende "gevoelens van onrechtvaardigheid en frustratie" aanleiding geven tot aansprakelijkheid voor "morele schade voor het verlies van een kans", het Gerecht van eerste aanleg (nu het Gerecht) heeft geoordeeld dat de geleden morele schade "reëel en zeker" moet zijn. In het onderhavige geval moest dus worden aangetoond dat een reële en zekere "kans"om te solliciteren naar een ambt als ambtenaar, met andere woorden een "ernstige kans"om een ambt te bemachtigen, definitief door klager verloren was gegaan als gevolg van het wanbeheer in zaak 687/98/BB [10].
37. De vraag of klager in het betrokken interne vergelijkend onderzoek daadwerkelijk een "ernstige kans"had, kan aldus worden herhaald dat moet worden aangetoond dat de kandidatuur van klager op zijn minst een ernstige kandidatuur was. De beoordeling van de vraag of de kandidatuur van de klager ten minste een serieuze kandidatuur was, zou afhangen van een groot aantal factoren. Aangezien klager echter een aantal argumenten met betrekking tot zijn kwalificaties en ervaring naar voren bracht, die door de Commissie niet werden betwist, achtte de Ombudsman het redelijk om aan te nemen dat de kandidatuur van klager ernstig was.
38. Het Gerecht van eerste aanleg (thans het Gerecht) heeft ook vastgesteld dat het verlies van een kans definitief moet zijn [11]. De Ombudsman merkte op dat klager op het moment dat hij aan het betrokken interne vergelijkend onderzoek deelnam, tijdelijk functionaris bij de Commissie was. Kort na dit interne vergelijkend onderzoek liep zijn contract met de Commissie af. Hij was dus verplicht de diensten van de Commissie te verlaten en kon niet langer deelnemen aan interne vergelijkende onderzoeken. Weliswaar had hij de mogelijkheid om deel te nemen aan externe vergelijkende onderzoeken voor functies bij de Commissie nadat hij de instelling had verlaten, maar dergelijke externe vergelijkende onderzoeken, die openstaan voor het grote publiek, kunnen niet worden beschouwd als gelijkwaardig aan interne vergelijkende onderzoeken. Als zodanig was het redelijk om aan te nemen dat zijn verlies van een kans definitief was.
ii) Het bestaan van een causaal verband
39. Ook moest worden aangetoond, dat er een causaal verband bestond tussen de vergissing van de Commissie en de veroorzaakte schade. De Ombudsman herinnerde eraan dat er sprake is van een oorzakelijk verband wanneer het incident in kwestie een noodzakelijke voorwaarde is voor het ontstaan van de schade.
40. In het licht van deze regel en om een causaal verband te kunnen leggen met de in casu gestelde materiële schade, moest worden vastgesteld dat klager zeker een ambt als ambtenaar zou hebben verkregen, maar dat de Commissie de kandidaten van intern vergelijkend onderzoek COM/T/A/98 niet ervan in kennis had gesteld dat de voor het mondeling examen opgegeven datum in uitzonderlijke omstandigheden kon worden gewijzigd.
41. De Ombudsman nam in dit verband nota van het argument van klager dat indien de brief waarin hij werd uitgenodigd voor het mondeling examen niet ondubbelzinnig de mogelijkheid had uitgesloten om de datum van het examen te wijzigen [12], hij om uitstel van de datum zou hebben verzocht, waardoor hij voldoende tijd zou hebben gehad om te herstellen van het ongeval dat hij had gehad. Klager vond het "eerlijk om aan te nemen"dat als hij de datum van het mondeling examen had kunnen uitstellen, hij "gemakkelijk"het vereiste aantal punten zou hebben behaald om hem op de reservelijst van geslaagde kandidaten te plaatsen.
42. Naar het oordeel van de Ombudsman leek het redelijk om aan te nemen dat indien de uitnodiging voor het mondeling onderzoek een mededeling had bevatten waarin stond dat de vermelde datum in uitzonderlijke omstandigheden kon worden gewijzigd, klager in dit verband een verzoek zou hebben ingediend. Gezien het onbetwiste feit dat klager een ongeval had gehad en tot de dag van het mondeling examen niet kon werken, achtte de Ombudsman het ook redelijk om aan te nemen dat de Commissie hem zou hebben toegestaan het mondeling examen op een latere datum af te leggen.
43. De Ombudsman was echter van mening dat er geen overtuigend bewijs was aangevoerd om aan te tonen dat klager noodzakelijkerwijs zou zijn geslaagd voor het mondeling examen en dus op de reservelijst zou zijn geplaatst indien de datum van het mondeling examen was uitgesteld.
44. Voorts herinnerde de Ombudsman eraan dat de opname van een kandidaat op een reservelijst niet garandeert dat de kandidaat als ambtenaar zal worden aangeworven. Hoewel klager betoogde dat hij ten minste één arbeidsaanbod zou hebben ontvangen als hij op de reservelijst was geplaatst, merkte de Ombudsman op dat klager geen overtuigend bewijs had geleverd om dit argument te staven.
45. Klager heeft derhalve niet aangetoond dat er een oorzakelijk verband bestond tussen het verzuim van de Commissie om de kandidaten in kennis te stellen van de mogelijkheid om uitstel van het examen te verzoeken (dat wil zeggen het geval van wanbeheer dat de Ombudsman in zaak 687/98/BB heeft vastgesteld) en de vermeende materiële schade.
46. Wat het bestaan van een causaal verband met de immateriële schade betreft, merkte de Ombudsman op dat het Gerecht (thans het Gerecht) zeer strikte regels had vastgesteld met betrekking tot de vereiste bewijsstandaard voor het bestaan van een rechtstreeks causaal verband tussen de fout en de immateriële schade [13]. Dit houdt in dat in het onderhavige geval een overtuigend argument moet worden aangevoerd dat de "gevoelens van onrechtvaardigheid en frustratie" van klager niet zouden hebben bestaan, maar dat hem niet is meegedeeld dat hij vanwege zijn gezondheidstoestand op het relevante tijdstip het mondeling examen op een later tijdstip had kunnen afleggen.
47. Rekening houdend met het standpunt van het Gerecht van eerste aanleg (thans het Gerecht) heeft de Ombudsman de moeilijkheden die klager zou kunnen ondervinden bij het leveren van dergelijk definitief bewijs, niet onderschat. In het licht van de onderstaande bevindingen, met betrekking tot de vraag of het in zaak 687/98/BB vastgestelde wanbeheer "voldoende ernstig" was om tot niet-contractuele aansprakelijkheid te leiden, achtte de Ombudsman het echter niet nodig het mogelijke causaal verband tussen het wanbeheer en de vermeende morele schade nader te analyseren (zie punt 61 hieronder).
iii) Onrechtmatig gedrag
48. Met betrekking tot de vaststelling dat bepaalde gedragingen onrechtmatig zijn in de zin van de toepasselijke rechtspraak inzake niet-contractuele aansprakelijkheid, heeft het Hof van Justitie gesteld dat a) de geschonden rechtsregel ertoe moet strekken particulieren rechten toe te kennen; en b) de inbreuk moet voldoende ernstig zijn.[14]
a) De geschonden rechtsregel moet ertoe strekken aan particulieren rechten toe te kennen
49. De Ombudsman herinnerde aan de bevinding van het Gerecht van eerste aanleg (thans het Gerecht) dat het beginsel van behoorlijk bestuur alleen rechten toekent aan particulieren wanneer het de "uiting van specifieke rechten"vormt [15]. In dit verband heeft het Gerecht (thans het Gerecht) geoordeeld dat het beginsel van behoorlijk bestuur op zich geen rechten toekent aan particulieren [16], behalve wanneer het de uitdrukking vormt van specifieke rechten (zoals het recht op onpartijdige, billijke en redelijke behandeling van zaken; het recht om te worden gehoord; het recht op toegang tot bestanden; of de verplichting om besluiten met redenen te omkleden).
50. In dit verband herinnerde de Ombudsman eraan dat in zaak 687/98/BB was vastgesteld dat de Commissie in de uitnodiging voor het mondeling examen het recht van de kandidaten om correct te worden geïnformeerd dat de vermelde datum in uitzonderlijke omstandigheden kon worden gewijzigd, niet eerbiedigde. Aangezien dit een "specifiek recht"vormt, was de Ombudsman van mening dat in het onderhavige geval aan deze voorwaarde was voldaan.
51. De Commissie voerde aan dat het feit dat zij klager niet in kennis heeft gesteld van de mogelijkheid om de datum van het mondeling examen te wijzigen, niet "onwettig"was. De Ombudsman herinnert er in dit verband aan dat het feit dat klager niet van deze mogelijkheid in kennis was gesteld, een geval van wanbeheer vormde. Weliswaar impliceert "illegaliteit" wanbeheer, maar de vaststelling van wanbeheer betekent niet automatisch dat er ook sprake was van "illegaliteit"[17]. De bevinding van de Ombudsman van wanbeheer in zaak 687/98/BB was dus niet afhankelijk van het bestaan van onwettigheid, maar sloot deze ook niet uit.
52. De Ombudsman was derhalve van oordeel dat de jurisprudentie van de communautaire rechterlijke instanties met betrekking tot de voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid niet uitsluit dat de communautaire instellingen in het kader van een onderzoek door de Ombudsman kunnen overeenkomen de door een klager geleden schade te vergoeden zonder dat de Ombudsman een "illegaliteit"hoeft vast te stellen. Een instelling die in dergelijke omstandigheden een betaling verricht, zou de betaling kunnen overwegen om potentiële (maar niet definitieve) kwesties van wettelijke aansprakelijkheid op te lossen. Een dergelijke betaling kan ex gratia worden verricht, zonder dat de aansprakelijkheid wordt erkend.
b) Voldoende ernstige inbreuk
53. De Ombudsman herinnerde eraan dat volgens de rechtspraak van de gemeenschapsrechter de schending van de betrokken rechtsregel of, zoals in punt 51 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, de schending van een beginsel van behoorlijk bestuur voldoende gekwalificeerd moet zijn.
54. Het Gerecht van eerste aanleg (thans het Gerecht) heeft geoordeeld dat de aanwijzing van een handeling als "wanbeheer " op zich niet betekent dat een dergelijke handeling een "voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel" in de zin van de rechtspraak vormt. Samengevat kan een geval van wanbeheer weliswaar niet noodzakelijkerwijs leiden tot een "voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel" in de zin van de rechtspraak, maar in bepaalde omstandigheden wel tot een "voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel" [18].
55. Het Hof van Justitie heeft geconcludeerd dat, wil aan de voorwaarde inzake een "voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel"zijn voldaan, rekening moet worden gehouden met alle elementen die de betrokken situatie kenmerken [19]. Het beslissende criterium om vast te stellen dat een schending "voldoende gekwalificeerd"is, is of de betrokken gemeenschapsinstelling de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid kennelijk en ernstig heeft overschreden. Andere factoren waarmee rekening kan worden gehouden, zijn onder meer: de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel; de omvang van de beoordelingsmarge die deze regel aan de communautaire autoriteiten laat; of de inbreuk en de veroorzaakte schade opzettelijk of onvrijwillig waren; en of de fout verschoonbaar of onverschoonbaar was [20].
56. In zaak 687/98/BB stelde de Ombudsman vast dat de Commissie het algemene beginsel van behoorlijk bestuur had geschonden [21].
57. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur hebben wel betrekking op nauwkeurig omschreven "kernbeginselen", zoals het beginsel van rechtmatigheid, de afwezigheid van discriminatie en evenredigheid [22]. De vaststelling van wanbeheer in zaak 687/98/BB vond echter niet plaats op basis van een dergelijk "kernbeginsel"[23]. Het betrokken wanbeheer bestond in het verstrekken van onjuiste informatie over de mogelijkheid om een alternatieve datum voor een mondeling examen te zoeken wanneer uitzonderlijke omstandigheden een dergelijke verlenging kunnen rechtvaardigen.
58. Met betrekking tot de vraag of de verplichting van de Commissie om kandidaten voldoende en nauwkeurige informatie te verstrekken duidelijk en nauwkeurig was, merkte de Ombudsman op dat de Commissie niet vooraf was ingelicht over de mogelijke misverstanden die zouden kunnen voortvloeien uit de bewoordingen van brieven waarin kandidaten voor mondelinge examens worden opgeroepen [24].
59. De Ombudsman heeft ook rekening gehouden met het feit dat de Commissie in zaak 687/98/BB heeft verklaard dat indien daadwerkelijk een verzoek om verlenging was ingediend, dit zou zijn ingewilligd [25].
60. Voorts vond de Ombudsman geen aanwijzingen dat het gebrek aan informatie opzettelijk was.
61. Gezien het bovenstaande was de Ombudsman niet van mening dat klager er in dit geval in was geslaagd aan te tonen dat er sprake was van een voldoende gekwalificeerde schending om niet-contractuele aansprakelijkheid in verband met het in zaak 687/98/BB vastgestelde wanbeheer te rechtvaardigen. Gelet op deze conclusie hoefde, zoals in punt 27 van het onderhavige arrest reeds is opgemerkt, geen definitieve vaststelling te worden gedaan van het eventuele causaal verband tussen het wanbeheer en de gestelde morele schade. Evenmin hoefde te worden nagegaan of het wanbeheer de Commissie ertoe had moeten brengen te onderzoeken of er ook sprake was van onwettigheid (zie punt 51 hierboven).
62. De mogelijkheid van een betaling ex gratia zonder vaststelling van onwettigheid moest echter nog worden onderzocht.
Ex gratia betaling
63. Klager had, los van de kwestie van de niet-contractuele aansprakelijkheid, aangevoerd dat de Commissie hem specifiek moest compenseren op basis van haar toezegging om gevallen van wanbeheer weg te nemen door middel van financiële compensatie. De Ombudsman zag dit als een verzoek om een betaling ex gratia aan te bieden.
64. De Ombudsman was van mening dat een geval van wanbeheer, dat niet aan alle criteria voor niet-contractuele aansprakelijkheid voldoet, niettemin de toekenning van een betaling ex gratia kan rechtvaardigen. Een dergelijke ex gratia-vergoeding dient het belangrijke doel om te erkennen dat de instelling inderdaad een fout heeft gemaakt. Uit de betaling van een schadevergoeding ex gratia blijkt, zonder enig precedent te scheppen, dat de instelling zorg draagt voor de klager en tegelijkertijd een positief antwoord geeft op een specifieke klacht. Dit is niet alleen gunstig voor het individu, maar ook voor de instelling, voor zover het de betrekkingen van de instelling met de burgers verbetert.
65. Wat de onderhavige zaak betreft, heeft de Ombudsman vastgesteld dat het in zaak 687/98/BB vastgestelde wanbeheer, ook al voldeed het gezien de omstandigheden niet aan alle criteria voor niet-contractuele aansprakelijkheid, toch een zekere morele schade heeft veroorzaakt.
66. In het licht van het bovenstaande kwam de Ombudsman tot de voorlopige conclusie dat de Commissie, door geen rekening te houden met de mogelijkheid om een betaling ex gratie aan klager te doen, op basis van haar toezegging om gevallen van wanbeheer door middel van financiële compensatie weg te nemen, het materiële aspect van het verzoek om schadevergoeding van klager heeft behandeld op een wijze die een geval van wanbeheer zou kunnen vormen.
67. De Ombudsman deed de Commissie daarom een voorstel voor een minnelijke schikking, waarbij hij de Commissie aanbeval klager een betaling ex gratia van 5 000 EUR aan te bieden.
De argumenten die aan de Ombudsman zijn voorgelegd na zijn voorstel voor een minnelijke schikking
68. In haar antwoord op het voorstel van de Ombudsman voerde de Commissie aan dat zij geen geval van wanbeheer heeft begaan door klager te weigeren het mondeling examen in intern vergelijkend onderzoek COM/T/A/98 opnieuw af te leggen. De Commissie wees er ook op dat zij (en vervolgens EPSO) uitvoering had gegeven aan het voorstel van de Ombudsman in zaak 687/98/BB. Daarbij heeft zij in uitnodigingsbrieven voor mondelinge examens een clausule opgenomen die de kandidaten meedeelt dat zij, indien uitzonderlijke omstandigheden een kandidaat beletten deel te nemen aan een examen op de in de uitnodiging vermelde dag, alle mogelijke maatregelen zou nemen om de correcte uitvoering van de mondelinge examens te waarborgen. De Commissie verklaarde ook dat zij met betrekking tot het voorstel van de Ombudsman grondig de mogelijkheid had onderzocht om klager een compensatie ex gratia te bieden. Het was echter van mening dat een betaling ex gratia alleen wordt aanbevolen "wanneer er een conflict is tussen een morele verplichting en een juridische onmogelijkheid". De Commissie was echter niet van mening dat zij in de onderhavige zaak een fout had gemaakt. Zij was derhalve van mening dat zij jegens klager geen morele verplichting was aangegaan.
69. Klager verklaarde dat de reactie van de Commissie op het voorstel voor een minnelijke schikking zijn gevoelens van vervreemding van de Commissie, een instelling waarvoor hij jarenlang met grote toewijding en loyaliteit heeft gewerkt, alleen maar heeft versterkt. Volgens hem stond de houding van de Commissie tegenover hem in schril contrast met het hoge niveau van waardering en respect dat hij ondervond van zijn vorige collega's, namelijk zijn meerderen en anderen binnen zijn eigen dienst en andere diensten binnen de Commissie. Als gevolg van de laatste reactie van de Commissie was hij niet alleen zeer teleurgesteld en ontzet, maar voelde hij ook een nog dieper gevoel van onrechtvaardigheid. Het voorstel van de Ombudsman bood de Commissie de gelegenheid om, door middel van een zeer kleine betaling ex gratia – die geen precedent zou hebben geschapen – blijk te geven van een zekere mate van zorg voor het wanbeheer dat zich inderdaad voordeed. De wijziging die de Commissie in haar uitnodigingsbrieven voor mondelinge examens heeft aangebracht, heeft op geen enkele wijze gediend of dient om de door hem geleden schade te verlichten. Hij hoopte echter dat het standpunt van de Commissie te wijten was aan een misverstand van haar kant en dat de Ombudsman de zaak misschien zou kunnen verduidelijken en zo zijn klacht zou kunnen oplossen.
Beoordeling van de Ombudsman die tot een ontwerpaanbeveling heeft geleid
70. Het antwoord van de Commissie op het voorstel van de Ombudsman voor een minnelijke schikking in de onderhavige zaak leek gebaseerd te zijn op het standpunt dat zij geen fouten had gemaakt met betrekking tot de in zaak 687/98/BB onderzochte kwestie. De Ombudsman merkte echter op dat wanbeheer werd vastgesteld in zaak 687/98/BB en dat de Commissie inderdaad een fout heeft gemaakt bij de behandeling van klager. Het bestaan van het wanbeheer in zaak 687/98/BB vormde immers de basis voor de analyse van de Ombudsman die leidde tot het voorstel voor een minnelijke schikking in de onderhavige zaak.
71. De Ombudsman was het ook eens met klager dat de houding van de Commissie alleen maar diende om klagers gevoelens van onrechtvaardigheid en vervreemding te versterken. Het standpunt van de Ombudsman werd aldus versterkt dat de Commissie, als erkenning van het wanbeheer dat zich heeft voorgedaan, een betaling ex gratia aan klager moest doen. Een dergelijke betaling ex gratia zou geen precedent scheppen.
72. De Ombudsman stelde vast dat de Commissie, door zich op het standpunt te stellen dat zij geen fout had gemaakt met betrekking tot de in zaak 687/98/BB onderzochte kwestie, zelfs de mogelijkheid uitsloot om een betaling ex gratie aan klager te doen. In het licht van het bovenstaande stelde de Ombudsman vast dat de Commissie het verzoek van klager om schadevergoeding niet naar behoren had behandeld. Dit was een geval van wanbeheer. De Ombudsman heeft derhalve overeenkomstig artikel 3, lid 6, van zijn Statuut de volgende ontwerpaanbeveling gedaan:
De Commissie moet de mogelijkheid heroverwegen om de klager een betaling ex gratia van 5 000 EUR aan te bieden.
De argumenten die na zijn ontwerpaanbeveling aan de Ombudsman zijn voorgelegd
73. In haar omstandig advies verklaarde de Commissie dat de Ombudsman in zaak 687/98/BB concludeerde dat "er geen sprake was van wanbeheer door de Commissie toen zij weigerde klager toe te staan het mondeling examen opnieuw af te leggen". In zijn ontwerpaanbeveling voerde de Ombudsman echter aan dat "wanbeheer werd vastgesteld in zaak 687/98/BB en dat de Commissie inderdaad een fout heeft gemaakt bij de behandeling van de klacht". Bijgevolg kon de Commissie zich geen duidelijk beeld vormen van de beoordeling van de Ombudsman van de betrokken gebeurtenissen.
74. De Commissie merkte op dat de Ombudsman er in de ontwerpaanbeveling terecht op wees dat het aanbieden van betaling aan klager zou neerkomen op het erkennen van wangedrag (de Ombudsman beval de Commissie aan om klager een betaling ex gratie te doen als erkenning van het wanbeheer dat zich heeft voorgedaan). De Commissie bleef echter bij haar standpunt dat zij niet kon vaststellen welke bindende regel of welk bindend beginsel zij had moeten schenden toen zij weigerde klager toe te staan het mondeling examen opnieuw af te leggen. Er was dus geen sprake van wanbeheer.
75. De Commissie verontschuldigde zich voor het feit dat zij klager niet in kennis had gesteld van de mogelijkheid om de datum van het mondeling examen te wijzigen, maar achtte het niet passend de aanbeveling van de Ombudsman om klager een betaling ex gratia aan te bieden, te aanvaarden.
76. In zijn opmerkingen uitte klager zijn ontzetting over de uitvoerig gemotiveerde mening van de Commissie en benadrukte hij dat er sprake was van wanbeheer in zaak 687/98/BB. Klager wees erop dat de zaak anders niet met een kritische opmerking zou zijn afgesloten. Klager was van mening dat de verontschuldiging van de Commissie, gezien haar ontkenning van wanbeheer, zinloos was. Hij hoopt dat de Ombudsman de Commissie nog steeds kan overtuigen van de wenselijkheid van een positief antwoord op de ontwerpaanbeveling.
Beoordeling van de Ombudsman na zijn ontwerpaanbeveling
77. De Ombudsman benadrukt in de eerste plaats dat de onderhavige zaak geen herziening is van zaak 687/98/BB, maar betrekking heeft op de behandeling door de Commissie van het verzoek van klager om schadevergoeding naar aanleiding van het in die zaak vastgestelde wanbeheer.
78 De Ombudsman betreurt de consequente weigering van de Commissie om de basisfeiten die de achtergrond van de onderhavige zaak vormen, te erkennen. Het is waar dat de Ombudsman in zaak 687/98/BB geen wanbeheer heeft vastgesteld met betrekking tot de weigering van de Commissie om klager toe te staan het mondeling examen opnieuw af te leggen. In zaak 687/98/BB stelde de Ombudsman echter vast dat de Commissie zich schuldig had gemaakt aan wanbeheer: de Commissie heeft de kandidaten niet in kennis gesteld van de mogelijkheid om de datum van het mondeling examen te wijzigen, maar heeft hen er uitdrukkelijk van in kennis gesteld dat de datum van de mondeling examens niet kon worden gewijzigd [26]. Dit wordt toegelicht in de punten 50 tot en met 51 en 57 hierboven, die ook deel uitmaakten van het voorstel voor een minnelijke schikking en de ontwerpaanbeveling. Bovendien werd zaak 687/98/BB, zoals klager terecht opmerkte, afgesloten met een kritische opmerking. Zoals de Commissie zeer goed weet, worden kritische opmerkingen pas gemaakt na een constatering van wanbeheer.
79. De Ombudsman betreurt ook dat de Commissie, toen zij reageerde op het voorstel van de Ombudsman voor een minnelijke schikking en op zijn ontwerpaanbeveling, citaten uit het besluit van de Ombudsman in zaak 687/98/BB op een misleidende manier heeft gebruikt. In haar antwoord verwees de Commissie naar de volgende verklaring in zaak 687/98/BB: "er was geen sprake van wanbeheer door de Commissie toen zij weigerde klager toe te staan het mondeling examen opnieuw af te leggen". Vervolgens heeft zij er echter niet op gewezen dat de Ombudsman had vastgesteld dat de Commissie zich schuldig had gemaakt aan wanbeheer, aangezien zij de kandidaten niet in kennis had gesteld van de mogelijkheid om de datum van het mondeling examen te wijzigen, maar hun juist uitdrukkelijk had meegedeeld dat de datum van de mondeling examens niet kon worden gewijzigd.
80. De Ombudsman concludeert met tegenzin dat, gezien de zorgvuldige uitleg van de kwestie in zowel het voorstel voor een minnelijke schikking als de ontwerpaanbeveling, het standpunt van de Commissie een weigering inhoudt om serieus en constructief met de argumenten van de Ombudsman om te gaan en een echte dialoog met hem aan te gaan over de onderhavige zaak.
81 In zijn jaarverslag over 1998 wees de Ombudsman erop dat de mogelijkheid voor hem om een speciaal verslag aan het Europees Parlement voor te leggen van onschatbare waarde is voor zijn werk. Hij voegde eraan toe dat speciale verslagen daarom niet te vaak moeten worden ingediend, maar alleen met betrekking tot belangrijke kwesties waarbij het Parlement in staat is actie te ondernemen om de Ombudsman bij te staan.
82 De Ombudsman is van mening dat het wanbeheer van de Commissie in de onderhavige zaak weliswaar van groot belang is voor klager, maar dat de waarschijnlijke gevolgen ervan niet ver genoeg gaan om de indiening van een speciaal verslag bij het Europees Parlement te rechtvaardigen. De Ombudsman sluit de zaak daarom af met een kritische opmerking.
B. Conclusies
Op basis van zijn onderzoek naar deze klacht sluit de Ombudsman deze af met de volgende kritische opmerking:
De Commissie heeft het verzoek van klager om schadevergoeding niet naar behoren behandeld door geen rekening te houden met de mogelijkheid om een betaling ex gratia te verrichten. Dit is een geval van wanbeheer.
De Ombudsman betreurt de weigering van de Commissie om serieus en constructief met zijn argumenten om te gaan en een echte dialoog met hem aan te gaan over deze zaak.
Klager en de Commissie zullen van dit besluit in kennis worden gesteld.
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
Gedaan te Straatsburg op 5 augustus 2010
[1] Naar aanleiding van zijn besluit in zaak 687/98/BB hebben de Commissie en vervolgens het Europees Bureau voor personeelsselectie het voorstel van de Ombudsman uitgevoerd door een dergelijke clausule op te nemen in uitnodigingsbrieven.
[2] Zaak T-209/00, Lamberts/Ombudsman, Jurispr. 2002, blz. II-2203.
[3] Zaak C-234/02 P, Ombudsman tegen Lamberts, Jurispr. 2004, blz. I-2803.
[4] Artikel 2, lid 4, van het Statuut van de Ombudsman bepaalt: "Een klacht moet worden ingediend binnen twee jaar na de datum waarop de indiener van de klacht kennis heeft gekregen van de feiten waarop de klacht is gebaseerd, en moet worden voorafgegaan door passende administratieve stappen bij de betrokken instellingen en organen."
[5] Zoals hierboven vermeld, was de tijdens de gerechtelijke procedure ingestelde vordering tot schadevergoeding gericht tegen de Ombudsman en het Parlement, en niet tegen de Commissie.
[6] De Ombudsman stelde deze vraag in het kader van nader onderzoek, zie punt 14 hierboven.
[7] Artikel 17 van de Europese code van goed administratief gedrag, beschikbaar op de website van de Ombudsman (www.ombudsman.europa.eu).
[8] Zie bijvoorbeeld zaak 26/81, Oleifici Mediterranei/EEG, Jurispr. 1982, blz. 3057, r.o. 16; Zaak C-146/91, KYDEP/Raad en Commissie, Jurispr. 1994, blz. I-4199, punt 19; en zaak T-383/00, Beamglow/Parlement e.a., Jurispr. 2005, blz. II 5459, punt 95.
[9] Zaak T-209/00, Lamberts/Ombudsman, Jurispr. 2002, blz. II-2203, punt 61.
[10] Zaak T-166/04, C/Commissie, arrest van 31 januari 2007, nog niet gepubliceerd, punt 67.
[11] Zie zaak T-166/04, C/Commissie, reeds aangehaald, punt 71.
[12] In de uitnodigingsbrief stond het volgende: "Je précise par ailleurs que l'organisation des épreuves ne permet pas de changer l'horaire qui vous a été indiqué."
[13] Zie bijvoorbeeld arrest van 8 juli 2008, Franchet en Byk/Commissie (T-48/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
[14] Naar deze voorwaarden werd verwezen in het arrest van het Hof van Justitie over het beroep van de Ombudsman in de door klager bij het Hof aanhangig gemaakte zaak; Zaak C-234/02 P, Ombudsman tegen Lamberts, Jurispr. 2004, blz. I-2803, punt 49. Zie ook zaak T-193/04, Tillack/Commissie, Jurispr. 2006, blz. II-3995, punt 117.
[15] Zaak T-193/04, Tillack/Commissie, Jurispr. 2006, blz. II-3995, punt 127.
[16] Zaak T-196/99, Area Cova e.a./Raad en Commissie, Jurispr. 2001, blz. II-3597, punt 43.
[17] Zie voor het tweede deel van dit voorstel de arresten van het Gerecht van eerste aanleg (thans het Gerecht) in de gevoegde zaken T-219/02 en T-337/02, Herrera/Commissie, JurAmbt. 2004, blz. IA-319, II-1407, punt 101; in zaak T-193/04 R, Hans-Martin Tillack/Commissie, punt 128; en zaak T-394/03, Flavia Angeletti/Commissie, punt 157.
[18] Zaak T-193/04, Tillack/Commissie, Jurispr. 2006, blz. II-3995, punt 128.
[19] Zaak C-424/97, Haim, Jurispr. 2000, blz. I-5123, punt 42.
[20] Gevoegde zaken C-46/93 en C-48/93, Brasserie du pêcheur en Factortame, Jurispr. 1996, blz. I-1029, punten 55-56.
[21] De definitie van wanbeheer van de Ombudsman in zijn Jaarverslag 1997 luidt als volgt: " wanbeheer doet zich voor wanneer een overheidsinstantie nalaat te handelen in overeenstemming met een voor haar bindende regel of beginsel".
[22] Zie de artikelen 4 tot en met 6 van de Europese code van goed administratief gedrag, beschikbaar op de website van de Ombudsman: www.ombudsman.europa.eu.
[23] De Ombudsman merkt voorts op dat bij het nemen van zijn besluit in zaak 687/98/BB in oktober 1999 zijn initiatiefonderzoek naar het bestaan van een code van goed administratief gedrag in de verschillende communautaire instellingen en organen (OI/1/98/OV), dat uiteindelijk heeft geleid tot de goedkeuring van de Europese code van goed administratief gedrag door het Parlement, nog steeds gaande was.
[24] Het is juist dat indien de Commissie deze verplichting na de beschikking in zaak 687/98/BB zou negeren, zij dan verantwoordelijk zou kunnen zijn voor het negeren van een regel die duidelijk en nauwkeurig was geworden.
[25] In de praktijk was de Commissie bereid alle mogelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de mondelinge examens naar behoren worden afgelegd, met name wanneer een kandidaat door uitzonderlijke omstandigheden niet aanwezig kon zijn op de in de uitnodiging vermelde dag.
[26] Punt 1.3 van het besluit van de Ombudsman in zaak 687/98/BB luidt: "De Europese Ombudsman merkt op dat in de uitnodigingsbrief van de kandidaat het volgende staat: "Je précise par ailleurs que l'organisation des épreuves ne permet pas de changer l'horaire qui vous a été indiqué."