FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van zijn onderzoek naar klacht 129/2009/VL tegen de Raad van de Europese Unie

Klager is een ambtenaar van de Raad, wiens zoon aan een ernstige ziekte lijdt. Gezien dit feit heeft de Raad klager de dubbele kindertoelage toegekend overeenkomstig artikel 2, lid 5, van bijlage VII bij het Statuut. Op basis van het advies van zijn raadgevend arts heeft de Raad echter ook besloten dat de situatie van de zoon in 2011 opnieuw moet worden bekeken om te bevestigen dat nog steeds aan de voorwaarden voor deze toelage is voldaan.

Bij brief van 2 juni 2008 heeft klager de Raad verzocht zijn zoon de desbetreffende uitkering voor zijn leven toe te kennen of een aantal vragen te beantwoorden. Na tussenkomst van de Ombudsman heeft de Raad klager geantwoord. Klager was echter niet tevreden met de uitleg. In zijn klacht voerde hij aan dat de Raad (i) zijn vragen niet heeft beantwoord en (ii) onvoldoende steun heeft verleend aan de ten laste komende, gehandicapte familieleden van zijn ambtenaren. Hij stelde dat er een aantal initiatieven moeten worden genomen om de situatie te verhelpen. De Ombudsman was van mening dat de tweede bewering en de vordering om verschillende redenen niet-ontvankelijk konden zijn, maar achtte het niettemin nuttig de Raad te vragen hierover opmerkingen te maken.

In zijn advies stelde de Raad dat de klacht niet-ontvankelijk was. Niettemin heeft zij zich over de zaak ten gronde uitgesproken.

De Raad deelde de Ombudsman mee dat hij had besloten zijn besluit te wijzigen en de zoon van klager de desbetreffende toelage voor onbepaalde tijd toe te kennen. Desalniettemin heeft zij zich het recht voorbehouden de eventueel noodzakelijke controles uit te voeren. De Raad heeft klager ook uitdrukkelijk verzekerd dat hij zijn zorgplicht jegens hem, zelfs na zijn overlijden, ten aanzien van zijn zoon zou nakomen. Aangezien de Raad zijn eerdere standpunt overeenkomstig het verzoek van klager had herzien, was de Ombudsman van mening dat de vragen van klager niet langer relevant leken.

Wat de tweede grief en de vordering betreft, heeft de Raad erop gewezen dat hij een aantal statutaire en niet-wettelijke maatregelen ter ondersteuning van zijn personeel had genomen. De Ombudsman wees erop dat hij nog steeds twijfels had over de ontvankelijkheid van de tweede bewering en de vordering. In het licht van de door de Raad verstrekte uitleg was hij echter van mening dat er geen sprake zou zijn van wanbeheer indien dit onderdeel van de klacht ontvankelijk zou worden geacht. In dit verband wees hij erop dat de Raad de desbetreffende statutaire rechten van zijn ambtenaren volledig had uitgevoerd, passende interne maatregelen had vastgesteld om de uitoefening van deze rechten mogelijk te maken, en aanvullende maatregelen had vastgesteld die verder gingen dan de door het Statuut gewaarborgde rechten.

De Ombudsman concludeerde derhalve dat er geen redenen waren voor verder onderzoek in deze zaak.

DE TERUGGROND NAAR HET KLACHT

1. Klager is een ambtenaar van de Raad van de Europese Unie, wiens zoon aan een ernstige ziekte lijdt. Klager was het niet eens met het besluit van de Raad van 21 mei 2008 om hem slechts tot 2011 de dubbele kinderbijslag voor zijn zoon toe te kennen, waarna hij voorstelde om na te gaan of nog steeds aan de relevante voorwaarden was voldaan. Klager diende bij de Europese Ombudsman een aantal klachten in over a) de situatie van kinderen van EU-ambtenaren op grond van het Statuut van de ambtenaren en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen ("het Statuut"), b) de door de Raad genomen maatregelen en c) een vermeend gebrek aan informatie over de antwoorden op zijn vragen over de bovengenoemde onderwerpen.

Klacht 324/2008/VAV

2. Op 1 februari 2008 diende klager bij de Ombudsman een klacht in over het Statuut van de ambtenaren en Verordening (EG) nr. 723/2004van de Raad [1] (klacht 324/2008/VAV). Hij voerde aan dat deze rechtsinstrumenten onvoldoende duidelijke definities bevatten van de termen "afhankelijke" of "gehandicapte" kinderen en niet voldoende voorzien in kinderen van ambtenaren, zoals zijn zoon, die lijden aan ernstige en ongeneeslijke gezondheidsproblemen. Klager voerde ook aan dat de Raad de mogelijkheid moest onderzoeken om zijn zoon in dienst te nemen en beweerde geen antwoord op zijn verzoek in die zin te hebben ontvangen. De bewering betreffende het Statuut en Verordening (EG) nr. 723/2004 van de Raad viel buiten het mandaat van de Ombudsman op grond van artikel 2, lid 2, van zijn Statuut. Wat de beschuldiging tegen de diensten van de Raad betreft, erkende klager zelf dat deze diensten tijd hadden besteed aan het bijstaan en bespreken van de zaak om een oplossing te vinden. Bijgevolg constateerde de Ombudsman dat er onvoldoende gronden waren om een onderzoek in te stellen. De zaak werd op 13 februari 2008 gesloten.

Klacht 1611/2008/CHM

3. Op 5 juni 2008 diende klager een nieuwe klacht in (klacht 1611/2008/CHM), waarin hij beweerde dat de Raad had nagelaten te antwoorden op zijn brief van 15 februari 2008 over een "Nota van het secretariaat-generaal van de Raad van 15 november 1993 betreffende de organisatie van een stuurgroep inzake de aanwerving van gehandicapte kinderen van ambtenaren". De diensten van de Ombudsman hebben contact opgenomen met de diensten van de Raad, waarna de Raad klager op 8 juli 2008 heeft geantwoord. De Raad legde uit dat het bevoegde comité niet bevoegd was om individuele zaken te behandelen. Bovendien bleek de commissie tot de conclusie te zijn gekomen dat zij niet over de passende middelen beschikte om een beleidsdocument over de tewerkstelling van gehandicapte kinderen voor te stellen. Daarom heeft zij besloten haar activiteiten stop te zetten. Aangezien de Raad klager heeft geantwoord, heeft de Ombudsman de zaak op 17 juli 2008 afgesloten.

Klacht 2555/2008/VL

4. Op 15 september 2008 wees klager erop dat hij nog geen antwoord had ontvangen op zijn brieven van 6 september 2007 en 2 juni 2008, die hij aan het secretariaat-generaal van de Raad had gericht (klacht 2555/2008/VL). Vervolgens heeft hij zijn bewering over de brief van 6 september 2007 ingetrokken. In zijn brief van 2 juni 2008 wees klager erop dat de handicap van zijn zoon was vastgesteld door een nationale medische commissie en dat het door die commissie afgegeven en aan de administratie van de Raad voorgelegde certificaat geldig was voor het leven van zijn zoon. Hij verzocht de Raad zijn standpunt te heroverwegen of, bij gebreke daarvan, zijn vragen toe te lichten[2]. De diensten van de Ombudsman hebben contact opgenomen met de Raad om klager een antwoord te geven.

5. Bij brief van 7 november 2008 heeft de Raad uiteengezet dat de relevante wettelijke bepalingen zijn neergelegd in artikel 67, lid 3, van het Statuut, artikel 2, lid 5, van bijlage VII bij het Statuut en interne richtlijn 1/2008. Het besluit van de Raad om de dubbele kindertoelage voor bepaalde of onbepaalde tijd toe te kennen, is genomen op basis van het advies van zijn raadgevend arts. De raadgevend arts heeft zich in een nota van 21 mei 2008 uitgesproken over de medische situatie van de zoon van klager. Op basis van zijn onderzoek van het medisch dossier concludeerde hij dat aan de voorwaarden van artikel 2, lid 5, van bijlage VII bij het Statuut was voldaan, omdat de zoon van klager door zijn ernstige ziekte voortdurend werd verhinderd in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij was echter van mening dat de medische situatie van de zoon vóór eind 2011 op basis van geactualiseerde medische verklaringen moest worden herzien om na te gaan of nog steeds aan de voorwaarden voor de dubbele toelage was voldaan. De reden hiervoor was omdat de arts het niet onomstotelijk beschouwde dat de ziekte van de zoon onomkeerbaar was. Aangezien de Raad had geantwoord op de brief van klager van 2 juni 2008, sloot de Ombudsman de zaak op 18 november 2008.

Klacht 3098/2008/VL

6. Op 18 november 2008 stuurde klager een e-mail naar de Ombudsman, waarin hij erop aandrong dat de Raad niet alle vragen in zijn brief van 2 juni 2008 had beantwoord. De e-mail werd geregistreerd als een nieuwe klacht (klacht 3098/2008/VL). Op 9 december 2008 hebben de diensten van de Ombudsman klager verzocht te verduidelijken welke vragen volgens hem niet waren beantwoord. Klager kondigde aan dat hij de nodige verduidelijkingen zou verstrekken en aanvullend materiaal zou toevoegen met betrekking tot het onderwerp van zijn klacht. Dergelijke verduidelijkingen zijn echter niet ontvangen. Op 18 december 2008 concludeerde de Ombudsman op basis van de tot dan toe ontvangen informatie dat er onvoldoende gronden waren voor een onderzoek en sloot hij de zaak.

De onderhavige grief

7. Op 12 januari 2009 ontving de Ombudsman de onderhavige klacht, waarin klager zijn standpunt herhaalde dat de Raad niet op al zijn vragen had geantwoord en, onder verwijzing naar zijn eerdere klachten, beweerde dat de Raad onvoldoende steun verleende aan de ten laste komende en gehandicapte familieleden van zijn ambtenaren.

Het onderwerp van het onderzoek

8. In zijn klacht heeft klager de volgende twee beweringen en beweringen naar voren gebracht:

Beweringen:

  1. De Raad heeft niet naar behoren geantwoord op alle vragen in zijn brief van 2 juni 2008, met name op zijn derde, vierde en vijfde vraag.
  2. De Raad heeft onvoldoende steun verleend aan de ten laste komende, gehandicapte familieleden van zijn ambtenaren.

Vorderingen:

  1. De Raad dient alle vragen in zijn brief van 2 juni 2008 te beantwoorden, met name zijn derde, vierde en vijfde vraag.
  2. De Raad dient de door hem voorgestelde initiatieven uit te voeren.

9. Met betrekking tot de eerste en de tweede vraag van klager in de brief van 2 juni 2008 merkte de Ombudsman op dat in het antwoord van de Raad van 7 november 2008 werd uitgelegd hoe en waarom hij het desbetreffende besluit had genomen. Klager leek echter bijzonder belang te hechten aan het door de nationale autoriteiten afgegeven certificaat en de geldigheidsduur ervan. Hij vraagt zich af welke medische documenten aan de Raad moeten worden voorgelegd om zijn besluit te heroverwegen. De Raad leek bovengenoemde kwesties niet aan de orde te stellen. De Ombudsman was derhalve van mening dat het passend was een onderzoek in te stellen naar de eerste bewering en de eerste bewering.

10. Wat de tweede grief en de tweede grief betreft, twijfelde de Ombudsman aan de ontvankelijkheid ervan. Op het eerste gezicht leek het erop dat sommige van de door klager aan de orde gestelde kwesties i) konden worden opgevat als verband houdend met de gegrondheid van de communautaire wetgeving, ii) mogelijk moesten worden nagestreefd door gebruik te maken van de interne rechtsmiddelen waarover een ambtenaar van de Unie beschikte, of iii) voor zover de kwestie niet onder de werkrelatie van klager met de Raad viel, mogelijk niet voldeden aan het vereiste dat vooraf passende voorafgaande administratieve stappen waren ondernomen. De Ombudsman was van oordeel dat de aldus aan de orde gestelde kwesties derhalve niet-ontvankelijk konden zijn op grond van respectievelijk i) artikel 2, lid 2, van het Statuut van de Ombudsman, ii) artikel 2, lid 8, van het Statuut van de Ombudsman of iii) artikel 2, lid 4, van het Statuut van de Ombudsman. Gezien het nauwe verband tussen de twee beweringen en beweringen, en in het belang van de proceseconomie, achtte de Ombudsman het echter nuttig de Raad te verzoeken de tweede bewering en de tweede bewering in het onderhavige onderzoek te behandelen.

Het onderzoek

11. De onderhavige klacht is op 12 januari 2009 ontvangen.

12. Op 2 maart 2009 opende de Ombudsman een onderzoek en verzocht hij de Raad advies uit te brengen over de klacht.

13. Op 29 juni 2009 heeft de Raad zijn advies aan de Ombudsman toegezonden, dat voor zijn opmerkingen aan klager is toegezonden.

14. Klager diende zijn opmerkingen in op 5 augustus, 3, 5 en 8 september en 1 november 2009.

De analyse en conclusies van de OMBUDSMAN

Opmerkingen vooraf

15. In zijn advies stelde de Raad dat de onderhavige klacht niet-ontvankelijk was op grond van artikel 2, lid 8, van het Statuut van de Ombudsman. De reden hiervoor was dat klager geen interne klacht had ingediend op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut. De Ombudsman behandelt de ontvankelijkheid van elke bewering en de vordering afzonderlijk onder de desbetreffende rubrieken.

16. In zijn opmerkingen bekritiseerde klager dat zijn aandringen op antwoorden van de administratie van de Raad over de situatie van ten laste komende en gehandicapte kinderen van EU-ambtenaren zijn loopbaanperspectieven had beïnvloed. Het lijkt erop dat de klager dus een nieuwe bewering wenste in te dienen. De Ombudsman is van mening dat klager de mogelijkheid heeft gebruik te maken van de interne rechtsmiddelen die op grond van artikel 90, leden 1 en 2, van het Statuut beschikbaar zijn om elk besluit dat zijn loopbaan negatief beïnvloedt, aan te vechten. Hij merkt echter op dat klager geen enkel bewijs heeft geleverd waaruit blijkt dat hij deze interne rechtsmiddelen heeft uitgeput. De Ombudsman is derhalve van mening dat de nieuwe bewering van klager niet-ontvankelijk is op grond van artikel 2, lid 8, van zijn Statuut. Bijgevolg kan zij niet worden onderzocht.

17. In zijn opmerkingen nam klager ook het kritische standpunt in dat hij en andere ambtenaren van de Raad, die ook ouders waren, onvoldoende waren geïnformeerd over de toegang tot de personeelsnota 186/09[3] van de Raad, waarnaar de Raad in zijn advies verwees. Klager deelde de Ombudsman vervolgens echter mee dat hij inmiddels informatie had ontvangen over de wijze waarop toegang tot dat document kon worden verkregen. Tegen deze achtergrond zijn er onvoldoende redenen om deze kwestie verder te onderzoeken.

A. De bewering dat de Raad niet naar behoren heeft geantwoord op alle vragen van klager in zijn brief van 2 juni 2008, met name zijn derde, vierde en vijfde vraag, en de daarmee verband houdende vordering

Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten

18. Klager beweerde dat de Raad de tweede vraag in zijn brief van 2 juni 2008 slechts (en slechts gedeeltelijk) beantwoordde. De overige vragen bleven onbeantwoord. Klager wilde aantonen dat de Raad niet in staat is een antwoord te geven op een van de onderwerpen die verband houden met afhankelijke en familieleden van EU-ambtenaren met een handicap. Hij erkende dat de Ombudsman de Raad niet kon dwingen aan zijn verwachtingen te voldoen, maar stelde dat hij antwoorden op de genoemde vragen moest oproepen.

19. De Raad verklaarde dat de brief van klager van 2 juni 2008 een verzoek was op grond van artikel 90, lid 1, van het Statuut, aangezien hij de Raad daadwerkelijk verzocht zijn besluit betreffende de toelage voor twee kinderen ten laste voor zijn zoon te heroverwegen met het oog op de verlenging van deze toelage voor de duur van het leven van zijn zoon.

20. De Raad heeft uitgelegd dat hij klager in zijn brief van 7 november 2008 in kennis heeft gesteld van de redenen en de rechtsgrondslag voor zijn besluit, waarbij hij met name heeft benadrukt dat op basis van geactualiseerde medische verklaringen moet worden nagegaan of na 2011 nog steeds aan de voorwaarden van artikel 67, lid 3, van het Statuut en artikel 2, lid 5, van bijlage VII bij het Statuut is voldaan. Zij wees erop dat zij klager in deze brief ook meedeelde dat hij een klacht kon indienen op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut.

21. De Raad merkte op dat klager geen gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid. In plaats daarvan herhaalde hij bij brief van 10 november 2008 zijn standpunt dat de Raad niet alle vragen in zijn brief van 2 juni 2008 had beantwoord. In een brief van 23 december 2008 heeft de Raad de afgifte van het door een nationale medische commissie afgegeven medisch attest behandeld en uitgelegd dat het advies van de raadgevend arts doorslaggevend was. Het voegde er echter aan toe dat de wettelijke rechten van klager, evenals die van zijn personen ten laste, na zijn overlijden zouden worden gewaarborgd, met volledige inachtneming van de zorgplicht van de Raad. Klager werd ervan in kennis gesteld dat een verzegelde enveloppe met de contactgegevens van de artsen van de zoon en andere relevante informatie in zijn persoonsdossier kon worden opgenomen om ervoor te zorgen dat deze informatie in geval van nood toegankelijk was.

22. De Raad wees erop dat artikel 67,lid 3, van het Statuut bepaalt dat "[d]e kindertoelage [...] bij bijzonder met redenen omkleed besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag [kan] worden verdubbeld op basis van medische documenten waaruit blijkt dat het betrokken kind een geestelijke of lichamelijke handicap heeft waardoor de ambtenaar zware uitgaven moet doen."De duur van deze toelage wordt geregeld in artikel 2, lid 5, van bijlage VII bij het Statuut[4]. De definitie van "zwareuitgaven"in artikel 67, lid 3, van het Statuut wordt nader gedefinieerd in Interne Richtlijn nr. 1/2008 betreffende de verdubbeling van de kindertoelage voor een kind met een handicap[5].

23. De Raad voegde er echter aan toe dat hij de zaak inmiddels had heroverwogen. Zij heeft uitgelegd dat zij, naar aanleiding van een bijeenkomst met klager, waarop de gezins- en gezondheidsomstandigheden van laatstgenoemde werden besproken, op 26 juni 2009 heeft besloten klager de dubbele kinderbijslag voor zijn zoon voor onbepaalde tijd toe te kennen. Om het belang van de continuïteit van de toelage in overeenstemming te brengen met de wettelijke bepalingen en de begrotingsregels, moest de Raad zich echter het recht voorbehouden om de medische situatie van de zoon van klager naderhand te verifiëren en zich ervan te vergewissen dat nog steeds is voldaan aan de voorwaarden van artikel 67, lid 3, van het Statuut en artikel 2, lid 5, van bijlage VII daarbij.

24. De Raad voegde daaraan toe dat, in geval van een verificatie, de klager zou worden verzocht een formulier te verstrekken metde titel " Medisch certificaat voor de beoordeling van een handicap", ingevuld door de arts van zijn zoon. Dit formulier was op de intranetsite van de Raad geplaatst om de procedure te vergemakkelijken.

26. In zijn opmerkingen was klager het niet eens met het standpunt van de Raad dat zijn klacht niet-ontvankelijk was omdat hij geen klacht had ingediend op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut. Hij benadrukte dat hij consequent had getracht de steun van een lid van zijn familie te waarborgen in het geval dat beide ouders zouden overlijden. Daarom heeft hij een aantal documenten aan de Raad voorgelegd. Aangezien hij geen antwoord op zijn vragen kreeg, besloot hij zich tot de Europese Ombudsman te wenden.

27. Klager bekritiseerde voorts het feit dat het nieuwe besluit van de Raad met betrekking tot zijn zoon was gebaseerd op zijn eigen gezondheidsproblemen. Hij was van mening dat het onjuist en vernederend was om met dergelijke overwegingen rekening te houden.

Beoordeling door de Ombudsman

28. In zijn advies heeft de Raad de ontvankelijkheid van de onderhavige grief in twijfel getrokken. Zij voerde aan dat zij de brief van klager van 2 juni 2008 had behandeld als een verzoek op grond van artikel 90, lid 1, van het Statuut en dat laatstgenoemde vervolgens geen klacht op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut had ingediend tegen de brief van de Raad van 7 november 2008.

29. De Ombudsman is van mening dat het argument van de Raad duidelijk gegrond zou zijn indien de onderhavige bewering een aanval vormde op het oorspronkelijke besluit van de Raad betreffende de toekenning van de dubbele kindertoelage voor zijn zoon. In de brief van klager van 2 juni 2008 wordt dit besluit echter niet rechtstreeks aangevochten, maar wordt gevraagd om een antwoord op bepaalde vragen met betrekking tot dit besluit. De Ombudsman begrijpt waarom de Raad deze brief zo interpreteerde dat zijn besluit in twijfel werd getrokken. Dit betekent echter niet dat de Ombudsman aan deze interpretatie gebonden is. Aangezien de eerste bewering duidelijk gericht is op wat klager beschouwde als een gebrek aan behoorlijke beantwoording van bepaalde vragen, twijfelt de Ombudsman niet aan de ontvankelijkheid van deze bewering en van het desbetreffende argument. Het kan nuttig zijn hieraan toe te voegen dat het standpunt van de Raad hoe dan ook niet geheel overtuigend is. Indien de brief van klager van 2 juni 2008 aldus moest worden uitgelegd dat hij het besluit van de Raad van 21 mei 2008 betwistte, zou het logischer zijn geweest deze brief uit te leggen als een interne klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, en niet als een verzoek op grond van artikel 90, lid 1. In dat geval had het antwoord van de Raad van 7 november 2008 moeten worden uitgelegd als het besluit over die klacht.

30. Alvorens de eerste bewering en de eerste vordering ten gronde te behandelen, neemt de Ombudsman nota van het feit dat de Raad zijn eerdere besluit betreffende de zoon van klager heeft herzien en heeft besloten hem de dubbele kindertoelage voor onbepaalde tijd toe te kennen. De Ombudsman merkt op dat klager geen bezwaar lijkt te maken tegen dit besluit als zodanig en evenmin tegen de verklaring van de Raad dat hij zich, om te voldoen aan de toepasselijke wettelijke en begrotingsregels, het recht moet voorbehouden om na te gaan of de medische toestand van de zoon nog steeds aan de relevante voorwaarden voldoet.

31. Het is juist dat klager niet geheel tevreden is, omdat hij van mening is dat het besluit van de Raad van 26 juni 2009 is genomen op basis van zijn eigen gezondheidstoestand. De Ombudsman is van mening dat indien klager het besluit van 26 juni 2009 wilde aanvechten, hij overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut een interne klacht zou moeten indienen. Hij zou derhalve pas in staat zijn de bezwaren van klager te onderzoeken nadat deze mogelijkheid is uitgeput.

32. De Ombudsman begrijpt dat de in de brief van 2 juni 2008 gestelde vragen waren ingegeven door het feit dat klager ontevreden was over het besluit van de Raad van 21 mei 2008. Aangezien de Raad inmiddels zijn besluit heeft herzien en klager geen bezwaar lijkt te maken tegen de inhoud van het nieuwe besluit, lijkt een antwoord op zijn vragen niet langer nodig. De Ombudsman merkt op dat klager in zijn opmerkingen geen verzoeken om nadere toelichting in dit verband heeft geformuleerd. Gezien het bovenstaande concludeert de Ombudsman dat er geen redenen zijn voor verder onderzoek naar de eerste bewering en de eerste bewering.

B. Bewering dat de Raad niet voldoende steun heeft verleend aan de ten laste komende, gehandicapte familieleden van zijn ambtenaren en de daarmee verband houdende vordering

33. De klager benadrukte dat de kinderen van ambtenaren van de Unie niet hetzelfde beschermingsniveau genieten als de kinderen van andere EU-burgers. Hij benadrukte dat in dit verband een aantal specifieke initiatieven moet worden genomen[6].

34. Ter ondersteuning van zijn onderhavige zaak verwees klager naar zijn eerdere klachten. Hij wenste aan te tonen dat het ontbreken van procedures ter ondersteuning van gehandicapten wanbeheer vormt en de schijnbare "klinkende juridische leemte, het ontbreken van procedures, solide maatregelen en vooral gebrek aan belangstelling" aan het licht tebrengen.

35. Zoals hierboven vermeld, was de Raad van oordeel dat dit aspect van de klacht ook niet-ontvankelijk was op grond van artikel 2, lid 8, van het Statuut van de Ombudsman.

36. Ten gronde was de Raad het niet eens met de standpunten van klager over een rechtsvacuüm en het ontbreken van procedures en solide maatregelen met betrekking tot gehandicapte familieleden van ambtenaren van de EU-instellingen. Zij heeft erop gewezen dat zij de desbetreffende regels van het Statuut op dit gebied ten uitvoer heeft gelegd. Wat de procedures betreft, wees het op zijn intranetsite, met name de "Guide des interventions du Conseil en faveur des enfants handicapés a charge du staff statutaire", die alle nodige informatie bevat over hulp aan gehandicapte gezinsleden van ambtenaren, zoals gezinstoelagen, vergoeding van ziektekosten en niet-wettelijke aanvullende hulp. Voor elk van deze vergoedingen en interventies worden de rechtsgrondslag, de ambtenaren die er recht op hebben, de procedures en de contactgegevens van de betrokken diensten uiteengezet.

37. Daarnaast is op interinstitutioneel niveau een wijziging vande " Voorlopige richtsnoeren voor de uitvoering van de begrotingslijn Aanvullende steun voor gehandicapten" besproken. De Raad benadrukte dat zijn secretariaat-generaal in 1997 een gedragscode voor de tewerkstelling van gehandicapt personeel heeft gepubliceerd. De Raad was derhalve van oordeel dat de tweede grief en de tweede grief hoe dan ook ongegrond waren.

38. In zijn opmerkingen heeft klager in dit verband een aanzienlijk aantal verdere gedetailleerde vragen gesteld.

Beoordeling door de Ombudsman

39. Zoals uiteengezet in punt 10 hierboven, had de Ombudsman bij de opening van dit onderzoek twijfels over de ontvankelijkheid van de tweede bewering en bewering van klager. Deze twijfels waren gebaseerd op artikel 2, leden 2, 4 en 8, van het Statuut van de Ombudsman. In het licht van de opmerkingen van de Raad blijven deze twijfels bestaan.

40. De Ombudsman is echter van mening dat het niet nodig is de ontvankelijkheid van de tweede grief en de tweede grief grondig te onderzoeken, aangezien hij van mening is dat er geen sprake zou zijn van wanbeheer indien dit deel van de klacht als ontvankelijk zou worden beschouwd. In feite heeft de Raad uitgelegd dat hij de desbetreffende statutaire rechten van zijn ambtenaren volledig ten uitvoer heeft gelegd, heeft voorzien in passende interne maatregelen om de uitoefening van deze rechten mogelijk te maken, en aanvullende maatregelen heeft vastgesteld die verder gaan dan de door het Statuut gewaarborgde rechten. De Ombudsman is van mening dat klager geen tastbaar bewijs of argumenten heeft aangevoerd om deze verklaring te weerleggen. De wijze waarop de Raad de zaak van klager zelf heeft behandeld, draagt in feite bij tot de geloofwaardigheid van zijn bewering dat hij alle nodige maatregelen heeft genomen. Er zij aan herinnerd dat de Raad heeft besloten zijn besluit van 21 mei 2008 te wijzigen door klager de dubbele kindertoelage voor onbepaalde tijd toe te kennen. De Raad heeft klager ook uitdrukkelijk verzekerd dat hij zijn zorgplicht zal nakomen als hij niet langer voor zijn zoon kan zorgen.

41. Gezien het bovenstaande concludeert de Ombudsman dat er geen redenen zijn voor verder onderzoek naar de tweede bewering en de daarmee verband houdende bewering.

C. Conclusies

Op basis van zijn onderzoek naar deze klacht sluit de Ombudsman deze af met de volgende conclusies:

Er zijn geen redenen om de onderhavige klacht nader te onderzoeken.

Klager en de Raad zullen van dit besluit in kennis worden gesteld.

 

P. Nikiforos DIAMANDOUROS

Gedaan te Straatsburg op 31 mei 2010


[1] Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB 2004, L 124, blz. 1).

[2] In zijn brief van 2 juni 2008 stelde klager de volgende vragen:

"Ikwil graag op de hoogte worden gebracht:

(1) om de reden(en) in het algemeen om [het] verzoek [om levenslange ondersteuning] niet te aanvaarden, alsmede om de rechtsgrondslag van die reden(en).

(2) op basis van de rechtsgrondslag waarop het besluit van de Raad is genomen, uitsluitend voor [de] periode [tot 2011].

(3) de geldigheidsduur van het voorgelegde certificaat voor de Raad en de rechtsgrondslag op basis waarvan deze geldigheidsduur in aanmerking is genomen. Houd er rekening mee dat in zijn leven de zaak van mijn zoon niet opnieuw zal worden onderzocht door een medische commissie, zoals het ingediende document heeft gedaan, zoals het meerdere malen is benadrukt in mijn documenten gericht aan de hiërarchie, levenstijdwaarde.

(4) de aard van de medische gegevens waarop het geval van mijn zoon opnieuw zal worden onderzocht en de rechtsgrondslag waarop deze medische documenten zullen worden opgevraagd.

(5) de noodzakelijke medische documenten - verslagen die ik moet indienen op basis waarvan de Raad een besluit kan nemen dat de gehele levenscyclus bestrijkt, alsmede de rechtsgrondslag waarop dit besluit kan worden genomen."

[3] Nota 186/09 van het personeel: Informatie voor ouders van gehandicapte en/of zeer ernstig zieke kinderen.

[4] "Deuitkering voor een kind dat door een ernstige ziekte of invaliditeit verhinderd is in zijn levensonderhoud te voorzien, wordt voortgezet gedurende de gehele periode van die ziekte of invaliditeit, ongeacht de leeftijd."

[5] "Het"bestaan van een zware uitgave" wordt door het tot aanstelling bevoegde gezag vastgesteld op basis van het advies van de raadgevend arts van de instelling die, rekening houdend met de uitvoerig gemotiveerde mening van de behandelend arts van het kind, de mate van handicap heeft beoordeeld aan de hand van de Europese beoordelingsschaal voor lichamelijke en geestelijke handicaps voor medische doeleinden."

[6] "1. procedures vast te stellen om een gezinslid als ten laste komend te beschouwen;

2. omschrijft de certificaten die [ambtenaren] per geval moeten indienen;

3. ten minste in [zijn] geval te verduidelijken waarom het overgelegde certificaat niet voldoende wordt geacht om [zijn] kind als levenslang afhankelijk te beschouwen, aangezien het certificaat levenslang geldig is;

4. zorg dragen voor de rehabilitatie van de gehandicapte kinderen;

5. zorg dragen voor de re-integratie in de gemeenschap van de gehandicapte kinderen;

6. accepteren als medische kosten de speciale behandeling aanbevolen door specialisten zoals zwemmen, het bijwonen van seminars, horsing [sic], kosten voor het bijwonen van speciale scholen;

7. de psycholoog als onderdeel van de therapie te beschouwen en geen speciale toestemming te vragen voor het verlenen van psychologische ondersteuning door psychologen naast psychiaters;

8. erkennen dat een dergelijk probleem niet alleen het zieke gezinslid treft, maar alle gezinsleden[...];

9. de procedures automatiseren en de kinderen blijven ondersteunen met de "beroemde" dubbele kindertoelage, zelfs na de voorziene termijn, en de ambtenaren, met name na hun pensionering of hun overlijden, er met behulp van de IT-technologie aan herinneren dat zij verplicht zijn de vooraf vastgestelde, zoals hierboven aanbevolen, certificaten over te leggen;

10. voorzien in procedures voor de dekking van de kinderen in geval van overlijden van beide ouders, met name als de verlenging van de afhankelijkheid van het kind nog steeds geldig is;

11. reeds procedures vast te stellen voor de stappen die moeten worden ondernomen voor de rechtsbescherming van deze kinderen na het overlijden van hun ouders; en

12. in het algemeen, om het medische systeem van een geavanceerd land als Duitsland, Frankrijk, Zweden te kopiëren en zeker om voorbeelden zoals die [van zijn eigen land] te vermijdenen om een systeemprototype op te zetten voor alle EU-lidstaten. "

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!