FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 841/2003/(FA)OV tegen de Europese Commissie


Straatsburg, 10 mei 2004

Geachte heer G.,

Op 23 april 2003 heeft u namens Intersalonika een klacht ingediend bij de Europese Ombudsman over de wijze waarop de Europese Commissie toezicht heeft gehouden op de omzetting van de communautaire verzekeringswetgeving in de Griekse nationale wetgeving.

Op 19 juni 2003 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Commissie. De Commissie heeft op 1 oktober 2003 advies uitgebracht. Ik heb het u toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 3 december 2003 hebt toegezonden. U heeft op 7 januari 2004 aanvullende opmerkingen ingediend.

Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.

Om misverstanden te voorkomen, is het belangrijk eraan te herinneren dat het EG-Verdrag de Europese Ombudsman de bevoegdheid verleent om alleen bij het optreden van de communautaire instellingen en organen onderzoek te doen naar mogelijke gevallen van wanbeheer. In het statuut van de Europese Ombudsman is uitdrukkelijk bepaald dat tegen geen enkele handeling van een andere autoriteit of persoon, zoals de Griekse autoriteiten, een klacht bij de Ombudsman kan worden ingediend.

Het onderzoek van de Ombudsman naar uw klacht had derhalve tot doel na te gaan of er sprake was van wanbeheer bij de activiteiten van de Europese Commissie.


Het KLACHT

De klager is de voorzitter van een Griekse verzekeringsmaatschappij die in Thessaloniki is gevestigd en onder meer vervoermiddelen aanbiedt om patiënten bij te staan. De klacht wordt ingediend namens het bedrijf.

Volgens de klager zijn de relevante feiten als volgt:

Op 26 september 2001 zond klager een brief aan de Europese Commissie (DG Energie en Vervoer) waarin hij zijn bezorgdheid uitte over de omzetting door de Griekse autoriteiten van de Richtlijnen 84/641/EEG (1) en 92/49/EEG (2) en van de communautaire wetgeving op het gebied van luchtvaartmaatschappijen (Verordeningen 2407/92 (3) en 2408/92 (4) van de Raad). De klager verwees met name naar het feit dat de helikopters van de klager - die worden geëxploiteerd door Air Intersalonika - geen patiënten mogen vervoeren omdat het Griekse nationale centrum voor noodhulp (EKAB) een exclusief recht heeft om dit soort bijstand te verlenen. In zijn brief verzocht klager de Commissie maatregelen te nemen om de Griekse autoriteiten ertoe te brengen het Gemeenschapsrecht toe te passen.

Op 6 november 2001 heeft de Commissie op de brief van klager geantwoord dat de communautaire wetgeving inzake luchtvervoer geen beperkingen oplegt aan Air Intersalonika en dat het "gerechtvaardigd leek om bij de Griekse autoriteiten na te gaan waarom zij geen gevolg hebben gegeven aan de aanvraag van een exploitatievergunning door Air Intersalonika". De Commissie deelde klager ook mee dat DG Interne Markt (Eenheid Verzekeringsaangelegenheden) moet onderzoeken in hoeverre Griekenland de Richtlijnen 84/641/EEG en 92/49/EEG van de Raad correct in zijn nationale wetgeving heeft omgezet.

Op 26 februari 2002 zond klager een nieuwe brief aan DG Interne markt, waarin hij de Commissie verzocht hem in kennis te stellen van de omzetting van de Richtlijnen 84/641/EEG en 92/49/EEG in Griekenland. In zijn brief verwees klager uitvoerig naar alle artikelen van beide richtlijnen die niet correct waren omgezet.

Op 7 maart 2002 heeft de Commissie op de brief van klager geantwoord. Zij heeft het toepassingsgebied van de Richtlijnen 84/641/EEG en 92/49/EEG uiteengezet en verwezen naar de wetten die de Griekse wetgeving hadden gewijzigd om het Gemeenschapsrecht om te zetten. Bovendien deelde de Commissie klager mee dat een inbreukprocedure op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag (ref. 1998/4727) was ingeleid tegen Griekenland, omdat deze richtlijnen door de Griekse autoriteiten zodanig werden toegepast en geïnterpreteerd dat in andere lidstaten gevestigde verzekeringsmaatschappijen het recht van vestiging of het vrij verrichten van diensten niet konden uitoefenen om bepaalde verzekeringsactiviteiten in Griekenland uit te oefenen. Na de inleiding van de niet-nakomingsprocedure is de Griekse wet echter gewijzigd om de beperkende regel te schrappen. De Commissie heeft klager derhalve meegedeeld dat de inbreukprocedure formeel zou worden afgesloten.

In zijn klacht bij de Ombudsman, die in april 2003 werd ingediend, stelt klager dat het antwoord van de Commissie van 7 maart 2002 te algemeen was en te beperkt in het verschaffen van verduidelijkingen, aangezien het alleen betrekking had op de activiteiten van verzekeringsmaatschappijen uit andere lidstaten en geen melding maakte van het rechtskader voor Griekse ondernemingen die in Griekenland actief zijn. Bovendien werd geen uitleg gegeven over de problematische artikelen van de richtlijnen. Volgens klager heeft de Commissie het Gemeenschapsrecht selectief toegepast, ten nadele van Griekse verzekeringsmaatschappijen, en heeft zij geen duidelijkheid verschaft over de chaos in de Griekse wetgeving op het gebied van verzekeringen. Ter ondersteuning van dit argument wijst klager erop dat het nationale centrum voor noodhulp (EKAB) een exclusief recht heeft om bijstand te verlenen in Griekenland en dat het weigert vergunningen af te geven voor de ambulances en helikopters van klager.

Klager voert ook aan dat de Commissie niet heeft opgemerkt dat sommige communautaire bepalingen alleen in nationaal recht zijn omgezet om Griekenland aan inbreukprocedures te onttrekken en dat, toen dit was bereikt, deze bepalingen werden afgeschaft en vervangen door andere die opnieuw in strijd waren met het Gemeenschapsrecht.

De beweringen van klager kunnen derhalve als volgt worden samengevat:

1. De Commissie heeft er niet voor gezorgd dat de verzekeringsrichtlijnen correct in de Griekse nationale wetgeving zijn omgezet. De Commissie heeft met name verzuimd een follow-up te geven aan de situatie van de Griekse verzekeringsmaatschappijen die in Griekenland actief zijn, in vergelijking met bedrijven uit andere lidstaten. Ook heeft de Commissie nagelaten te onderzoeken of deze richtlijnen na de intrekking van de inbreukprocedure nog steeds correct zijn omgezet.

2. De Commissie heeft klager niet uitvoerig geantwoord met betrekking tot de artikelen die volgens hem slecht in Grieks nationaal recht waren omgezet (opgesomd in zijn brief van 26 februari 2002).

Het onderzoek

Advies van de Commissie Het
rechtskader

De Commissie heeft eerst de toepasselijke communautaire wetgeving op het gebied van de bijstandsverzekering toegelicht. Richtlijn 84/641/EEG ("de bijstandsrichtlijn") vult de Eerste Richtlijn 73/239/EEG aan met het oog op de opname van de activiteit van toeristische bijstand (toegevoegd als "klasse 18" van de bijlage). In de bijstandsrichtlijn wordt rekening gehouden met het bijzondere kenmerk van deze activiteit, namelijk dat de verzekeraar meestal diensten in natura verricht en daarbij gebruik kan maken van middelen (personeel en uitrusting, zoals ambulances, vliegtuigen, callcenters) die door derden worden verstrekt.

De communautaire verzekeringswetgeving (Richtlijnen 73/239/EEG en 92/49/EEG) voorziet in een systeem van uniforme goedkeuring van en toezicht op verzekeringsmaatschappijen in hun lidstaat van herkomst, waardoor een erkende onderneming haar activiteiten in alle lidstaten kan uitoefenen. Op grond van artikel 6 van de bijstandsrichtlijn kan elke lidstaat echter voorzien in controle op de directe en indirecte middelen (personeel en uitrusting, met inbegrip van de kwalificatie van medisch personeel en de kwaliteit van de uitrusting) van bijstandsverzekeraars. Indien een lidstaat besluit een dergelijke controle uit te oefenen, moeten zijn autoriteiten rekening houden met de specifieke toepasselijke bepalingen die verder gaan dan het strikte kader van de verzekeringswetgeving. Gezien het systeem van één enkele goedkeuring valt de controle op technische middelen onder de exclusieve verantwoordelijkheid van de lidstaat van oorsprong en kunnen andere lidstaten geen controle uitoefenen op ondernemingen die reeds zijn goedgekeurd en die een dochteronderneming oprichten of elders diensten verlenen.

De Griekse wetgeving tot omzetting van Richtlijn 84/641/EEG

De "bijstandsrichtlijn" is in Grieks recht omgezet bij presidentieel decreet nr. 103/1990 van 22 maart 1999 (5). De Commissie heeft deze wetgeving ambtshalve onderzocht en ook klachten ontvangen van verzekeringsmaatschappijen uit andere lidstaten die in Griekenland geen bijstand mochten verlenen met middelen van derden. In april 2000 heeft de Commissie de inbreukprocedure van artikel 226 van het EG-Verdrag ingeleid. Aangezien Griekenland het met redenen omkleed advies van 22 september 2000 niet heeft opgevolgd, heeft de Commissie zich op 21 december 2000 tot het Hof van Justitie gewend. Op 10 april 2001 heeft Griekenland een nieuwe wet (nr. 2698/2001) aangenomen tot wijziging van zijn wetgeving en deze op 1 juni 2001 aan de Commissie meegedeeld. Op 20 maart 2002 heeft de Commissie besloten de inbreukprocedure te beëindigen. Uit recent van de klager ontvangen informatie blijkt dat er geen belemmeringen meer zijn voor verzekeringsmaatschappijen om bijstand te verlenen met behulp van technische middelen die door derden worden verstrekt. Ook heeft de Commissie hierover geen nieuwe klachten ontvangen. De Commissie is van mening dat zij alles in het werk heeft gesteld om na te gaan of de bijstandsrichtlijn correct in Grieks recht is omgezet.

De situatie van Griekse hulpverzekeraars en de verenigbaarheid ervan met het Gemeenschapsrecht

Wat het argument van klager betreft dat de Griekse wetgeving tot omzetting van de bijstandsrichtlijn Griekse ondernemingen discrimineert, belet het gemeenschapsrecht niet dat een lidstaat beschikt over een systeem dat voor zijn eigen onderdanen een strengere regeling invoert dan voor de onderdanen van andere lidstaten die zich beroepen op het recht van vestiging of het recht om diensten te verrichten. De verzekeringsrichtlijnen voorzien in een minimaal systeem, waardoor elke lidstaat strengere bepalingen kan vaststellen voor ondernemingen die door zijn eigen autoriteiten zijn goedgekeurd.

Op grond van artikel 6 van de bijstandsrichtlijn kan elke lidstaat voorzien in controle op de directe en indirecte middelen van verzekeringsmaatschappijen. De Griekse wetgeving inzake verzekeringscontrole (Wetsbesluit 400/70) heeft van deze mogelijkheid gebruikgemaakt. Artikel 17, onder c), bepaalt voor bijstand dat "de controle door de controlerende autoriteit ook betrekking heeft op de kwalificaties van personeel, met inbegrip van medisch personeel, en de kwaliteit van de apparatuur die door de ondernemingen wordt gebruikt om hun verplichtingen na te komen. Deze controle wordt uitgevoerd in rechtstreekse samenwerking met de bevoegde diensten van de betrokken ministeries” (vertaling uit het Frans door de diensten van de Ombudsman).

Overeenkomstig de regel van één enkele goedkeuring en controle door de lidstaat van oorsprong van de verzekeringsmaatschappij is dit systeem alleen van toepassing op ondernemingen die onder de bevoegdheid van de Griekse toezichthoudende autoriteiten vallen, d.w.z. Griekse ondernemingen.

Wat Verordening 2407/92/EEG betreffende de verlening van exploitatievergunningen aan luchtvaartmaatschappijen betreft, voorziet deze verordening, die deel uitmaakt van de regels voor de liberalisering van het luchtvervoer in de Gemeenschap, in uniforme criteria voor het verlenen van exploitatievergunningen. Het betreft uitsluitend commerciële luchtvaartdiensten, met uitsluiting van particuliere luchtvaartmaatschappijen. De vergunningen worden uitsluitend door de bevoegde nationale autoriteiten afgegeven nadat zij zich ervan hebben vergewist dat aan de voorschriften van de verordening is voldaan.

Vermeend gebrek aan gedetailleerd antwoord op de correspondentie van klager

De Commissie heeft alle correspondentie van klager overeenkomstig haar code van goed administratief gedrag behandeld door binnen de gestelde termijnen gedetailleerde antwoorden te geven. Deze antwoorden stelden klager in staat de juridische redenen voor het standpunt van de Commissie en haar interpretatie van de bepalingen van het Gemeenschapsrecht te begrijpen.

De Commissie gaf een gedetailleerd overzicht van haar antwoorden, met vermelding van de exacte referenties van alle brieven:

Klager schreef op 26 september 2001 een brief aan DG Energie en Vervoer (DG TREN) waarin hij verwees naar een brief van de manager van Hellas Air SA aan DG TREN en naar het antwoord van DG TREN op die brief.

In zijn antwoord van 6 november 2001 gaf DG TREN een toelichting op de communautaire luchtvervoersregels vanuit het oogpunt van exploitatievergunningen en markttoegang. Meer in het bijzonder heeft DG TREN uitgelegd dat exploitatievergunningen worden afgegeven door de bevoegde nationale autoriteit, in dit geval het directoraat-generaal voor de Griekse burgerluchtvaart. In hun antwoord herinnerden de diensten van de Commissie aan de voorwaarden waaronder de vergunningen kunnen worden afgegeven, en verwezen zij ook naar het verband met de communautaire voorschriften inzake markttoegang en naar de mogelijkheid om beperkingen in te voeren in overeenstemming met de communautaire voorschriften. In het antwoord werd geconcludeerd dat "bij ontstentenis van dergelijke maatregelen die momenteel van kracht zijn, er geen beperking van toepassing zou moeten zijn op Air Intersalonika om routes binnen Griekenland of de Gemeenschap te bedienen. Daarom lijkt het gerechtvaardigd om de Griekse autoriteiten te vragen waarom zij geen gevolg hebben gegeven aan de aanvraag van een exploitatievergunning door Air Intersalonika."

Klager, die een aanvraag voor een exploitatievergunning indiende, had derhalve de mogelijkheid om op basis van dit antwoord het toepasselijke rechtskader beter te begrijpen en een dossier bij de Griekse autoriteiten in te dienen. Klager heeft zich niet opnieuw tot DG TREN gewend met betrekking tot de latere weigering van een exploitatievergunning.

Een kopie van het antwoord van DG TREN werd ook toegezonden aan DG Interne Markt (DG MARKT) om na te gaan of Richtlijn 84/641/EEG correct in Grieks recht was omgezet. Op 22 november 2001 beantwoordde DG MARKT de brief van DG TREN met een toelichting op de wijzigingen die naar aanleiding van de inbreukprocedure in de Griekse wetgeving waren aangebracht.

Voorts hebben de diensten van DG MARKT op 12 februari 2002 een brief ontvangen die de voorzitter van de Unie van Verzekeraars van Noord-Griekenland op 31 januari 2002 aan voorzitter Prodi had gezonden en die klager in zijn klacht had genoemd. DG MARKT heeft op 25 februari 2002 geantwoord met een uiteenzetting van zijn standpunt ten aanzien van de aangevoerde punten en een motivering van zijn uitlegging van het gemeenschapsrecht.

De brief van klager van 26 februari 2002 werd gekruist met de brief van de Commissie van 25 februari 2002. In deze brief heeft de Commissie het systeem van uniforme goedkeuring en controle van verzekeringsmaatschappijen in de lidstaat van oorsprong toegelicht. Als aanvulling op zijn brief van 25 februari 2002 heeft DG MARKT bij brief van 7 maart 2002 een nader gedetailleerd antwoord gegeven, waarin de wijzigingen in de Griekse wetgeving naar aanleiding van het optreden van de Commissie werden toegelicht. In de brief aan klager werd ook aangegeven dat, gezien deze wijzigingen, hulpverzekeraars nu konden samenwerken met andere ondernemingen die hun eigen voertuigen hebben. In deze omstandigheden heeft de Commissie klager in kennis gesteld van haar voornemen om de inbreukprocedure te beëindigen. Sinds die datum hebben de diensten van de Commissie geen nieuwe correspondentie van klager ontvangen.

Opmerkingen van klager

In zijn opmerkingen heeft klager kort samengevat de volgende punten naar voren gebracht:

De Commissie heeft geen diepgaand onderzoek verricht en alle middelen gebruikt om na te gaan of de bijstandsrichtlijn correct in Grieks recht is omgezet. In tegenstelling tot wat de Commissie in haar advies heeft gesteld met betrekking tot de wijzigingen in de Griekse wetgeving, is het huidige systeem in Griekenland niet verenigbaar met de richtlijn.

Bij de omzetting van de bijstandsrichtlijn is in de Griekse wetgeving niet bepaald dat Griekse verzekeringsmaatschappijen recht hebben op de afgifte van ambulancevergunningen, en is niet bepaald welke diensten verantwoordelijk zijn voor de controle van de kwalificaties van het personeel en de kwaliteit van de apparatuur die door de betrokken ondernemingen wordt gebruikt. Als gevolg van dit "toezicht" hebben de verantwoordelijke hulpdiensten geweigerd om vergunningen voor ambulances af te geven op grond van het feit dat klager, als verzekeringsmaatschappij, geen recht heeft op ambulancevergunningen. Met andere woorden, het recht van klager om bijstand te verlenen met behulp van bedrijfsmiddelen, apparatuur en personeel is tenietgedaan, ondanks het feit dat hij een vergunning heeft om bijstandsactiviteiten uit te oefenen van het Griekse ministerie van Ontwikkeling, en dat de vergunningverlenende autoriteit het recht van klager ondersteunt om ambulances aan te schaffen om bijstandsactiviteiten uit te oefenen.

Sommige autoriteiten in Griekenland aanvaarden de huidige communautaire wetgeving inzake bijstandsactiviteiten, terwijl andere dat niet doen. Doordat de ministeries van Volksgezondheid en Welzijn (via de hulpdiensten), Vervoer en Communicatie, Openbare Orde en Werkgelegenheid en Sociale Zekerheid de huidige bepalingen inzake de controle op het personeel en de uitrusting die verzekeringsmaatschappijen tijdens de bijstandsverlening gebruiken, niet hebben gewijzigd, is de bijstandsrichtlijn in wezen niet van toepassing.

De Commissie heeft niet aangegeven of haar diensten de Griekse autoriteiten om inlichtingen hebben verzocht over de vergunningsaanvraag van Air Intersalonika, ondanks het feit dat de Commissie in haar brief van 6 november 2001 aan klager had aangegeven dat het gerechtvaardigd leek de Griekse autoriteiten te vragen waarom zij geen gevolg hebben gegeven aan de vergunningsaanvraag van Air Intersalonika.

De interpretatie van de verzekeringsrichtlijnen door de Commissie in haar antwoord van 25 februari 2002 impliceerde dat het voor verzekeringsmaatschappijen mogelijk is om in een lidstaat van de EU een uniforme exploitatievergunning te verkrijgen tegen gunstiger/flexibelere voorwaarden dan die welke in andere lidstaten beschikbaar zijn, en vervolgens om overal in de EU handel te drijven.

In een aanvullende brief van 7 januari 2004 maakte klager samenvattend de volgende aanvullende opmerkingen.

De lokale afdelingen van het ministerie van Vervoer en Communicatie die bevoegd zijn voor de prefectuur Thessaloniki hebben de door een openbaar ziekenhuis afgegeven ambulancevergunningen aanvaard. Klager verkreeg ook twee overheidsvergunningen voor het verlenen van bijstand met zijn ambulances op de openbare weg. Het lijkt er dus op dat het Griekse ministerie van Vervoer en Communicatie het Griekse en het gemeenschapsrecht toepast, terwijl het ministerie van Volksgezondheid en Welzijn weigert het toe te passen en stelt dat verzekeringsmaatschappijen die bijstand verlenen geen recht hebben op een ambulancevergunning, ondanks de aanvaarding van die vergunningen door het ministerie van Vervoer en Communicatie. Het ministerie van Volksgezondheid en Welzijn handhaaft een staatsmonopolie op ambulances dat in strijd is met het EU-recht.

Klager heeft een klacht over deze inbreuk op het Gemeenschapsrecht ingediend bij de Europese Commissie, die de kwestie had moeten aanpakken om het ministerie van Volksgezondheid en Welzijn zijn houding te laten veranderen.

BESLUIT

1 Vermeend verzuim van de Commissie om toezicht te houden op de omzetting van de richtlijnen

1.1 Klager beweerde dat de Commissie er niet voor heeft gezorgd dat de Griekse autoriteiten de toepasselijke verzekeringsrichtlijnen (met name de "bijstandsrichtlijn" 84/641/EEG) correct en volledig in nationale wetgeving hebben omgezet. De Commissie heeft met name verzuimd een follow-up te geven aan de situatie van de Griekse verzekeringsmaatschappijen die in Griekenland actief zijn, in vergelijking met bedrijven uit andere lidstaten. Ook heeft de Commissie nagelaten te onderzoeken of deze richtlijnen na de intrekking van de inbreukprocedure nog steeds correct zijn omgezet. Klager wees erop dat de Commissie op 6 november 2001 in antwoord op zijn brief erkende dat er op grond van de communautaire wetgeving inzake luchtvervoer geen beperkingen op Air Intersalonika van toepassing zouden moeten zijn en dat het "gerechtvaardigd leek om bij de Griekse autoriteiten na te gaan waarom zij geen gevolg hebben gegeven aan de aanvraag van een exploitatievergunning door Air Intersalonika".

1.2 De Commissie merkte op dat de bijstandsrichtlijn in Grieks recht is omgezet bij presidentieel decreet nr. 103/1990 van 22 maart 1999. Naar aanleiding van een ambtshalve onderzoek van deze wetgeving en van klachten van verzekeringsmaatschappijen uit andere lidstaten heeft de Commissie een inbreukprocedure ingeleid en de zaak aanhangig gemaakt bij het Hof van Justitie. Aangezien Griekenland bijgevolg op 10 april 2001 een nieuwe wet (nr. 2698/2001) tot wijziging van zijn wetgeving heeft aangenomen en deze op 1 juni 2001 bij de Commissie heeft aangemeld, heeft de Commissie op 20 maart 2002 besloten de inbreukprocedure te beëindigen. Uit recent van de klager ontvangen informatie blijkt dat er geen belemmeringen meer zijn voor verzekeringsmaatschappijen om bijstand te verlenen met behulp van technische middelen die door derden worden verstrekt. Ook heeft de Commissie hierover geen nieuwe klachten ontvangen.

Wat de situatie van de Griekse vennootschappen betreft, heeft de Commissie erop gewezen dat het gemeenschapsrecht een lidstaat niet verbiedt te beschikken over een stelsel dat, omdat het verenigbaar is met een richtlijn, voorziet in een strengere regeling voor zijn eigen onderdanen dan voor de onderdanen van andere lidstaten die zich beroepen op het recht van vestiging of het recht om diensten te verrichten. De verzekeringsrichtlijnen voorzien in een minimumregeling die de lidstaten in staat stelt strengere bepalingen vast te stellen voor ondernemingen die door hun eigen autoriteiten zijn goedgekeurd.

Ten slotte heeft de Commissie in haar antwoord aan klager van 6 november 2001 toelichtingen verstrekt die klager in staat stelden het toepasselijke rechtskader beter te begrijpen en een dossier bij de Griekse autoriteiten in te dienen. Klager heeft zich niet opnieuw tot DG TREN gewend met betrekking tot de latere weigering van een exploitatievergunning.

1.3 Om te beginnen merkt de Ombudsman op dat klager zich bezighoudt met de situatie van Griekse verzekeringsmaatschappijen die in Griekenland actief zijn en niet met de situatie van verzekeringsmaatschappijen uit andere lidstaten die in Griekenland actief zijn. De Ombudsman begrijpt derhalve niet dat klager twijfelt aan de toereikendheid van het optreden van de Commissie met betrekking tot laatstgenoemde situatie, die het onderwerp was van de inbreukprocedure die door de Commissie werd ingeleid en vervolgens werd ingetrokken.

1.4 Bovendien merkt de Ombudsman op dat de bezorgdheid van klager over de situatie van Griekse verzekeringsmaatschappijen die in Griekenland actief zijn, betrekking lijkt te hebben op vermeende tekortkomingen van de Griekse autoriteiten bij de correcte toepassing van de wet, en niet alleen op de omzetting van de richtlijnen in Grieks recht. Dit wordt bevestigd door de opmerkingen van klager in deze zaak, die betrekking hebben op verschillen in de houding van verschillende ministeries en op vermeende niet-toepassing van zowel het Griekse als het Gemeenschapsrecht.

1.5 In zijn brief aan de Commissie van 26 september 2001 heeft klager gewezen op het specifieke probleem van de weigering van vergunningen voor zijn helikopters vanwege het exclusieve recht van het nationale centrum voor noodhulp (EKAB) om noodhulp te verlenen. De Ombudsman heeft het antwoord van de Commissie aan klager zorgvuldig onderzocht en is van mening dat het een nuttige uitleg geeft van het relevante rechtskader. Wat betreft de door klager aangehaalde slotzin dat "het gerechtvaardigd lijkt om de Griekse autoriteiten te vragen waarom zij geen gevolg hebben gegeven aan de aanvraag van een exploitatievergunning door Air Intersalonika", merkt de Ombudsman op dat de Commissie lijkt te hebben gedacht dat zij klager een nuttige opmerking maakte over wat hij zou kunnen doen, in plaats van een belofte over wat de Commissie zelf zou doen. Klager lijkt deze zin echter aldus te hebben begrepen dat de Commissie zelf een onderzoek naar dit punt zou instellen.

1.6 De Ombudsman betreurt het dat de Commissie geen preciezere formulering heeft gebruikt, waardoor dit misverstand had kunnen worden voorkomen. De Ombudsman is echter niet van mening dat het beschikbare bewijsmateriaal een bevinding van wanbeheer in dit verband rechtvaardigt.

1.7 Concluderend vestigt de Ombudsman de aandacht van klager op het feit dat hij, wat betreft zijn aanhoudende bezorgdheid over de correcte toepassing van de wet door de Griekse autoriteiten, de mogelijkheid heeft om een nieuwe klacht in te dienen bij de Commissie, waarin de precieze aard van zijn klacht wordt verduidelijkt, of om zich tot een bevoegde nationale rechtbank te wenden om zijn rechten uit hoofde van het Gemeenschapsrecht en/of het nationale recht te beschermen.

2 Vermeend verzuim om gedetailleerd te antwoorden

2.1 Klager beweerde dat de Commissie niet in detail heeft geantwoord op de artikelen die volgens hem slecht in Grieks nationaal recht waren omgezet (vermeld in de brief van klager van 26 februari 2002).

2.2 De Commissie merkte op dat zij alle correspondentie van klager overeenkomstig de Code van goed administratief gedrag heeft behandeld en binnen de gestelde termijnen uitvoerig heeft geantwoord, zodat klager de juridische redenen voor zijn standpunt en de interpretatie van de bepalingen van het Gemeenschapsrecht kon begrijpen. De brief van klager van 26 februari 2002 werd gekruist met de brief van de Commissie van 25 februari 2002. In deze brief heeft de Commissie het systeem van de uniforme goedkeuring en controle van verzekeringsmaatschappijen in de lidstaat van oorsprong toegelicht. Als aanvulling op deze brief heeft DG MARKT bij brief van 7 maart 2002 een nader gedetailleerd antwoord gegeven, waarin de wijzigingen werden toegelicht die in de Griekse wetgeving waren aangebracht naar aanleiding van het optreden van de Commissie. In de brief werd de klager ook meegedeeld dat, gezien de wijzigingen, hulpverzekeraars nu konden samenwerken met andere ondernemingen die hun eigen voertuigen hebben. In deze omstandigheden heeft de Commissie klager in kennis gesteld van haar voornemen om de inbreukprocedure te beëindigen.

2.3 De Ombudsman merkt op dat klager in zijn brief van 26 februari 2002 beweerde dat de Richtlijnen 84/641/EEG en 92/49/EEG niet correct in Grieks nationaal recht waren omgezet en de volledige lijst van beweerdelijk onjuist omgezette artikelen van beide richtlijnen gaf.

2.4 In haar antwoord van 7 maart 2002 gaf de Commissie een gedetailleerd overzicht van de relevante bepalingen van de Richtlijnen 72/239/EEG, 84/641/EEG en 92/49/EEG en de nationale Griekse wetgeving. Zij legde klager uit waarom zij een inbreukprocedure tegen Griekenland had ingeleid en waarom zij voornemens was de procedure te beëindigen.

2.5 De Ombudsman is van mening dat, hoewel de Commissie geen specifieke opmerkingen heeft gemaakt over elk door klager genoemd artikel, het antwoord aan klager de klager in staat heeft gesteld de redenen voor het standpunt van de Commissie te begrijpen. Er werd dus geen geval van wanbeheer vastgesteld.

3 Conclusie

Op basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht lijkt er geen sprake te zijn geweest van wanbeheer door de Commissie. De Ombudsman sluit daarom de zaak.

De voorzitter van de Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.

Met vriendelijke groet,

 

P. Nikiforos DIAMANDOUROS


(1) Richtlijn 84/641/EEG van de Raad van 10 december 1984 tot wijziging, met name wat de bijstand aan toeristen betreft, van de Eerste Richtlijn (73/239/EEG) tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan, PB L 339/21.

(2) Richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn levensverzekering), PB L 311/34.

(3) Verordening (EEG) nr. 2407/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de verlening van exploitatievergunningen aan luchtvaartmaatschappijen, PB 1993, L 045/30.

(4) Verordening (EEG) nr. 2408/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutes.

(5) Gepubliceerd in FEK A nr. 47 van 2 april 1990, blz. 493.

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!