FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 446/2001/(BB)MF tegen de Europese Commissie




Straatsburg, 17 juni 2002

Geachte heer K.,

Op 22 maart 2001 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen het DG Personeelszaken en algemeen beheer van de Europese Commissie betreffende intern vergelijkend onderzoek COM/TA/99.

Op 14 mei 2001 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Europese Commissie. U hebt mij op 21 mei 2001 aanvullende documenten toegezonden, die ik op 15 juni 2001 aan de Commissie heb doen toekomen. De Europese Commissie heeft op 24 juli 2001 advies uitgebracht. Ik heb het u toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 2 oktober 2001 hebt toegezonden. U heeft mij op 31 oktober 2001 verdere opmerkingen toegezonden. Op 7 december 2001 heb ik de voorzitter van de Europese Commissie schriftelijk om nadere informatie verzocht. De Commissie heeft op 31 januari 2002 haar tweede advies uitgebracht, dat ik u heb doen toekomen. Op 3 maart 2002 heb ik uw opmerkingen over het advies van de Commissie ontvangen.

Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.

Het KLACHT

Klager werkte acht jaar als tijdelijk functionaris bij de Europese Commissie. Hij nam deel aan het interne vergelijkend onderzoek COM/TA/99. Hij slaagde voor de schriftelijke toets en werd toegelaten tot de mondelinge toets. Klager werd er vervolgens van in kennis gesteld dat zijn naam niet op de reservelijst was geplaatst. De Commissie heeft zijn tijdelijke overeenkomst op 15 februari 2001 beëindigd. Volgens klager had de Commissie de termijn voor de kandidaturen voor het vergelijkend onderzoek verlengd en nog eens 100 kandidaten toegelaten. De Commissie had zich ertoe verbonden 110 kandidaten op de reservelijst te plaatsen, maar uiteindelijk slechts 66 kandidaten toegelaten.

Op 20 november 2000 diende klager een klacht in bij de Europese Commissie op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut.

Op 21 november 2000 diende hij een klacht in bij de Europese Ombudsman (1523/2000/BB). De klacht werd niet-ontvankelijk verklaard overeenkomstig artikel 2.8 van het Statuut van de Ombudsman, omdat de termijn voor het antwoord van de Commissie op de klacht van klager uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren niet was verstreken.

Op 22 maart 2001 diende klager een nieuwe klacht in bij de Europese Ombudsman. Hij deed de volgende aantijgingen:

1. Procedurele onregelmatigheden:

i) De Commissie heeft de termijn voor de indiening van sollicitaties voor het vergelijkend onderzoek verlengd en nog eens 100 kandidaten toegelaten.

ii) Als gevolg van i) hierboven heeft de jury ontslag genomen, maar is zij vervolgens overeengekomen haar werkzaamheden te hervatten. De omstandigheden van deze overeenkomst zijn onverklaarbaar en doen twijfel rijzen over de onafhankelijkheid van de jury.

iii) De Commissie heeft slechts 66 kandidaten op de reservelijst geplaatst, hetgeen in strijd is met een toezegging die zij had gedaan om 110 kandidaten op de reservelijst te plaatsen.

iv) De tijdens het mondeling examen gestelde vragen hielden geen verband met de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek genoemde doelstellingen.

2. De Commissie heeft de klacht van klager over artikel 90 niet binnen de termijn van vier maanden beantwoord.

3. De Commissie beëindigde het tijdelijke contract van klager in strijd met de basisprocedures van het nationale recht, waardoor zij misbruik maakte van haar immuniteitspositie.

Klager stelt dat de Commissie hem het verslag van zijn mondeling examen moet meedelen, met nadere gegevens over de gestelde vragen, de naam van de persoon die elke vraag stelt en de door elk lid van de jury toegekende punten, alsmede hun eventuele opmerkingen. Hij stelt ook dat de Commissie zijn klacht duidelijk en nauwkeurig moet toelichten en de schade moet vergoeden die hij als gevolg van het wanbeheer ervan heeft geleden.

Het onderzoek

Advies van de Commissie

Het advies van de Europese Commissie over de klacht luidde als volgt:

1. Met betrekking tot de vermeende procedurele onregelmatigheden verklaarde de Europese Commissie dat de vermoedens van klager over de procedure van het vergelijkend onderzoek en de onafhankelijkheid van de jury ongegrond waren. De Europese Commissie had een dergelijke bewering reeds behandeld in haar antwoord op de klacht van klager op grond van artikel 90 en had geen aanvullende opmerkingen.

2. Met betrekking tot de bewering dat de klacht van klager op grond van artikel 90 niet was beantwoord, verklaarde de Europese Commissie dat zij klager op 29 maart 2001 had geantwoord.

3. Bij brief van 9 november 1999 werd klager in kennis gesteld van de verlenging van zijn tijdelijke contract als gevolg van zijn deelname aan het interne vergelijkend onderzoek COM/TA/99. Hij werd er echter ook van in kennis gesteld dat, indien hij niet tot de geslaagde kandidaten zou behoren, zijn tijdelijke overeenkomst zou eindigen na afloop van een opzegtermijn van drie maanden. Op 23 oktober 2000 werd klager ervan in kennis gesteld dat zijn naam niet op de reservelijst was geplaatst. Vervolgens werd hem meegedeeld dat de opzegtermijn inging op 16 november 2000 en dat zijn tijdelijke overeenkomst vervolgens op 15 februari 2001 zou eindigen. De Europese Commissie voerde aan dat zij het tijdelijke contract van klager had beëindigd overeenkomstig artikel 47, lid 2, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (1).

Wat het verwijt van misbruik van immuniteit betreft, heeft de Commissie verwezen naar artikel 283 EG, betreffende de bevoegdheid van de Raad om het Statuut vast te stellen, en naar artikel 236 EG, betreffende de exclusieve bevoegdheid van het Hof in geschillen tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden. De Commissie was derhalve van oordeel dat de bewering dat de tijdelijke overeenkomst van klager in strijd met de basisprocedures van het nationale recht was beëindigd en dat er sprake was van misbruik van zijn immuniteitspositie, juridisch ongegrond was.

Opmerkingen van klager

De Europese Ombudsman zond het standpunt van de Commissie door aan klager met een uitnodiging om opmerkingen te maken. In zijn antwoord herhaalde klager zijn beschuldigingen van procedurele onregelmatigheden en verklaarde hij dat de Commissie de jury had gedwongen nog eens 100 kandidaten toe te laten tot de schriftelijke examens. Als gevolg van deze inmenging van de Commissie in de werkzaamheden van de jury heeft de jury ontslag genomen. Zij stemde ermee in haar werkzaamheden naderhand af te ronden, waardoor haar onafhankelijkheid in twijfel werd getrokken. De Europese Commissie weigerde de omstandigheden van deze overeenkomst toe te lichten.

Hij herhaalde zijn bewering dat er geen verband bestond tussen de tijdens het mondeling examen gestelde vragen en de in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek vermelde doelstellingen, en handhaafde zijn stelling met betrekking tot het verslag van zijn mondeling examen.

Nadere inlichtingen

Na zorgvuldige bestudering van het standpunt van de Europese Commissie en de opmerkingen van klager bleek nader onderzoek noodzakelijk. Daarom heeft de Ombudsman de opmerkingen van klager doorgestuurd naar de Commissie en verzocht om aanvullende informatie over de vermeende procedurele onregelmatigheden.

Aanvullend advies van de Commissie

Volgens de Commissie heeft de directeur-generaal Administratie en Personeelszaken, die optreedt als tot aanstelling bevoegd gezag, daadwerkelijk besloten de termijn voor de kandidaturen voor het vergelijkend onderzoek te verlengen. Bij e-mail van 2 december 1999 heeft hij alle personeelsleden van de Commissie van zijn besluit in kennis gesteld. Bovendien verwees de directeur-generaal Administratie en Personeelszaken naar het Gemengd Comité en verbond hij zich ertoe 110 kandidaten op de reservelijst te plaatsen, in plaats van de 80 die oorspronkelijk waren gepland. Het doel ervan was rekening te houden met de belangen van de kandidaten, aangezien de aankondiging van vergelijkend onderzoek COM/TA/99 verschilde van de eerstgenoemde aankondigingen, zowel wat betreft de voorwaarden om in aanmerking te komen als wat betreft de termijnen voor de indiening van sollicitaties.

De jury heeft weliswaar ontslag genomen naar aanleiding van het besluit van de directeur-generaal Administratie en Personeelszaken van 2 december 1999. Naar aanleiding van een bericht van de directeur-generaal Administratie en Personeelszaken van 12 januari 2000 heeft de jury echter besloten haar ontslag in te trekken en haar werkzaamheden te hervatten. Het ontslag en de hervatting van de werkzaamheden van de jury lijken derhalve te worden toegelicht. Er blijft dus geen onzekerheid bestaan over de onafhankelijkheid van de jury, aangezien zij zelf heeft besloten haar ontslag in te trekken.

De jury heeft op eigen initiatief besloten slechts 66 kandidaten toe te laten tot de reservelijst, als onafhankelijk panel, zonder tussenkomst van de Commissie. Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie kan de beoordeling door de jury van de bekwaamheden van de kandidaten worden onderworpen aan toetsing door de Rekenkamer "alleen wanneer er sprake is van een flagrante schending van de regels inzake de werkzaamheden van de jury."(2)

Wat betreft het vermeende gebrek aan verband tussen het mondeling examen en de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek vermelde doelstellingen en de bewering van klager met betrekking tot het verslag van zijn mondeling examen, heeft de Commissie verklaard dat elk lid van de jury de kandidaten geen individueel cijfer heeft toegekend of individuele opmerkingen heeft gemaakt. De jury is een collegiaal orgaan. De leden van de jury handelen in samenwerking en de procedures zijn geheim, overeenkomstig artikel 6 van bijlage III bij het Statuut.

Op eigen initiatief heeft de Commissie bij haar aanvullend advies een kopie van het evaluatieformulier voor het mondeling examen van klager gevoegd. De Commissie heeft aangegeven dat dit document vertrouwelijk is en niet aan klager mag worden toegezonden.

Aanvullende opmerkingen van klager

De Ombudsman zond het standpunt van de Commissie door aan klager en deelde hem mee dat de Commissie een kopie van het evaluatieformulier van zijn mondelinge toets als vertrouwelijk document aan de Ombudsman had toegezonden.

Klager vroeg zich af of de vertrouwelijkheid van het evaluatieformulier in zijn geval gerechtvaardigd is. Hij herhaalde ook zijn beschuldiging van procedurele onregelmatigheden, met name het gebrek aan onafhankelijkheid van de jury, na de tussenkomst van het tot aanstelling bevoegde gezag in zijn werkzaamheden. Volgens klager blijven de omstandigheden van het ontslag en de daaropvolgende hervatting van de werkzaamheden van de jury onverklaard.

BESLUIT

1 Betwisting van procedurele onregelmatigheden

1.1 Klager beweerde procedurele onregelmatigheden tijdens intern vergelijkend onderzoek COM/TA/99.

a) De acties van de Commissie en de onafhankelijkheid van de jury

1.2 Volgens klager heeft de Commissie de termijn voor de kandidaturen voor het vergelijkend onderzoek verlengd en nog eens 100 kandidaten toegelaten tot het vergelijkend onderzoek. Als gevolg daarvan nam de jury ontslag, maar stemde er vervolgens mee in om haar werkzaamheden in onverklaarbare omstandigheden te hervatten, waardoor de onafhankelijkheid van de jury in twijfel werd getrokken.

1.3 Volgens de Commissie heeft het tot aanstelling bevoegde gezag besloten de termijn voor de kandidaturen te verlengen en zich ertoe verbonden 110 kandidaten op de reservelijst te plaatsen. De jury nam ontslag, maar besloot naar aanleiding van een bericht van de directeur-generaal Administratie en Personeelszaken haar ontslag in te trekken en haar werkzaamheden te hervatten. Het ontslag en de hervatting van de werkzaamheden van de jury lijken derhalve te worden toegelicht. Er blijft dus geen onzekerheid bestaan over de onafhankelijkheid van de jury, aangezien zij zelf heeft besloten haar ontslag in te trekken.

1.4 De Ombudsman merkt op dat de Commissie in haar aanvullend advies heeft verklaard dat de directeur-generaal Administratie en Personeelszaken alle personeelsleden van de Commissie per e-mail van 2 december 1999 in kennis heeft gesteld van zijn besluit om de termijn voor de sollicitaties te verlengen. De Ombudsman is van mening dat de verlenging van de termijn voor de indiening van sollicitaties een aanzienlijke wijziging inhoudt van de voorwaarden waaronder de aankondiging van vergelijkend onderzoek is gepubliceerd. Uit de gegevens in het dossier blijkt dat de Commissie na de bekendmaking van de aankondiging van vergelijkend onderzoek op 5 juli 1999 op 30 juli 1999 waarschijnlijk een rectificatie heeft gemaakt over een andere aangelegenheid. De Ombudsman is van mening dat de Commissie een ander corrigendum op de aankondiging van vergelijkend onderzoek had moeten aanbrengen om de uiterste termijn voor kandidaturen te verlengen, aangezien deze wijziging de aankondiging van vergelijkend onderzoek aanzienlijk wijzigt. Het verzuim om dit te doen was een geval van wanbeheer. De Ombudsman zal hierover een kritische opmerking maken.

1.5 Bovendien merkt de Ombudsman op dat de Commissie in haar aanvullende opmerkingen heeft betoogd dat het doel van haar toezegging om 110 kandidaten op de reservelijst te plaatsen, was rekening te houden met het belang van de kandidaten. De Ombudsman is van mening dat een dergelijke verplichting om rekening te houden met de belangen van de ambtenaren volgens vaste rechtspraak toekomt aan de jury en niet aan het tot aanstelling bevoegde gezag (3). Door de uiterste termijn voor sollicitaties te verlengen en zich ertoe te verbinden het aantal kandidaten op de reservelijst te verhogen, heeft het tot aanstelling bevoegde gezag de kandidaten bevoordeeld die niet voldeden aan de in de oorspronkelijke aankondiging van vergelijkend onderzoek vastgestelde toelatingsvoorwaarden. Dit was een tweede geval van wanbeheer. De Ombudsman zal een tweede kritische opmerking over dit punt maken.

b) Het aantal kandidaten dat tot de reservelijst is toegelaten

1.6 Volgens klager heeft de Commissie slechts 66 kandidaten op de reservelijst geplaatst, hetgeen in strijd is met een toezegging die zij had gedaan om 110 kandidaten op de reservelijst te plaatsen.

1.7 De Commissie voerde aan dat de jury op zichzelf heeft besloten slechts 66 kandidaten toe te laten tot de reservelijst, als onafhankelijke jury, zonder tussenkomst van de Commissie.

1.8 De Ombudsman merkt op dat het volgens artikel 30 van het Statuut aan de jury is om de lijst van geschikte kandidaten op te stellen. Er lijkt geen bewijs te zijn dat het besluit om 66 kandidaten op de reservelijst te plaatsen geen besluit van de jury was in de uitoefening van haar statutaire taken. De Ombudsman is van mening dat de kwestie van de verbintenis van de Commissie in punt 1.5 hierboven is behandeld. Het onderzoek van de Ombudsman heeft derhalve geen wanbeheer met betrekking tot dit aspect van de bewering van klager aan het licht gebracht.

c) De vragen in de mondelinge toets

1.9 Volgens klager hielden de tijdens het mondeling examen gestelde vragen geen verband met de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek vermelde doelstellingen.

1.10 De Commissie voerde aan dat de werkzaamheden van de jury overeenkomstig artikel 6 van bijlage III bij het Statuut geheim zijn.

1.11 De Ombudsman is van mening dat het argument van de Commissie niet beantwoordt aan de bewering van klager. De Ombudsman merkt echter op dat de vaste rechtspraak van de communautaire rechterlijke instanties is dat de jury over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt bij de beoordeling van kandidaten voor een vergelijkend onderzoek. De beoordeling ervan kan alleen buiten beschouwing worden gelaten in geval van een kennelijke schending van een voor de jury bindende regel of beginsel. De Ombudsman is van mening dat klager geen enkel bewijs heeft geleverd waaruit zou kunnen blijken dat de jury buiten de grenzen van haar wettelijke bevoegdheid is getreden. Het onderzoek van de Ombudsman heeft derhalve geen wanbeheer met betrekking tot dit aspect van de bewering van klager aan het licht gebracht.

2 Vermeend verzuim om binnen de gestelde termijn te antwoorden op de klacht van klager op grond van artikel 90.

2.1 Klager beweerde dat de Europese Commissie zijn klacht op grond van artikel 90 van het Statuut niet binnen de termijn van vier maanden had beantwoord.

2.2 De Commissie heeft bij brief van 29 maart 2001 aan klager geantwoord.

2.3 De Ombudsman merkt op dat, overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut, "(.) Het gezag stelt de betrokkene binnen vier maanden na de datum van indiening van de klacht in kennis van zijn met redenen omkleed besluit. Indien aan het einde van die termijn geen antwoord op de klager is ontvangen, wordt dit beschouwd als een stilzwijgend besluit tot afwijzing, waartegen overeenkomstig artikel 91 beroep kan worden ingesteld.

2.4 In zijn besluit over de klachten 1479/99/(OV)MM en 729/2000/OV was de Ombudsman van oordeel dat het tot aanstelling bevoegde gezag, overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut, de betrokkene binnen vier maanden na de datum van indiening van de klacht in kennis moet stellen van zijn met redenen omkleed besluit. Dit is in overeenstemming met de beginselen van goed bestuur. Indien het tot aanstelling bevoegde gezag niet op deze wijze handelt, d.w.z. de beginselen van behoorlijk bestuur niet naleeft, wordt de betrokkene beschermd tegen verdere vertraging door de regel dat het uitblijven van een antwoord een negatieve beslissing vormt. Met deze laatste regel wordt beoogd een burger de mogelijkheid van een rechtsmiddel te bieden, zelfs wanneer het tot aanstelling bevoegde gezag zijn wettelijke verplichting om te antwoorden niet nakomt. Zij machtigt het tot aanstelling bevoegde gezag niet om af te zien van zijn verplichting om de beginselen van behoorlijk bestuur na te leven.

2.5 In het onderhavige geval had de Commissie klager uiterlijk op 20 maart 2001 moeten antwoorden. Klager diende op 21 maart 2001 een klacht in bij de Ombudsman en de Commissie antwoordde klager op 29 maart 2001, negen dagen te laat. De Ombudsman is derhalve van mening dat de Commissie passende maatregelen lijkt te hebben genomen om dit aspect van de klacht te regelen en dat verder onderzoek naar dit aspect van de klacht derhalve niet gerechtvaardigd is.

3 De beëindiging van het tijdelijke contract van de klager door de Europese Commissie

3.1 Klager voerde aan dat de Commissie zijn tijdelijke contract heeft beëindigd in strijd met de basisprocedures van het nationale recht, waardoor zij misbruik heeft gemaakt van haar immuniteitspositie.

3.2 De Europese Commissie heeft verklaard dat zij het tijdelijke contract van klager heeft beëindigd overeenkomstig artikel 47, lid 2, van het Statuut.

3.3 De Ombudsman merkt op dat klager als tijdelijk functionaris bij de Europese Commissie heeft gewerkt. Zijn dienstbetrekking was derhalve onderworpen aan de arbeidsvoorwaarden die zijn neergelegd in het Statuut en de Regeling welke van toepassing zijn op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.

3.4 Uit de beschikbare informatie blijkt dat de Commissie het tijdelijke contract van klager heeft beëindigd overeenkomstig de regels van het Statuut, met name artikel 47, lid 2, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen. Klager heeft geen bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat de Commissie daartoe niet gerechtigd was.

3.5 De Europese Ombudsman concludeert derhalve dat er geen sprake is van wanbeheer met betrekking tot dit aspect van de zaak.

4. Toezending van vertrouwelijk materiaal door de Commissie aan de Ombudsman

4.1 De Commissie heeft bij haar aanvullend advies een kopie van het evaluatieformulier voor de mondelinge toets van klager gevoegd. Zij preciseerde dat dit document vertrouwelijk was en niet aan klager mocht worden toegezonden.

4.2 Zoals vermeld in het jaarverslag van de Ombudsman aan het Europees Parlement over 1998, is het een basisbeginsel van een eerlijke procedure dat in het besluit van de Ombudsman over een klacht geen rekening kan worden gehouden met informatie in documenten die door de ene partij zijn verstrekt, tenzij de andere partij de kans heeft gehad om te reageren. In het besluit van de Ombudsman over een klacht kan derhalve geen rekening worden gehouden met informatie in door de betrokken instelling of het betrokken orgaan verstrekte documenten, tenzij de klager de gelegenheid heeft gehad opmerkingen over de documenten te maken. Bovendien kan de Ombudsman, indien hij een vertrouwelijk document moet inspecteren om de juistheid en volledigheid van de antwoorden van de Commissie te controleren, zijn bevoegdheid uitoefenen om het betrokken document te inspecteren op grond van artikel 3, lid 2, van het Statuut van de Ombudsman.

4.3 De Ombudsman zal daarom het evaluatieformulier terugsturen naar de Commissie en maakt daarom geen deel uit van het dossier van de Ombudsman over de zaak.

4.4 De Ombudsman heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om het betrokken document in te zien om de juistheid te controleren van de verklaring van de Commissie in haar aanvullend advies dat de leden van de jury geen individuele punten hebben toegekend of individuele opmerkingen hebben gemaakt.

4.5 In zijn aanvullende opmerkingen vroeg klager zich af of de vertrouwelijkheid van het evaluatieformulier in zijn geval gerechtvaardigd is. De Ombudsman wijst erop dat klager de mogelijkheid heeft om bij de Commissie een verzoek in te dienen om toegang tot de persoonsgegevens waarover hij met betrekking tot hem beschikt, overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG) nr. 45/2001 (4). Het zou aan de Commissie zijn om een dergelijke aanvraag te behandelen overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG) nr. 45/2001. Indien klager ontevreden zou zijn over de behandeling van een dergelijk verzoek door de Commissie, zou hij kunnen overwegen een nieuwe klacht in te dienen bij de Ombudsman.

5. De beweringen van klager

5.1 Klager verzoekt de Commissie hem het verslag van zijn mondeling examen mee te delen, met nadere gegevens over de gestelde vragen, de naam van de persoon die elke vraag stelt en de door elk lid van de jury toegekende punten, alsmede hun eventuele opmerkingen.

5.2 De Commissie voerde aan dat de juryleden geen individuele punten hebben toegekend of individuele opmerkingen hebben gemaakt. De Ombudsman heeft de juistheid van het antwoord van de Commissie bevestigd door het evaluatieformulier voor de mondelinge toets van klager te inspecteren.

5.3 Klager stelt dat de Commissie zijn klacht duidelijk en nauwkeurig moet toelichten. De Ombudsman is van mening dat dit element van de beweringen van klager wordt behandeld in de punten 1.4 en 1.5 hierboven en in de kritische opmerkingen die hieronder worden gemaakt.

5.4 Klager verzoekt de Commissie de schade te vergoeden die hij als gevolg van haar wanbeheer heeft geleden. De Ombudsman is van mening dat klager niet heeft aangetoond dat hij schade heeft geleden als gevolg van het in de punten 1.4 en 1.5 hierboven vastgestelde wanbeheer. De Ombudsman is derhalve van mening dat verder onderzoek naar de bewering van klager niet gerechtvaardigd is.

6. Conclusies

Op basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht moeten de volgende kritische opmerkingen worden gemaakt:

De Ombudsman merkt op dat de Commissie in haar aanvullend advies heeft verklaard dat de directeur-generaal Administratie en Personeelszaken bij e-mail van 2 december 1999 alle personeelsleden van de Commissie in kennis heeft gesteld van zijn besluit om de termijn voor de sollicitaties te verlengen. De Ombudsman is van mening dat de verlenging van de termijn voor de indiening van sollicitaties een aanzienlijke wijziging inhoudt van de voorwaarden waaronder de aankondiging van vergelijkend onderzoek is gepubliceerd. Uit de gegevens in het dossier blijkt dat de Commissie na de bekendmaking van de aankondiging van vergelijkend onderzoek op 5 juli 1999 op 30 juli 1999 waarschijnlijk een rectificatie heeft gemaakt over een andere aangelegenheid. De Ombudsman is van mening dat de Commissie een ander corrigendum op de aankondiging van vergelijkend onderzoek had moeten aanbrengen om de uiterste termijn voor kandidaturen te verlengen, aangezien deze wijziging de aankondiging van vergelijkend onderzoek aanzienlijk wijzigt. Het verzuim om dit te doen was een geval van wanbeheer.

Bovendien merkt de Ombudsman op dat de Commissie in haar aanvullende opmerkingen heeft betoogd dat haar toezegging om 110 kandidaten op de reservelijst te plaatsen, tot doel had rekening te houden met het belang van de kandidaten. De Ombudsman is van mening dat een dergelijke verplichting om rekening te houden met de belangen van de ambtenaren volgens vaste rechtspraak toekomt aan de jury en niet aan het tot aanstelling bevoegde gezag. Door de uiterste termijn voor sollicitaties te verlengen en zich ertoe te verbinden het aantal kandidaten op de reservelijst te verhogen, heeft het tot aanstelling bevoegde gezag de kandidaten bevoordeeld die niet voldeden aan de in de oorspronkelijke aankondiging van vergelijkend onderzoek vastgestelde toelatingsvoorwaarden. Dit was een tweede geval van wanbeheer.

Aangezien deze aspecten van de zaak betrekking hebben op procedures in verband met specifieke gebeurtenissen in het verleden, is het niet passend te streven naar een minnelijke schikking van de zaak. De Ombudsman sluit daarom de zaak.

De voorzitter van de Europese Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.

Met vriendelijke groet,

 

Jacob SÖDERMAN


Afgezien van de beëindiging bij overlijden eindigt de aanstelling van tijdelijke functionarissen, wanneer de overeenkomst voor onbepaalde tijd is gesloten: aan het einde van de in de overeenkomst vastgestelde opzegtermijn; de opzegtermijn mag niet korter zijn dan twee dagen voor elke voltooide maand van betekening of kennisgeving, met een minimum van 15 dagen en een maximum van drie maanden."

(2) Arresten van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1993 (Camara Alloisio/Commissie) en 1 december 1994 (Michael Chiou/Commissie)

(3) Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992, Burban/Parlement- Jurisprudentie blz. I-2253- punt16,20

(4) Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 2001, L 8, blz. 1).

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!