Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van zijn onderzoek naar klacht 1972/2009/ANA tegen de Europese Commissie
Besluiten
Zaak 1972/2009/ANA - Geopend op Maandag | 07 september 2009 - Aanbeveling omtrent Dinsdag | 24 januari 2012 - Besluit over Dinsdag | 11 december 2012
De TBT-richtlijn verplicht de lidstaten om ontwerpen van technische voorschriften aan de Europese Commissie mee te delen. De klager is een Grieks bedrijf voor internetdiensten dat klaagde over de weigering van de Commissie om toegang te verlenen tot een herzien ontwerp voor een technisch voorschrift inzake recreatiespellen dat Griekenland haar had meegedeeld. De Europese Ombudsman heeft een onderzoek ingesteld naar de beweringen van klager dat de Commissie de procedurele en materiële regels van Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten zou hebben geschonden en naar de bewering dat de Commissie toegang tot het gevraagde document zou moeten verlenen.
Wat de procedurele bewering betreft, deed de Ombudsman een ontwerpaanbeveling dat de Commissie de ongerechtvaardigde vertraging moet erkennen die zich heeft voorgedaan bij de behandeling van het confirmatieve verzoek van de klager en de toezegging moet doen dat dergelijke vertragingen zich in de toekomst niet zullen voordoen. De Commissie heeft de ontwerpaanbeveling van de Ombudsman aanvaard.
Met betrekking tot de bewering ten gronde en de daarmee verband houdende vordering heeft de Commissie haar weigering om toegang te verlenen verdedigd op grond dat zij de dialoog die zij met de Griekse autoriteiten was aangegaan, moest beschermen om de Griekse wetgeving inzake recreatiespelen, waarvan het Hof had vastgesteld dat zij deze wet schendt, in overeenstemming te brengen met het Unierecht.
In zijn voorlopige beoordeling stelde de Ombudsman vast dat, omdat de onderhavige zaak betrekking had op afgesloten inbreukprocedures, het beroep van de Commissie op de relevante uitzondering in Verordening 1049/2001 in het kader van de kennisgevingsprocedure uit hoofde van de TBT-richtlijn niet overtuigend was. De Ombudsman stelde als minnelijke schikking voor dat de Commissie zou kunnen overwegen toegang te verlenen tot het herziene ontwerp voor een technisch voorschrift.
De Commissie heeft vervolgens toegang tot het document verleend en aldus de vordering van klager afgehandeld, maar was het niet eens met de redenering van de Ombudsman. De Ombudsman deed daarom een ontwerpaanbeveling dat de Commissie in beginsel het publiek toegang moet verlenen tot herziene ontwerpen van technische voorschriften die uit hoofde van de TBT-richtlijn zijn meegedeeld, tenzij een lidstaat uitdrukkelijk om vertrouwelijkheid verzoekt en een dergelijk verzoek ondersteunt met redenen die het vermoeden van toegankelijkheid zouden kunnen weerleggen.
De Commissie heeft de ontwerpaanbeveling van de Ombudsman niet aanvaard. Aangezien de Commissie echter zowel het door Griekenland meegedeelde oorspronkelijke ontwerp voor een technisch voorschrift als het meest recente ontwerp heeft gepubliceerd, was de Ombudsman van oordeel dat het gedrag van de Commissie geen algemene praktijk vormt. Hij sloot de zaak daarom af met een kritische opmerking.
Achtergrond van de klacht
1. De onderhavige klacht betreft een verzoek om toegang tot documenten die in het bezit zijn van de Europese Commissie. De voorgeschiedenis van de klacht kan als volgt worden samengevat. De Griekse wet nr. 3037/2002 (hierna: "Griekse wetgeving inzake recreatiespelen"), die van toepassing was ten tijde van de indiening van de klacht, stelde een absoluut verbod in op de installatie en exploitatie van alle elektrische, elektromechanische en elektronische spellen, met inbegrip van technische recreatiespellen en alle computerspellen, in alle openbare of particuliere ruimten, met uitzondering van casino's. In zijn arrest van 26 oktober 2006 [1] heeft het Hof van Justitie verklaard dat de Griekse wetgeving inzake recreatiespelen in strijd is met een aantal Verdragsbepalingen en artikel 8, lid 1, van Richtlijn 98/34 (hierna "de TBT-richtlijn"genoemd) [2]. Bij arrest van 4 juni 2009 heeft het Hof van Justitie verklaard dat Griekenland zijn eerdere arrest niet had uitgevoerd en het land een forfaitaire som en een dwangsom opgelegd [3].
2. De klager is een in Griekenland geregistreerde onderneming voor IT- en internetdiensten en wordt in dit onderzoek vertegenwoordigd door een advocaat. Op 8 april 2009 heeft klager de Commissie een e-mail gestuurd met het verzoek te worden geïnformeerd over de vraag of Griekenland overeenkomstig de TBT-richtlijn een nieuw ontwerp voor een technisch voorschrift tot wijziging van zijn wetgeving inzake recreatiespelen aan de Commissie had meegedeeld [4], zoals in de Griekse media op grote schaal is gemeld. Indien dit het geval was, verzocht klager om toegang tot het document.
3. In haar antwoord van 29 april 2009 bevestigde de Commissie dat Griekenland haar inderdaad een nieuw ontwerp voor een technisch voorschrift had meegedeeld. De Commissie heeft zichzelf een termijn van 15 dagen gegeven om de Griekse autoriteiten te raadplegen alvorens een besluit te nemen over het verzoek om toegang tot het document.
4. Bij e-mail van 13 mei 2009 heeft de Commissie de toegang tot het document geweigerd op grond van artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001, op grond waarvan de instellingen de toegang kunnen weigeren indien "openbaarmaking afbreuk zou doen aan de bescherming van: ... het doel van inspecties, onderzoeken en audits"[5]. Ter ondersteuning van dit argument trok de Commissie een parallel tussen de rol van de Commissie uit hoofde van de TBT-richtlijn en haar rol uit hoofde van artikel 226 van het EG-Verdrag, thans artikel 258 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De Commissie heeft in dit verband aangevoerd dat wanneer een lidstaat haar een ontwerp voor een technisch voorschrift meedeelt, de Commissie, handelend in het kader van de TBT-richtlijn, een dialoog met die lidstaat aangaat om de naleving van het Unierecht te waarborgen. In het belang van een goede samenwerking en wederzijds vertrouwen kan deze dialoog het best buiten de publieke sfeer worden gehouden. De Commissie voerde aan dat, naar analogie met de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake de toegang tot documenten in inbreukprocedures, "de toegang tot overeenkomstig Richtlijn 98/34 ingediende met redenen omklede adviezen" eveneens kan worden geweigerd. Zolang de dialoog met Griekenland voortduurde, zou het document niet toegankelijk worden gemaakt omdat de openbaarmaking ervan een negatieve invloed zou hebben op de doelstelling van preventieve controle die de Commissie nastreeft in het kader van de TBT-richtlijn. De Commissie heeft klager in kennis gesteld van de mogelijkheid om een confirmatief verzoek in te dienen.
5. Op 15 mei 2009 diende klager een confirmatief verzoek in waarin hij betoogde dat hij niet had verzocht om de "met redenen omklede adviezen" die de Commissie of een andere lidstaat overeenkomstig artikel 9, lid 2, van de TBT-richtlijn had ingediend, maar om het ontwerp van technisch voorschrift zelf. Bijgevolg kon haar verzoek niet binnen de werkingssfeer van artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 vallen. Voorts voerde zij aan dat het door Griekenland meegedeelde ontwerp geen follow-up vormde van het met redenen omkleed advies en de opmerkingen van de Commissie over de eerdere ontwerpverordening over hetzelfde onderwerp [6]. Het betrof veeleer een nieuwe kennisgeving aan de Commissie van een nieuw stuk technische wetgeving.
6. Hoe dan ook betwistte klager de toepassing van de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 ook op grond dat die uitzondering alleen geldt voor documenten die tijdens een onderzoek zijn opgesteld en niet voor documenten die vóór [7] beschikbaar waren.
7. Klager voerde aan dat indien de weigering van de Commissie binnen het toepassingsgebied van artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 zou vallen, er sprake was van een hoger openbaar belang bij openbaarmaking dat was gebaseerd op twee reeksen beginselen: het beginsel van non-discriminatie enerzijds en de beginselen van doeltreffendheid van de in de TBT-richtlijn verankerde procedure en van transparantie anderzijds. Volgens klager zou het non-discriminatiebeginsel worden geschonden indien de Commissie de ontwerp-verordening in kwestie zou aanwijzen en de toegang van het publiek tot deze verordening zou verhinderen, hetgeen in strijd is met haar vaste praktijk met betrekking tot alle andere technische voorschriften die haar zijn meegedeeld. De beginselen van doeltreffendheid en transparantie zouden worden geschonden indien marktdeelnemers die op grond van het Unierecht aan deze procedure wilden deelnemen, van deze procedure zouden worden uitgesloten.
8. Tot slot was de klager van mening dat het hoger openbaar belang aanvullende steun vond in de financiële gevolgen van de Griekse wetgeving inzake recreatiespelen voor de sector. De klager benadrukte dat de Griekse wetgeving inzake recreatiespelen van kracht bleef ondanks de aanhoudende inbreuk op het recht van de Unie die door het Hof van Justitie werd erkend.
9. Op 1 juli 2009 deelde de Commissie klager mee dat zij haar confirmatief verzoek behandelde, maar dat zij nog geen volledige analyse van alle elementen van het verzoek had kunnen uitvoeren en geen definitief besluit kon nemen. Bijgevolg heeft de Commissie verklaard dat zij niet binnen de termijn van 2 juli 2009 zou kunnen antwoorden. De Commissie heeft een beroep gedaan op artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 en de termijn verlengd tot 24 juli 2009.
10. Op 28 juli 2009 heeft klager de Commissie een herinnering gestuurd. In haar antwoord van 30 juli 2009 verontschuldigde de Commissie zich voor het feit dat zij niet in staat was geweest om vóór het verstrijken van de termijn hierover een besluit te nemen. Zij voegde daaraan toe dat de beoordeling van het desbetreffende verzoek op het punt stond te worden afgerond en dat de klager binnenkort een antwoord zou ontvangen. De Commissie legde verder uit dat de vertraging te wijten was aan het feit dat zij een zeer gedetailleerde analyse van het gevraagde document had uitgevoerd. Zij voegde daaraan toe dat het geringere aantal personeelsleden van de Commissie dat tijdens de zomervakantie aanwezig was, ook tot enige vertraging bij de behandeling van confirmatieve verzoeken had kunnen leiden. Tot slot wees de Commissie erop dat "het in dit stadium niet uitgesloten is dat overleg met de Griekse autoriteiten nodig kan zijn".
11. Op 3 augustus 2009 diende klager deze klacht in bij de Europese Ombudsman.
Onderwerp van het onderzoek
12. De Ombudsman opende een onderzoek naar de volgende beschuldigingen en beweringen:
Beschuldigingen:
(1) De Commissie heeft de toepasselijke procedureregels van Verordening (EG) nr. 1049/2001 geschonden.
(2) De Commissie heeft artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 geschonden.
Vordering:
De Commissie moet de klager toegang verlenen tot het gevraagde document.
Het onderzoek
13. Op 7 september 2009 heeft de Ombudsman de Commissie om advies verzocht en daarbij aangegeven dat hij het op prijs zou stellen indien de Commissie haar advies uiterlijk op 30 november 2009 zou kunnen toezenden.
14. Met ingang van 27 november 2009 heeft de Commissie de Ombudsman viermaal in kennis gesteld van vertragingen bij de indiening van haar advies.
15. Op 7 juli 2010 heeft de Commissie haar advies toegezonden, dat voor opmerkingen aan klager is toegezonden. Op 4 augustus 2010 ontving de Ombudsman de opmerkingen van klager.
16. Op 31 januari 2011 deed de Ombudsman een voorstel voor een minnelijke schikking. Op 4 mei 2011 heeft de Commissie haar antwoord toegezonden, dat aan klager is toegezonden. Klager heeft op 1 juni 2011 zijn opmerkingen over het antwoord van de Commissie ingediend.
17. Op 24 januari 2012 heeft de Ombudsman ontwerpaanbevelingen aan de Commissie gericht. Op 18 juli 2012 heeft de Commissie haar omstandig advies over de ontwerpaanbevelingen van de Ombudsman toegezonden. Op 6 augustus 2012 heeft klager zijn opmerkingen over het standpunt van de Commissie ingediend.
Analyse en conclusies van de Ombudsman
Opmerkingen vooraf
18. De eerste bewering van klager, die gericht is op de kwestie van de vertraging bij het beantwoorden van het confirmatieve verzoek van klager, zal hieronder in detail worden geanalyseerd. In het kader van het onderzoek van de Ombudsman is echter een bijkomende vertragingskwestie aan de orde gekomen. Klager voerde met name aan dat de Commissie vertragingstactieken heeft voortgezet bij het beantwoorden van het verzoek om advies van de Ombudsman.
19. Bij de behandeling van deze kwestie wijst de Ombudsman erop dat hij in zijn brief tot inleiding van dit onderzoek de Commissie heeft verzocht om uiterlijk op 30 november 2009 een standpunt in te nemen over de beweringen en beweringen van klager. Bij brief van 27 november 2009 heeft de Commissie de Ombudsman in kennis gesteld van de noodzaak van een verlenging van de termijn tot 31 januari 2010 op grond van het feit dat de kwestie zorgvuldige reflectie en input van andere diensten vereiste voordat de raadpleging tussen de diensten van start ging. Bij brief van 27 januari 2010 heeft de Commissie de Ombudsman meegedeeld dat het advies om dezelfde redenen zou worden uitgesteld tot 31 maart 2010. Bij brief van 29 maart 2010 heeft de Commissie de Ombudsman meegedeeld dat zij de termijn van 31 maart 2010 niet zou kunnen halen omdat het betrokken directoraat-generaal aan het ontwerpantwoord werkte, maar dat er meer tijd nodig zou zijn. Bij brief van 27 mei 2010 heeft de Commissie de Ombudsman in kennis gesteld van een verdere verlenging van de termijn omdat er meer tijd nodig zou zijn om alle horizontale kwesties te behandelen die intern moesten worden besproken. De Commissie heeft haar advies op 7 juli 2010 ingediend, dat wil zeggen tien volle maanden nadat de Ombudsman een onderzoek naar de klacht in kwestie had geopend.
20. Opgemerkt zij dat de Commissie volgens de vaste praktijk normaliter drie volle maanden de tijd krijgt om advies uit te brengen over een klacht. Wanneer de klacht betrekking heeft op de toegang van het publiek tot documenten, zoals in de onderhavige zaak, is de relevante termijn twee maanden. Uiteraard omvat deze praktijk enerzijds de doelstelling van de Ombudsman om zijn onderzoek naar het vermeende wanbeheer snel af te ronden en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de instelling voldoende tijd krijgt om haar interne procedures te volgen, de klacht grondig te onderzoeken en een nuttig advies uit te brengen dat het onderzoek van de Ombudsman zal vergemakkelijken. De Ombudsman is zich ervan bewust dat er gevallen kunnen zijn waarin een instelling extra tijd nodig heeft om haar advies uit te brengen. In dergelijke gevallen moet de instelling die om een verlenging van de termijn verzoekt, haar verzoeken echter met geldige redenen kunnen omkleden.
21. In de onderhavige zaak voerde klager aan dat de Commissie vertragingstactieken heeft voortgezet. Klager lijkt dus te suggereren dat de vertraging van de Commissie bij het uitbrengen van een advies opzettelijk was. De Ombudsman is echter van mening dat niets erop wijst dat dit in casu het geval was.
22. Zoals gezegd, heeft de onderhavige grief betrekking op de kwestie van de toegang van het publiek tot documenten. De toegang van het publiek tot documenten is geregeld in Verordening (EG) nr. 1049/2001, waarin zeer korte termijnen zijn vastgesteld voor de behandeling van relevante verzoeken. De Ombudsman is derhalve van mening dat klachten over de wijze waarop dergelijke verzoeken zijn behandeld, ook onverwijld moeten worden onderzocht. Dit vereiste van snelheid blijkt uit de termijn van twee maanden die aan de Commissie is toegekend om in dergelijke gevallen een advies uit te brengen.
23. Om te bepalen of de latere verlengingen die de Commissie in dit geval verlangt, gerechtvaardigd kunnen zijn, merkt de Ombudsman op dat de door de Commissie aangevoerde redenen betrekking hebben op interne procedures (overleg tussen de diensten, werkzaamheden aan het ontwerpantwoord en horizontale kwesties) die naar verwachting binnen de standaardtermijn van twee maanden zullen worden uitgevoerd [8]. In elk geval konden deze interne procedures, bij gebreke van uitzonderlijke omstandigheden, in één en hetzelfde geval geen vier verlengingen rechtvaardigen.
24. In het licht hiervan is de Ombudsman van oordeel dat de vertraging van de Commissie bij het uitbrengen van een advies in het kader van dit onderzoek als buitensporig moet worden beschouwd en dat de uitleg die de Commissie in dit verband heeft gegeven niet overtuigend is. De Ombudsman vertrouwt erop dat de Commissie de nodige maatregelen zal nemen om ervoor te zorgen dat dergelijke vertragingen zich in de toekomst niet meer zullen voordoen.
A. Vermeende schending van de relevante procedureregels die van toepassing zijn op grond van Verordening (EG) nr. 1049/2001
Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten
25. Tot staving van haar bewering dat de Commissie de toepasselijke procedureregels van Verordening (EG) nr. 1049/2001 heeft geschonden, voerde klager aan dat zij op 15 mei 2009 weliswaar een confirmatief verzoek had ingediend, maar nog steeds geen antwoord van de Commissie had ontvangen op het moment dat de onderhavige klacht bij de Ombudsman werd ingediend. Klager voerde aan dat de door de Commissie aangevoerde redenen voor de vertraging ("zeer gedetailleerde analyse van de gevraagde documenten " en "vermindering van het personeel van de Commissie tijdens de zomervakantie") niet voldeden aan de strikte vereisten van artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1049/2001. Hoewel de klager zich tot de Commissie richtte in het Grieks, werden zijn antwoorden vanaf 1 juli 2009 bovendien in het Engels opgesteld.
26. In haar advies verklaarde de Commissie dat zij in haar brieven van 1 juli 2009 en 30 juli 2009 de redenen voor de vertraging in de behandeling van het verzoek van klager had toegelicht en haar excuses had aangeboden voor het mogelijke ongemak dat dit veroorzaakte. De Commissie was van mening dat de aangevoerde redenen voldoende gedetailleerd waren, zoals artikel 8, lid 2, van verordening nr. 1049/2001 vereist, om een verzoeker in staat te stellen na te gaan of zij de noodzaak van verlenging van de termijn objectief rechtvaardigden. Wat de communicatietaal betreft, verklaarde de Commissie dat zij het recht van klager om in het Grieks te communiceren niet betwistte en betreurde zij het feit dat de brieven in kwestie in het Engels waren opgesteld. De Commissie verontschuldigde zich voor "dit administratieve toezicht".
27. In zijn opmerkingen herhaalde klager zijn argument dat de Commissie de procedurele vereisten van Verordening (EG) nr. 1049/2001 niet in acht had genomen.
Beoordeling van de Ombudsman die tot een ontwerpaanbeveling heeft geleid
28. De onderhavige bewering is tweeledig: enerzijds klaagt klager dat de Commissie de behandeling van zijn confirmatief verzoek ten onrechte heeft vertraagd, en anderzijds is klager ontevreden over het feit dat de Commissie in het Engels heeft geantwoord op de correspondentie die klager in het Grieks heeft verzonden.
29. Wat de vertraging bij de behandeling van het verzoek van klager betreft, heeft klager op 15 mei 2009 een confirmatief verzoek ingediend. Bij brief van 1 juli 2009 heeft de Commissie de antwoordtermijn verlengd tot en met 24 juli 2009. De Commissie heeft op 29 oktober 2009 geantwoord op het confirmatief verzoek van klager.
30. De Ombudsman vestigde de aandacht op artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1049/2001, waarin het volgende is bepaald:
"1. Een confirmatief verzoek wordt onverwijld behandeld. Binnen 15 werkdagen na de registratie van een dergelijk verzoek verleent de instelling ofwel toegang tot het gevraagde document en verleent zij binnen die termijn toegang overeenkomstig artikel 10, ofwel vermeldt zij in een schriftelijk antwoord de redenen voor de gehele of gedeeltelijke weigering…
2. In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld in het geval van een verzoek betreffende een zeer lang document of een zeer groot aantal documenten, kan de in lid 1 bedoelde termijn met 15 werkdagen worden verlengd, mits de aanvrager van tevoren in kennis wordt gesteld en de redenen daarvoor uitvoerig worden vermeld."
31. Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat zelfs indien de in artikel 8, lid 2, bedoelde uitzonderlijke voorwaarden aanwezig zijn, de Commissie het recht zou hebben de antwoordtermijn met ten hoogste 15 werkdagen te verlengen. Dit is in feite wat de Commissie heeft gedaan door voor zichzelf een termijn vast te stellen van 24 juli 2009. De Commissie heeft echter pas op 29 oktober 2009 geantwoord, dat wil zeggen meer dan vijf maanden na de indiening van het confirmatief verzoek van klager en meer dan drie maanden na het verstrijken van de door de Commissie zelf opgelegde, verlengde termijn. Gezien de omvang van de vertraging van de Commissie achtte de Ombudsman het niet nodig over te gaan tot een gedetailleerde beoordeling van de verenigbaarheid van de door de Commissie aangevoerde gronden met artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1049/2001. Het volstaat te zeggen dat de toelichtingen van de Commissie niet suggereren, laat staan aantonen, dat het confirmatief verzoek van klager moet worden beschouwd als een "uitzonderlijk geval"in de zin van artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1049/2001.
32. Aangezien de snelle behandeling van confirmatieve verzoeken de procedurele middelen vormt om de doelstelling "om het recht van toegang van het publiek tot documenten zo volledig mogelijk uit te oefenen "[9] te verwezenlijken, was de Ombudsman van mening dat de Commissie in het onderhavige geval duidelijk niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van een instelling, bureau, orgaan of instantie van de Unie wordt verwacht. Dit vormde wanbeheer. De Ombudsman merkte op dat de Commissie zich heeft verontschuldigd voor het ongemak als gevolg van de vertraging. Zij heeft zich echter niet verontschuldigd voor de niet-naleving van de relevante procedureregels van Verordening (EG) nr. 1049/2001.
33. De Ombudsman deed daarom een ontwerpaanbeveling dat de Commissie de ongerechtvaardigde vertraging moet erkennen die zich heeft voorgedaan bij de behandeling van het confirmatieve verzoek van klager in de onderhavige zaak en de toezegging moet doen dat zij de nodige maatregelen zal nemen om ervoor te zorgen dat dergelijke vertragingen zich in de toekomst niet meer zullen voordoen.
34. Met betrekking tot het antwoord van de Commissie in een andere taal dan die welke klager gebruikt, merkte de Ombudsman op dat artikel 20, lid 2, VWEU bepaalt:
"De burgers van de Unie genieten de rechten en zijn onderworpen aan de plichten waarin de Verdragen voorzien. Zij beschikken onder meer over:
[…]
d) het recht om zich in een van de talen van het Verdrag tot de instellingen en adviesorganen van de Unie te richten en in dezelfde taal antwoord te krijgen."
35. Bovendien bepaalt artikel 41, lid 4, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie:
"Iedereen kan de instellingen van de Unie in een van de talen van de Verdragen aanschrijven en moet in dezelfde taal antwoord krijgen."
36. Het recht op een antwoord in dezelfde taal als die waarin de burger zich tot de instellingen richt, is een wezenlijk onderdeel van het recht op behoorlijk bestuur en een grondrecht dat in twee bronnen van primair Unierecht wordt erkend. De dwingende bewoordingen van zowel artikel 41, lid 4, van het Handvest ("moet een antwoord hebben") als artikel 20, lid 2, onder d), VWEU ("het recht ... om een antwoord in dezelfde taal te krijgen") onderstrepen het belang van dit beginsel.
37. De Ombudsman stelde vast dat de Commissie zich schuldig had gemaakt aan wanbeheer door geen antwoord te geven in de taal waarin klager het had gesteld. De Ombudsman merkte echter op dat de Commissie in haar advies haar verplichting uit hoofde van de Verdragen erkende, zich verontschuldigde bij de klager en haar antwoord toeschreef aan een administratief toezicht. In het licht van het standpunt van de Commissie was verder onderzoek met betrekking tot dit deel van de bewering niet gerechtvaardigd.
De argumenten die na zijn ontwerpaanbeveling aan de Ombudsman zijn voorgelegd
38. In haar omstandig advies erkende de Commissie dat de tijd die nodig was om het confirmatief verzoek van klager te behandelen buitensporig was, zelfs rekening houdend met de specificiteit van de zaak, het langdurige overleg met de Griekse autoriteiten en de tijd die nodig was om de communicatie tussen klager en de Commissie te vertalen. De Commissie heeft erop gewezen dat zij alles in het werk stelt om verzoeken om toegang zo snel mogelijk te behandelen en dat verzoeken in de overgrote meerderheid van de gevallen binnen "redelijke" termijnen worden behandeld. Wanneer een verzoek niet binnen de wettelijke termijn kan worden behandeld, gaat de Commissie overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 een dialoog met de verzoeker aan om een billijke oplossing te vinden.
39. In zijn opmerkingen maakte de klager geen opmerkingen over dit aspect van de uitvoerig gemotiveerde mening van de Commissie.
Beoordeling van de Ombudsman na zijn ontwerpaanbeveling
40. De Ombudsman is van mening dat de Commissie erkende dat de vertraging buitensporig was en verzekerde dat deze vertraging een uitzondering vormde op haar normale praktijk. De Ombudsman neemt nota van de geruststellingen van de Commissie en is van mening dat zij aldus zijn eerste ontwerpaanbeveling heeft aanvaard.
B. Vermeende schending van artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001
Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten
41. De klager voerde aan dat de Commissie artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 onjuist heeft geanalyseerd. Hiertoe voerde klager aan dat het document waartoe hij om toegang verzocht, niet binnen het toepassingsgebied van de uitzondering betreffende "inspecties, onderzoeken of audits" viel.
42. In dit verband voerde klager aan dat de analogie tussen de procedure van artikel 258 VWEU en de TBT-richtlijn, waarop de Commissie zich heeft gebaseerd om haar weigering te rechtvaardigen, ontoelaatbaar was. De reden hiervoor was dat de TBT-richtlijn uitdrukkelijk tot doel heeft marktdeelnemers te betrekken en de transparantie bij het onderzoek en de goedkeuring van ontwerpen van technische voorschriften te vergroten. Om de doelstellingen van de TBT-richtlijn te verwezenlijken, publiceert de Commissie consequent in haar databank alle ontwerpen van technische voorschriften die haar zijn meegedeeld [10].
43. Klager voerde aan dat, indien de analogie met de procedure van artikel 258 VWEU relevant zou zijn, nog steeds moet worden opgemerkt dat klager in feite niet heeft verzocht om toegang tot het "met redenen omkleed advies"van de Commissie of enige briefwisseling tussen de Commissie en Griekenland, maar in plaats daarvan tot het herziene ontwerp van technisch voorschrift zelf.
44. Het toepassingsgebied van de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, is hoe dan ook beperkt tot documenten die in de loop van het "onderzoek" zijn opgesteld en heeft geen betrekking op documenten die beschikbaar waren voordat een onderzoek werd ingesteld.
45. Klager heeft vervolgens verklaard dat, subsidiair, indien zijn verzoek binnen de werkingssfeer van de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 zou vallen, er een hoger openbaar belang bij openbaarmaking zou bestaan dat was gebaseerd op: a) het non-discriminatiebeginsel; b) de in richtlijn 98/34 neergelegde beginselen van doeltreffendheid van de procedure en van transparantie, en c) de aard en de gevolgen van de betrokken Griekse wetgeving.
46. Klager voerde aan dat het non-discriminatiebeginsel zou worden geschonden indien de Commissie de Griekse ontwerpwetgeving in kwestie zou aanduiden en, in tegenstelling tot haar vaste praktijk met betrekking tot alle andere technische voorschriften die haar werden meegedeeld, het publiek de toegang daartoe zou ontzeggen. De beginselen van doeltreffendheid en transparantie zouden worden geschonden indien marktdeelnemers die op grond van het Unierecht aan deze procedure wilden deelnemen, van deze procedure zouden worden uitgesloten. Tot slot had Griekenland, ondanks de uitspraken van het Hof van Justitie over de Griekse wetgeving inzake recreatiespelen, verzuimd zijn wetgeving in overeenstemming te brengen met het recht van de Unie. De enige mogelijkheid waarover de getroffen marktdeelnemers beschikten om hun belangen te verdedigen, was de uitoefening van hun rechten uit hoofde van de TBT-richtlijn.
47. In haar advies herhaalde de Commissie dat het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat sommige bepalingen van de Griekse wetgeving inzake recreatiespelen in strijd zijn met het EU-recht en dat Griekenland zijn verplichtingen uit hoofde van het Verdrag en artikel 8 van de TBT-richtlijn niet is nagekomen. Het ontwerp van technische wetgeving dat haar overeenkomstig de TBT-richtlijn is meegedeeld onder referentienummer 2008/184/GR, dat openbaar is gemaakt en waarover klager opmerkingen heeft kunnen maken, is naar aanleiding van bovengenoemd arrest ingediend.
48. Op basis van de ontvangen opmerkingen en naar aanleiding van haar eigen analyse achtte de Commissie het Griekse ontwerp voor een technisch voorschrift ontoereikend en voerde zij een dialoog met de Griekse autoriteiten om de correcte uitvoering van de relevante bepalingen van het EU-recht te waarborgen. Zoals de Commissie in haar besluit van 29 oktober 2009 over het confirmatief verzoek van klager heeft uiteengezet, was zij van mening dat het Hof van Justitie duidelijk heeft verklaard dat de Commissie in het kader van de procedure uit hoofde van de TBT-richtlijn niet louter een informatieve rol vervult. Integendeel, de Commissie voerde aan dat zij in haar hoedanigheid van "hoedster van de Verdragen" onderzoeksbevoegdheden uitoefent om de lidstaten ertoe aan te zetten hun nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met het recht van de Unie. Bijgevolg kwalificeren alle uitwisselingen met de lidstaat in het kader van kennisgeving 2008/184/GR en de beoordeling ervan als een onderzoeksactiviteit van de Commissie.
49. De Commissie verwees naar het arrest van het Hof van Justitie in zaak C‑109/08, Commissie/Griekenland [11], waarin het Hof verklaarde dat Griekenland, door niet alle maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van zijn eerdere arrest van 26 oktober 2006, de krachtens artikel 260 VWEU op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen. Bijgevolg werd de beoordeling door de Commissie van de overeenstemming van de herziene ontwerpwetgeving ook uitgevoerd in het kader van haar rol na het meest recente arrest van het Hof van Justitie op grond van artikel 260 VWEU. De Commissie voerde aan dat deze beoordeling eveneens als een onderzoeksactiviteit kan worden aangemerkt, aangezien zij tot doel heeft ervoor te zorgen dat Griekenland voldoet aan zijn verplichtingen uit hoofde van het Verdrag, dat volgens vaste rechtspraak [12] onder de geheimhoudingsplicht valt. Daarom was de Commissie van mening dat de bewering van klager dat het gevraagde document niet onder artikel 4, lid 2, derde streepje, valt, ongegrond was.
50. Met betrekking tot de bewering van klager dat de doeltreffendheid en de transparantie van de procedure van richtlijn 98/34 in het gedrang komen door niet-openbaarmaking, heeft de Commissie erop gewezen dat Verordening (EG) nr. 1049/2001 zelf berust op het beginsel van transparantie en participatie. Desalniettemin bevat het een evenwichtig systeem van niet alleen toegangsverplichtingen, maar ook verplichtingen tot bescherming van legitieme belangen door middel van beperkingen van het recht op toegang tot documenten.
51. Daarom was de Commissie van mening dat het algemeen belang in deze zaak beter gediend was door het klimaat van wederzijds vertrouwen tussen de Commissie en de Griekse autoriteiten te beschermen om ervoor te zorgen dat Griekenland de desbetreffende wetgeving van de Unie naleeft. Ten slotte heeft de Commissie het door klager aangevoerde belang, namelijk de noodzaak om de belangen van de betrokken marktdeelnemers te verdedigen, aangemerkt als een particulier belang.
Voorlopige beoordeling van de Ombudsman die tot een minnelijke schikking leidt
52. De Ombudsman vatte de aan hem voorgelegde argumenten als volgt samen. Klager voerde aan dat het document in kwestie niet binnen de werkingssfeer van artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 valt. Indien het document binnen de werkingssfeer van die bepaling valt, heeft de Commissie de desbetreffende uitzondering onjuist uitgelegd en toegepast. Bovendien ondermijnt de interpretatie van de Commissie de doeltreffendheids- en transparantievereisten van de TBT-richtlijn. De Commissie heeft daarentegen betoogd dat het betrokken document onder de genoemde uitzondering valt en dat zij de uitzondering in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof heeft toegepast. Wat de gevolgen van de TBT-richtlijn voor de behandeling van het verzoek van klager om toegang tot documenten betreft, heeft de Commissie bovendien uitgelegd dat Verordening 1049/2001 weliswaar ook gebaseerd is op het transparantiebeginsel, maar een evenwichtig systeem biedt waarin beperkingen ten gunste van legitieme belangen worden erkend.
53. In het licht van het bovenstaande achtte de Ombudsman het nuttig erop te wijzen dat artikel 42 van het Handvest [13] bepaalt: "Elke burger van de Unie en elke natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft recht op toegang tot documenten van de instellingen, organen en instanties van de Unie, ongeacht de drager ervan."
54. Het grondrecht op toegang tot documenten, dat het streven naar transparantie, legitimiteit en verantwoordingsplicht van de instellingen van de Europese Unie belichaamt, wordt in de rechtsorde van de Unie gewaarborgd door Verordening (EG) nr. 1049/2001 [14]. Het Hof van Justitie heeft erkend dat het daarin neergelegde recht van toegang van het publiek tot documenten verband houdt met het democratische karakter van de instellingen [15].
55. Het Hof van Justitie heeft ook herhaaldelijk verklaard dat, indien het recht op toegang tot documenten in beginsel bestaat, dit recht niettemin onderworpen is aan bepaalde beperkingen op grond van openbare of particuliere belangen [16]. Een besluit tot weigering van toegang is slechts geldig indien het is gebaseerd op een van de uitzonderingen van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 [17]. Gelet op de doelstellingen van Verordening (EG) nr. 1049/2001, met name het streven naar een zo ruim mogelijke toegang tot documenten die in het bezit zijn van de instellingen, moeten eventuele uitzonderingen op dit beginsel strikt worden uitgelegd [18].
56. De toepassing van de uitzondering kan slechts gerechtvaardigd zijn indien de instelling vooraf heeft beoordeeld: i) of de toegang tot het document concreet en daadwerkelijk afbreuk zou doen aan het beschermde belang [19]; en ii) indien het antwoord bevestigend luidt, of er in de in artikel 4, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 bedoelde omstandigheden geen hoger openbaar belang bestond dat openbaarmaking gebiedt. Het risico dat een beschermd belang wordt ondermijnd, moet echter redelijkerwijs voorzienbaar en niet louter hypothetisch zijn. Bovenstaande beoordeling moet blijken uit het besluit [20].
57. Wat de onderhavige zaak en de uitzondering met betrekking tot de bescherming van de onderzoeksbevoegdheden van de Commissie betreft, heeft het Hof van Justitie in het kader van een niet-nakomingsprocedure tegen een lidstaat erkend dat de Commissie zich op die uitzondering kan beroepen om de toegang te weigeren tot documenten betreffende onderzoeken naar een mogelijke schending van het recht van de Unie, die kan leiden tot de inleiding van een procedure op grond van artikel 258 VWEU [21]. Weigering van toegang werd gerechtvaardigd geacht omdat de lidstaten mogen verwachten dat de Commissie de vertrouwelijkheid in acht neemt met betrekking tot onderzoeken die tot een inbreukprocedure kunnen leiden, zelfs wanneer een termijn is verstreken sinds de afsluiting van die onderzoeken [22] en de zaak aanhangig is gemaakt bij het Hof van Justitie [23]. Dit vereiste kan van toepassing blijven tijdens de gerechtelijke procedure en tot de uitspraak van het vonnis [24].
58. Na de uitspraak van het arrest van het Hof van Justitie is een inbreuk op het recht van de Unie vastgesteld en is een minnelijke schikking niet langer mogelijk [25]. In een procedure die uiteindelijk leidt tot de uitspraak van een arrest op grond van artikel 258 VWEU, zou de openbaarmaking van documenten die in dat kader zijn verkregen, geen afbreuk doen aan onderzoeken die zouden kunnen leiden tot een procedure op grond van artikel 260 VWEU, dat een beperktere werkingssfeer heeft [26].
59. Door de analyse van het Hof van Justitie van de rechtsbeginselen op de onderhavige zaak toe te passen, heeft de Ombudsman getracht vast te stellen of de Commissie zich terecht heeft beroepen op de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001. De Ombudsman merkte op dat het herziene ontwerp van technische wetgeving in kwestie in april 2009 aan de Commissie is meegedeeld. In haar brief van 13 mei 2009 voerde de Commissie aan dat de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van overeenkomstige toepassing is wanneer de Commissie haar verplichtingen uit hoofde van de TBT-richtlijn nakomt. Op 4 juni 2009 heeft het Hof van Justitie zijn arrest gewezen op grond van artikel 260 VWEU. Volgens haar heeft de Commissie niet langer het argument aanvaard dat de betrokken uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, naar analogie van toepassing is op de uitwisselingen tussen de Commissie en een lidstaat in het kader van de TBT-richtlijn. Integendeel, de Commissie heeft zich rechtstreeks op de uitzondering beroepen en betoogd dat deze van toepassing is in het kader van haar rol uit hoofde van artikel 260 VWEU.
60. Om de argumenten van de Commissie ter ondersteuning van haar besluit om het ontwerp van technische wetgeving in kwestie niet openbaar te maken, te aanvaarden, had de Ombudsman een sprong in het diepe moeten maken. In de eerste plaats had de Ombudsman moeten aanvaarden dat het betrokken ontwerp van technische wetgeving een document is dat is opgesteld in het kader van lopende onderzoeken en betrekking heeft op de briefwisseling tussen de Commissie en Griekenland, die in het kader van de vertrouwelijkheid had moeten plaatsvinden om het wederzijdse vertrouwen te vrijwaren. Zoals klager in zijn klacht opmerkte, was dit echter nauwelijks het geval. Het litigieuze ontwerp van technische wetgeving is aan de Commissie meegedeeld nadat het Hof van Justitie had vastgesteld dat de Griekse wetgeving inzake recreatiespelen in strijd was met een aantal verdragsbepalingen. De Commissie kon zich dus niet op de uitzondering beroepen omdat de procedure tegen Griekenland op grond van artikel 258 VWEU tegen die tijd was beëindigd.
61. De Ombudsman merkte op dat het oorspronkelijke ontwerp van technische wetgeving op 7 mei 2008 aan de Commissie is meegedeeld en op de website van de Commissie is gepubliceerd. Op 9 mei 2008, dus twee dagen later, heeft de Commissie een procedure krachtens artikel 260 VWEU tegen Griekenland ingeleid. Hieruit kan worden afgeleid dat de Commissie niet tevreden was met het ontwerp voor een technisch voorschrift, terwijl Griekenland een nieuwe technische wetgeving heeft meegedeeld ter vervanging van die in kennisgeving 2008/184/GR. De uitspraak van het arrest van het Hof van Justitie waarin werd vastgesteld dat Griekenland het eerdere arrest niet had nageleefd, liet er geen twijfel over bestaan dat eventuele lopende onderzoeken tegen Griekenland met betrekking tot zijn wetgeving inzake recreatiespelen de Commissie niet in staat konden stellen zich te beroepen op de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje.
62. Bovendien was het juridisch noch logisch mogelijk om aan te voeren dat de Commissie een nieuwe inbreukprocedure tegen Griekenland overwoog om vast te stellen dat het litigieuze herziene ontwerp voor een technisch voorschrift onverenigbaar was met de internemarktregels. Dit was het geval omdat het Hof van Justitie definitief had vastgesteld dat de destijds geldende Griekse wetgeving in strijd was met de regels van de interne markt van de EU, terwijl het ontwerp van technische wetgeving nog niet door Griekenland was aangenomen.
63. Ten slotte kan een analoge uitlegging van de rol die de Commissie in het kader van de TBT-richtlijn vervult met die in inbreukprocedures niet worden aanvaard. De reden hiervoor is dat de uitzonderingen op de regels inzake de toegang van het publiek strikt moeten worden uitgelegd. Een zo ruime uitlegging van het beginsel van bescherming van de door de Commissie uitgevoerde "onderzoeken" zou een groot deel van de uitwisselingen van de Commissie met de lidstaten buiten het publieke domein plaatsen.
64. De Ombudsman was van mening dat de Commissie, zelfs indien mocht worden aangenomen dat de niet-openbaarmaking van het betrokken ontwerp voor een technisch voorschrift in beginsel gerechtvaardigd was op grond van de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, niet heeft uitgelegd hoe het beschermde belang bij deze gelegenheid concreet en daadwerkelijk zou kunnen worden ondermijnd. In dit verband wees de Ombudsman erop dat rekening moest worden gehouden met het feit dat de Commissie reeds het ontwerp voor een technisch voorschrift inzake recreatiespelen had gepubliceerd, dat haar onder referentie 2008/184/GR was meegedeeld.
65. Gezien het bovenstaande heeft de Ombudsman vastgesteld dat de Commissie het verzoek van klager om toegang tot het betrokken ontwerp voor een technisch voorschrift heeft behandeld op een wijze die onverenigbaar was met artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001. Hij heeft dus voorlopig vastgesteld dat er sprake was van wanbeheer met betrekking tot het besluit van de Commissie om de toegang van het publiek tot het gevraagde document te weigeren.
66. Niettegenstaande bovenstaande bevinding achtte de Ombudsman het noodzakelijk de analyse van de bewering van klager af te ronden om de regels en beginselen voor de toegang van het publiek tot documenten te verduidelijken en het effect van de specifieke regels die zijn vastgelegd in de TBT-richtlijn op de analyse van die regels te beoordelen. In dit verband merkte de Ombudsman op dat de TBT-richtlijn het belang benadrukt van transparantie bij de vaststelling van technische normen of voorschriften op nationaal niveau voor de goede werking van de interne markt [27]. Om de marktdeelnemers in staat te stellen hun beoordeling van de gevolgen van door andere lidstaten voorgestelde nationale technische voorschriften te geven, voorziet de richtlijn in de regelmatige publicatie van de titels van de meegedeelde ontwerpen [28]. Bovendien is de verstrekte informatie, zoals bepaald in artikel 8, lid 4, van de TBT-richtlijn, niet vertrouwelijk, tenzij een lidstaat hier uitdrukkelijk om verzoekt en een dergelijk verzoek met geldige redenen ondersteunt.
67. De Ombudsman was van mening dat de in de TBT-richtlijn verankerde regels aldus moeten worden uitgelegd dat zij van invloed zijn op de wijze waarop de uitzonderingen uit hoofde van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 moeten worden uitgelegd met betrekking tot verzoeken om toegang die binnen het toepassingsgebied van de TBT-richtlijn vallen. In dit verband wees de Ombudsman erop dat het Hof van Justitie heeft erkend dat een instelling haar besluiten op openbaarmaking kan baseren op algemene vermoedens die van toepassing zijn op bepaalde categorieën documenten, aangezien overwegingen van algemene aard waarschijnlijk van toepassing zijn op verzoeken om openbaarmaking die betrekking hebben op documenten van dezelfde aard [29]. De Ombudsman heeft geoordeeld dat een onderzoek per geval mogelijk niet nodig is wanneer het, gezien de bijzondere omstandigheden van het individuele geval, duidelijk is dat toegang moet worden verleend of dat deze moet worden geweigerd [30]. De Ombudsman was van mening dat het door het Hof van Justitie in het arrest Technische Glaswerke en API erkende beginsel, namelijk het vermoeden van openbaarmaking, van toepassing moet zijn op alle ontwerpen van technische voorschriften die in het kader van de TBT-richtlijn worden meegedeeld. In plaats van de uitwisseling van correspondentie tussen de Commissie en afzonderlijke lidstaten uit het publieke domein te verwijderen, zoals de Commissie in het kader van de onderhavige klacht leek te bepleiten, moet een vermoeden van openbaarmaking worden aanvaard. In die zin hoeft een specifiek onderzoek van een individueel document alleen te worden uitgevoerd in uitzonderlijke omstandigheden en in overeenstemming met eventuele specifieke regels die krachtens de TBT-richtlijn van toepassing zijn.
68. Bovendien was de wijze waarop de Commissie tot dusver haar verplichtingen uit hoofde van de TBT-richtlijn is nagekomen, niet zonder betekenis. In dit verband heeft het directoraat-generaal Ondernemingen van de Commissie de TBT-richtlijn ten uitvoer gelegd door de databank van het informatiesysteem voor technische voorschriften (TRIS) op te zetten [31]. De TRIS-databank bevat een zoekmachine voor kennisgevingen, die dagelijks wordt bijgewerkt, alsook informatie over de procedure in het kader van de TBT-richtlijn en de contactpunten in alle lidstaten. De TRIS-website is interactief met de sector, stelt zijn gebruikers in staat feedback achter te laten en opmerkingen te maken en biedt een gratis mailinglijst voor abonnementen voor communicatie die relevant is voor een specifieke sector.
69. Tijdens het onderzoek van de Ombudsman bleek dat de Commissie haar verplichtingen uit hoofde van de TBT-richtlijn nakomt met een lovenswaardige nadruk op de regels en beginselen van behoorlijk bestuur. De Commissie leek verder te gaan dan het door de richtlijn vereiste minimum, namelijk de bekendmaking van de titels van de meegedeelde ontwerpen van technische voorschriften, en toegang te verlenen tot de volledige tekst in alle officiële talen van de Europese Unie. Bovendien had de Commissie een proactieve rol op zich genomen om belanghebbenden te betrekken en de beschikbare informatie te verspreiden. Hieruit volgde dat de Commissie een consistente administratieve praktijk had vastgesteld met betrekking tot de mededeling van ontwerpwetgeving in het kader van de TBT-richtlijn, die verenigbaar leek met de cultuur van dienstverlening die de Ombudsman in de instellingen, organen en instanties van de Unie tracht te bevorderen.
70. Overeenkomstig de code van goed administratief gedrag voor het personeel van de Europese Commissie in hun betrekkingen met het publiek [32], die aan het reglement van orde van de Commissie is gehecht, is de Commissie verplicht consequent te zijn in haar administratieve gedrag en haar normale praktijk te volgen. Eventuele uitzonderingen op dit beginsel moeten naar behoren worden gemotiveerd.
71. Hoewel de Ombudsman de praktijk van de Commissie met betrekking tot de TBT-richtlijn toejuichte, betreurde hij het dat de Commissie bij deze specifieke gelegenheid van die praktijk leek te zijn afgeweken zonder een overtuigende rechtvaardiging te geven.
72. In het licht van het bovenstaande kwam de Ombudsman tot de voorlopige bevinding dat de behandeling door de Commissie van het confirmatief verzoek van klager in strijd was met de materiële regels van Verordening (EG) nr. 1049/2001, hetgeen neerkwam op wanbeheer. Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van zijn Statuut deed de Ombudsman het volgende voorstel voor een minnelijke schikking:
"Rekening houdend met de bevindingen van de Ombudsman zou de Commissie kunnen overwegen klager volledige toegang tot het gevraagde document te verlenen."
De argumenten die aan de Ombudsman zijn voorgelegd na zijn voorstel voor een minnelijke schikking
73. In haar antwoord wees de Commissie erop dat zij het niet eens was met de Ombudsman en was zij ervan overtuigd dat de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, zowel van toepassing kan zijn " op onderzoeken naar mogelijke niet-naleving van het recht van de Unie uit hoofde van artikel 258 VWEU (ex 226 EG) tot de uitspraak van het arrest van het Hof, als op uitwisselingen met de autoriteiten van de lidstaten uit hoofde van Richtlijn 98/34." De Commissie heeft vervolgens de doelstellingen van de TBT-richtlijn en de rol van de Commissie ten aanzien daarvan vastgesteld en opgemerkt dat zij in het kader van de bij de TBT-richtlijn ingestelde procedure niet eenvoudigweg de rol vervult om informatie van de lidstaten te ontvangen. Integendeel, als hoedster van de Verdragen oefent zij" haar onderzoeksbevoegdheden" uit om de lidstaten te helpen hun nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met het EU-recht. Overeenkomstig artikel 9, lid 2, van de TBT-richtlijn kan de Commissie immers een "met redenen omkleed advies" tot een betrokken lidstaat richten, dat de inwerkingtreding van de haar meegedeelde ontwerpen van technische wetgeving tijdelijk zou opschorten.
74. Met betrekking tot kennisgeving 2008/184/GR verklaarde de Commissie dat zij een dergelijk "met redenen omkleed advies" had uitgebracht met betrekking tot het ontwerp dat de Griekse autoriteiten in mei 2008 hadden ingediend. Het was daarom"juist om een analogie te trekken tussen de onderzoeken op grond van artikel 258 VWEU en Richtlijn 98/34, aangezien beide procedures tot doel hebben de verenigbaarheid van de nationale wetgeving met het EU-recht te waarborgen door middel van een dialoog tussen de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten."
75. De Commissie herhaalde dat "klager niet om toegang heeft verzocht tot de oorspronkelijke kennisgeving van de Griekse autoriteiten, die overeenkomstig het transparantiebeleid openbaar is gemaakt, maar tot een later ontwerp, dat is opgesteld nadat de Commissie haar met redenen omkleed advies aan de autoriteiten van de lidstaten had voorgelegd en waarin de aandacht werd gevestigd op de mogelijke problemen met betrekking tot het eerste ontwerp. Er moet rekening mee worden gehouden dat de uitwisselingen ook hebben plaatsgevonden in het kader van de lopende procedure van artikel 260 VWEU voor het Hof en, later, besprekingen over de meest geschikte manier om deze uit te voeren." Bijgevolg mocht de betrokken lidstaat, in overeenstemming met het arrest Petrie [33], van de Commissie verwachten dat zij de vertrouwelijkheid zou waarborgen zolang de besprekingen aan de gang waren.
76. Onverminderd haar hierboven uiteengezette argumenten stemde de Commissie in met het voorstel van de Ombudsman om klager volledige toegang tot het gevraagde document te verlenen, rekening houdend met het feit " dat de Griekse autoriteiten in januari 2011 een openbare raadpleging over een nieuw wetsontwerp hebben gestart en dat de openbaarmaking van het in 2009 ingediende ontwerp derhalve geen afbreuk meer zou doen aan de lopende besprekingen met de autoriteiten van de lidstaten."
77. In zijn opmerkingen merkte klager op dat de Commissie het weliswaar eens was met de conclusie van het voorstel van de Ombudsman voor een minnelijke schikking, maar het duidelijk oneens was met de redenering van de Ombudsman. Meer bepaald heeft de Commissie erop aangedrongen een analogie te trekken tussen de procedure van de TBT-richtlijn en die van artikel 258 VWEU. Klager voerde aan dat die analogie niet legitiem was en dat zij de grondgedachte van de afwijzing van zijn confirmatief verzoek weerspiegelde. In feite heeft de Commissie, in haar poging om haar weigering om het publiek toegang te verlenen een voorwendsel van wettigheid te geven, het bestaande rechtskader op flagrante wijze verdraaid en verwezen naar het "met redenen omkleed advies" dat zij uit hoofde van artikel 9, lid 2, van de TBT-richtlijn aan Griekenland heeft uitgebracht, terwijl de richtlijn slechts voorziet in een "uitvoerig gemotiveerd advies" over een door een lidstaat ingediend ontwerp voor een technisch voorschrift.
78. Klager benadrukte dat de Commissie op algemeen niveau verzoeken om toegang tot documenten die betrekking hebben op ontwerpen van technische voorschriften of "uitvoerig gemotiveerde meningen"blijft afwijzen. Volgens klager omzeilt de Commissie daarmee het eigenlijke doel van de TBT-richtlijn, die in overweging 3 bepaalt dat "om de goede werking van de interne markt te bevorderen, zoveel mogelijk transparantie moet worden gewaarborgd met betrekking tot nationale initiatieven voor de vaststelling van technische normen of voorschriften"[34] en in overweging 7 dat "de interne markt tot doel heeft een klimaat te scheppen dat bevorderlijk is voor het concurrentievermogen van ondernemingen; [...] meer informatieverstrekking een manier is om ondernemingen te helpen meer voordeel te halen uit de voordelen die inherent zijn aan deze markt; [...] het is daarom noodzakelijk de marktdeelnemers in staat te stellen hun beoordeling te geven van de gevolgen van de door andere lidstaten voorgestelde nationale technische voorschriften, door te voorzien in de regelmatige publicatie van de titels van aangemelde ontwerpen en door middel van de bepalingen betreffende de vertrouwelijkheid van dergelijke ontwerpen"[35]. Klager vroeg zich af hoe het doel van de richtlijn kan worden bereikt als marktdeelnemers, zoals zijzelf, die geacht worden hun beoordeling van de gevolgen van nationale technische voorschriften te geven, de toegang tot deze technische voorschriften wordt geweigerd door de Commissie, de instelling die belast is met de uitvoering van de in de TBT-richtlijn vastgestelde procedure.
79. Klager bekritiseerde ook de instemming van de Commissie met het voorstel van de Ombudsman om toegang te verlenen tot het gevraagde document als niet-echt. In feite beschouwde klager het gebaar van de Commissie als een poging om tweeënhalf jaar vertraging te legitimeren met betrekking tot een verzoek om toegang van het publiek tot een herzien ontwerp voor een technisch voorschrift. Bovendien betwistte klager de premisse van de Commissie ter rechtvaardiging van haar besluit om toegang tot het document te verlenen, namelijk het feit dat de Griekse regering in januari 2011 een openbare raadpleging over een nieuw ontwerp heeft gestart. Volgens klager doen de kennisgeving van het nieuwe ontwerp aan de Commissie en de publicatie ervan in de TRIS-databank (Kennisgeving 2011/166/GR) twijfel rijzen over de vraag of de toegang van het publiek tot een eerder ontwerp de besprekingen met de betrokken lidstaat zou schaden.
80. Klager vestigde de aandacht van de Ombudsman op het feit dat noch de jurisprudentie van het Hof van Justitie, noch de besluiten van de Ombudsman specifiek betrekking hebben op de kwesties die in dit onderzoek aan de orde komen, en verzocht de Ombudsman een ontwerpaanbeveling aan de Commissie te doen om haar "onwettige administratieve praktijk" met betrekking tot mededelingen door de lidstaten van ontwerpen van technische voorschriften in het kader van de TBT-richtlijn te wijzigen.
Beoordeling van de Ombudsman na zijn voorstel voor een minnelijke schikking
81. De Ombudsman achtte het van essentieel belang te herhalen dat zijn voorstel voor een minnelijke schikking als volgt luidde:
"Rekening houdend met de bevindingen van de Ombudsman zou de Commissie kunnen overwegen klager volledige toegang tot het gevraagde document te verlenen."
82. Dit voorstel bevatte derhalve twee elementen: a) de Commissie kon overwegen klager volledige toegang tot het gevraagde document te verlenen; en b) de Commissie kon dit doen met inachtneming van de bevindingen van de Ombudsman.
83. Hoewel de Ombudsman erkende dat de Commissie toegang tot het betrokken document had verleend en derhalve het verzoek van klager had afgehandeld, moest nog worden vastgesteld of toegang tot dat document kan worden aangemerkt als een geslaagde minnelijke schikking in de zin van artikel 6 van de uitvoeringsbepalingen van de Ombudsman [36]. In dit verband merkte de Ombudsman op dat de Commissie toegang heeft verleend tot het document in kwestie, met behoud van haar oorspronkelijke redenering. Deze redenering druist in tegen de redenering van de Ombudsman in zijn voorlopige beoordeling. Hoewel toegang tot het document werd verleend, bleek bovendien duidelijk uit de opmerkingen van klager dat het antwoord van de Commissie niet van dien aard was dat het klager tevreden stelde. Bijgevolg constateerde de Ombudsman in het licht van de bovenstaande overwegingen dat zijn zoektocht naar een minnelijke schikking niet geheel succesvol was.
84. Overeenkomstig artikel 6, lid 3, van zijn uitvoeringsbepalingen "[i]ndien de Ombudsman van oordeel is dat een minnelijke schikking niet mogelijk is, of dat het zoeken naar een minnelijke schikking geen succes heeft opgeleverd, sluit hij de zaak af met een met redenen omkleed besluit dat een kritische opmerking kan bevatten, of stelt hij een verslag op met ontwerpaanbevelingen."
85. Vanuit dit uitgangspunt wees de Ombudsman erop dat de onderhavige zaak belangrijke kwesties aan de orde stelt met betrekking tot de toepassing van artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001. Meer in het bijzonder betreft de zaak de interpretatie van de term "onderzoeken"in genoemd artikel in het kader van: a) een inbreukprocedure tegen een lidstaat; en b) de procedure die is ingesteld op grond van de TBT-richtlijn.
86. Om de in de punten 52 tot en met 72 hierboven uiteengezette redenen heeft de Ombudsman in zijn voorstel voor een minnelijke schikking voorlopig vastgesteld dat de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening 1049/2001 ten onrechte werd ingeroepen ter rechtvaardiging van de weigering van de Commissie om toegang te verlenen tot het gevraagde document, dat betrekking heeft op een herzien ontwerp van technisch voorschrift dat Griekenland aan de Commissie heeft meegedeeld volgens de procedure van de TBT-richtlijn.
87. In haar antwoord op het voorstel van de Ombudsman voor een minnelijke schikking was de Commissie het niet eens met de voorlopige bevinding van de Ombudsman en voerde zij aan dat de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van toepassing is op de procedure uit hoofde van de TBT-richtlijn naar analogie van de inbreukprocedure uit hoofde van artikel 258 VWEU.
88. De Ombudsman was van mening dat de interpretatie van de Commissie niet overtuigend was met betrekking tot de onderhavige zaak of in het algemeen.
89. Weliswaar is de onderhavige zaak vrij specifiek in die zin dat zij betrekking heeft op een kennisgeving uit hoofde van de TBT-richtlijn van een herzien ontwerp voor een technisch voorschrift dat door Griekenland is meegedeeld in de nasleep van het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-65/05, Commissie/Griekenland, waarin werd vastgesteld dat de Griekse wetgeving inzake recreatiespelen onverenigbaar was met de bepalingen van het Verdrag inzake de interne markt. Er zij op gewezen dat volgens de rechtspraak van het Hof na die datum "... de voortzetting van de onderhandelingen tussen die lidstaat en de Commissie niet langer tot doel heeft het bestaan van de inbreuk vast te stellen..."[37], terwijl "... in het geval van die inbreuk geen minnelijke schikking meer mogelijk is"[38].
90. In dit verband moet worden opgemerkt dat de inbreukprocedures tegen Griekenland op grond van zowel de artikelen 258 als 260 VWEU waren afgerond toen de Commissie reageerde op het confirmatief verzoek van klager. Hieruit volgt dat de overwegingen van algemeen belang die van toepassing zijn op documenten die zijn opgesteld of verkregen in het kader van een door het Hof van Justitie in het arrest Petrie erkende niet-nakomingsprocedure, niet langer van toepassing zijn [39]. Bijgevolg kan niet langer worden aangenomen dat de openbaarmaking van het in de onderhavige zaak aan de orde zijnde document afbreuk zou doen aan onderzoeken die zouden kunnen leiden tot een procedure op grond van artikel 258 VWEU [40].
91. Indien men zou instemmen met het standpunt van de Commissie dat de bijzondere overwegingen die van toepassing zijn op inbreukprocedures in casu relevant zijn, hetzij naar analogie, hetzij rechtstreeks, zou dit immers tot het paradoxale gevolg hebben dat de toegang tot het betrokken document zou worden geweigerd ter bescherming van een "onderzoek" dat reeds lang was afgerond. Het feit dat de niet-nakomingsprocedure in de onderhavige zaak was afgesloten, maakte de uitlegging van de Commissie derhalve onaannemelijk.
92. Wat echter de meer algemene rol van de Commissie in het kader van de TBT-richtlijn betreft, te weten het ontbreken van een afgesloten inbreukprocedure, was het argument van de Commissie niet ongegrond. In dit verband aanvaardde de Ombudsman, na de argumenten van zowel de Commissie als klager te hebben onderzocht, dat de informatie die overeenkomstig de procedure van artikel 8 van de TBT-richtlijn was verstrekt, onder het toepassingsgebied van een "onderzoek" in de zin van artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 [41] kon vallen.
93. De Ombudsman verklaarde vervolgens echter dat dit niet betekent dat de relevante uitzondering in het kader van de TBT-richtlijn op dezelfde manier moet worden uitgelegd als in inbreukprocedures. De Ombudsman was van mening dat er gevallen waren waarin de interpretatie van de Commissie zinvol lijkt, bijvoorbeeld wanneer een lidstaat een ontwerp voor een technisch voorschrift niet meedeelt en dus zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 8 van de TBT-richtlijn schendt, zoals in feite het geval was in zaak C-65/05, Commissie/Griekenland, of wanneer hij de opschortende termijnen van artikel 9 van de TBT-richtlijn niet in acht neemt. In dergelijke gevallen leidt de Commissie in feite een inbreukprocedure in.
94. Dezelfde logica geldt echter niet voor de analyse van ontwerpen van technische voorschriften die op grond van artikel 8 van de TBT-richtlijn worden ingediend. In feite is er in dit stadium geen sprake van een mogelijke schending van het Unierecht. De TBT-richtlijn heeft tot doel de Commissie in staat te stellen de relevante regels te controleren terwijl zij zich nog in de redactionele fase bevinden, juist om te voorkomen dat de lidstaten regels vaststellen die niet verenigbaar zijn met het EU-recht. Een inbreukprocedure wordt daarentegen pas ingeleid wanneer de Commissie zich reeds op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is of zou kunnen zijn van een inbreuk op het Unierecht. Volgens de Ombudsman was het argument van de Commissie dat het onderzoek van ontwerpen van technische voorschriften in het kader van de TBT-richtlijn moet worden beschouwd als vergelijkbaar met een onderzoek op grond van artikel 258 VWEU derhalve niet overtuigend.
95. De Ombudsman was voorts van mening dat de noodzaak om een onderscheid te maken tussen een onderzoek van ontwerpen van technische voorschriften uit hoofde van de TBT-richtlijn en een onderzoek uit hoofde van artikel 258 VWEU ook door de richtlijn zelf wordt bevestigd. Enerzijds mogen de lidstaten volgens de rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie in de regel en behoudens uitzonderingen verwachten dat de Commissie inbreukprocedures vertrouwelijk behandelt. De TBT-richtlijn maakt daarentegen duidelijk dat zij een hoog niveau van transparantie beoogt, zoals met name wordt bevestigd in de preambule [42] en in artikel 8, lid 4,[43]. Wat ontwerpen voor technische voorschriften betreft, bepaalt artikel 8, lid 4, uitdrukkelijk dat transparantie de regel is en dat vertrouwelijkheid de uitzondering is. De Ombudsman zag geen logische reden om aan te voeren dat dit alleen zou moeten gelden voor de oorspronkelijke ontwerpen van technische voorschriften, maar niet voor herziene ontwerpen die een lidstaat aan de Commissie zou kunnen voorleggen. In de TBT-richtlijn worden, onder de voorwaarden van artikel 8, lid 1, derde alinea [44], herziene ontwerpen van technische voorschriften gelijkgesteld met oorspronkelijke ontwerpen van technische voorschriften.
96. Voorts moet worden opgemerkt dat de wetgeving van de EU zich sinds de vaststelling van de TBT-richtlijn heeft ontwikkeld. Zoals reeds vermeld, is Verordening (EG) nr. 1049/2001 gebaseerd op het beginsel van een zo ruim mogelijke toegang tot documenten die in het bezit zijn van de instellingen en organen van de EU. Artikel 42 van het Handvest heeft het recht op toegang tot documenten verheven tot een grondrecht. In deze omstandigheden was de Ombudsman van oordeel dat de restrictieve aanpak van de Commissie met betrekking tot de toegang tot herziene ontwerpen van technische voorschriften die in het kader van de TBT-richtlijn waren ingediend, noch gerechtvaardigd noch passend was.
97. Het verheugt de Ombudsman dat de Commissie een praktijk heeft ontwikkeld volgens welke zij in de regel het oorspronkelijke en definitieve ontwerp van technische voorschriften publiceert dat door de lidstaten in het kader van de TBT-richtlijn is meegedeeld. Volgens hem zou het dan ook alleen maar logisch zijn als dezelfde benadering zou worden gevolgd voor de door de lidstaten ingediende herziene ontwerpen van technische voorschriften.
98. In het licht van het bovenstaande was de Ombudsman van oordeel dat er een algemeen vermoeden bestaat dat toegang kan worden verleend tot herziene ontwerpen van technische voorschriften die de lidstaten uit hoofde van de TBT-richtlijn hebben meegedeeld, tenzij een lidstaat uitdrukkelijk om vertrouwelijkheid verzoekt en een dergelijk verzoek ondersteunt met redenen die een dergelijk vermoeden zouden kunnen weerleggen [45].
99. Op basis van de voorgaande analyse heeft de Ombudsman de ontwerpaanbeveling gedaan dat de Commissie haar standpunt inzake de toegang van het publiek tot herziene ontwerpen van technische voorschriften moet herzien en ervoor moet zorgen dat zij, naast de oorspronkelijke ontwerpen van technische voorschriften en de definitieve technische voorschriften, die consequent in de TRIS-databank worden gepubliceerd, ook de herziene ontwerpen van technische voorschriften toegankelijk maakt, tenzij een lidstaat uitdrukkelijk om vertrouwelijkheid verzoekt en een dergelijk verzoek ondersteunt met redenen die het vermoeden van toegankelijkheid kunnen weerleggen.
De argumenten die na zijn ontwerpaanbeveling aan de Ombudsman zijn voorgelegd
100. In haar omstandig advies voerde de Commissie aan dat haar praktijk met betrekking tot de publicatie van ontwerpen van technische voorschriften voldoet aan de transparantievereisten en in overeenstemming is met de ontwerpaanbeveling van de Ombudsman. De Commissie voerde met name aan dat, in overeenstemming met de transparantievereisten, ontwerpen van technische voorschriften die "op grond van artikel 8, lid 1, punt 3, van Richtlijn 98/34/EG opnieuw zijn aangemeld, in de ontwerpaanbeveling "herziene ontwerpen van technische voorschriften" genoemd, in de TRIS-databank worden gepubliceerd, tenzij de betrokken lidstaat uitdrukkelijk om vertrouwelijkheid heeft verzocht.
101. Wat het specifieke geval in kwestie betreft, benadrukte de Commissie dat zij niet afweek van de transparantievereisten; zij weigerde alleen toegang tot een gewijzigd ontwerp dat deel uitmaakte van een lopende discussie tussen Griekenland en de Commissie over de uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie. De Commissie heeft gemotiveerd dat artikel 4, lid 2, derde streepje, niet alleen van toepassing kan zijn op onderzoeken naar mogelijke niet-naleving van het EU-recht op grond van artikel 258 VWEU tot de uitspraak van het arrest van het Hof, maar ook op uitwisselingen met de autoriteiten van de lidstaten op grond van de TBT-richtlijn. De Commissie verklaarde dat de kennisgevingsprocedure in het kader van de TBT-richtlijn tot doel heeft het ontstaan van nieuwe belemmeringen op de interne markt van de EU te voorkomen. Na de mededeling van een ontwerp voor een technisch voorschrift aan de Commissie is een lidstaat verplicht de opschortende termijn in acht te nemen en, voor zover mogelijk, rekening te houden met de opmerkingen en uitvoerig gemotiveerde meningen van de Commissie of van andere lidstaten. Na het verstrijken van de opschortende termijn kan een lidstaat een aan hem meegedeeld ontwerp aannemen indien hij zijn verplichtingen uit hoofde van de TBT-richtlijn is nagekomen. Indien een lidstaat nalaat het ontwerp voor een technisch voorschrift te wijzigen naar aanleiding van opmerkingen en/of een uitvoerig gemotiveerd advies van de Commissie overeenkomstig artikel 9, lid 2, van de TBT-richtlijn, kan de Commissie worden gedwongen een inbreukprocedure in te leiden.
102. Volgens de Commissie zijn er duidelijke overeenkomsten en verbanden tussen de procedure uit hoofde van de TBT-richtlijn en inbreukprocedures. Het doel van de kennisgevingsprocedure van de TBT-richtlijn is vergelijkbaar met het doel van onderzoeken op grond van de artikelen 258 en 260 VWEU, aangezien beide procedures tot doel hebben ervoor te zorgen dat de nationale wetgeving in overeenstemming is met het Unierecht. In beide gevallen wordt een dialoog tot stand gebracht tussen de Commissie en de lidstaten om een bevredigende oplossing te vinden en het is in het algemeen belang de vertrouwelijkheid van deze dialoog te handhaven, teneinde een geest van wederzijds vertrouwen te waarborgen. Bovendien kunnen de argumenten die in de uitvoerig gemotiveerde mening van de Commissie overeenkomstig artikel 9, lid 2, van de TBT-richtlijn worden gebruikt, in voorkomend geval worden gebruikt in een aanmaningsbrief nadat de wetgeving is vastgesteld.
103. De Commissie preciseerde dat, in het geval van de Griekse wetgeving inzake recreatiespelen, de toegang tot het herziene ontwerp voor een technisch voorschrift bij wijze van uitzondering werd geweigerd vanwege de specifieke omstandigheden van de zaak. In die zaak heeft de kennisgeving op grond van de TBT-richtlijn geleid tot twee inbreukprocedures, die hebben geleid tot twee arresten van het Hof van Justitie. In het eerste arrest van 26 oktober 2006, Commissie/Griekenland (C-65/05), heeft het Hof vastgesteld dat de destijds geldende Griekse wetgeving inzake recreatiespelen in strijd was met een aantal verdragsbepalingen. Aangezien Griekenland dat arrest niet heeft uitgevoerd, heeft de Commissie de procedure van artikel 260 VWEU ingeleid. Deze hebben geleid tot het tweede arrest van 4 juni 2009 in zaak C-109/08, Commissie/Griekenland, waarin het Hof Griekenland sancties heeft opgelegd en de Commissie opmerkte: "Aangezien Griekenland nog niet de maatregelen heeft genomen die nodig zijn om aan het eerste arrest te voldoen, betaalt het nog steeds sancties".
104. De Commissie verklaarde voorts dat "Griekenland op 7 mei 2008 kennis heeft gegeven van zijn herziene wetsontwerp, nadat de Commissie in de tweede inbreukprocedure een met redenen omkleed advies had uitgebracht. Dit opnieuw aangemelde ontwerp was openbaar toegankelijk. De Commissie was van mening dat dit gewijzigde wetsontwerp nog steeds in strijd zou zijn met het recht van de Europese Unie. Zij heeft derhalve een omstandig advies met opmerkingen aan de Griekse autoriteiten uitgebracht. In antwoord daarop hebben deze autoriteiten wijzigingen op het opnieuw aangemelde ontwerp ingediend. Klager verzocht om toegang tot deze wijzigingen, niet tot het opnieuw aangemelde ontwerp. Toen [zij] op 15 mei 2009 [haar] confirmatief verzoek indiende, was de Commissie nog in gesprek met de Griekse autoriteiten over de wijzigingen die een mogelijke schending van het recht van de Europese Unie zouden wegnemen en een correcte uitvoering van het eerste arrest van het Hof zouden waarborgen. Volgens de Commissie is het opnieuw aangemelde ontwerp niet volledig in overeenstemming met het recht van de Europese Unie en met het arrest. De openbaarmaking van de voorgestelde wijzigingen van het opnieuw aangemelde ontwerp aan het publiek op dat moment zou de inspanningen van de Commissie om ervoor te zorgen dat Griekenland het arrest van het Hof zou uitvoeren, hebben belemmerd. Het zou een tekst die het onderwerp was van delicate onderhandelingen tussen de Commissie en de Griekse autoriteiten in het publieke domein hebben gebracht "[46].
105. In zijn opmerkingen bekritiseerde klager het feitelijke verslag van de Commissie over de klacht en richtte hij zich op de inbreukprocedures tegen Griekenland. Volgens klager heeft Griekenland geen maatregelen genomen om te voldoen aan het arrest van het Hof van Justitie van 26 oktober 2006. Het uitblijven van maatregelen van Griekenland heeft de Commissie ertoe gebracht de procedure van artikel 260 VWEU in te leiden en op 29 juni 2007 een met redenen omkleed advies te sturen, waarbij Griekenland twee maanden de tijd heeft gekregen om aan het arrest te voldoen. Nadat de Commissie op 10 maart 2008 geen antwoord had ontvangen, heeft zij de zaak tegen Griekenland aanhangig gemaakt bij het Hof van Justitie. Op 7 mei 2008, dus nadat de procedure van artikel 260 VWEU was ingeleid, heeft Griekenland zijn ontwerp van technische wetgeving voor het eerst aan de Commissie meegedeeld [47]. Klager voerde echter aan dat de referentiedatum voor de beoordeling van het bestaan van een niet-nakoming uit hoofde van artikel 260 VWEU de datum is waarop de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn verstrijkt, die in casu 29 juni 2007 was [48]. In dit verband heeft Griekenland de Commissie in maart 2009 in kennis gesteld van het herziene ontwerp van technische wetgeving in kwestie en heeft klager in april 2009 een verzoek om toegang van het publiek ingediend. Op basis hiervan plaatste klager vraagtekens bij het argument van de Commissie dat zij overleg pleegde met de Griekse autoriteiten, aangezien de inbreuk en het feit dat Griekenland niets deed om aan het arrest van het Hof van Justitie te voldoen, al lang daarvoor waren vastgesteld. In het licht van deze feitelijke gegevens vroeg klager zich af hoe de Commissie kon stellen dat zij in april 2009 overleg pleegde met de Griekse autoriteiten om ervoor te zorgen dat Griekenland het arrest van het Hof naleefde, terwijl de cruciale referentiedatum voor de vaststelling van de niet-naleving door Griekenland de datum was waarop het met redenen omkleed advies van de Commissie in de procedure van artikel 260 VWEU werd uitgebracht, namelijk 29 april 2007. Bovendien vroeg klager hoe de inspanningen van de Commissie in april en mei 2009 om ervoor te zorgen dat Griekenland het eerste arrest van het Hof van Justitie naleeft, zouden kunnen worden ondermijnd door het publiek toegang te verlenen tot het herziene ontwerp voor een technisch voorschrift toen de hoorzitting van het Hof in de inbreukprocedure van artikel 260 VWEU in januari 2009 had plaatsgevonden [49].
106. Vervolgens verklaarde klager het oneens te zijn met de interpretatie van de Commissie van haar bevoegdheden in het kader van de TBT-richtlijn. Volgens de klager is de bij de richtlijn ingestelde kennisgevingsprocedure gericht op het vooraf wegnemen van belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen en diensten. Deze procedure begint met de mededeling aan de Commissie van ontwerpen van technische voorschriften overeenkomstig artikel 8, lid 1. Overeenkomstig artikel 9, lid 1, kan de Commissie of een lidstaat gedurende de opschortende termijn van drie maanden die volgt op de oorspronkelijke mededeling, een omstandig advies uitbrengen waarbij de opschortende termijn met nog eens drie maanden wordt verlengd. Overeenkomstig artikel 8, lid 1, derde alinea, moeten de lidstaten een nieuwe kennisgeving doen indien zij wezenlijke wijzigingen aanbrengen in het ontwerp van technische wetgeving. Klager was van mening dat hieruit volgt dat, indien een lidstaat, ondanks het meningsverschil van de Commissie over een omstandig advies, overgaat tot de vaststelling van een ontwerp voor een technisch voorschrift, de Commissie een inbreukprocedure kan inleiden. Indien de Commissie een omstandig advies uitbrengt, moet de betrokken lidstaat zich derhalve onthouden van goedkeuring van het ontwerp voor een technisch voorschrift en, indien hij ingrijpende wijzigingen aanbrengt in het ontwerp, een nieuwe kennisgeving doen van een herzien ontwerp voor een technisch voorschrift. Klager benadrukte dat dit precies is wat er in deze zaak is gebeurd. Griekenland deed de eerste kennisgeving in mei 2008. De Commissie heeft vervolgens het oorspronkelijke ontwerp van technische wetgeving betreffende de TRIS-databank gepubliceerd en daarover een uitvoerig gemotiveerd advies uitgebracht. In het licht van de reactie van de Commissie heeft Griekenland het wetsontwerp ingetrokken en in maart 2009 een nieuwe kennisgeving gedaan van een nieuw wetsontwerp dat de Commissie niet heeft gepubliceerd. De Commissie heeft ook een omstandig advies over deze wet uitgebracht en de Griekse autoriteiten hebben dit wetsontwerp eveneens ingetrokken. In 2011 heeft Griekenland een nieuw wetsontwerp bij de Commissie ingediend, dat de Commissie "paradoxaal genoeg"in de TRIS-databank heeft gepubliceerd [50].
107. Rekening houdend met zijn bovenstaande opmerkingen voerde klager aan dat de Commissie heeft aangevoerd dat zij in wezen over een volledige beoordelingsmarge beschikt ten aanzien van de ontwerpen van technische voorschriften die zij zal publiceren en dat zij in dit verband een analogie heeft getrokken met de geheimhouding die van toepassing is op inbreukprocedures. Volgens klager heeft dit standpunt van de Commissie zowel de letter als de geest van de TBT-richtlijn verdraaid. In feite verwees de klager naar overweging 3 van de TBT-richtlijn, die "zoveel mogelijk transparantie"vereist, en naar overweging 7, waarin staat dat "de interne markt tot doel heeft een klimaat te scheppen dat bevorderlijk is voor het concurrentievermogen van ondernemingen om meer van de aan deze markt inherente voordelen te benutten" en dat "het derhalve noodzakelijk is de marktdeelnemers in staat te stellen hun beoordeling van de gevolgen van de door andere lidstaten voorgestelde nationale technische voorschriften te geven, door te voorzien in de regelmatige publicatie van de titels van aangemelde ontwerpen ...". De klager voegde eraan toe dat de TRIS-databank de procedure in het kader van de TBT-richtlijn als volgt beschrijft: "De kennisgevingsprocedure van Richtlijn 98/34/EG is een instrument voor informatie, preventie en dialoog. Het staat ten dienste van de interne markt, dat wil zeggen ten dienste van u, omdat het u in staat stelt te anticiperen op en te voorkomen dat handelsbelemmeringen ontstaan die van invloed kunnen zijn op uw activiteiten, de activiteiten van uw klanten of die van uw leden."[51] De klager is van mening dat de procedure uit hoofde van de TBT-richtlijn, in plaats van de "verschillen" tussen de Commissie en een lidstaat aan te geven, zoals het geval is in in inbreukprocedures, tot doel heeft de ontwerpen van technische voorschriften in de publieke sfeer te brengen en de betrokken marktdeelnemers in staat te stellen hun standpunten kenbaar te maken. De Commissie bereikt dit via de TRIS-databank. Op haar webpagina, die informatie over deze databank verstrekt, stelt de Commissie dat de reactie van een marktdeelnemer op een ontwerp voor een technisch voorschrift dat handelsbelemmeringen zou kunnen opwerpen "doorslaggevend kan zijn"[52].
108. Klager sloot zijn opmerkingen af met het argument dat rekening moet worden gehouden met de noodzaak om transparantie te waarborgen voor de correcte en ongehinderde werking van de bij de TBT-richtlijn ingestelde procedure, zodat geïnteresseerde commerciële exploitanten actief bij dit proces kunnen worden betrokken. Het benadrukte het ontbreken van relevante rechtspraak van het Hof van Justitie en de verreikende negatieve gevolgen die het feit dat de Commissie vasthoudt aan dezelfde praktijk, kan hebben. Klager verzocht de Ombudsman derhalve de onderhavige zaak niet te sluiten, maar een speciaal verslag aan het Europees Parlement voor te leggen.
Beoordeling van de Ombudsman na zijn ontwerpaanbeveling
109. Het verbaast de Ombudsman dat de Commissie in haar omstandig advies in wezen dezelfde argumenten herhaalt die hij heeft verworpen in zijn analyse van de tweede bewering in het kader van zijn voorstel voor een minnelijke schikking (punten 52-72 hierboven) en zijn tweede ontwerpaanbeveling (punten 85-99 hierboven).
110. Om het probleem te herhalen, is de vraag of de Commissie gerechtvaardigd kan zijn om de toegang tot een herzien ontwerp voor een technisch voorschrift te weigeren op grond van de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening 1049/2001, waarin is bepaald dat "[d]e instellingen [...] de toegang tot een document [weigeren] wanneer openbaarmaking de bescherming zou ondermijnen van: [...] - het doel van inspecties, onderzoeken en audits, tenzij een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt." Het standpunt van de Commissie kan als volgt worden samengevat. Het Hof van Justitie heeft vastgesteld dat onderzoeken op grond van artikel 258 VWEU onder de in artikel 4, lid 2, derde streepje, genoemde "onderzoeken" vallen en dat, aangezien er een dialoog tussen de Commissie en de lidstaten tot stand wordt gebracht om een bevredigende oplossing te vinden, het in het algemeen belang is om de vertrouwelijkheid van deze dialoog te handhaven, teneinde een geest van wederzijds vertrouwen te waarborgen. In het onderhavige geval voert de Commissie aan dat haar onderhandelingen met de Griekse autoriteiten, die nog gaande waren, uit de publieke sfeer moeten worden gehouden, omdat de naleving van het arrest van het Hof in zaak C-65/05 moet worden gewaarborgd. Subsidiair zijn de uitwisselingen in het kader van de TBT-richtlijn hoe dan ook vergelijkbaar met onderzoeken op grond van artikel 258 VWEU, aangezien beide procedures tot doel hebben te waarborgen dat de nationale wetgeving in overeenstemming is met het Unierecht en dit pleit ervoor deze vertrouwelijk te houden. De Commissie betoogt dat uit deze overwegingen volgt dat zij geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de toegang tot het betrokken herziene ontwerp voor een technisch voorschrift te weigeren.
111. Klager betwist het standpunt van de Commissie dat haar onderhandelingen met de Griekse autoriteiten op 15 mei 2009 aan de gang waren, dat wil zeggen toen klager een confirmatief verzoek om toegang tot het betrokken herziene ontwerp voor een technisch voorschrift indiende. Volgens klager is de niet-naleving door Griekenland van het arrest van het Hof in zaak C-65/05 vastgesteld op de datum waarop de Commissie haar met redenen omkleed advies heeft uitgebracht in de procedure van artikel 260 VWEU, namelijk 29 juni 2007. Bovendien had de terechtzitting in het kader van de niet-nakomingsprocedure van artikel 260 VWEU in januari 2009 plaatsgevonden.
112. Op dit punt is de Ombudsman van mening dat de Griekse wetgeving die van toepassing was op het moment dat klager zijn confirmatief verzoek om toegang van het publiek tot documenten bij de Commissie indiende, nog steeds Wet 3037/2002 was, die het Hof van Justitie in zaak C-65/05 Commissie/Griekenland had vastgesteld in strijd te zijn met het EU-recht. Wegens deze schending heeft het Hof Griekenland bij arrest Commissie/Griekenland (C-109/08) veroordeeld tot betaling van een forfaitaire som en een dwangsom voor elke dag vertraging bij de aanpassing van zijn wetgeving aan het Unierecht. Hieruit volgt dat, zoals de Ombudsman reeds in de punten 89 tot en met 91 hierboven heeft opgemerkt, eventuele lopende besprekingen tussen de Commissie en Griekenland met het oog op de naleving van het Unierecht niet waren onderworpen aan de overwegingen die van toepassing waren op documenten in het kader van lopende niet-nakomingsprocedures, zoals erkend door het Hof van Justitie in het arrest Petrie, omdat de onderhavige procedure reeds lang was afgesloten en de schending van het Unierecht door Griekenland het meest definitief was vastgesteld [53]. Wat de specifieke feiten van de onderhavige zaak betreft, is de Ombudsman van mening dat de weigering van de Commissie om het publiek toegang te verlenen tot het betrokken herziene ontwerp voor een technisch voorschrift op grond van het feit dat de onderhandelingen met de Griekse autoriteiten ter uitvoering van het arrest van het Hof in zaak C-65/05 nog liepen, derhalve niet gerechtvaardigd was.
113. Wat de algemene kwestie betreft, kan de Ombudsman moeilijk instemmen met het argument van de Commissie dat een weigering om toegang te verlenen tot herziene ontwerpen van technische voorschriften gerechtvaardigd is op grond van het feit dat de overwegingen met betrekking tot lopende inbreukprocedures naar analogie van toepassing zijn vanwege de gelijkenis tussen de procedures uit hoofde van artikel 258 VWEU en de TBT-richtlijn. In dit verband moet worden opgemerkt dat inbreukprocedures betrekking hebben op bestaande wetgeving of, indien de toepasselijke nationale wetgeving in overeenstemming is met het Unierecht, op een algemene en consistente administratieve praktijk die in strijd is met dat recht [54]. De kennisgevingsprocedure van de TBT-richtlijn heeft daarentegen betrekking op wetsontwerpen die nog niet van kracht zijn en kan dus niet het voorwerp zijn van een niet-nakomingsprocedure. In dit verband heeft het Hof van Justitie, dat zich specifiek over deze kwestie heeft uitgesproken (het arrest van het Hof heeft betrekking op richtlijn 83/189 van de Raad, de voorloper van richtlijn 98/34)[55], een tegen Nederland ingesteld beroep wegens niet-nakoming verworpen met de volgende motivering:
"18. [...] voor de afgifte van een aanmaningsbrief moet een voorafgaande niet-nakoming door de betrokken lidstaat van een door hem verschuldigde verplichting worden aangevoerd.
19. Het is echter duidelijk dat op het tijdstip waarop een uitvoerig gemotiveerde mening uit hoofde van richtlijn 83/189 wordt uitgebracht, de aangezochte lidstaat het gemeenschapsrecht niet kan hebben geschonden, aangezien de maatregel slechts in ontwerpvorm bestaat."[56]
114. Hieruit volgt dat het argument van de Commissie dat "[i]ndien een lidstaat nalaat het ontwerp voor een technisch voorschrift te wijzigen naar aanleiding van opmerkingen en/of een uitvoerig gemotiveerd advies, [...] de Commissie [kan] worden gedwongen een inbreukprocedure in te leiden"moet worden afgewezen. Zoals het Hof van Justitie het duidelijkst heeft verklaard, kan de Commissie geen inbreukprocedure inleiden zonder dat dit ontwerp van technische wetgeving formeel in wetgeving is omgezet (zie in dit verband punt 62 van deze beschikking).
115. Wat betreft het argument van de Commissie dat een analogie tussen artikel 258 VWEU en de kennisgevingsprocedure uit hoofde van de TBT-richtlijn aannemelijk is omdat zij beide hetzelfde doel dienen, acht de Ombudsman het niet geheel overtuigend. Enerzijds hebben niet-nakomingsprocedures immers tot doel ervoor te zorgen dat de lidstaten uitvoering geven aan de Verdragen en de bepalingen die de instellingen op grond daarvan hebben vastgesteld [57]. De Commissie begint bilaterale besprekingen met de betrokken lidstaat om ervoor te zorgen dat deze zijn wetgeving in overeenstemming brengt met het EU-recht, in het belang van de uniforme toepassing van het EU-recht in de rechtsorde van de EU. Anderzijds gaat het doel van de kennisgevingsprocedure in het kader van de TBT-richtlijn verder dan het doel om de naleving van het Unierecht te waarborgen. Zoals klager in de loop van het onderzoek heeft betoogd, is deze procedure er namelijk ook op gericht ervoor te zorgen dat marktdeelnemers in de EU kunnen anticiperen op nieuwe technische normen en voorschriften die een belemmering kunnen vormen voor het vrije verkeer van goederen en diensten, en zo de goede werking van de interne markt te bevorderen. In plaats van een zuiver bilaterale relatie tussen de Commissie en de betrokken lidstaat die onder een geheimhoudingsplicht valt, wordt een kennisgeving in het kader van de TBT-richtlijn gekenmerkt door transparantie met betrekking tot ontwerpen van technische normen en voorschriften [58]. Wanneer een ontwerp voor een technisch voorschrift in de TRIS-databank wordt gepubliceerd, kunnen de Commissie en de andere lidstaten hierover een uitvoerig gemotiveerd advies uitbrengen en kunnen de betrokken marktdeelnemers opmerkingen maken, die volgens de Commissie "beslissend kunnen zijn". In het licht van deze overwegingen zou de toepassing van de voorwaarden voor inbreukprocedures op de kennisgevingsprocedure uit hoofde van de TBT-richtlijn noch gerechtvaardigd noch passend zijn.
116. Zoals klager echter opmerkte toen hij op de website van de Commissie citeerde, is de kennisgevingsprocedure in het kader van de TBT-richtlijn "een instrument voor informatie, preventie en dialoog". Dit houdt in dat, zoals hierboven vermeld, de procedure ook bedoeld is om ervoor te zorgen dat de lidstaten het EU-recht naleven. Hieruit volgt dat, zoals de Ombudsman in de punten 92 tot en met 93 hierboven heeft uiteengezet, de overeenkomstig de procedure van artikel 8 van de TBT-richtlijn verstrekte informatie onder het toepassingsgebied van een "onderzoek" in de zin van artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 zou kunnen vallen. Uit de bovenstaande overwegingen (zie punt 115) blijkt echter dat de relevante uitzondering in het kader van de TBT-richtlijn niet op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als in inbreukprocedures. Volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat de overwegingen met betrekking tot inbreukprocedures uiteraard relevant kunnen worden in geval van schending van een procedureregel uit hoofde van de TBT-richtlijn, zoals het niet doen van een kennisgeving of het niet in acht nemen van de opschortende termijn. In een dergelijk geval, nadat de Commissie de betrokken lidstaat een aanmaningsbrief heeft gestuurd en daarmee nieuwe inbreukprocedures heeft ingeleid, zou het standpunt van de Commissie zinvol zijn. Het is echter duidelijk dat dit niet de situatie is waarmee de Commissie in de onderhavige zaak werd geconfronteerd.
117. Hieruit volgt dat de Commissie bij het bepalen van haar standpunt over de toegang van het publiek tot herziene ontwerpen van technische voorschriften de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening 1049/2001 moet uitleggen tegen de achtergrond van de specifieke kenmerken van de TBT-procedure en met inachtneming van de rechtspraak van het Hof en zijn vaste praktijk. Hieruit volgt met name dat volgens vaste rechtspraak van het Hof het enkele feit dat een document een door een uitzondering beschermd belang betreft, de toepassing van die uitzondering niet kan rechtvaardigen [59]. Het risico dat een beschermd belang wordt ondermijnd, moet redelijkerwijs voorzienbaar en niet louter hypothetisch zijn [60]. Bijgevolg moet het onderzoek dat de instelling moet verrichten om een uitzondering toe te passen, concreet worden uitgevoerd en uit de motivering van het besluit blijken.
118. In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals klager in zijn opmerkingen over het omstandig advies van de Commissie heeft aangevoerd, de Griekse regering drie ontwerpen van haar wetgeving inzake recreatiespelen heeft meegedeeld: 1) het oorspronkelijke ontwerp van technisch voorschrift, dat kennisgevingsnummer 2008/184/GR heeft gekregen en in de TRIS-databank is gepubliceerd, 2) het herziene ontwerp van technisch voorschrift dat in 2009 aan de Commissie is meegedeeld, het document waarop het verzoek van klager om toegang betrekking heeft en dat niet is gepubliceerd, en 3) een verder herzien ontwerp van technisch voorschrift, dat kennisgevingsnummer 2011/166/GR heeft gekregen en ook in de TRIS-databank is gepubliceerd.
119. In haar opmerkingen in het onderzoek van de Ombudsman heeft de Commissie niet uitgelegd hoe de weigering van toegang van het publiek tot het betrokken herziene ontwerp voor een technisch voorschrift kan worden verzoend met haar verklaring in haar uitvoerig gemotiveerde mening dat herziene ontwerpen voor technische voorschriften in de TRIS-databank worden gepubliceerd. De Commissie heeft evenmin argumenten aangevoerd tot staving van het standpunt dat het betrokken herziene ontwerp voor een technisch voorschrift niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8, lid 1, derde alinea, van de TBT-richtlijn. De redenen voor het verschil in behandeling tussen de in 2009 aan de Commissie meegedeelde Griekse ontwerpwetgeving, waartoe de toegang is geweigerd, en de in 2008 en 2011 aan haar meegedeelde Griekse ontwerpwetgeving, die beide in de TRIS-databank zijn gepubliceerd, blijven onduidelijk. De verklaring dat de Griekse autoriteiten "wijzigingen van het opnieuw aangemelde ontwerp hebben ingediend" en dat de toegang tot deze wijzigingen en niet tot het opnieuw aangemelde ontwerp is geweigerd, afgezien van het feit dat het feitelijk onjuist is, zoals klager heeft opgemerkt in zijn opmerkingen over de uitvoerig gemotiveerde mening van de Commissie, volstaat niet om het verschil in behandeling tussen de ontwerpen te verklaren.
120. In het licht van bovenstaande overwegingen betreurt de Ombudsman het dat de Commissie zijn tweede ontwerpaanbeveling niet heeft aanvaard en blijft hij bij zijn bevinding dat het standpunt van de Commissie niet in overeenstemming is met artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001.
121. Overeenkomstig artikel 3, lid 7, van zijn Statuut is de Ombudsman, na een ontwerpaanbeveling te hebben gedaan en na het uitvoerig gemotiveerde advies van de betrokken instelling of het betrokken orgaan te hebben ontvangen, bevoegd een verslag toe te zenden aan het Europees Parlement en de betrokken instelling of het betrokken orgaan. In zijn jaarverslag over 1998 wees de Ombudsman erop dat de mogelijkheid voor hem om een speciaal verslag aan het Europees Parlement voor te leggen van onschatbare waarde is voor zijn werk. Hij voegde eraan toe dat speciale verslagen daarom niet te vaak moeten worden ingediend, maar alleen met betrekking tot belangrijke kwesties waarbij het Parlement in staat is actie te ondernemen om de Ombudsman bij te staan.
122. Het is waar dat klager de Ombudsman heeft verzocht de zaak niet te sluiten en in plaats daarvan een speciaal verslag aan het Europees Parlement voor te leggen. De Ombudsman is echter van mening dat, hoewel het onderhavige onderzoek een ernstig geval van wanbeheer aan het licht heeft gebracht, de feiten in kwestie zich hebben voorgedaan in omstandigheden die vrij ongebruikelijk zijn. De klager stelde vast dat er een risico bestaat dat er een "illegale administratieve praktijk"ontstaat in de wijze waarop de Commissie verzoeken om toegang tot documenten behandelt in het kader van de TBT-richtlijn. Ondanks het geval van wanbeheer in de onderhavige zaak is de Ombudsman van mening dat, aangezien de Commissie het meest recente herziene ontwerp voor een technisch voorschrift over de TRIS-databank heeft gepubliceerd, het probleem niet principieel lijkt te zijn en dat het gedrag van de Commissie geen algemene praktijk vormt. In deze omstandigheden is de Ombudsman van mening dat het niet zinvol zou zijn om een speciaal verslag aan het Parlement voor te leggen. Hij sluit de zaak daarom af en zal hieronder een kritische opmerking maken.
C. Conclusies
Op basis van zijn onderzoek naar deze klacht sluit de Ombudsman deze af met de volgende conclusies en kritische opmerking:
De Commissie erkende dat de tijd die nodig was om het confirmatief verzoek van klager te behandelen buitensporig was en aanvaardde daarmee de eerste ontwerpaanbeveling van de Ombudsman. Er is dus geen verder onderzoek nodig met betrekking tot de eerste bewering van klager.
De Commissie heeft de tweede ontwerpaanbeveling van de Ombudsman om het publiek toegang te verlenen tot herziene ontwerpen van technische voorschriften die in het kader van de TBT-richtlijn zijn meegedeeld, niet aanvaard, tenzij een lidstaat uitdrukkelijk om vertrouwelijkheid verzoekt en een dergelijk verzoek ondersteunt met redenen die het vermoeden van toegankelijkheid kunnen weerleggen. Het verzuim van de Commissie is een geval van wanbeheer.
De Commissie heeft toegang verleend tot het gevraagde document. Daarom zijn geen verdere onderzoeken gerechtvaardigd met betrekking tot het argument van de klager.
Klager en de Commissie zullen van dit besluit in kennis worden gesteld.
P. Nikiforos Diamandouros
Gedaan te Straatsburg op 11 december 2012
[1] Zaak C-65/05, Commissie/Griekenland, Jurispr. 2006, blz. I-10341.
[2] Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB L 204, blz. 37), zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998 (PB L 217, blz. 18), en zoals verder gewijzigd bij richtlijn 2006/96/EG van de Raad van 20 november 2006 (PB L 363, blz. 81).
[3] Zaak C-109/08, Commissie/Griekenland, Jurispr. 2009, blz. I-4657.
[4] Griekenland heeft het oorspronkelijke ontwerp van technisch voorschrift tot wijziging van de Griekse wetgeving inzake recreatiespelen op 7 mei 2008 meegedeeld. De Griekse kennisgeving werd geregistreerd als 2008/184/GR en is beschikbaar op de desbetreffende afdeling (TRIS-databank) van de website van de Commissie: http://ec.europa.eu/enterprise/tris/pisa/app/search/index.cfm?fuseaction=pisa_notif_overview&iYear=2008&inum=184&lang=EN&sNLang=EN De klager heeft zijn standpunt over dat ontwerp overeenkomstig de TBT-richtlijn aan de Commissie meegedeeld.
[5] Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43).
[6] Kennisgeving 2008/184/GR.
[7] Klager verwees naar de besluiten van de Europese Ombudsman in de klachten 271/2000/(IJH)JMA, 277/2000/(IJH)JMA en 790/2003/GG.
[8] Zoals de Ombudsman in zijn speciaal verslag aan het Europees Parlement over het gebrek aan medewerking van de Europese Commissie in klacht 676/2008/RT heeft verklaard, omvatten de eigen termijnen van de Commissie noodzakelijkerwijs de in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgestelde termijn voor het geven van een gedetailleerd advies over een ontwerpaanbeveling van de Ombudsman.
[9] Overweging 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001.
[10] http://ec.europa.eu/enterprise/tris/index_en.htm
[11] Aangehaald in voetnoot 3.
[12] Zaak T-191/99, Petrie, Jurispr. 2001, blz. II-3677.
[13] Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie heeft het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dezelfde juridische waarde als de Verdragen.
[14] Gevoegde zaken C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P, Zweden/API en Commissie, Jurispr. 2010, blz. I-8533, punt 69; zaak C-139/07 P, Commissie/Technische Glaswerke Ilmenau, Jurispr. 2010, blz. I-5885, punt 51.
[15] Gevoegde zaken C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P, Zweden/API en Commissie, aangehaald in voetnoot 14, punt 68; gevoegde zaken C-39/05 P en C-52/05 P, Zweden en Turco/Raad, Jurispr. 2008, blz. I-4723, punt 34.
[16] Zaak C-266/05 P, Sison/Raad, Jurispr. 2007, blz. I-1233, punt 62; gevoegde zaken C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P, Zweden/API en Commissie, aangehaald in voetnoot 14, punt 70; zaak C-139/07 P, Technische Glaswerke, aangehaald in voetnoot 14, punt 53.
[17] Zaak C-64/05, Zweden/Commissie, Jurispr. 2007, blz. I-11389, punt 57; zaak C-266/05 P, Sison/Raad, aangehaald in voetnoot 16, punt 62.
[18] Gevoegde zaken C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P, Zweden/API en Commissie, aangehaald in voetnoot 14, punt 73; zaak C-64/05, Zweden/Commissie, aangehaald in voetnoot 17, punt 66; zaak C-266/05 P, Sison/Raad, aangehaald in voetnoot 16, punt 63.
[19] Gevoegde zaken C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P, Zweden/API en Commissie, aangehaald in voetnoot 14, punt 72.
[20] Zaak T-2/03, Verein für Konsumenteninformation/Commissie, Jurispr. 2005, blz. II-1121, punt 69.
[21] Zaak T-36/04 API/Commissie, Jurispr. 2007, blz. II-3201, punt 120; zaak T-309/97 Bavarian Lager/Commissie, Jurispr. 1999, blz. II-3217, punt 46; zaak T-191/99 Petrie, aangehaald in voetnoot 12, punt 68.
[22] Zaak T-105/95, WWF UK/Commissie, Jurispr. 1997, blz. II-313, punt 63.
[23] Arrest Petrie, aangehaald in voetnoot 12, punt 68.
[24] Arrest API/Commissie, aangehaald in voetnoot 21, punt 121.
[25] Gevoegde zaken C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P, Zweden/API en Commissie, aangehaald in voetnoot 14, punt 121.
[26] Gevoegde zaken C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P, Zweden/API en Commissie, aangehaald in voetnoot 14, punt 122.
[27] Overweging 3 van de TBT-richtlijn.
[28] Overweging 7 van de TBT-richtlijn.
[29] Gevoegde zaken C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P, Zweden/API en Commissie, aangehaald in voetnoot 14, punt 74, en zaak C-139/07 P, Technische Glaswerke, aangehaald in voetnoot 14, punt 54.
[30] Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van zijn onderzoek naar klacht 1039/2008/FOR tegen de Europese Commissie, punt 58.
[31] http://ec.europa.eu/enterprise/tris/default.htm?CFID=9235488&CFTOKEN=3461434467bc692f-352E4803-EBE0-9012-5258E5F248F8F822
[32] http://ec.europa.eu/civil_society/code/_docs/code_en.pdf
[33] Zaak T-191/99, Petrie, aangehaald in voetnoot 12.
[34] Overweging 3 van de TBT-richtlijn.
[35] Overweging 7 van de TBT-richtlijn.
[36] http://www.ombudsman.europa.eu/resources/provisions.faces#hl5
[37] Gevoegde zaken C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P, Zweden/API en Commissie, aangehaald in voetnoot 14, punt 120.
[38] Gevoegde zaken C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P, Zweden/API en Commissie, aangehaald in voetnoot 14, punt 121.
[39] Zaak T-191/99, Petrie, aangehaald in voetnoot 12, punten 64-68.
[40] Gevoegde zaken C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P, Zweden/API en Commissie, aangehaald in voetnoot 14, punt 122.
[41] Arrest Technische Glaswerke (aangehaald in voetnoot 14, punt 52).
[42] Overweging 3 van de TBT-richtlijn luidt als volgt: "Om de goede werking van de interne markt te bevorderen, moet zoveel mogelijk transparantie worden gewaarborgd met betrekking tot nationale initiatieven voor de vaststelling van technische normen of voorschriften". Voorts luidt overweging 7 van de TBT-richtlijn als volgt: "Overwegende dat de interne markt tot doel heeft een klimaat te scheppen dat bevorderlijk is voor het concurrentievermogen van de ondernemingen; dat meer informatieverstrekking een manier is om de ondernemingen te helpen meer profijt te trekken van de voordelen die inherent zijn aan deze markt; dat het derhalve noodzakelijk is de marktdeelnemers in staat te stellen hun beoordeling te geven van de gevolgen van de door andere lidstaten voorgestelde nationale technische voorschriften, door te voorzien in de regelmatige publicatie van de titels van aangemelde ontwerpen en door middel van de bepalingen betreffende de vertrouwelijkheid van dergelijke ontwerpen".
[43] Artikel 8, lid 4, van de TBT-richtlijn bepaalt dat "[i]n het kader van dit artikel verstrekte informatie [...] niet vertrouwelijk [is], behalve op uitdrukkelijk verzoek van de kennisgevende lidstaat. Een dergelijk verzoek moet met redenen worden omkleed."
[44] "De lidstaten delen het ontwerp onder bovengenoemde voorwaarden opnieuw mee indien zij wijzigingen in het ontwerp aanbrengen die tot gevolg hebben dat het toepassingsgebied ervan aanzienlijk wordt gewijzigd, het oorspronkelijk geplande tijdschema voor de uitvoering wordt verkort, specificaties of vereisten worden toegevoegd of dat het toepassingsgebied restrictiever wordt."
[45] Zie in die zin arrest Technische Glaswerke (aangehaald in voetnoot 14, punt 52).
[46] Nadruk toegevoegd door de Ombudsman.
[47] Kennisgeving 2008/184/GR.
[48] Zaak C-109/08, Commissie/Griekenland, aangehaald in voetnoot 3, punten 14-17.
[49] Zaak C-109/08, Commissie/Griekenland, aangehaald in voetnoot 3, punt 29.
[50] Kennisgeving 2011/166/GR.
[51] http://ec.europa.eu/enterprise/tris/public_info/index_en.htm
[52] http://ec.europa.eu/enterprise/tris/public_info/index_en.htm
[53] Zie in die zin arrest van 14 februari 2012, Zweden/API en Commissie (C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P, aangehaald in voetnoot 14, punt 121), en arrest van 14 februari 2012, Duitsland/Commissie (T-59/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 73-75).
[54] Zaak C-489/06, Commissie/Griekenland, Jurispr. 2009, blz. I-1797, punten 46-53.
[55] Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB 1983, L 109, blz. 8).
[56] Zaak C-341/97, Commissie/Nederland, Jurispr. 2000, blz. I-6611; Zie ook zaak C-230/99, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 2001, blz. I-1169 en in het bijzonder de argumenten van de Franse regering tegen de "samenvoeging" van de twee procedures door de Commissie, punten 18-19.
[57] Zie gevoegde zaken C-20/01 en C-28/01, Commissie/Duitsland, Jurispr. 2003, blz. I-3609, punt 29.
[58] De Ombudsman benadrukte dit zowel in zijn voorstel voor een minnelijke schikking als in zijn ontwerpaanbevelingen (zie respectievelijk de punten 66 en 95 van dit besluit).
[59] Arrest van 28 juni 2012, Commissie/Agrofert (C-477/10 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 57); arrest Gerecht van 28 juni 2006, Franchet en Byk/Commissie (T-391/03 en T-70/04, Jurispr. blz. II-2023, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
[60] Gevoegde zaken C-39/05 P en C-52/05 P, Zweden en Turco/Raad, aangehaald in voetnoot 15, punt 43.