FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
beschikbare talen: 

Besluit van de Europese Ombudsman ter afsluiting van het onderzoek inzake klacht 473/2011/OV tegen de Europese Commissie

Achtergrond van de klacht

1. Op 24 juli 2008 heeft klager een klacht ingediend bij de Europese Ombudsman (2403/2008/OV) inzake vermeend verzuim van de Commissie om zijn klacht van 26 september 2007 inzake vermeende discriminatie door de Duitse Südwestrundfunk van Nederlandse, in Duitsland woonachtige burgers aangaande de vrijstelling van het kijk- en luistergeld toereikend te behandelen. Op 20 september 2010 heeft de Ombudsman een ontwerpaanbeveling gedaan aan de Europese Commissie inzake de procedurele aspecten van de zaak. In de opmerking vooraf (paragraaf 15) van de ontwerpaanbeveling merkte de Ombudsman op dat klager de Commissie meerdere keren heeft geïnformeerd over de vermeende ongelijke behandeling van in Duitsland woonachtige Nederlandse belastingbetalers. Volgens klager moeten dergelijke belastingbetalers zowel in Nederland als in Duitsland kijk- en luistergeld betalen, terwijl in Nederland woonachtige Duitse belastingbetalers in geen van beide landen een bijdrage hoeven te betalen. De Ombudsman nam tevens nota van het bezwaar van klager over het feit dat hij, hoewel hij kijk- en luistergeld betaalt in Nederland, de Nederlandse publieke zenders niet kan ontvangen in Duitsland, terwijl Duitsers in Nederland wel Duitse zenders kunnen bekijken. De Ombudsman wees erop dat de hierboven genoemde kwesties nieuw waren en niet genoemd werden in de inbreukklacht die klager in september 2007 bij de Commissie had ingediend. De Ombudsman hoefde deze kwesties daarom niet te behandelen in het kader van zijn onderzoek naar klacht 2403/2008/OV. Hij gaf echter aan dat het klager uiteraard vrij stond om zich wat deze kwesties betreft tot de Commissie te wenden, als hij van mening was dat ze de EU-wetgeving schonden.

2. Klager diende op 1 november 2010 per e-mail een klacht in bij de Europese Commissie over de hierboven uiteengezette kwesties, die niet waren genoemd in de inbreukklacht van september 2007. Op 23 november 2010 gaf het hoofd van de eenheid Audiovisueel en mediabeleid van het directoraat-generaal Informatiemaatschappij en media (DG INFSO) van de Commissie antwoord aan klager.

3. Op 13 december 2010 en op 4 januari 2011 stuurde klager de Commissie nog twee e-mails over de zaak. Op 17 januari 2011 antwoordde de Commissie op de e-mails van klager.

4. Op 19 januari 2011 stuurde klager opnieuw een e-mail naar de Commissie. Op 28 januari 2011 stuurde de Commissie een brief aan klager waarin zij verwees naar de eerdere correspondentie van laatstgenoemde en haar antwoorden van 23 november 2010 en 17 januari 2011. In de laatste alinea van haar brief stelde de Commissie klager ervan op de hoogte dat zij niet zou ingaan op verdere correspondentie met hem over dezelfde kwestie.

Het onderwerp van het onderzoek

5. Op 14 februari 2011 diende klager een klacht in bij de Ombudsman. Klager verwees naar de brief van de Commissie van 28 januari 2011, en schreef dat hieruit "arrogantie en minachting door de Europese Commissie voor haar burgers" sprak. Klager maakte tevens enkele inhoudelijke opmerkingen over de zaak. Hij refereerde aan Max van den Berg, een Nederlands lid van het Europees Parlement, die in 2005 had beloofd stappen te ondernemen zodat burgers programma’s zouden kunnen ontvangen die vanuit andere lidstaten werden uitgezonden. Voorts verwees klager naar artikel 38 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat voorziet in een “hoog niveau van consumentenbescherming”, en naar de Europese Akte. Volgens klager verklaarde de Commissie in 2005 het volgende: "Deze situatie baart ons zorgen, te meer omdat zij in strijd is met het vrije verkeer van diensten op de interne markt, waarvan de Europese burger moet kunnen profiteren”.

6. De beweringen en eis van klager kunnen als volgt worden samengevat:

Klager beweert dat de Commissie:

1) op arrogante en minachtende wijze heeft gehandeld door hem ervan op de hoogte te stellen dat zij niet langer op zijn correspondentie zou ingaan; en

2) het vrije verkeer van personen heeft geschonden door hem “het recht te ontnemen de Nederlandse Publieke Omroep te ontvangen” in Duitsland.

Klager eist directe en gedecodeerde ontvangst van de Nederlandse publieke zenders alsook compensatie voor de periode sinds november 2005 waarin hem, naar beweren door het gedrag van de Commissie, het recht op ontvangst van de Nederlandse publieke zenders is ontzegd.

Het onderzoek

7. De enige bijlage van klager bij zijn klacht was een kopie van de laatste, op 28 januari 2011 gedateerde, brief die hij van de Commissie had ontvangen. Hij legde geen kopieën over van de rest van zijn correspondentie met de Commissie. Het bureau van de Ombudsman schreef de klager daarom op 24 februari 2011 met het verzoek het bureau zowel een kopie te sturen van zijn e-mails aan de Commissie en als een kopie van de antwoorden van de Commissie. Klager verstuurde de gevraagde documenten dezelfde dag.

De analyse en conclusies van de Ombudsman

A. Beweerde arrogantie en minachting

Argumenten voorgelegd aan de Ombudsman

8. Klager beweerde dat de Commissie op arrogante en minachtende wijze heeft gehandeld door hem ervan op te hoogte te stellen dat zij niet langer op zijn correspondentie zou antwoorden.

De beoordeling van de Ombudsman

9. Om deze bewering te kunnen behandelen, dient de correspondentie die voorafging aan het besluit van de Commissie om toekomstige brieven inzake het betreffende onderwerp niet langer te beantwoorden, te worden onderzocht.

10. In zijn e-mail van 1 november 2010 wees klager erop dat hij kijk- en luistergeld betaalt in zowel Duitsland als Nederland. Klager lichtte toe dat deze heffing in Nederland zit inbegrepen in de belasting die moet worden betaald voor de algemene middelen. Klager wees erop dat in Nederland woonachtige Duitse belastingbetalers in geen van beide landen kijk- en luistergeld hoeven te betalen. In Duitsland hoeven zij geen kijk- en luistergeld te betalen omdat zij daar niet woonachtig zijn. In Nederland hoeven zij deze heffing evenmin te betalen, omdat zij daar niet belastingplichtig zijn. Een Nederlandse burger die in Duitsland woont, betaalt echter twee maal kijk- en luistergeld, namelijk in Nederland en in Duitsland. Klager beweerde dat dit discriminatie en een duidelijke schending van het Unierecht vormde. Hij bekritiseerde verder het feit dat hij, hoewel hij tweemaal kijk- en luistergeld betaalt, de Nederlandse publieke zenders niet kan ontvangen in Duitsland, en dat de Nederlandse overheid weigert een smart card te verstrekken aan haar in de EU wonende burgers, waarmee zij dit wel zouden kunnen. Klager beweerde dat ook dit discriminatie en een duidelijke schending van het Unierecht vormde. Hij verzocht de Commissie onmiddellijk een einde te maken aan deze ongelijke behandeling.

11. In zijn antwoord van 23 november 2010 verwees DG INFSO naar het aan het Verdrag van Lissabon gehechte Protocol (nr. 29) betreffende het openbareomroepstelsel in de lidstaten en wees erop dat dit protocol de lidstaten de bevoegdheid verleent om te voorzien in de organisatie en financiering van de openbare omroep “voor zover deze financiering de handelsvoorwaarden en de mededinging in de Gemeenschap niet aantast die in strijd zou kunnen zijn met de gemeenschappelijke interesse.” De Commissie lichtte toe dat lidstaten, zolang zij de EU-wetgeving inzake staatssteun naleven, bevoegd zijn om de vorm en voorwaarden van publieke financiering vast te stellen en dat daarom op het niveau van de lidstaten verschillende stelsels bestaan voor de financiering van de openbare omroep. Wat betreft burgers van de Unie die in een andere lidstaat wonen dan hun lidstaat van oorsprong, maar ook belasting moeten betalen in dit laatste land en daarom tweemaal kijk- en luistergeld moeten betalen, legde de Commissie uit dat dit voortvloeide uit het feit dat lidstaten vrij zijn om de wijze van financiering van de openbare omroep vast te leggen in hun nationale wetgeving. De Commissie voegde hieraan toe dat zij zich ervan bewust was dat veel omroepstelsels territoriale beperkingen kennen en dat de reden voor deze beperkingen in het algemeen is dat de licentie voor de inhoud verbonden is aan een bepaald uitzendgebied, op basis waarvan het kijk- en luistergeld wordt vastgesteld. Zij legde verder uit dat het openbareomroepstelsel hoofdzakelijk wordt gefinancierd uit kijk- en luistergeld dat wordt betaald door de kijkers in het land van oorsprong, tot wie de diensten zijn gericht. De vraag of omroepen hun diensten in het buitenland kunnen aanbieden, hangt dus ook af van de wijze waarop de publieke omroepen worden gefinancierd.

12. De Commissie verklaarde ook dat de omroepen in geval van territoriale beperkingen exclusieve overeenkomsten voor andere gebieden respecteren door bijvoorbeeld smart cards of satellietontvangers te verkopen. Zij wees erop dat er geen instrumenten bestaan om omroepen te verplichten hun diensten in heel Europa aan te bieden en dat dit "territorialiteitsbeginsel" in overeenstemming is met de EU-wetgeving. De Commissie gaf evenwel aan dat zij niet blij was met de huidige situatie van territoriale beperkingen en deze beschouwde als een belemmering voor het hoofddoel van het Europese audiovisuele mediabeleid, dat is gericht op de voorziening van grenzenloze, creatieve inhoud. Zij verklaarde dat dit problemen waren op het gebied van de interne markt die in een ruimer verband zouden worden aangepakt, en wel in het kader van de “Digitale Agenda voor Europa” (die op 19 mei 2010 is aangenomen), als een van de initiatieven van de EU 2020-strategie. De Commissie had in die context opgemerkt dat het noodzakelijk was auteursrechten en licentieverlening te vereenvoudigen.

13. In zijn e-mail hierop van 13 december 2010 verzocht klager de Commissie de Nederlandse overheid te verplichten om hem (i) een gratis smart card te verstrekken of, bij gebreke hiervan, (ii) het kijk- en luistergeld terug te betalen dat hij sinds november 2005 had betaald. In zijn e-mail van 4 januari 2011 herhaalde klager zijn verzoek dat de Commissie de Nederlandse overheid zou verplichten hem een gratis smart card te verstrekken waarmee hij in Duitsland de Nederlandse publieke zenders zou kunnen ontvangen.

14. In haar antwoord van 17 januari 2011 herhaalde de Commissie haar standpunt dat de reden voor de territoriale beperkingen in het algemeen gelegen is in het feit dat de licentie op de inhoud is gekoppeld aan een specifiek uitzendgebied op basis waarvan de licentierechten worden bepaald. De Commissie voegde hieraan toe dat de Nederlandse autoriteiten hadden besloten het kijk- en luistergeld te heffen via algemene belastingheffing. Met andere woorden: iedereen die in Nederland belasting betaalt, betaalt automatisch kijk- en luistergeld. Ook vermeldde zij dat het zendgebied van de Nederlandse openbare zenders is beperkt tot het Nederlandse grondgebied, en dat de Nederlandse openbare omroep geen licentierechten betaalt om zijn programma's uit te zenden in Duitsland. De Commissie stelde verder dat zij niet bevoegd is een lidstaat te verplichten om smart cards te verstrekken aan zijn burgers of om kijk- en luistergeld terug te betalen.

15. In zijn daaropvolgende e-mail van 19 januari 2011 wees klager erop dat het gebied dat door satelliet wordt gedekt en waarin de Nederlandse openbare zenders 1, 2 en 3 kunnen worden ontvangen, iets groter is dan Nederland en dat de kanalen derhalve ook door Nederlandse burgers zou moeten kunnen worden ontvangen die in een andere lidstaat wonen. Klager beweerde dat het schandalig was dat de Europese Commissie dit soort discriminatie toeliet en daarmee de artikelen 20 (gelijkheid voor de wet) en 21 (non-discriminatie) van het Handvest van de grondrechten schond.

16. Met betrekking tot de bewering van klager merkt de Ombudsman op dat klager in de brief van 28 januari 2011 van de Commissie op de hoogte werd gesteld van het feit dat de Commissie niet langer zou antwoorden op toekomstige correspondentie over dit onderwerp. De Ombudsman is van mening dat het beëindigen van correspondentie met een burger een zware maatregel is, die maar beperkt mag worden toegepast. Hoewel de Commissie in haar brief aan klager enkel verwees naar "de procedures van de Europese Commissie", wil de Ombudsman opmerken dat de Code van Goed Administratief Gedrag van de Commissie voorziet in de mogelijkheid om een briefwisseling te onderbreken in geval de correspondentie zich herhaalt. De Ombudsman is echter van mening dat het besluit van de Commissie om de correspondentie met klager te onderbreken enkel kan worden gerechtvaardigd indien (i) de Commissie haar standpunt al voldoende tot in detail had toegelicht aan klager; (ii) de toelichting juist bleek te zijn; (iii) de Commissie had aangekondigd van plan te zijn niet langer te antwoorden voordat zij feitelijk niet langer antwoord gaf en (iv) er niets anders was dat deed vermoeden dat zij zich arrogant en minachtend had gedragen.

17. Met betrekking tot punt (i) blijkt uit de antwoorden van de Commissie van 23 november 2010 en 4 januari 2011 dat zij haar standpunt vrij uitgebreid aan klager heeft toegelicht.

18. Met betrekking tot punt (ii) merkt de Ombudsman op dat klager in zijn e-mail van 1 november 2010 kritiek had op twee aspecten. Ten eerste het feit dat Nederlandse burgers die in Duitsland wonen twee maal kijk- en luistergeld moeten betalen, een praktijk die hij omschrijft als een duidelijke schending van het Unierecht en welke bovendien discriminatie vormt van Nederlandse burgers die in Duitsland wonen. Aangezien de plicht van dergelijke burgers om kijk- en luistergeld in Duitsland te betalen al onder klacht 2403/2008/OV valt, neemt de Ombudsman aan dat de kritiek van klager in dezen is gericht op de Nederlandse overheid. Ten tweede voerde hij aan dat er sprake was van een andere duidelijke schending van het Unierecht, omdat Nederlandse burgers die in Duitsland wonen de Nederlandse openbare zenders niet kunnen ontvangen. De Ombudsman merkt op dat de Commissie terecht heeft verwezen naar het Protocol (nr. 29) van het Verdrag van Lissabon, dat lidstaten de bevoegdheid geeft openbareomroepstelsels te organiseren en te financieren. Een lidstaat mag derhalve openbareomroepstelsels financieren uit belastinginkomsten, iets waarvoor Nederland heeft gekozen. Onder deze omstandigheden is het zeer wel mogelijk dat een burger van de Unie die belastingplichtig is in een lidstaat die ervoor heeft gekozen zijn openbareomroepstelsel op zo’n manier te financieren, maar woonachtig is in een andere lidstaat, inderdaad tweemaal moet betalen voor de financiering van openbare omroepen, namelijk via de belasting die hij of zij betaalt in de lidstaat waar hij of zij belastingplichtig is, en via kijk- en luistergeld in de lidstaat die hij of zij heeft verkozen als woonplaats. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, vloeit deze situatie echter voort uit het feit dat lidstaten volgens het huidige Unierecht, vrij blijven om te bepalen hoe zij hun openbareomroepstelsel financieren. Bij gebreke van specifieke regels op dit punt, merkte de Commissie ook terecht op dat openbare omroepen niet verplicht zijn ervoor te zorgen dat hun programma’s in andere lidstaten zichtbaar zijn en dat dit ‘territorialiteitsbeginsel’ in overeenstemming is met EU-wetgeving. Ook het antwoord van de Commissie van 17 januari 2011, waarin zij stelde dat zij niet bevoegd is een lidstaat te verplichten zijn burgers gratis smart cards te verstrekken of kijk- en luistergeld terug te betalen, is correct, aangezien deze onderwerpen duidelijk buiten de bevoegdheid van de Commissie vallen. Het blijkt derhalve uit bovenstaande dat het standpunt en de toelichtingen van de Commissie, zoals medegedeeld aan klager in haar antwoorden van 23 december 2010 en 17 januari 2011, juist zijn.

19. Wat punt (iii) betreft, merkt de Ombudsman op dat de Commissie niet eenvoudigweg haar correspondentie met klager heeft onderbroken. Zij antwoordde daarentegen nogmaals, in een brief van 28 januari 2011, waarin zij klager ervan op de hoogte stelde dat zij niet langer zou antwoorden op nieuwe brieven over hetzelfde onderwerp.

20. Tot slot overweegt de Ombudsman met betrekking tot punt (iv) dat uit de inhoud van de brief van de Commissie van 28 januari niet blijkt dat zij arrogant of minachtend heeft gehandeld jegens klager. Op basis van bovenstaande overwegingen is met betrekking tot de bewering van klager geen geval van wanbeheer aangetroffen.

B. Beweerde schending van het vrije verkeer van personen

Argumenten voorgelegd aan de Ombudsman

21. Klager beweerde dat het vrije verkeer van personen is geschonden door hem “het recht te ontnemen de Nederlandse Publieke Omroep te ontvangen” in Duitsland.

De beoordeling van de Ombudsman

22. De Ombudsman is van mening dat de bewering van klager aldus moet worden uitgelegd dat hij (i) van mening is dat Nederland zijn recht op vrij verkeer schendt door hem de toegang tot de Nederlandse openbare zenders te ontzeggen in Duitsland, en (ii) de Commissie, door geen actie te ondernemen om aan deze beweerde inbreuk een einde te maken, het recht op vrij verkeer van klager niet heeft verdedigd.

23. Ten eerste merkt de Ombudsman op dat hij hierboven onder sectio A de kwestie van de vermeende schending van het Unierecht door de Nederlandse overheid heeft behandeld en dat hij geen geval van wanbeheer heeft aangetroffen met betrekking tot het inhoudelijke standpunt van de Commissie over de zaak. Ten tweede ziet de Ombudsman niet in hoe deze kwestie het recht van klager om vrij naar andere lidstaten te reizen zou kunnen schenden. Het zou namelijk zelfs kunnen worden opgemerkt dat klager gebruik heeft gemaakt van dit recht door in Duitsland te gaan wonen. Er is daarom geen geval van wanbeheer geconstateerd wat betreft dit aspect van de zaak.

C. De eis

Argumenten voorgelegd aan de Ombudsman

24. Klager eiste directe en gedecodeerde toegang tot de Nederlandse publieke zenders alsook compensatie voor de periode sinds november 2005 waarin hem, naar beweren door het gedrag van de Commissie, het recht op toegang tot de Nederlandse openbare zenders is ontzegd.

De beoordeling van de Ombudsman

25. De Ombudsman is van mening dat de klacht van klager aldus moet worden uitgelegd dat de Commissie de noodzakelijke maatregelen zou moet treffen waarmee klager in Duitsland de Nederlandse openbare zenders kan ontvangen. Gezien de door de Ombudsman getrokken conclusies met betrekking tot de beweringen van klager, moet deze eis echter als ongegrond worden aangemerkt. Wat de eis van klager tot schadevergoeding betreft, is de Ombudsman van mening dat deze in ieder geval moet worden gericht tot Nederland en niet tot de Commissie.

D. Conclusie

Op grond van zijn onderzoek naar deze klacht sluit de Ombudsman deze zaak af met de volgende conclusie:

Er is geen wanbeheer door de Commissie aangetroffen.

Klager en de Commissie zullen op de hoogte worden gesteld van dit besluit.

 

P. Nikiforos Diamandouros

Gedaan te Straatsburg op 27 mei 2011