Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van zijn onderzoek naar klacht 1861/2009/(JF)AN tegen de Europese Commissie
Besluiten
Zaak 1861/2009/(JF)AN - Geopend op Donderdag | 29 oktober 2009 - Besluit over Dinsdag | 15 februari 2011
Achtergrond van de klacht
1. De klager is een in Londen en Brussel gevestigde organisatie zonder winstoogmerk op het gebied van milieurecht. Zij ziet toe op de naleving van het verbod op drijfnetten in de Middellandse Zee van Verordening (EG) nr. 894/97 van 29 april 1997 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden ("Verordening (EG) nr. 894/97")[1].
2. De klager ontdekte dat de Europese Commissie een inbreukprocedure tegen Frankrijk [2] had ingeleidwegens het gebruik van verboden drijfnetten in strijd met Verordening (EG) nr. 894/97. Op 3 april en 8 mei 2008 heeft klager het directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij van de Commissie ("DG MARE") schriftelijk verzocht om i) toegang tot de aanmaningsbrief en het met redenen omkleed advies gericht aan Frankrijk, ii) informatie over de vraag of de Commissie om dezelfde redenen een soortgelijke procedure tegen Italië had ingeleid, en, indien dat het geval was, iii) toegang tot de aanmaningsbrief en het met redenen omkleed advies gericht aan Italië.
3. Op 13 mei 2008 heeft DG MARE geantwoord dat het inderdaad een inbreukprocedure tegen Italië [3] had ingeleiden dat het voornemens was beroep in te stellen bij het Hof van Justitie.
4. Op 14 mei 2008 heeft DG MARE het verzoek van klager om toegang tot de aanmaningsbrieven en de met redenen omklede adviezen die in het kader van de twee inbreukprocedures aan Frankrijk en Italië waren gezonden (de "gevraagde documenten") afgewezen. Daarbij heeft DG MARE zich beroepen op de uitzonderingen van artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie ("Verordening 1049/2001"), met name de bescherming van gerechtelijke procedures en het doel van onderzoeken[4].
5. Op 2 juni 2008 heeft klager bij de secretaris-generaal van de Commissie een confirmatief verzoek ingediend (het "bevestigend verzoek") om toegang tot de documenten die de Commissie aan de Franse en Italiaanse autoriteiten had toegezonden met betrekking tot i) het gebruik van drijfnetten die in de Middellandse Zee verboden zijn bij Verordening (EG) nr. 894/1997, zoals gewijzigd, en ii) het ontbreken van voldoende maatregelen voor toezicht, inspectie en toezicht op visserijactiviteiten als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid[5] en in Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid[6].
6. In zijn confirmatief verzoek was klager van mening dat aanmaningsbrieven en met redenen omklede adviezen niet onder de door de Commissie ingeroepen uitzonderingen van artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 vallen. In dit verband voerde klager in de eerste plaats aan dat dergelijke documenten geen deel uitmaken van gerechtelijke procedures. Zij zijn veeleer bedoeld om vast te stellen of het recht van de Europese Unie is geschonden en om te voorkomen dat men zich tot het Hof moet wenden[7]. Ten tweede voerde de klager aan dat dergelijke documenten evenmin deel uitmaken van onderzoeken, aangezien zij pas door de Commissie worden toegezonden wanneer de onderzoeken zijn afgerond. Volgens de klager zou openbaarmaking van dergelijke documenten hoe dan ook de bescherming van gerechtelijke procedures of het doel van het onderzoek niet ondermijnen, maar veeleer bijdragen tot het verhelpen van de inbreuk als gevolg van de mogelijke publieke druk op de inbreukmakende lidstaat.
7. Anderzijds voerde klager aan dat de weigering van de Commissie om de gevraagde documenten openbaar te maken niet in overeenstemming was met het Verdrag van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van 25 juni 1998 ("het Verdrag van Aarhus")[8] en met artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus[9].
8. Op 14 juli 2008 heeft de secretaris-generaal van de Commissie klager geantwoord met de bevestiging van het oorspronkelijke besluit van DG MARE om de toegang tot documenten te weigeren (het "bevestigende besluit"). In het confirmatieve besluit heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat er in niet-nakomingszaken een klimaat van wederzijds vertrouwen tussen de Commissie en de betrokken lidstaten moet zijn gedurende de verschillende fasen van de procedure en totdat de zaak is beslecht, om haar taak te kunnen vervullen en geschillen te kunnen beslechten zonder deze voor het Hof van Justitie te hoeven brengen, of om tot een minnelijke schikking te komen vóór het arrest van het Hof. Volgens de Commissie zijn de besprekingen en onderhandelingen om Frankrijk en Italië vrijwillig aan het recht van de Europese Unie te laten voldoen, ook na de aanhangigmaking van de zaak bij het Hof voortgezet. De openbaarmaking van de gevraagde documenten zou derhalve negatieve gevolgen hebben gehad voor de lopende besprekingen van de Commissie met de autoriteiten van die lidstaten en zou dus de kans op een minnelijke schikking vóór de uitspraak van het Hof van Justitie hebben verkleind. Voor de Commissie zou dit duidelijk afbreuk hebben gedaan aan de bescherming van het doel van de onderzoeken, zoals reeds vastgesteld door de rechterlijke instanties van de Unie in de zaak Petrie[10].
9. Bovendien heeft de Commissie in haar confirmatief besluit aangevoerd dat zij, met het oog op de naleving van het Verdrag van Aarhus, de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1049/2001 en, in voorkomend geval, de specifieke bepalingen van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1367/2006[11] moet toepassen. In dat stadium van de lopende inbreukprocedure vielen de gevraagde documenten onder de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001.
10. De Commissie verklaarde dat zij de mogelijkheid had onderzocht om klager gedeeltelijke toegang tot de gevraagde documenten te verlenen, overeenkomstig artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1049/2001. Deze documenten vielen echter in hun geheel onder de aangevoerde uitzondering.
11. Ten slotte voerde de Commissie aan dat klager niet had aangetoond dat er een hoger openbaar belang was bij de openbaarmaking van de gevraagde documenten. Integendeel, volgens de Commissie werd het algemeen belang in die zaak het best gediend door het "onbetwiste onderzoek en de onderhandelingen" tussen de Commissie en de nationale autoriteiten, teneinde de bestaande geschillen zo spoedig mogelijk op te lossen. In ieder geval voerde de Commissie aan dat de door klager aangevoerde bepalingen van artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1367/2006 niet van toepassing waren. Volgens haar bevatten de gevraagde documenten geen informatie over "emissies in het milieu" , maar verwezen zij in plaats daarvan naar onderzoeken naar een "mogelijke inbreuk op het Gemeenschapsrecht"[12].
12. De Commissie heeft de klager in kennis gesteld van de beschikbare rechtsmiddelen tegen het confirmatieve besluit.
13. Op 5 maart 2009 heeft het Europees Hof van Justitie uitspraak gedaan tegen Frankrijk in verband met de door de Commissie aangevoerde inbreuken op het recht van de Unie[13]. Op 29 oktober 2009 heeft het Hof ook uitspraak gedaan tegen Italië[14].
14. Klager wendde zich op 14 juli 2009 tot de Ombudsman.
Onderwerp van het onderzoek
15. De bewering en het argument van klager hadden aanvankelijk betrekking op de weigering van de Commissie om toegang te verlenen tot de aanmaningsbrief en het met redenen omkleed advies dat zij aan Frankrijk en Italië had gezonden. Op 3 november 2009 deelde klager de Ombudsman mee dat de Commissie de documenten betreffende Frankrijk reeds openbaar had gemaakt naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-556/07, Commissie/Frankrijk. Klager drukte zijn wens uit om zijn bewering en argument ongewijzigd te laten, aangezien hij van mening was dat de Commissie deze documenten vóór de uitspraak van het Hof had moeten vrijgeven.
16. De Ombudsman was echter van mening dat de vordering van klager zonder voorwerp was geraakt wat betreft de openbaarmaking door de Commissie van de gevraagde documenten met betrekking tot Frankrijk. Daarom werden de bewering en het argument van klager behandeld als uitsluitend verwijzend naar de gevraagde documenten met betrekking tot Italië en als volgt geherformuleerd.
Bewering:
Het besluit van de Commissie tot bevestiging van haar weigering om de aanmaningsbrief mee te delen en het met redenen omkleed advies inzake inbreukprocedure nr. 1992/5006 tegen Italië is ongegrond.
Vordering:
De Commissie moet een standpunt innemen over de argumenten van de klager en hem uiteindelijk toegang verlenen tot de gevraagde documenten.
17. Klager werd hiervan in kennis gesteld.
Het onderzoek
18. Op 29 oktober 2009 heeft de Ombudsman de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Europese Commissie.
19. Op 3 november 2009 zond klager verdere correspondentie aan de Ombudsman ter verduidelijking van zijn klacht. Op 10 december 2009 heeft de Ombudsman deze verduidelijking doorgestuurd naar de Commissie en klager daarvan in kennis gesteld.
20. Na verschillende verlengingen van de termijn ontving de Ombudsman op 26 juli 2010 het advies van de Commissie, dat aan klager werd toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken.
21. Op 29 september 2010 heeft klager zijn opmerkingen over het standpunt van de Commissie ingediend. Op 5 januari 2011 hebben de diensten van de Ombudsman contact opgenomen met klager voor nadere informatie.
Analyse en conclusies van de Ombudsman
Vermeend ongerechtvaardigd besluit tot weigering van toegang tot de gevraagde documenten en de daarmee verband houdende vordering
Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten
22. In zijn klacht bij de Ombudsman benadrukte klager dat de weigering van de Commissie, zoals uiteengezet in haar antwoord op het confirmatief verzoek, alleen gebaseerd was op de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 betreffende de bescherming van het doel van onderzoeken. In de afwijzing werd niet verwezen naar het aanvullende argument van de Commissie inzake de bescherming van gerechtelijke procedures, dat zij in haar antwoord op het oorspronkelijke verzoek had aangevoerd. Klager herhaalde enkele van zijn standpunten in het confirmatief verzoek (zoals samengevat in de punten 6 en 7 hierboven) en stelde zich op het standpunt dat de onderzoeken op grond van artikel 226 EG niet tot doel hadden de naleving van het recht van de Unie door de lidstaten te waarborgen, maar om na te gaan of er sprake was van een schending van dat recht. Bovendien heeft zij betoogd dat, anders dan de Commissie in haar confirmatief besluit lijkt te stellen, de uitzondering van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1049/2001 tot doel heeft het doel van de onderzoeken en niet dat van de onderhandelingen te beschermen.
23. Bovendien was klager van mening dat de Commissie geen "specifiek"onderzoek heeft verricht naar de toepasselijkheid van de uitzonderingen van artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1049/2001, noch naar de inhoud van de gevraagde documenten. Volgens klager heeft de Commissie eenvoudigweg verwezen naar de categorie van de gevraagde documenten, hetgeen indruist tegen de rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie[15]. Dergelijke gedragingen vormden een onjuiste rechtsopvatting en zouden tot nietigverklaring van het besluit moeten leiden[16]. Klager voerde ook aan dat de Commissie indruiste tegen het beginsel dat er geen algemene geheimhoudingsplicht bestaat met betrekking tot documenten die betrekking hebben op belangen die worden beschermd op grond van de uitzonderingen van artikel 4, lid 2, van Verordening (EG)nr. 1049/2001 [17], en niet heeft beoordeeld of de openbaarmaking het beschermde belang specifiek en daadwerkelijk zou ondermijnen[18].
24. Klager was ook van mening dat de Petrie-rechtspraak, die de Commissie in haar confirmatieve besluit heeft aangehaald, niet van toepassing was. De reden hiervoor was dat dat arrest werd gewezen vóór de inwerkingtredingvan Verordening (EG) nr. 1049/2001, toen de toepasselijke regels werden vastgelegd in " de gedragscode van 1993"[19]. Voor klager zijn de voorwaarden voor de toepassing van de uitzonderingen die nu in artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 zijn vastgesteld, beperkter[20]. Volgens haar heeft de Commissie deze niet naar behoren beoordeeld. Evenmin heeft zij het bestaan beoordeeld van een hoger openbaar belang dat openbaarmaking gebiedt en zwaarder weegt dan de bescherming van het doel van onderzoeken[21].
25. Ten slotte voerde de klager aan dat de Commissie, in strijd met de rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie[22], heeft verzuimd de weigering van gedeeltelijke toegang tot de gevraagde documenten te motiveren en de uitzonderingen van artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 niet restrictief heeft uitgelegd en toegepast[23]. Volgens de klager heeft de Commissie, door de gevraagde documenten geheim te houden, geen klimaat van vertrouwen tussen haarzelf en de inbreukmakende lidstaten tot stand gebracht of hen aangemoedigd om het recht van de Unie na te leven. Het creëerde eerder een klimaat van wantrouwen jegens de Commissie onder Europese burgers en ngo's en bracht haar eigen initiatieven tegen reeds lang bestaande niet-conforme lidstaten in diskrediet.
26. In haar standpunt over de klacht antwoordde de Commissie kort op de belangrijkste argumenten van klager en herhaalde zij haar standpunt in haar antwoord op het confirmatief verzoek. Aangezien het Hof van Justitie inmiddels uitspraak had gedaan in de zaak die de Commissie tegen Italië had aangespannen, heeft de Commissie verklaard dat zij de gevraagde documenten die zij in het kader van die inbreukprocedure aan de Italiaanse autoriteiten had toegezonden, zou vrijgeven.
27. In zijn opmerkingen van 29 september 2010 herhaalde klager enkele van zijn eerdere argumenten en was hij het niet eens met de conclusies die de Commissie in haar advies had getrokken. Zij verklaarde dat zij, "natoegang te hebben gehad tot de aanmaningsbrief en het met redenen omkleed advies betreffende Frankrijk",haar standpunt handhaafde dat er een openbaar belang bestaat bij de openbaarmaking van dergelijke documenten, hetgeen zwaarder weegt dan de noodzaak om het doel van de onderzoeken uit hoofde van artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 te beschermen.
28. Klager verwees niet naar de verklaring van de Commissie in haar standpunt dat zij de gevraagde documenten met betrekking tot Italië in de nabije toekomst openbaar zou maken.
Beoordeling door de Ombudsman
29. De Ombudsman merkt op dat de Unie zich ertoe heeft verbonden het publiek een zo ruim mogelijke toegang te verlenen tot documenten die milieu-informatie bevatten door zich aan te sluiten bij het Verdrag van Aarhus[24]. Hij wijst er voorts op dat het verdrag voorziet in een nalevingscomité[25]. De Ombudsman benadrukt dat de bevoegdheid van de Commissie om inbreukprocedures in te leiden tegen een lidstaat die zijn milieuverplichtingen niet nakomt, een krachtig instrument is dat bijdraagt tot de verwezenlijking van het doel van het verdrag.
30. In haar advies beloofde de Commissie datzij de gevraagde documenten zou vrijgevenals gevolg van het feit dat het Hof van Justitie inmiddels uitspraak had gedaan in de inbreukprocedure tegen Italië.
31. Op 19 januari 2011 werd de Ombudsman door klager ervan in kennis gesteld dat zij zes maanden na het advies van de Commissie de gevraagde documenten nog steeds niet had ontvangen. De diensten van de Ombudsman hebben daarom contact opgenomen met de Commissie. Na tussenkomst van de Ombudsman heeft de Commissie op 2 februari 2011 de gevraagde documenten aan klager toegezonden en de Ombudsman daarvan in kennis gesteld.
32. De Ombudsman is ingenomen met de vrijgave van de gevraagde documenten en ziet in dergelijke omstandigheden geen noodzaak om een standpunt in te nemen over de argumenten die de Commissie en klager tijdens het onderzoek hebben uitgewisseld. Bovendien acht hij het niet nuttig om dit te doen, aangezien de Commissie op 27 augustus 2010 positief heeft gereageerd op de verdere opmerking in zijn initiatiefonderzoek OI/2/2009/MHZ betreffende de toegang tot documenten van de inbreukprocedure[26].
33. In het licht van de vrijgave van de gevraagde documenten door de Commissie is de bewering van klager zonder voorwerp geraakt en is er bijgevolg geen verder onderzoek naar deze klacht gerechtvaardigd.
B. Conclusies
Op basis van zijn onderzoek naar deze klacht sluit de Ombudsman deze af met de volgende conclusie:
Verder onderzoek naar deze klacht is niet gerechtvaardigd.
Klager en de Europese Commissie zullen van dit besluit in kennis worden gesteld.
P. Nikiforos Diamandouros
Gedaan te Straatsburg op 15 februari 2011
[1] PB L 132, blz. 1.
[2] Inbreukprocedure 2003/2210.
[3] Inbreukprocedure 1992/5006.
[4] In het oorspronkelijke Frans: "protection des procédures juridictionnelles et des objectifs des activités d'enquête".
[5] PB L 261, blz. 1.
[6] PB L 358, blz. 59.
[7] Zaak C-74/82, Commissie/Ierland, Jurispr. 1984, blz. 317, punt 13; Zaak C-293/85, Commissie/België, Jurispr. 1988, blz. 305, punt 13; Zaak C-152/98, Commissie/Nederland, Jurispr. 2001, blz. I-3463, punt 23: "deprecontentieuze procedure van artikel 169 (artikel 226) [...] tot doel heeft de lidstaat in de gelegenheid te stellen om, enerzijds, zijn standpunt te verbeteren voordat de zaak bij het Hof aanhangig wordt gemaakt, en, anderzijds, zijn verweer tegen de grieven van de Commissie in te stellen."
[8] Overeenkomstig artikel 4, lid 4, onder c), van het Verdrag van Aarhus kan een verzoek om milieu-informatie worden geweigerd indien de openbaarmaking afbreuk zou doen aan: Deuitvoeringsgids van het Verdrag van Aarhus van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties interpreteert dit als "eenactieve gerechtelijke procedure die kan worden benadeeld ". Bovendienkan volgens hetzelfde artikel van het Verdrag van Aarhus "een verzoek om milieu-informatie worden geweigerd indien de openbaarmaking afbreuk zou doen aan [...] het vermogen van een overheidsinstantie om een strafrechtelijk of tuchtrechtelijk onderzoek in te stellen."
[9] "Watde andere uitzonderingen van artikel 4 van verordening (EG) nr. 1049/2001 betreft, worden de weigeringsgronden restrictief uitgelegd, rekening houdend met het openbaar belang dat met openbaarmaking wordt gediend en met de vraag of de gevraagde informatie betrekking heeft op emissies in het milieu." PB 2006, L 264, blz. 13.
[10] Zaak T-191/99, Petrie/Commissie, Jurispr. 2001, blz. II-3677, punt 68: "In casu gaathet bij de gevraagde documenten om aanmaningsbrieven en met redenen omklede adviezen die zijn opgesteld in het kader van door de Commissie verrichte onderzoeken en inspecties. Zoals het Hof in punt 63 van zijn arrest WWF (reeds aangehaald in punt 59) heeft opgemerkt, mogen de lidstaten van de Commissie verwachten dat zij de vertrouwelijkheid waarborgt tijdens onderzoeken die tot een inbreukprocedure kunnen leiden. Dit vertrouwelijkheidsvereiste blijft ook gelden nadat de zaak bij het Hof van Justitie aanhangig is gemaakt, omdat niet kan worden uitgesloten dat de besprekingen tussen de Commissie en de betrokken lidstaat over de vrijwillige naleving van de Verdragsvereisten door deze laatste tijdens de gerechtelijke procedure en tot aan de uitspraak van het arrest van het Hof van Justitie kunnen worden voortgezet. Het behoud van deze doelstelling, namelijk een minnelijke schikking van het geschil tussen de Commissie en de betrokken lidstaat voordat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan, rechtvaardigt de weigering van toegang tot de aanmaningsbrieven en met redenen omklede adviezen die zijn opgesteld in het kader van de procedure van artikel 226 EG ter bescherming van het openbaar belang inzake inspecties, onderzoeken en gerechtelijke procedures, die tot de eerste categorie uitzonderingen van beschikking 94/90 behoort."
[11] In artikel 3 van Verordening (EG)nr. 1367/2006 tot uitvoering van het Verdrag van Aarhus is het volgende bepaald: " Verordening (EG) nr. 1049/2001 is van toepassing op elk verzoek van een aanvrager om toegang tot milieu-informatie die in het bezit is van communautaire instellingen en organen ..." Artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr.1367/2006 luidt als volgt: "1. Met betrekking tot artikel 4, lid 2, eerste en derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001, met uitzondering van onderzoeken, met name naar mogelijke inbreuken op het Gemeenschapsrecht, wordt een hoger openbaar belang bij openbaarmaking geacht te bestaan wanneer de gevraagde informatie betrekking heeft op emissies in het milieu[...]"
[12] Artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1367/2006, zoals hierboven vermeld, isvan toepassing "met uitzondering van onderzoeken, met name die betreffende mogelijke inbreuken op het Gemeenschapsrecht."
[13] Zaak C-556/07, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 2009, blz. I-25.
[14] Zaak C-249/08, Commissie/Italië, arrest van 29 oktober 2009, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.
[15] Gevoegde zaken T-391/03 en T-70/04, Franchet en Byk/Commissie, Jurispr. 2006, blz. II-2023, punten 115-118, en gevoegde zaken C-39/05 en C-52/05, Zweden en Turco/Raad e.a., Jurispr. 2008, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie: "Volgensvaste rechtspraak moet het voor de behandeling van een verzoek om toegang tot documenten vereiste onderzoek specifiek van aard zijn. Ten eerste kan het enkele feit dat een document een door een uitzondering beschermd belang betreft, de toepassing van die uitzondering niet rechtvaardigen [...] Ten tweede moet het risico dat een beschermd belang wordt ondermijnd, redelijkerwijs voorzienbaar en niet louter hypothetisch zijn. Bijgevolg moet het onderzoek dat de instelling moet verrichten om een uitzondering toe te passen, concreet worden uitgevoerd en uit de motivering van het besluit blijken [...]. Het staat dus aan de instelling om te beoordelen, ten eerste, of het gevraagde document onder een van de uitzonderingen van artikel 4 van verordening nr. 1049/2001 valt, ten tweede, zo ja, of de behoefte aan bescherming met betrekking tot de betrokken uitzondering reëel is en, ten derde, of het van toepassing is op het gehele document. "Voortsmoet dit concrete onderzoek worden verricht voor elk document waarnaar in het verzoek om toegang wordt verwezen. Uit verordening nr. 1049/2001 blijkt dat alle in artikel 4, leden 1 tot en met 3, genoemde uitzonderingen van toepassing zijn "op een document". De rechter heeft bovendien reeds een beoordeling van documenten op basis van categorieën en niet op basis van de feitelijke gegevens in die documenten als ontoereikend afgewezen, aangezien het van een instelling verlangde onderzoek haar in staat moet stellen concreet te beoordelen of een ingeroepen uitzondering daadwerkelijk van toepassing is op alle gegevens in die documenten[...]”
[16] Arrest Franchet en Bye/Commissie, reeds aangehaald, punt 130: "Bovendienheeft OLAF in het eerste bestreden besluit niet aangegeven of de door OLAF beschreven risico’s daadwerkelijk van toepassing waren op alle informatie in die documenten. Uit het eerste bestreden besluit blijkt dat OLAF zijn beoordelingen heeft gebaseerd op de aard van de gevraagde documenten en niet op specifieke informatie die daadwerkelijk in de betrokken documenten was opgenomen. Dit was een onjuiste rechtsopvatting die de nietigverklaring van het bestreden besluit vereiste.
[17] Zie naar analogie arrest Turco/Raad, reeds aangehaald, punt 57: "hetGerecht verlangde niet dat de Raad had nagegaan of de door hem aangevoerde redenen van algemene aard daadwerkelijk van toepassing waren op het juridisch advies waarvan om openbaarmaking werd verzocht. Ten tweede heeft het Gerecht van eerste aanleg ten onrechte geoordeeld dat er een algemene behoefte bestond aan vertrouwelijkheid met betrekking tot adviezen van de juridische dienst van de Raad inzake wetgevingsaangelegenheden.
[18] Zaak T-121/05, Borax Europe Ltd/Commissie, Jurispr. 2009, blz. II-29, punt 37, en arrest Turco/Raad, reeds aangehaald, punten 48 en 49: "volgensvaste rechtspraak moet elk besluit van een instelling met betrekking tot de in artikel 4 van verordening nr. 1049/2001 genoemde uitzonderingen met redenen worden omkleed. Indien een instelling besluit de toegang te weigeren tot een document waarvan om openbaarmaking is verzocht, moet zij uitleggen hoe de toegang tot dat document concreet en daadwerkelijk afbreuk zou kunnen doen aan het belang dat wordt beschermd door een door de instelling ingeroepen uitzondering van artikel 4 van verordening nr. 1049/2001."
[19] Besluit 94/90/EGKS, EG, Euratom van de Commissie van 8 februari 1994 inzake de toegang van het publiek tot documenten van de Commissie (PB L 46, blz. 58).
[20] Zaak T-36/04, Association de la Presse Internationale ASBL (API)/Commissie van de Europese Gemeenschappen, punt 62: "de uitzondering betreffende de bescherming van gerechtelijke procedures [en onderzoeken]als bedoeld in artikel 4, lid 2, tweede streepje,van verordening [1049/2001] is enger geformuleerd dan in de gedragscode van 1993. In de eerste plaats is de weigering om toegang te verlenen in het kader van verordening nr. 1049/2001 slechts gerechtvaardigd indien de openbaarmaking van het betrokken document het betrokken belang "zou ondermijnen" en niet langer, zoals in de gedragscode van 1993 was bepaald, louter indien die openbaarmaking dat belang "zou kunnen ondermijnen". Dat betekent dat de betrokken instelling voor elk opgevraagd document moet nagaan of - in het licht van de informatie waarover zij beschikt - openbaarmaking daadwerkelijk een van de door het stelsel van uitzonderingen beschermde belangen kan ondermijnen.
[21] Arrest Association de la Presse Internationale/Commissie, reeds aangehaald, punt 62: "InVerordening (EG) nr. 1049/2001 is bepaald dat, zelfs indien openbaarmaking van het gevraagde document de bescherming van de betrokken gerechtelijke procedure zou ondermijnen, toegang moet worden verleend indien een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt. Een dergelijke bepaling is niet opgenomen in de gedragscode van 1993."
[22] Gevoegde zaken T-391/03 en T-70/04, Franchet en Bye, reeds aangehaald, punten 117 en 128: "Eenconcreet en individueel onderzoek van elk document is ook noodzakelijk wanneer, zelfs indien duidelijk is dat een verzoek om toegang betrekking heeft op documenten die onder een uitzondering vallen, alleen een dergelijk onderzoek de instelling in staat kan stellen de mogelijkheid te beoordelen om de verzoeker gedeeltelijke toegang te verlenen op grond van artikel 4, lid 6, van verordening nr. 1049/2001 [...]. [De instelling moet] specifiek beoordelen of een ingeroepen uitzondering daadwerkelijk van toepassing is op alle informatie die zij bevat.".
[23] Zaak T-36/04, API, reeds aangehaald, punt 53, bevestigd in het arrest Turco, reeds aangehaald, punt 36: "aangezien zij afwijken van het beginsel van een zo ruim mogelijke toegang tot documenten, moeten dergelijke uitzonderingen strikt worden uitgelegd en toegepast ..."
[24] Besluit van de Raad van 17 februari 2005 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. PB L 124 van 17 mei 2005, blz. 1.
[25] http://www.unece.org/env/pp/ccBackground.htm
[26] In zijn eigen initiatiefonderzoek/besluit gepubliceerd op zijn website (http://www.ombudsman.europa.eu/cases/decision.faces/en/4390/html.bookmark)maakte de Ombudsman de volgende aanvullende opmerking: "DeOmbudsman is van mening dat het burgers zou helpen als de Commissie, die zich ervan bewust is dat de toegang van het publiek tot inbreukproceduredocumenten niet in alle lidstaten gelijk is, burgers zou kunnen informeren dat zij toegang tot dergelijke documenten kunnen krijgen door zich tot de Commissie of de autoriteiten van de betrokken lidstaat, of beide, te wenden. Bovendien kunnen zij ervan in kennis worden gesteld dat, indien zij hun verzoek om toegang tot dergelijke documenten bij de autoriteiten van de lidstaten indienen, het nationale recht van toepassing is. De Commissie zou dergelijke informatie over inbreuken kunnen opnemen op haar uitstekende en burgervriendelijke website. De Ombudsman zou bereid zijn de Commissie bij te staan bij het opstellen van deze informatie." In haar antwoord op de verdere opmerking was de Commissie het met de Ombudsman eens dat het informeren van burgers over de mogelijkheid om toegang te krijgen tot documenten in verband met inbreukprocedures uit hoofde van het nationale recht hen in staat zou stellen hun rechten beter uit te oefenen. De Commissie wees er echter op dat "moetworden voorkomen dat verwachtingen worden gewekt dat dergelijke documenten gemakkelijk toegankelijk zouden zijn, terwijl er redenen kunnen zijn om ze achter te houden, ten minste op het moment waarop het verzoek wordt ingediend". In haar antwoord heeft de Commissie, zoals de EO in zijn verdere opmerking heeft gesuggereerd, een ontwerptekst opgenomen, die zij voornemens was op haar website over inbreuken onder de rubriek "Uwrechten uitoefenen"te plaatsen. Het ontwerp informeert de klagers dat zij het recht hebben om toegang te vragen tot de documenten met betrekking tot de inbreukprocedure. De klager kan een verzoek om toegang indienen bij de Europese Commissie of bij de betrokken lidstaat. De Commissie deelt de klagers mee dat het resultaat van een dergelijke aanvraag afhankelijk is van de behandelende autoriteit op grond van het toepasselijke recht. Bovendien bevat het ontwerp informatie waaruit blijkt dat het nationale recht inzake de toegang tot documenten niet is geharmoniseerd. Afgezien daarvan moeten de klagers er rekening mee houden dat hun verzoeken op dezelfde wijze zullen worden behandeld als die van de andere verzoekers.