Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Ontwerpaanbeveling aan de Europese Commissie in klacht 146/2005/GG
Aanbeveling
Zaak 146/2005/GG - Geopend op Dinsdag | 18 januari 2005 - Aanbeveling omtrent Woensdag | 15 juni 2005 - Besluit over Vrijdag | 09 juni 2006
Het KLACHT
AchtergrondKlager is een Duitse onderneming die actief is in de recycling van afgewerkte olie. Het door de klager gebruikte proces resulteert in de productie van “Fluxöl” (stroomolie).
Artikel 3, lid 1, van Richtlijn 75/439/EEG van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (zoals gewijzigd, hierna "de richtlijn" genoemd) bepaalt: "Wanneer de technische, economische en organisatorische beperkingen dit toelaten, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om voorrang te geven aan de verwerking van afgewerkte olie door regeneratie."
Volgens artikel 1 van de richtlijn wordt onder "regeneratie" verstaan "elk procédé waarbij basisoliën kunnen worden geproduceerd door raffinage van afgewerkte oliën, met name door verwijdering van de verontreinigingen, oxidatieproducten en additieven in dergelijke oliën".
Volgens de klager heeft Duitsland de verbranding van afgewerkte olie (met het oog op elektriciteitsopwekking) uiterlijk sinds 1993 gesubsidieerd. Klager was van mening dat dit in grote tegenspraak was met de bepalingen van de richtlijn en diende een klacht in bij de Commissie. Laatstgenoemde heeft een inbreukprocedure ingeleid die heeft geleid tot een arrest van het Hof van Justitie in 1999 waarin de Commissie in het gelijk werd gesteld (zaak C-102/97).
Duitsland was aanvankelijk terughoudend om aan dit arrest te voldoen. Het lijkt erop dat Duitsland pas nadat klager zich opnieuw tot de Commissie had gewend en deze stappen had ondernomen om de procedure van artikel 228 van het EG-Verdrag (dat voorziet in de mogelijkheid van dwangsommen) toe te passen, heeft aanvaard haar wetgeving te wijzigen.
Volgens de klager wordt in de gewijzigde regels de term “regeneratie” zodanig gedefinieerd dat processen die leiden tot de productie van “stroomolie” worden uitgesloten (of kunnen worden uitgesloten). Volgens klager is deze maatregel opzettelijk genomen om haar te bestraffen.
Klacht 1272/2004/GGOp 5 mei 2004 wendde klager zich tot de Ombudsman. In zijn klacht beweerde klager dat de Commissie het Gemeenschapsrecht in het algemeen en het bovengenoemde arrest in het bijzonder niet had gehandhaafd.
In haar in augustus 2004 ingediende advies wees de Commissie erop dat de klacht bij de Ombudsman verband hield met inbreukklacht 2002/4775 die klager op 28 juni 2002 bij de Commissie had ingediend. De Commissie legde uit dat Duitsland in de loop van zijn onderzoek naar deze klacht informatie had verstrekt waaruit bleek dat de overheid de wettelijke mogelijkheid had om de prioriteit voor de regeneratie van afgewerkte olie af te dwingen en dat het regeneratiequotum in Duitsland aantoonde dat het prioriteitsbeginsel in de praktijk werd bereikt.
Volgens de Commissie was uit een latere bijeenkomst met de bevoegde Duitse autoriteiten in september 2003 gebleken dat de toepassing van het prioriteitsbeginsel in beginsel was gewaarborgd. Duitsland had echter toegegeven dat de statistieken over niet-geregenereerde afgewerkte olie (verbranding, recycling tot andere producten) onbetrouwbaar waren en dat daarom een specifieke studie zou worden gestart. De Commissie heeft aangevoerd dat de resultaten van deze studie, die eind 2004 werden verwacht, moeten worden afgewacht alvorens een besluit te nemen over de inbreukprocedure (2).
Het advies werd aan klager toegezonden voor zijn opmerkingen. Dergelijke opmerkingen zijn niet ontvangen.
In het licht van de door de Commissie genoemde omstandigheden, met name het feit dat Duitsland leek te hebben toegegeven dat haar statistieken over niet-geregenereerde afgewerkte olie onbetrouwbaar waren, was de Ombudsman van mening dat de aanpak van de Commissie redelijk was. Op 24 november 2004 sloot de Ombudsman zijn onderzoek derhalve af met de constatering dat er geen sprake was van wanbeheer. De Ombudsman merkte echter op dat de klager in een toekomstig stadium een nieuwe klacht kon indienen indien hij van mening was dat de Commissie de zaak niet met de nodige zorgvuldigheid had behandeld.
Klacht 3534/2004/GGBij brief van 30 november 2004 heeft klager de Ombudsman verzocht zijn onderzoek voort te zetten of, indien dit niet mogelijk zou zijn, zijn brief als een nieuwe klacht te beschouwen.
Klager wees erop dat de bovengenoemde studie op zijn vroegst in september 2005 gereed zou zijn. Zij voerde in wezen aan dat zowel de Commissie als Duitsland voor de tijd speelden.
Aangezien het onderzoek naar klacht 1272/2004/GG reeds was afgesloten, werd de aanvullende brief van klager geregistreerd als een nieuwe klacht.
De Ombudsman was van mening dat het heropenen van een onderzoek dat eind november 2004 was afgesloten, alleen zinvol zou zijn als er nieuwe feiten of argumenten zouden zijn die van invloed zouden kunnen zijn op de analyse van de Ombudsman. Het argument van klager dat de Commissie en Duitsland uitstelden, kon als een dergelijk nieuw argument worden beschouwd. Klager had echter geen bewijsmateriaal overgelegd waaruit bleek dat de desbetreffende studie inderdaad vertraging had opgelopen en dat de Commissie de zaak niet op passende wijze had voortgezet.
De Ombudsman deelde klager derhalve mee dat er onvoldoende gronden waren voor een onderzoek. De aandacht van klager werd echter gevestigd op de mogelijkheid om zijn klacht te hernieuwen, mits voldoende bewijsmateriaal werd overgelegd.
Het telefoongesprek van 7 januari 2005Op 7 januari 2005 belde klager het bureau van de Ombudsman om te vragen welk bewijsmateriaal nodig was. De met de zaak belaste ambtenaar legde uit dat de Ombudsman bewijsmateriaal nodig had om te bewijzen of te suggereren dat de desbetreffende studie niet vóór medio 2005 beschikbaar zou zijn.
De e-mail van 10 januari 2005Op 10 januari 2005 verstrekte klager een kopie van een door het instituut opgesteld informatieblad dat de desbetreffende studie lijkt te behandelen. Volgens dit blad bestrijkt de studie de periode van juni 2004 tot juni 2005.
Deze e-mail werd geregistreerd als een nieuwe klacht (146/2005/GG). In het licht van de door klager verstrekte informatie besloot de Ombudsman de Commissie om advies te vragen over de bewering van klager dat de Commissie het Gemeenschapsrecht en de op basis van het Gemeenschapsrecht gegeven arresten niet had gehandhaafd.
Het onderzoek
Advies van de CommissieIn haar advies maakte de Commissie de volgende opmerkingen:
De wenselijkheid om op de resultaten van de desbetreffende studie te wachten, werd in het advies van de Commissie over klacht 1272/2004/GG genoemd als de belangrijkste reden om klacht 2002/4775 open te houden. In dit advies (dat in de zomer van 2004 was opgesteld) werd uiteengezet dat de studie eind 2004 beschikbaar zou zijn.
In juli 2004 hadden de Duitse autoriteiten de Commissie meegedeeld dat de studie inmiddels was gestart, zij het met vertraging. Zij hadden aangegeven dat voor september 2004 een tussentijds verslag werd verwacht. De Commissie kon niet aansprakelijk worden gesteld voor deze vertraging, noch was Duitsland op grond van het gemeenschapsrecht verplicht een dergelijke studie uit te voeren.
Op 7 oktober 2004 had Duitsland de Commissie informatie verstrekt over de tenuitvoerlegging van de richtlijn. In deze mededeling was een model opgenomen voor de berekening van de oliestromen in Duitsland. Volgens deze methode waren de hoeveelheden geregenereerde afgewerkte olie de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen, terwijl de totale hoeveelheid afgewerkte olie en de hoeveelheid verbrande afgewerkte olie daarin waren afgenomen.
Het eerste tussentijdse verslag over bovengenoemde studie was bij deze mededeling gevoegd. Het doel van deze studie was een stroombalans voor afgewerkte olie uit te werken die voldeed aan de informatiebehoeften van de Commissie en diende als gemeenschappelijke basis voor de discussie met de actoren op het gebied van afgewerkte olie. In het verslag werd het door de Duitse autoriteiten gebruikte berekeningsmodel gedetailleerd beschreven en werd geconcludeerd dat dit een goede basis was voor verder onderzoek. In de loop van de studie zou het model worden aangepast om de werkelijke afgewerkte oliestromen te verkrijgen.
Bij de mededeling was ook het mandaat van de studie gevoegd. Volgens dit document moest het eindverslag inderdaad in juni 2005 worden ingediend.
Op basis van de thans beschikbare informatie kwam de Commissie tot de voorlopige conclusie dat Duitsland de nodige maatregelen had genomen om voorrang te geven aan de verwerking van afgewerkte olie door regeneratie. De Commissie achtte het echter noodzakelijk te wachten op een zo volledig mogelijk beeld van het eindverslag alvorens een besluit te nemen over klacht 2002/4775.
Opmerkingen van klagersBrief van klager van 27 mei 2005
In zijn brief van 27 mei 2005 maakte klager de volgende opmerkingen:
Klacht 2002/4775 was ingediend op 28 juni 2002. Sindsdien waren er bijna drie jaar verstreken zonder dat de Commissie een inhoudelijk antwoord kon geven.
De desbetreffende studie had te laat moeten worden uitgevoerd, aangezien deze door Duitsland voor begin 2004 was beloofd. De studie maakte ook deel uit van de inspanningen van Duitsland om tijd te winnen.
Volgens informatie van de verantwoordelijke van het Duitse ministerie van Milieu had de Commissie alle procedures tegen lidstaten die de richtlijn nog steeds niet hadden uitgevoerd, stopgezet. Volgens dezelfde bron was er binnen de Commissie een duidelijke tendens om de richtlijn volledig af te schaffen.
Er waren nog een aantal vragen die in het advies van de Commissie niet waren opgehelderd (3).
Aangezien elke verdere vertraging aanzienlijke schade heeft veroorzaakt, dient de Ombudsman erop toe te zien dat de Commissie het arrest van het Hof van Justitie en de richtlijn snel ten uitvoer legt.
Brieven van klager van 31 mei 2005 en 9 juni 2005In verdere brieven van 31 mei en 9 juni 2005 herhaalde klager zijn standpunt.
BESLUIT
1 Vermeende niet-handhaving van het Gemeenschapsrecht en uitspraken op grond van het Gemeenschapsrecht1.1 Klager is een Duitse onderneming die zich bezighoudt met de recycling van afgewerkte olie. Artikel 3, lid 1, van Richtlijn 75/439/EEG van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (zoals gewijzigd, hierna "de richtlijn" genoemd) bepaalt: "Wanneer de technische, economische en organisatorische beperkingen dit toelaten, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om voorrang te geven aan de verwerking van afgewerkte olie door regeneratie." Volgens de klager heeft Duitsland de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen niet nageleefd. Nadat klager een klacht had ingediend bij de Commissie, leidde deze een inbreukprocedure in die leidde tot een arrest van het Hof van Justitie in 1999 waarin het advies van de Commissie werd goedgekeurd (4). In 2002 diende klager een nieuwe klacht in bij de Commissie (inbreukklacht 2002/4775).
1.2 Op 5 mei 2004 wendde klager zich tot de Ombudsman (klacht 1272/2004/GG). In deze klacht beweerde klager dat de Commissie het Gemeenschapsrecht en de op grond van het Gemeenschapsrecht gegeven beslissingen niet had gehandhaafd.
In haar advies over die klacht (dat in augustus 2004 bij de Ombudsman werd ingediend) legde de Commissie uit dat Duitsland in de loop van de onderzoeken in zaak 2002/4775 informatie had verstrekt waaruit bleek dat de overheid de wettelijke mogelijkheid had om de prioriteit voor de regeneratie van afgewerkte olie af te dwingen en dat het regeneratiequotum in Duitsland aantoonde dat het prioriteitsbeginsel in de praktijk werd verwezenlijkt. Volgens de Commissie hadden de Duitse autoriteiten tijdens een volgende bijeenkomst met de bevoegde Duitse autoriteiten in september 2003 toegegeven dat de statistieken over niet-geregenereerde afgewerkte olie onbetrouwbaar waren en dat daarom een specifieke studie zou worden gestart. De Commissie heeft aangevoerd dat de resultaten van deze studie, die eind 2004 werden verwacht, moeten worden afgewacht alvorens een besluit te nemen over de inbreukprocedure.
1.3 In het licht van de door de Commissie genoemde omstandigheden was de Ombudsman van mening dat de aanpak van de Commissie redelijk was. Op 24 november 2004 sloot de Ombudsman zijn onderzoek derhalve af met de constatering dat er geen sprake was van wanbeheer. De Ombudsman merkte echter op dat de klager in een toekomstig stadium een nieuwe klacht kon indienen indien hij van mening was dat de Commissie de zaak niet met de nodige zorgvuldigheid had behandeld.
1.4 In januari 2005 heeft klager de Ombudsman verzocht zijn onderzoek te hernieuwen en bewijsmateriaal aan te leveren waaruit blijkt dat de desbetreffende studie niet vóór medio 2005 beschikbaar zou zijn. De Ombudsman besloot de brief van klager als nieuwe klacht te registreren (klacht 146/2005/GG) en een onderzoek in te stellen.
1.5 In haar advies over de nieuwe klacht wees de Commissie erop dat de Duitse autoriteiten haar in juli 2004 hadden meegedeeld dat de studie inmiddels van start was gegaan, zij het met vertraging. De Commissie stelde dat zij niet verantwoordelijk kon worden gesteld voor deze vertraging. Zij voegde daaraan toe dat Duitsland op 7 oktober 2004 informatie over de tenuitvoerlegging van de richtlijn had verstrekt en dat het eerste tussentijdse verslag over bovengenoemde studie bij deze mededeling was gevoegd. Bij de mededeling was ook het mandaat van de studie gevoegd. Volgens dit document moest het eindverslag inderdaad in juni 2005 worden ingediend. De Commissie stelde dat zij op basis van de thans beschikbare informatie tot de voorlopige conclusie was gekomen dat Duitsland de nodige maatregelen had genomen om voorrang te geven aan de verwerking van afgewerkte olie door regeneratie. De Commissie achtte het echter noodzakelijk het eindverslag af te wachten om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen alvorens een besluit te nemen over klacht 2002/4775.
1.6 In zijn opmerkingen wees klager erop dat klacht 2002/4775 op 28 juni 2002 was ingediend en dat er bijna drie jaar waren verstreken zonder dat de Commissie een inhoudelijk antwoord kon geven. Volgens de klager had de desbetreffende studie vertraging opgelopen, aangezien deze door Duitsland voor begin 2004 was beloofd. Volgens klager maakte de studie bovendien deel uit van de inspanningen van Duitsland om tijd te winnen. Klager voegde daaraan toe dat hij informatie had verkregen waaruit bleek dat de Commissie alle procedures tegen lidstaten die de richtlijn nog steeds niet hadden uitgevoerd, had stopgezet en dat er binnen de Commissie een duidelijke tendens bestond om de richtlijn volledig af te schaffen.
1.7 Het is een goede administratieve praktijk dat de Commissie klachten over inbreuken zorgvuldig en binnen een redelijke termijn behandelt. Om na te gaan of de Commissie dienovereenkomstig heeft gehandeld, is de Ombudsman van mening dat alle relevante feiten van de zaak in aanmerking moeten worden genomen, voor zover deze onder zijn aandacht zijn gebracht.
1.8 De Ombudsman merkt op dat er bijna drie jaar zijn verstreken sinds klager zijn inbreukklacht (klacht 2002/4775) bij de Commissie heeft ingediend. Er moet ook rekening worden gehouden met het feit dat klager in deze klacht lijkt te hebben aangevoerd dat Duitsland het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-102/97, dat in 1999 was gewezen, niet heeft uitgevoerd. De Ombudsman herinnert eraan dat de Commissie in haar "Mededeling aan het Europees Parlement en de Europese Ombudsman over de betrekkingen met de klager in verband met inbreuken op het Gemeenschapsrecht" (COM(2002) 141 def., PB 2002, C 244, blz. 5) heeft verklaard dat zij in de regel voorstelde klachten te onderzoeken met het oog op een besluit tot aanmaning of tot afsluiting van de zaak binnen een jaar na de datum van registratie van de klacht.
1.9 De Ombudsman merkt voorts op dat de Commissie van mening is dat de klacht over de inbreuk van klager pas kan worden behandeld nadat zij de resultaten heeft ontvangen van een studie waartoe de Duitse autoriteiten opdracht hebben gegeven. Aangezien de klager had aangevoerd dat Duitsland niet had voldaan aan de door de richtlijn opgelegde verplichting om voorrang te geven aan de verwerking van afgewerkte olie door regeneratie en de Duitse autoriteiten hadden toegegeven dat de statistieken over niet-geregenereerde afgewerkte olie onbetrouwbaar waren en dat daarom een specifieke studie zou worden gestart, blijft de Ombudsman van mening dat dit standpunt redelijk is.
1.10 Opgemerkt zij echter dat de Duitse autoriteiten volgens de Commissie de bovengenoemde verklaring hadden afgelegd tijdens een bijeenkomst in september 2003, terwijl de opdracht voor de studie pas medio 2004 lijkt te zijn gegeven. Weliswaar kan deze vertraging, waarvoor de Duitse autoriteiten verantwoordelijk zijn, niet aan de Commissie worden verweten, maar de Commissie heeft niet aangetoond dat zij alles in het werk heeft gesteld om ervoor te zorgen dat de relevante gegevens zo spoedig mogelijk beschikbaar zouden zijn. Volgens de informatie waarover de Ombudsman beschikte, deelde de Commissie klager bij brief van 3 februari 2004 mee dat zij door de Duitse autoriteiten was meegedeeld dat de ontbrekende informatie niet vóór het voorjaar van 2004 zou worden toegezonden. In haar advies over klacht 1272/2004/GG verklaarde de Commissie dat de resultaten van de studie eind 2004 werden verwacht. In haar advies over deze klacht erkende de Commissie dat het eindverslag inderdaad in juni 2005 moest worden ingediend, zoals klager had beweerd. In deze omstandigheden is de Ombudsman van mening dat de Commissie in de onderhavige zaak niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht. Dit is een geval van wanbeheer.
1.11 In zijn besluit van 24 november 2004 heeft de Ombudsman zijn onderzoek naar klacht 1272/204/GG afgesloten met de vaststelling dat er geen sprake was van wanbeheer. Deze bevinding was gebaseerd op de overweging dat de Commissie de zaak actief leek voort te zetten, aangezien deze de Ombudsman had meegedeeld dat de resultaten van de studie waarop zij wenste te wachten, voor eind 2004 werden verwacht. De Ombudsman herinnert eraan dat deze informatie was opgenomen in het advies dat de Commissie hem bij nota van 6 augustus 2004 heeft voorgelegd. In haar advies over deze klacht verklaarde de Commissie dat zij "in juli 2004" door de Duitse autoriteiten ervan in kennis was gesteld dat de studie met vertraging van start was gegaan. De Ombudsman concludeert dat de Commissie ten tijde van de toezending van haar advies aan hem in augustus 2004 dus op de hoogte had moeten zijn van het feit dat de inhoud van dit advies niet langer overeenkwam met de feitelijke feiten met betrekking tot de datum waarop de studie gereed zou zijn. Het valt natuurlijk niet uit te sluiten dat de informatie van de Duitse autoriteiten "in juli 2004" zo laat is binnengekomen dat zij niet langer in het advies van de Commissie kon worden opgenomen, met name gezien het feit dat het advies in de vakantieperiode werd toegezonden. De Ombudsman merkt echter op dat de Commissie hem later geen addendum (of corrigendum) heeft toegezonden. De Ombudsman is van mening dat een communautaire instelling of communautair orgaan die onbedoeld onjuiste of misleidende informatie aan de Ombudsman heeft verstrekt, deze informatie moet corrigeren zodra zij kennis krijgt van haar fout. Om twijfel te voorkomen, moet hieraan worden toegevoegd dat de datum waarop de resultaten van de studie moesten zijn ontvangen, een belangrijke factor vormde in het kader van het onderzoek van de Ombudsman.
2 ConclusieGezien het bovenstaande doet de Ombudsman de volgende ontwerpaanbeveling aan de Commissie, overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het Statuut van de Ombudsman:
De ontwerpaanbevelingDe Commissie moet de inbreukklacht van de klager zo snel en zorgvuldig mogelijk behandelen.
De Commissie en de klager zullen van deze ontwerpaanbeveling in kennis worden gesteld. Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het statuut van de Ombudsman zendt de Commissie uiterlijk op 15 september 2005 een omstandig advies toe. Het omstandig advies zou kunnen bestaan uit de aanvaarding van het besluit van de Ombudsman en een beschrijving van de maatregelen die zijn genomen om de ontwerpaanbeveling uit te voeren.
Straatsburg, 15 juni 2005
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
(1) Besluit 94/262 van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese Ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn taken (PB L 113, blz. 15).
(2) Samen met haar advies diende de Commissie een kopie in van een brief die zij op 3 februari 2004 aan klager had gericht. In deze brief wees de Commissie erop dat de Duitse autoriteiten hadden uitgelegd dat de ontbrekende informatie niet vóór het voorjaar van 2004 zou worden verstrekt.
(3) De klager voerde bijvoorbeeld aan dat Duitsland de verbranding van afgewerkte olie subsidieerde (of had gesubsidieerd) met een bedrag van 52,5 miljoen EUR over een periode van zeven jaar, terwijl de subsidie voor regeneratie slechts 10,2 miljoen EUR bedroeg voor dezelfde periode. In het licht van deze discrepantie vroeg klager zich af of Duitsland de richtlijn naar behoren had uitgevoerd.
(4) Zaak C-102/97, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1999, blz. I-5051.