Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 146/2005/GG tegen de Europese Commissie
Besluiten
Zaak 146/2005/GG - Geopend op Dinsdag | 18 januari 2005 - Aanbeveling omtrent Woensdag | 15 juni 2005 - Besluit over Vrijdag | 09 juni 2006
Straatsburg, 9 juni 2006
Geachte heer F.,
Op 10 januari 2005 heeft u mij bepaalde informatie verstrekt met betrekking tot twee klachten (klacht 1272/2004/GG en klacht 3534/2004/GG) die u eerder bij de Europese Ombudsman had ingediend. In het licht van een telefoongesprek tussen uw bedrijf en mijn diensten van 7 januari 2005 werd uw e-mail van 10 januari 2005 geregistreerd als een nieuwe klacht onder de bovengenoemde referentie. Deze klacht had (net als de twee voorgaande) betrekking op het vermeende verzuim van de Europese Commissie om het Gemeenschapsrecht en de arresten van de communautaire rechterlijke instanties ten uitvoer te leggen.
Op 18 januari 2005 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Commissie.
Op 31 januari 2005 heb ik u naar aanleiding van een telefonisch verzoek een kopie toegezonden van een nota over het telefoongesprek van 7 januari 2005.
De Commissie heeft op 12 april 2005 advies uitgebracht. Ik heb het op 28 april 2005 aan u toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 27 mei 2005 hebt toegezonden. Uit uw antwoord heb ik opgemaakt dat de rechtsvorm van uw bedrijf ondertussen is veranderd.
Op 15 juni 2005 heb ik een ontwerpaanbeveling tot de Commissie gericht. De Commissie heeft haar omstandig advies op 4 oktober 2005 toegezonden. Ik heb het u op 5 oktober 2005 toegezonden met de uitnodiging om vóór 30 november 2005 opmerkingen te maken.
Op 11 november 2005 heeft de Commissie mij een afschrift doen toekomen van haar brief van 28 oktober 2005 waarin zij u had meegedeeld dat zij voornemens was uw klacht wegens niet-nakoming af te wijzen. Op 15 november 2005 heb ik u een kopie van deze brief toegezonden.
Op 17 november 2005 heeft u verzocht om verlenging van de termijn voor het indienen van opmerkingen. In mijn antwoord van 6 december 2005 heb ik u meegedeeld dat ik deze termijn had verlengd tot 31 januari 2006.
Op 20 december 2005 heeft u mij een kopie doen toekomen van een brief die u die dag aan de Commissie had gericht. In uw begeleidende brief heeft u mij om hulp gevraagd tegen de Commissie.
In mijn antwoord van 6 januari 2006 heb ik u meegedeeld dat ik de Commissie geen instructies kon geven en dat ik na ontvangst van uw opmerkingen zou beslissen hoe verder te gaan in deze zaak.
Op 31 januari 2006 heeft u verzocht om een verdere verlenging van de termijn voor het indienen van opmerkingen tot en met 28 februari 2006. In mijn antwoord van 6 februari 2006 heb ik u meegedeeld dat ik dit verzoek had ingewilligd en dat uw opmerkingen tot en met 28 februari 2006 konden worden ingediend.
Op die datum zijn geen opmerkingen van u ontvangen.
Op 17 mei 2006 deelde u mij echter mee dat de Commissie uw inbreukklacht nu had afgewezen. In uw brief was u van mening dat het besluit van de Commissie onjuist was en heeft u mij verzocht de zaak ten gronde te onderzoeken.
Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.
Om misverstanden te voorkomen, is het belangrijk eraan te herinneren dat het EG-Verdrag de Ombudsman de bevoegdheid verleent om alleen bij het optreden van de communautaire instellingen en organen onderzoek te doen naar mogelijke gevallen van wanbeheer. Het statuut van de Europese Ombudsman bepaalt uitdrukkelijk dat tegen geen enkel optreden van een andere autoriteit of persoon een klacht bij de Ombudsman kan worden ingediend.
Het onderzoek van de Ombudsman naar uw klacht had derhalve tot doel na te gaan of er sprake was van wanbeheer bij de activiteiten van de Commissie.
Het KLACHT
AchtergrondKlager is een Duitse onderneming die actief is in de recycling van afgewerkte olie. Het door de klager gebruikte proces resulteert in de productie van “Fluxöl” (stroomolie).
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 75/439/EEG van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (1), zoals gewijzigd (hierna: „richtlijn 75/439”), bepaalt: "Wanneer de technische, economische en organisatorische beperkingen dit toelaten, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om voorrang te geven aan de verwerking van afgewerkte olie door regeneratie."
Volgens artikel 1 van de richtlijn wordt onder "regeneratie" verstaan "elk procédé waarbij basisoliën kunnen worden geproduceerd door raffinage van afgewerkte oliën, met name door verwijdering van de verontreinigingen, oxidatieproducten en additieven in dergelijke oliën".
Volgens de klager heeft Duitsland de verbranding van afgewerkte olie (met het oog op elektriciteitsopwekking) uiterlijk sinds 1993 gesubsidieerd. Klager was van mening dat dit in grote tegenspraak was met de bepalingen van de richtlijn en diende een klacht in bij de Commissie. Laatstgenoemde heeft een inbreukprocedure ingeleid die heeft geleid tot een arrest van het Hof van Justitie in 1999 waarin de Commissie in het gelijk werd gesteld (zaak C-102/97 (2)).
Duitsland was aanvankelijk terughoudend om aan dit arrest te voldoen. Het lijkt erop dat Duitsland pas nadat klager zich opnieuw tot de Commissie had gewend en deze stappen had ondernomen om een beroep te doen op de procedure van artikel 228 van het EG-Verdrag (dat voorziet in de mogelijkheid van dwangsommen) heeft aanvaard haar wetgeving te wijzigen.
Volgens de klager wordt in de gewijzigde regels de term “regeneratie” zodanig gedefinieerd dat processen die leiden tot de productie van “stroomolie” worden uitgesloten (of kunnen worden uitgesloten). Volgens klager is deze maatregel opzettelijk genomen om haar te bestraffen.
Klacht 1272/2004/GGOp 5 mei 2004 wendde klager zich tot de Ombudsman. In zijn klacht beweerde klager dat de Commissie het Gemeenschapsrecht in het algemeen en het bovengenoemde arrest in het bijzonder niet had gehandhaafd.
In haar in augustus 2004 ingediende advies wees de Commissie erop dat de klacht bij de Ombudsman verband hield met inbreukklacht 2002/4775 die klager op 28 juni 2002 bij de Commissie had ingediend. De Commissie legde uit dat Duitsland in de loop van zijn onderzoek naar deze klacht informatie had verstrekt waaruit bleek dat de overheid de wettelijke mogelijkheid had om de prioriteit voor de regeneratie van afgewerkte olie af te dwingen en dat het regeneratiequotum in Duitsland aantoonde dat het prioriteitsbeginsel in de praktijk werd bereikt.
Volgens de Commissie was uit een latere bijeenkomst met de bevoegde Duitse autoriteiten in september 2003 gebleken dat de toepassing van het prioriteitsbeginsel in de regel was gewaarborgd. Duitsland had echter toegegeven dat de statistieken over niet-geregenereerde afgewerkte olie (verbranding, recycling tot andere producten) onbetrouwbaar waren en dat daarom een specifieke studie zou worden gestart. De Commissie heeft aangevoerd dat de resultaten van deze studie, die eind 2004 werden verwacht, moeten worden afgewacht alvorens een besluit te nemen over de inbreukprocedure (3).
Het advies werd aan klager toegezonden voor zijn opmerkingen. Dergelijke opmerkingen zijn niet ontvangen.
In het licht van de door de Commissie genoemde omstandigheden, met name het feit dat Duitsland leek te hebben toegegeven dat haar statistieken over niet-geregenereerde afgewerkte olie onbetrouwbaar waren, was de Ombudsman van mening dat de aanpak van de Commissie redelijk was. Op 24 november 2004 sloot de Ombudsman zijn onderzoek derhalve af met de constatering dat er geen sprake was van wanbeheer. De Ombudsman merkte echter op dat de klager in een toekomstig stadium een nieuwe klacht kon indienen indien hij van mening was dat de Commissie de zaak niet met de nodige zorgvuldigheid had behandeld. In zijn besluit wees de Ombudsman er voorts op dat, aangezien de Commissie nog geen besluit had genomen over de inhoud van de argumenten van klager, hij van mening was dat hij zich momenteel niet hoefde uit te spreken over het argument van de Commissie dat de productie van "fluxoliën" geen "regeneratie" in de zin van artikel 1 van Richtlijn 75/439/EEG vormde.
Klacht 3534/2004/GGBij brief van 30 november 2004 heeft klager de Ombudsman verzocht zijn onderzoek voort te zetten of, indien dit niet mogelijk zou zijn, zijn brief als een nieuwe klacht te beschouwen.
Klager wees erop dat de bovengenoemde studie op zijn vroegst in september 2005 gereed zou zijn. Zij voerde in wezen aan dat zowel de Commissie als Duitsland voor de tijd speelden.
Aangezien het onderzoek naar klacht 1272/2004/GG reeds was afgesloten, werd de aanvullende brief van klager geregistreerd als een nieuwe klacht.
De Ombudsman was van mening dat het heropenen van een onderzoek dat eind november 2004 was afgesloten, alleen zinvol zou zijn als er nieuwe feiten of argumenten zouden zijn die van invloed zouden kunnen zijn op de analyse van de Ombudsman. Het argument van klager dat de Commissie en Duitsland uitstelden, kon als een dergelijk nieuw argument worden beschouwd. Klager had echter geen bewijsmateriaal overgelegd waaruit bleek dat de desbetreffende studie inderdaad vertraging had opgelopen en dat de Commissie de zaak niet op passende wijze had voortgezet.
De Ombudsman deelde klager derhalve mee dat er onvoldoende gronden waren voor een onderzoek. De aandacht van klager werd echter gevestigd op de mogelijkheid om zijn klacht te hernieuwen, mits voldoende bewijsmateriaal werd overgelegd.
Het telefoongesprek van 7 januari 2005Op 7 januari 2005 belde klager het bureau van de Ombudsman om te vragen welk bewijsmateriaal nodig was. De met de zaak belaste ambtenaar legde uit dat de Ombudsman bewijsmateriaal nodig had om te bewijzen of te suggereren dat de desbetreffende studie niet vóór medio 2005 beschikbaar zou zijn.
De e-mail van 10 januari 2005Op 10 januari 2005 verstrekte klager een kopie van een informatieblad van het instituut dat de desbetreffende studie leek te behandelen. Volgens dit blad zou de studie betrekking hebben op de periode van juni 2004 tot juni 2005.
Deze e-mail werd geregistreerd als een nieuwe klacht (146/2005/GG). In het licht van de door klager verstrekte informatie besloot de Ombudsman de Commissie om advies te vragen over de bewering van klager dat de Commissie het Gemeenschapsrecht en de uitspraken van de communautaire rechtbanken niet had gehandhaafd.
Het onderzoek
Advies van de CommissieIn haar advies heeft de Commissie samenvattend de volgende opmerkingen gemaakt:
De wenselijkheid om op de resultaten van de desbetreffende studie te wachten, werd in het advies van de Commissie over klacht 1272/2004/GG genoemd als de belangrijkste reden om klacht 2002/4775 open te houden. In dit advies (dat in de zomer van 2004 was opgesteld) werd uiteengezet dat de studie eind 2004 beschikbaar zou zijn.
In juli 2004 hadden de Duitse autoriteiten de Commissie meegedeeld dat de studie inmiddels was gestart, zij het met vertraging. Zij hadden aangegeven dat voor september 2004 een tussentijds verslag werd verwacht. De Commissie kon niet aansprakelijk worden gesteld voor deze vertraging, noch was Duitsland op grond van het gemeenschapsrecht verplicht een dergelijke studie uit te voeren.
Op 7 oktober 2004 had Duitsland de Commissie informatie verstrekt over de tenuitvoerlegging van de richtlijn. In deze mededeling was een model opgenomen voor de berekening van de oliestromen in Duitsland. Volgens deze methode waren de hoeveelheden geregenereerde afgewerkte olie de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen, terwijl de totale hoeveelheid afgewerkte olie en de hoeveelheid verbrande afgewerkte olie daarin waren afgenomen.
Het eerste tussentijdse verslag over bovengenoemde studie was bij deze mededeling gevoegd. Het doel van deze studie was een stroombalans voor afgewerkte olie uit te werken die voldeed aan de informatiebehoeften van de Commissie en diende als gemeenschappelijke basis voor de discussie met de actoren op het gebied van afgewerkte olie. In het verslag werd het door de Duitse autoriteiten gebruikte berekeningsmodel gedetailleerd beschreven en werd geconcludeerd dat dit een goede basis was voor verder onderzoek. In de loop van de studie zou het model worden aangepast om de werkelijke afgewerkte oliestromen te verkrijgen.
Bij de mededeling was ook het mandaat van de studie gevoegd. Volgens dit document moest het eindverslag inderdaad in juni 2005 worden ingediend.
Op basis van de thans beschikbare informatie kwam de Commissie tot de voorlopige conclusie dat Duitsland de nodige maatregelen had genomen om voorrang te geven aan de verwerking van afgewerkte olie door regeneratie. De Commissie achtte het echter noodzakelijk het eindverslag af te wachten om een zo volledig mogelijk overzicht te krijgen alvorens een besluit te nemen over klacht 2002/4775.
Opmerkingen van klager Briefvan klager van 27 mei 2005
In zijn brief van 27 mei 2005 maakte klager de volgende opmerkingen:
Klacht 2002/4775 was ingediend op 28 juni 2002. Sindsdien waren er bijna drie jaar verstreken zonder dat de Commissie een inhoudelijk antwoord kon geven.
De desbetreffende studie had te laat moeten worden uitgevoerd, aangezien deze door Duitsland voor begin 2004 was beloofd. De studie maakte ook deel uit van de inspanningen van Duitsland om tijd te winnen.
Volgens informatie van de verantwoordelijke van het Duitse ministerie van Milieu had de Commissie alle procedures tegen lidstaten die de richtlijn nog steeds niet hadden uitgevoerd, stopgezet. Volgens dezelfde bron was er binnen de Commissie een duidelijke tendens om te verzoeken om intrekking van de richtlijn.
Er waren nog een aantal vragen die de Commissie in haar advies niet had opgehelderd (4).
Aangezien de verdere vertraging aanzienlijke schade heeft veroorzaakt, dient de Ombudsman erop toe te zien dat de Commissie snel uitvoering geeft aan het arrest van het Hof van Justitie (zaak C-102/97) en de richtlijn.
Brieven van klager van 31 mei 2005 en 9 juni 2005In verdere brieven van 31 mei en 9 juni 2005 herhaalde klager zijn standpunt.
ONTWERP AANBEVELING VAN DE OMBUDSMAN
De ontwerpaanbevelingOp 15 juni 2005 heeft de Ombudsman de volgende ontwerpaanbeveling tot de Commissie gericht:
De Commissie moet de inbreukklacht van de klager zo snel en zorgvuldig mogelijk behandelen.
Deze ontwerpaanbeveling was gebaseerd op de volgende redenen:
- Het is een goede administratieve praktijk dat de Commissie klachten over inbreuken zorgvuldig en binnen een redelijke termijn behandelt. Om na te gaan of de Commissie dienovereenkomstig had gehandeld, was de Ombudsman van mening dat alle relevante feiten van de zaak in aanmerking moesten worden genomen, voor zover deze onder zijn aandacht waren gebracht.
- De Ombudsman merkte op dat er bijna drie jaar waren verstreken sinds klager zijn inbreukklacht (klacht 2002/4775) bij de Commissie had ingediend. Er moest ook rekening worden gehouden met het feit dat klager in deze klacht leek te hebben aangevoerd dat Duitsland het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-102/97, dat in 1999 was gewezen, niet had uitgevoerd. De Ombudsman herinnerde eraan dat de Commissie in haar "Mededeling aan het Europees Parlement en de Europese Ombudsman over de betrekkingen met de klager in verband met inbreuken op het Gemeenschapsrecht" (COM(2002) 141 def., PB 2002, C 244, blz. 5) had verklaard dat zij als algemene regel had voorgesteld klachten te onderzoeken met het oog op een besluit om binnen een termijn van ten hoogste één jaar na de datum van registratie van de klacht een ingebrekestelling uit te vaardigen of de zaak te sluiten.
- De Ombudsman merkte voorts op dat de Commissie van mening was dat de klacht over de inbreuk van klager pas kon worden behandeld nadat zij de resultaten had ontvangen van een studie waartoe de Duitse autoriteiten opdracht hadden gegeven. Aangezien klager had aangevoerd dat Duitsland niet had voldaan aan de bij richtlijn 75/439 opgelegde verplichting om voorrang te geven aan de verwerking van afgewerkte olie door regeneratie en de Duitse autoriteiten hadden toegegeven dat de statistieken over niet-geregenereerde afgewerkte olie onbetrouwbaar waren en dat daarom een specifieke studie zou worden gestart, bleef de Ombudsman van mening dat dit standpunt redelijk was.
- Opgemerkt zij echter dat de Duitse autoriteiten volgens de Commissie bovengenoemde erkenning hadden gegeven tijdens een bijeenkomst in september 2003, terwijl de studie pas medio 2004 in opdracht leek te zijn gegeven. Weliswaar kon deze vertraging, waarvoor de Duitse autoriteiten verantwoordelijk waren, niet aan de Commissie worden verweten, maar de Commissie had niet aangetoond dat zij alles in het werk had gesteld om ervoor te zorgen dat de relevante gegevens zo spoedig mogelijk beschikbaar zouden zijn. Volgens de informatie waarover de Ombudsman beschikte, deelde de Commissie klager bij brief van 3 februari 2004 mee dat zij door de Duitse autoriteiten was meegedeeld dat de ontbrekende informatie niet vóór het voorjaar van 2004 zou worden toegezonden. In haar advies over klacht 1272/2004/GG had de Commissie verklaard dat de resultaten van de studie eind 2004 werden verwacht. In haar advies over de onderhavige klacht had de Commissie erkend dat het eindverslag inderdaad in juni 2005 moest worden ingediend, zoals klager had beweerd. In deze omstandigheden was de Ombudsman van oordeel dat de Commissie in de onderhavige zaak niet met de vereiste zorgvuldigheid had gehandeld. Dit was een geval van wanbeheer.
- In zijn besluit van 24 november 2004 had de Ombudsman zijn onderzoek naar klacht 1272/204/GG afgesloten met de vaststelling dat er geen sprake was van wanbeheer. Deze bevinding was gebaseerd op de overweging dat de Commissie de zaak actief leek voort te zetten, aangezien deze de Ombudsman had meegedeeld dat de resultaten van de studie waarop zij wenste te wachten, voor eind 2004 werden verwacht. De Ombudsman herinnerde eraan dat deze informatie was opgenomen in het advies dat de Commissie hem bij nota van 6 augustus 2004 had voorgelegd. In haar advies over deze klacht had de Commissie verklaard dat zij "in juli 2004" door de Duitse autoriteiten ervan in kennis was gesteld dat de studie met vertraging van start was gegaan. De Ombudsman concludeerde dat de Commissie ten tijde van de toezending van haar advies aan hem in augustus 2004 dus op de hoogte had moeten zijn van het feit dat de inhoud van dit advies niet langer overeenkwam met de feitelijke feiten met betrekking tot de datum waarop de studie gereed zou zijn. Uiteraard kon niet worden uitgesloten dat de informatie van de Duitse autoriteiten "in juli 2004" zo laat was binnengekomen dat zij niet langer in het advies van de Commissie kon worden opgenomen, met name gezien het feit dat het advies in de vakantieperiode was verzonden. De Ombudsman merkte echter op dat de Commissie hem later geen addendum (of corrigendum) had toegezonden. De Ombudsman is van mening dat een communautaire instelling of communautair orgaan die onbedoeld onjuiste of misleidende informatie aan de Ombudsman heeft verstrekt, deze informatie moet corrigeren zodra zij kennis krijgt van haar fout. Om alle twijfel weg te nemen, voegde de Ombudsman eraan toe dat de datum waarop de resultaten van de studie opeisbaar waren, een belangrijke factor was in het kader van het onderzoek van de Ombudsman.
In haar omstandig advies heeft de Commissie de volgende opmerkingen gemaakt:
De Commissie had zich ertoe verbonden (verzoek om inlichtingen van 24 maart 2003; antwoord van 26 mei 2003; pakketvergadering met Duitsland van 22 mei 2003; bilaterale vergadering van 25 september 2003; pakketvergadering van 15 juni 2004; eerste tussentijds verslag ingediend op 7 oktober 2004) en bleef alles in het werk stellen om de inbreukklacht van klager zo snel en zorgvuldig mogelijk te behandelen. Er waren echter vertragingen opgetreden bij de inbedrijfstelling van de studie door het Duitse ministerie. Deze laatste had de inbedrijfstelling van de studie om interne budgettaire redenen uitgesteld. Aangezien Duitsland op grond van het gemeenschapsrecht niet verplicht was een dergelijke studie uit te voeren, kon de Commissie Duitsland niet dwingen de studie binnen een bepaalde termijn af te ronden. De Commissie had de bevoegde Duitse autoriteit echter herhaaldelijk verzocht haar uiterste best te doen om de onderzoeksresultaten zo spoedig mogelijk beschikbaar te stellen.
Op 31 augustus 2005 had de Commissie de ontwerp-conclusies van de studie ontvangen. Volgens de Duitse autoriteiten zou het eindverslag eind september 2005 klaar zijn, waarna het bij de Commissie zou worden ingediend. Na ontvangst van deze studie zouden de diensten van de Commissie hun conclusies kunnen trekken.
Op basis van de destijds beschikbare informatie kon de Commissie niet concluderen dat er sprake was van een inbreuk op het Gemeenschapsrecht die een rechtsvordering tegen Duitsland op grond van de bepalingen van het EG-Verdrag rechtvaardigde. De Commissie kon slechts herhalen dat het besluit om de voltooiing van de studie af te wachten alvorens een definitief besluit te nemen, geenszins tot doel had om een besluit in de onderhavige zaak uit te stellen, maar veeleer om een besluit te nemen waarbij rekening zou worden gehouden met de resultaten van de meest systematische en alomvattende studie die ooit op dit gebied in Duitsland is uitgevoerd. Het zou niet gepast zijn om een beslissing te nemen zonder rekening te houden met de resultaten van de studie.
Ten tijde van de afronding van het advies van de Commissie van 6 augustus 2004 waren de betrokken diensten nog niet op de hoogte van de door de Duitse autoriteiten in juli 2004 verstrekte informatie. Pas in oktober 2004 was de Commissie ervan in kennis gesteld dat het eindverslag voor juni 2005 moest worden ingediend. De aan de Ombudsman verstrekte informatie was niet misleidend of onjuist; dit was de informatie waarover de Commissie beschikte op het moment dat zij op de Ombudsman reageerde.
De Commissie zou zeer waarschijnlijk in staat zijn klager in het najaar van 2005 haar definitieve advies te verstrekken.
Aanvullende brief van de CommissieOp 11 november 2005 heeft de Commissie de Ombudsman een kopie doen toekomen van een brief die haar directoraat-generaal (DG) Milieu op 28 oktober 2005 aan klager had gericht. In deze brief, waarin werd verwezen naar een brief die klager op 12 oktober 2005 aan de Commissie leek te hebben gericht, deelde DG Milieu klager mee dat het de in oktober 2005 opgestelde ontwerp-eindversie van de studie had ontvangen en geëvalueerd. Volgens DG Milieu bleek uit de studie dat er tussen 2000 en 2004 sprake was van een duidelijke toename van de hoeveelheid afgewerkte olie die was verwerkt. Hoewel DG Milieu erkende dat het moeilijk was om te bepalen in welke mate de door Duitsland genomen maatregelen tot dit resultaat hadden bijgedragen, concludeerde het dat de desbetreffende verhoging rechtstreeks verband hield met deze maatregelen. DG Milieu was derhalve van mening dat Duitsland de nodige maatregelen had genomen om ervoor te zorgen dat overeenkomstig artikel 3, lid 1, van richtlijn 75/439 voorrang werd gegeven aan de verwerking van afgewerkte olie door regeneratie. Zij heeft daaraan toegevoegd dat zij de Commissie derhalve zou voorstellen het dossier te sluiten. DG Milieu verzocht klager binnen een maand alle nieuwe feiten die op een inbreuk op het Gemeenschapsrecht zouden kunnen wijzen, aan hem voor te leggen.
Opmerkingen van klagerDe uitvoerig gemotiveerde mening van de Commissie en de verdere brief die zij van haar had ontvangen, werden voor opmerkingen aan klager toegezonden. Klager verzocht om verlenging van de termijn voor het indienen van zijn opmerkingen tot en met 31 januari 2006.
Op 20 december 2005 diende klager een kopie in van een brief die hij diezelfde dag aan de Commissie had gestuurd. Deze brief leek een antwoord te zijn op een brief van de Commissie van 2 december 2005, die niet aan de Ombudsman was voorgelegd. In zijn brief aan de Commissie van 20 december 2005 wees klager erop dat de desbetreffende studie niet voor hem toegankelijk was omdat deze nog niet was voltooid. Klager voerde aan dat het onbegrijpelijk was waarom de Commissie nu voornemens leek een besluit te nemen over de klacht wegens inbreuk zonder de resultaten van de studie te hebben verkregen, nadat zij consequent van mening was geweest dat de studie nodig was om de zaak te behandelen. Volgens klager moet de Commissie afzien van het nemen van een besluit totdat klager in de gelegenheid is gesteld nuttige opmerkingen te maken. Deze opmerkingen zouden worden ingediend nadat de klager de studie had verkregen.
Op 31 januari 2006 verzocht klager om een verdere verlenging van de termijn tot en met 28 februari 2006. Klager merkte op dat de studie, waarvan uittreksels ter beschikking van DG Milieu waren gesteld, hem nog steeds niet ter beschikking stond.
Op 28 februari 2006 werden geen opmerkingen van klager ontvangen. Klager heeft evenmin om een verdere verlenging van de termijn verzocht.
Aanvullende brief van klagerOp 17 mei 2006 deelde klager de Ombudsman echter mee dat de Commissie haar inbreukklacht nu had afgewezen. In zijn brief stelde klager zich op het standpunt dat het besluit van de Commissie onjuist was en verzocht hij de Ombudsman de zaak ten gronde te onderzoeken.
BESLUIT
1 Vermeend verzuim om klacht wegens inbreuk naar behoren te behandelen1.1 Artikel 3, lid 1, van richtlijn 75/439/EEG van 16 juni 1975 betreffende de verwijdering van afgewerkte olie (5), zoals gewijzigd (hierna: "richtlijn 75/439"), bepaalt: "Wanneer de technische, economische en organisatorische beperkingen dit toelaten, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om voorrang te geven aan de verwerking van afgewerkte olie door regeneratie." Volgens artikel 1 van de richtlijn wordt onder "regeneratie" verstaan "elke werkwijze waarbij basisoliën kunnen worden geproduceerd door raffinage van afgewerkte olie, met name door verwijdering van de verontreinigingen, oxidatieproducten en additieven in dergelijke oliën."
De klager, een Duitse onderneming die actief is in de recycling van afgewerkte olie, was van mening dat Duitsland de bepalingen van de richtlijn had overtreden en diende een klacht in bij de Europese Commissie. Laatstgenoemde heeft een inbreukprocedure ingeleid die heeft geleid tot een arrest van het Hof van Justitie in 1999 waarin de Commissie in het gelijk werd gesteld (zaak C-102/97 (6)).
1.2 Op 28 juni 2002 diende klager bij de Commissie een nieuwe klacht in (inbreukklacht 2002/4775).
1.3 Op 5 mei 2004 wendde klager zich tot de Ombudsman (klacht 1272/2004/GG). In zijn klacht beweerde klager dat de Commissie het Gemeenschapsrecht in het algemeen en het bovengenoemde arrest in het bijzonder niet had gehandhaafd.
In haar advies in deze zaak wees de Commissie erop dat Duitsland had toegegeven dat de statistieken over niet-geregenereerde afgewerkte olie onbetrouwbaar waren en dat daarom een specifieke studie zou worden gestart. De Commissie heeft aangevoerd dat de resultaten van deze studie, die eind 2004 werden verwacht, moeten worden afgewacht alvorens een besluit te nemen over de inbreukprocedure.
In het licht van de door de Commissie genoemde omstandigheden was de Ombudsman van oordeel dat de aanpak van de Commissie redelijk was. Op 24 november 2004 sloot de Ombudsman zijn onderzoek derhalve af met de constatering dat er geen sprake was van wanbeheer. De Ombudsman merkte echter op dat de klager in een toekomstig stadium een nieuwe klacht kon indienen indien hij van mening was dat de Commissie de zaak niet met de nodige zorgvuldigheid had behandeld.
1.4 Klager diende vervolgens een nieuwe klacht in bij de Ombudsman, die op 10 januari 2005 werd geregistreerd (klacht 146/2005/GG). In deze klacht wees klager erop dat de bovengenoemde studie op zijn vroegst in september 2005 klaar zou zijn. De klager voerde in wezen aan dat zowel de Commissie als Duitsland voor de tijd speelden. Ter ondersteuning van zijn klacht verstrekte de klager een kopie van een informatieblad van het instituut dat de desbetreffende studie leek te behandelen. Volgens dit blad zou de studie betrekking hebben op de periode van juni 2004 tot juni 2005. Op basis van deze informatie besloot de Ombudsman een nieuw onderzoek in te stellen.
1.5 In haar op 12 april 2005 uitgebrachte advies heeft de Commissie erkend dat de Duitse autoriteiten vertraging hadden opgelopen bij de uitvoering van de studie, maar dat zij niet verantwoordelijk kon worden gesteld voor deze vertraging. De Commissie merkte echter op dat zij het eerste tussentijdse verslag over bovengenoemde studie had ontvangen. Op basis van de thans beschikbare informatie kwam de Commissie tot de voorlopige conclusie dat Duitsland de nodige maatregelen had genomen om voorrang te geven aan de verwerking van afgewerkte olie door regeneratie. De Commissie achtte het echter noodzakelijk het eindverslag af te wachten om een zo volledig mogelijk overzicht te krijgen alvorens een besluit te nemen over klacht 2002/4775.
1.6 Op 15 juni 2005 heeft de Ombudsman een ontwerpaanbeveling tot de Commissie gericht. Volgens deze ontwerpaanbeveling moet de Commissie de inbreukklacht van de klager zo snel en zorgvuldig mogelijk behandelen.
In deze ontwerpaanbeveling merkte de Ombudsman op dat de Duitse autoriteiten volgens de Commissie tijdens een bijeenkomst in september 2003 hadden toegegeven dat de desbetreffende statistieken onbetrouwbaar waren. Het onderzoek bleek echter pas medio 2004 te zijn uitgevoerd. In haar advies over de onderhavige klacht had de Commissie erkend dat het eindverslag inderdaad in juni 2005 moest worden ingediend. Hoewel de Ombudsman aanvaardde dat de Commissie niet verantwoordelijk kon worden gesteld voor deze vertraging, die onder de verantwoordelijkheid van de Duitse autoriteiten viel, was hij van mening dat de Commissie niet had aangetoond dat zij alles in het werk had gesteld om ervoor te zorgen dat de relevante gegevens zo snel mogelijk beschikbaar zouden zijn. In deze omstandigheden was de Ombudsman van oordeel dat de Commissie in de onderhavige zaak niet met de vereiste zorgvuldigheid had gehandeld. Dit was een geval van wanbeheer.
1.7 In haar omstandig advies stelde de Commissie dat zij alles in het werk had gesteld en bleef stellen om de inbreukklacht van klager zo snel en zorgvuldig mogelijk te behandelen. De Commissie benadrukte dat zij de bevoegde Duitse autoriteit herhaaldelijk had verzocht alles in het werk te stellen om de onderzoeksresultaten zo spoedig mogelijk beschikbaar te stellen. Zij voegde daaraan toe dat zij de ontwerp-conclusies van de studie op 31 augustus 2005 had ontvangen en dat het eindverslag eind september 2005 moest worden ingediend.
De Commissie heeft erop gewezen dat het besluit om de voltooiing van de studie af te wachten alvorens een definitief besluit te nemen, geenszins tot doel had om een besluit in de onderhavige zaak uit te stellen, maar veeleer om een besluit te nemen waarin rekening zou worden gehouden met de resultaten van de meest systematische en alomvattende studie die ooit op dit gebied in Duitsland is uitgevoerd. Het zou niet gepast zijn om een beslissing te nemen zonder rekening te houden met de resultaten van de studie.
1.8 Op 11 november 2005 heeft de Commissie de Ombudsman een kopie doen toekomen van een brief die haar directoraat-generaal (DG) Milieu op 28 oktober 2005 aan klager had gericht. In deze brief deelde DG Milieu klager mee dat het de definitieve ontwerpversie van de studie, die in oktober 2005 was opgesteld, had ontvangen en geëvalueerd. Volgens DG Milieu bleek uit de studie dat er tussen 2000 en 2004 sprake was van een duidelijke toename van de hoeveelheid afgewerkte olie die was verwerkt. Hoewel DG Milieu erkende dat het moeilijk was om te bepalen in welke mate de door Duitsland genomen maatregelen tot dit resultaat hadden bijgedragen, concludeerde het dat de desbetreffende verhoging rechtstreeks verband hield met deze maatregelen. DG Milieu was derhalve van mening dat Duitsland de nodige maatregelen had genomen om ervoor te zorgen dat overeenkomstig artikel 3, lid 1, van richtlijn 75/439 voorrang werd gegeven aan de verwerking van afgewerkte olie door regeneratie. Zij heeft daaraan toegevoegd dat zij de Commissie derhalve zou voorstellen het dossier te sluiten. DG Milieu verzocht klager haar binnen een maand alle nieuwe feiten voor te leggen die op een inbreuk op het Gemeenschapsrecht zouden kunnen wijzen.
1.9 De uitvoerig gemotiveerde mening van de Commissie en de verdere brief die zij van haar had ontvangen, werden voor opmerkingen aan klager doorgezonden. Klager verzocht om verlenging van de termijn voor het indienen van zijn opmerkingen tot en met 31 januari 2006. Op 20 december 2005 diende klager een kopie in van een brief die hij diezelfde dag aan de Commissie had gestuurd. In deze brief wees klager erop dat de desbetreffende studie niet voor hem toegankelijk was omdat deze nog niet was voltooid. Klager voerde aan dat het onbegrijpelijk was waarom de Commissie nu voornemens leek een besluit te nemen over de klacht wegens inbreuk zonder de resultaten van de studie te hebben verkregen, nadat zij consequent van mening was geweest dat de studie nodig was om de zaak te behandelen. Volgens klager moet de Commissie afzien van het nemen van een besluit totdat klager in de gelegenheid is gesteld nuttige opmerkingen te maken. Deze opmerkingen zouden worden ingediend nadat de klager de studie had verkregen.
Op 31 januari 2006 verzocht klager om een verdere verlenging van de termijn tot en met 28 februari 2006. Klager merkte op dat de studie, waarvan uittreksels ter beschikking van DG Milieu waren gesteld, hem nog steeds niet ter beschikking stond.
Op 28 februari 2006 werden geen opmerkingen van klager ontvangen. Klager heeft evenmin om een verdere verlenging van de termijn verzocht.
1.10 Op 17 mei 2006 deelde klager de Ombudsman echter mee dat de Commissie haar inbreukklacht nu had afgewezen. In zijn brief stelde klager zich op het standpunt dat het besluit van de Commissie onjuist was en verzocht hij de Ombudsman de zaak ten gronde te onderzoeken.
1.11 De Ombudsman merkt op dat de Commissie nu een besluit heeft genomen over de inbreukklacht van klager. Hij neemt er echter ook nota van dat klager bezwaar heeft gemaakt tegen dit besluit en hem heeft verzocht de zaak te onderzoeken. Aangezien het onderhavige onderzoek gericht was op de procedurele aspecten van de zaak, is de Ombudsman van mening dat een nieuw onderzoek moet worden geopend om de inhoudelijke kwesties te onderzoeken die in de onderhavige zaak aan de orde zijn gesteld. De brief van klager van 17 mei is daarom geregistreerd als een nieuwe klacht (klacht 1528/2006/GG). Volgens de Ombudsman zijn er derhalve geen redenen om zijn onderzoek naar de onderhavige klacht voort te zetten.
2 ConclusieGelet op de voorgaande overwegingen is de Ombudsman van mening dat er geen redenen zijn om zijn onderzoek naar de onderhavige klacht voort te zetten. De Ombudsman sluit daarom de zaak.
De voorzitter van de Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.
VERDERE OPMERKINGEN
De Ombudsman is van mening dat het nuttig zou zijn als de Commissie in toekomstige gevallen een addendum bij haar adviezen zou kunnen toezenden indien blijkt dat in deze adviezen geen rekening is gehouden met relevante informatie waarover de Commissie op het moment van het toezenden van de adviezen beschikte. De Ombudsman is van mening dat dit niet alleen zijn taak zou vergemakkelijken, maar ook in het belang van de Commissie zou zijn, aangezien het verstrekken van deze informatie verdere onderzoeken overbodig zou kunnen maken.
Met vriendelijke groet,
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
(1) PB L 194, blz. 23.
(2) Zaak C-102/97, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1999, blz. I-5051.
(3) Samen met haar advies diende de Commissie een kopie in van een brief die zij op 3 februari 2004 aan klager had gericht. In deze brief wees de Commissie erop dat de Duitse autoriteiten hadden uitgelegd dat de ontbrekende informatie niet vóór het voorjaar van 2004 zou worden verstrekt.
(4) De klager voerde bijvoorbeeld aan dat Duitsland de verbranding van afgewerkte olie subsidieerde (of had gesubsidieerd) met een bedrag van 52,5 miljoen EUR over een periode van zeven jaar, terwijl de subsidie voor regeneratie slechts 10,2 miljoen EUR bedroeg voor dezelfde periode. In het licht van deze discrepantie vroeg klager zich af of Duitsland de richtlijn naar behoren had uitgevoerd. Klager voerde ook aan dat de Commissie in 1987 had aanvaard dat de productie van fluxolie regeneratie in de zin van richtlijn 75/439 vormde. Het vroeg zich dan ook af waarom de Commissie haar standpunt op dit punt had gewijzigd.
(5) PB L 194, blz. 23.
(6) Zaak C-102/97, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1999, blz. I-5051.