Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Ontwerpaanbeveling van de Europese Ombudsman in zijn onderzoek naar klachten 2986/2008/MF en 2987/2008/MF tegen het Europees Parlement
Aanbeveling
Zaak 2986/2008/MF - Geopend op Dinsdag | 20 januari 2009 - Aanbeveling omtrent Dinsdag | 11 mei 2010 - Besluit over Donderdag | 29 september 2011
(Gemaakt overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het Statuut van de Europese Ombudsman [1])
DE TERUGGROND NAAR DE KLACHTEN
1. Op 1 mei 2004 is het nieuwe Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie in werking getreden, waarbij een nieuwe salaris- en loopbaanschaal voor ambtenaren van de Europese Unie is ingevoerd. Bijlage XIII bij Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 [2] ("bijlage XIII bij het Statuut") voorzag in overgangsmaatregelen om de bestaande basissalarissen van vóór 1 mei 2004 aangeworven ambtenaren in overeenstemming te brengen met de nieuwe salaris- en loopbaanschaal.
2. Artikel 7 van bijlage XIII bij het Statuut is een dergelijke maatregel. Het bepaalt het volgende:
"De maandelijkse basissalarissen van vóór 1 mei 2004 aangeworven ambtenaren worden vastgesteld volgens de volgende regels:
1. De hernoeming van de rangen overeenkomstig artikel 2, lid 1, van deze bijlage mag niet leiden tot een wijziging van het maandelijkse basissalaris dat aan elke ambtenaar wordt uitbetaald.
2. Voor elke ambtenaar wordt op 1 mei 2004 een vermenigvuldigingsfactor berekend. Deze vermenigvuldigingsfactor is gelijk aan de verhouding tussen het maandelijkse basissalaris dat vóór 1 mei 2004 aan een ambtenaar is betaald en het toepasselijke bedrag als omschreven in artikel 2, lid 2, van deze bijlage.
[…]
5 Onverminderd lid 3 leidt de eerste bevordering na 1 mei 2004 voor elke ambtenaar, afhankelijk van de vóór 1 mei 2004 bezette categorie en de op het tijdstip van inwerkingtreding van de bevordering bezette salaristrap, tot een verhoging van het maandelijkse basissalaris, vast te stellen aan de hand van de volgende tabel: …
6. Bij deze eerste bevordering wordt een nieuwe vermenigvuldigingsfactor vastgesteld. Die vermenigvuldigingsfactor is gelijk aan de verhouding tussen de nieuwe basissalarissen die voortvloeien uit de toepassing van lid 5 en het toepasselijke bedrag in artikel 2, lid 2, van deze bijlage. Behoudens lid 7 wordt deze vermenigvuldigingsfactor toegepast op het salaris na bevordering in salaristrap en aanpassing van de bezoldigingen.
7. Indien de vermenigvuldigingsfactor na bevordering minder dan 1 bedraagt, blijft de ambtenaar, in afwijking van artikel 44 van het Statuut, in de eerste salaristrap van zijn nieuwe rang zolang de vermenigvuldigingsfactor minder dan 1 bedraagt of totdat hij wordt bevorderd. Er wordt een nieuwe vermenigvuldigingsfactor berekend om rekening te houden met de waarde van de bevordering in salaristrap waarop hij krachtens dat artikel recht zou hebben gehad. Zodra de factor oploopt tot 1 begint de ambtenaar overeenkomstig artikel 44 van het Statuut in salaristrap te vorderen. Als de vermenigvuldigingsfactor hoger is dan één, wordt elk saldo omgezet in anciënniteit in de stap …" (onderstreping toegevoegd)
Artikel 44 van het nieuwe Statuut bepaalt:
"Een ambtenaar die twee jaar in een salaristrap van zijn rang heeft gezeten, gaat automatisch over naar de volgende salaristrap van die rang …."
3. Na de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut besloot het Parlement een praktijk (de "praktijk") in te voeren waarbij het artikel 7, lid 7, eerste zin, als volgt zou toepassen: de vermenigvuldigingsfactor ("MF") van ambtenaren die vóór 1 mei 2004 zijn aangeworven, zou automatisch worden verhoogd tot 1, twee jaar na hun eerste bevordering op grond van het nieuwe Statuut.
4. De klagers zijn beiden ambtenaren van het Europees Parlement in de rang AD 11 en zijn vóór 1 mei 2004 in dienst getreden [3]. Overeenkomstig artikel 7 van bijlage XIII werd hun MF na 1 mei 2004 berekend en bedroeg deze 0,834. Zij zijn nog niet bevorderd op grond van het nieuwe Statuut en hun laatste bevordering vond plaats op 1 januari 2004, dat wil zeggen op grond van het oude Statuut. Om die reden hebben zij geen profijt kunnen trekken van de praktijk van het Parlement. Hun MF is op het oorspronkelijke bedrag van 0,834 gebleven en zal pas twee jaar na hun volgende bevordering op grond van het nieuwe Statuut veranderen.
5. In 2007 vergeleken de klagers hun salarissen met die van hun collega's die na hun respectieve bevorderingen in 2005 dezelfde rang en salaristrap bereikten, dat wil zeggen op grond van het nieuwe Statuut. Volgens de praktijk steeg de MF van deze collega's automatisch tot 1 en stegen hun salarissen met ongeveer 300 EUR meer dan de salarissen van de klagers, waarvan de MF op minder dan 1 bleef.
6. De klagers betwistten dit verschil in behandeling, dat volgens hen tussen ambtenaren bestond als gevolg van de datum van hun respectieve bevorderingen.
7. Op 6 juni 2007 hebben zij beide verzoeken ingediend op grond van artikel 90, lid 1, van het Statuut. Zij verzochten het tot aanstelling bevoegde gezag de MF die van toepassing is op hun salarissen met terugwerkende kracht tot 1 te verhogen.
8. Op 19 oktober 2007 heeft het tot aanstelling bevoegde gezag hun verzoeken afgewezen. Zij heeft erop gewezen dat hun situatie in overeenstemming was met de bepalingen van zowel het oude Statuut als bijlage XIII bij het nieuwe Statuut. Zij werden in januari 2004 bevorderd en overeenkomstig artikel 7, lid 2, van bijlage XIII werd een MF op hun salarissen toegepast.
9. Het tot aanstelling bevoegde gezag verklaarde voorts dat het het beginsel van gelijke behandeling niet had geschonden omdat de klagers zich niet in een situatie bevonden die vergelijkbaar was met die van de collega’s die in hun klachten werden genoemd. Hun promotiedata en hun rang vóór 1 mei 2004 verschilden.
10. Het tot aanstelling bevoegde gezag heeft verklaard dat de eerste bevordering de essentiële stap vormde in de overgang van het oude naar het nieuwe Statuut. Tot het einde van de overgangsperiode betekende een hogere rangschikking niet noodzakelijkerwijs een hoger salaris. Het tot aanstelling bevoegde gezag concludeerde dat het besluit van het Parlement was gebaseerd op een objectief criterium, namelijk de vaststelling van een MF van 1 uiterlijk twee jaar na de eerste bevordering van een ambtenaar op grond van het nieuwe Statuut.
11. Op 17 januari 2008 hebben klagers op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut klachten ingediend tegen het besluit van het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer om hun verzoeken tot rectificatie met terugwerkende kracht van de MF van hun basissalarissen af te wijzen. Bij brief van 5 juni 2008 heeft het tot aanstelling bevoegd gezag hun klachten afgewezen op dezelfde gronden als hun verzoeken krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut.
12. Op 7 november 2008 hebben klagers zich tot de Ombudsman gewend.
Het onderwerp van het onderzoek
13. In hun klachten bij de Ombudsman voerden de klagers aan dat de praktijk van het Parlement onverenigbaar was met artikel 7 van bijlage XIII bij het Statuut.
14. In hun respectieve klachten voerden beide klagers aan dat zij op dezelfde manier moesten worden behandeld als degenen die als gevolg van de praktijk een MF van 1 hadden ontvangen. De Ombudsman besloot echter deze bewering niet in zijn onderzoek op te nemen. In het licht van hun bewering was hij van mening dat de bewering van de klagers niet kon worden gestaafd. Ervan uitgaande dat zijn onderzoek tot de conclusie zou leiden dat het besluit van het Parlement over de MF in strijd was met de wet en derhalve een geval van wanbeheer vormde, zou de Ombudsman het Parlement niet kunnen verzoeken een dergelijke MF met terugwerkende kracht op de klagers toe te passen.
Het onderzoek
15. Op 20 januari 2009 opende de Ombudsman een onderzoek naar de aantijgingen van klagers. Hij verzoekt het Parlement hem het formele besluit van het Bureau over deze kwestie te doen toekomen en de rechtsgrondslag van de praktijk toe te lichten.
16. Op 1 juli 2009 heeft het Parlement advies uitgebracht. De Ombudsman heeft de klacht aan klagers doorgezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die zij op 13 augustus 2009 hebben toegezonden.
De analyse en conclusies van de OMBUDSMAN
A. Vermeende onverenigbaarheid van het besluit van het Parlement inzake de vermenigvuldigingsfactor met artikel 7 van bijlage XIII bij het Statuut
Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten
17. De klagers voerden aan dat de praktijk van het Parlement onverenigbaar is met artikel 7 van bijlage XIII bij het Statuut.
18. Ter ondersteuning van hun bewering voerden de klagers de volgende drie argumenten aan:
i) Het Parlement paste automatisch, en dus willekeurig, een MF van 1 toe op alle ambtenaren twee jaar na hun eerste bevordering op grond van het nieuwe Statuut.
ii) Dit discrimineerde de ambtenaren die op grond van het oude Statuut waren aangeworven, terwijl de overgangsregeling van bijlage XIII bij het Statuut tot doel had een dergelijke discriminatie te voorkomen.
iii) De Europese Commissie past artikel 7 van bijlage XIII bij het Statuut op een andere manier toe. Zij past niet automatisch een MF van 1 toe op alle ambtenaren twee jaar na hun respectieve bevorderingen uit hoofde van het nieuwe Statuut. Ambtenaren die na hun promotie nog steeds een MF van minder dan 1 hebben, blijven in dezelfde rang en salaristrap. Vervolgens wordt een nieuwe MF berekend. Wanneer een ambtenaar vooruitgang boekt in de salaristrap, als zijn/haar MF hoger is dan 1, wordt dit overschot omgezet in anciënniteit in de salaristrap.
19. In zijn advies over de klachten herinnerde het Parlement eraan dat bijlage XIII bij het Statuut overgangsmaatregelen bevat die van toepassing zijn op de ambtenaren van de Gemeenschappen na de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut.
20. Voor ambtenaren die vóór 1 mei 2004 zijn aangeworven, voorziet artikel 7 van bijlage XIII in een "complex mechanisme" waarin de MF een sleutelrol heeft gespeeld. In dit verband vormde de eerste bevordering op grond van het nieuwe Statuut een essentiële stap in de overgang tussen de oude en de nieuwe salarisschaal.
21. Volgens het Parlement blijkt uit bovenstaande bepalingen dat ambtenaren niet het volledige bedrag van hun salaris volgens de nieuwe salarisschaal zouden ontvangen zolang hun MF minder dan 1 bedroeg.
22. Het Parlement verklaarde voorts dat "de communautaire rechter onlangs ook heeft gewezen op de moeilijkheden bij de interpretatie van artikel 7 van bijlage XIII." Geconfronteerd met bepalingen "die formeel dubbelzinnig zijn, waardoor een strikte en uniforme interpretatie onmogelijk is", en ook "zich bewust van de anomalieën " die inherent zijn aan de organisatie van de overgang tussen de twee salarisschalen, heeft het Parlement een aanpak bedacht "om de periode te verkorten waarin het bij artikel 7 van bijlage XIII ingestelde mechanisme tot problemen zou leiden ".
23. Volgens de Ombudsman omschrijft en rechtvaardigt het Parlement zijn praktijk als volgt. Zij kent automatisch een MF van 1 toe aan alle ambtenaren, uiterlijk twee jaar na hun eerste bevordering op grond van het nieuwe Statuut. Na de eerste bevordering wordt een nieuwe MF, en dus een nieuw salaris, berekend volgens de mechanismen van artikel 7 van bijlage XIII. 24 maanden na de bevordering (wanneer de financiële gevolgen van een salaristrapverhoging en een nieuwe MF moeten worden berekend) krijgt de ambtenaar echter automatisch een MF van 1 toegekend en ontvangt hij/zij vanaf dat moment het volledige salaris volgens de nieuwe salarisschaal voor de eerste salaristrap in zijn/haar nieuwe rang. Op dit moment wordt de nieuwe theoretische MF berekend door het tot dan toe ontvangen salaris te verhogen met 4,2 %[4] en vervolgens de verhouding vast te stellen tussen het aldus verkregen nieuwe salaris en het toepasselijke bedrag voor de eerste salaristrap in de desbetreffende rang. Indien de theoretische nieuwe MF nog steeds minder dan één bedraagt, wordt het ontbrekende percentage omgezet in anciënniteit en blijft de ambtenaar in de eerste salaristrap van zijn/haar nieuwe rang voor de aldus berekende aanvullende periode.
24. Bijgevolg is de eerste bevordering het mechanisme dat de overgang tussen de oude en de nieuwe salarisschaal teweegbrengt, en de tijd die voor deze overgang nodig is, kan voor elke persoon anders zijn.
25. Het Parlement is echter van mening dat de overgangsmaatregelen niet bedoeld waren om van lange duur te zijn. Het heeft daarom besloten de "legitieme doelstelling" van het verkorten van de overgangsperiode na te streven. Hoewel deze administratieve praktijk de salarisverschillen over een bepaalde periode heeft versterkt, vormt de eerste bevordering in het kader van het nieuwe Statuut een objectief criterium dat alle personeelsleden op een bepaald moment in hun loopbaan kunnen hopen te bereiken.
26. Op grond van het nieuwe Statuut kan een ambtenaar, wanneer hij/zij een MF van 1 heeft bereikt, een hoger salaris ontvangen dan dat van zijn/haar collega's in een hogere rang, maar met een MF van minder dan 1. Evenzo kunnen sommige collega's, wanneer zij in een stap verder gaan, meer ontvangen dan een ambtenaar die op 1 mei 2004 al in dezelfde stap zat. Na voltooiing van de overgang zal een evenwicht worden bereikt.
27. Daarom beklemtoonde het Parlement opnieuw het legitieme doel dat met zijn praktijk wordt nagestreefd, namelijk "de algemene overgangsperiode zoveel mogelijk te verkorten."Volgens het Parlement wenste de wetgever in overeenstemming te zijn met het algemene beginsel dat ten grondslag ligt aan bijlage XIII bij het Statuut, namelijk dat overgangsbepalingen niet bedoeld zijn om na een redelijke termijn te worden toegepast.
28. Het Parlement stelt dat de moeilijkheden bij de uitlegging van artikel 7 van bijlage XIII door de communautaire rechterlijke macht zijn benadrukt [5]. In het Lafili-arrest heeft het Hof terecht benadrukt dat: "en tout état de cause, la thèse défendue par le requérant comporterait une dérogation illimite dans le temps à l'article 66 du statut, ce que l'article 7, paragraphe 7, de l'annexe XIII ne prévoit pas non plus expressément, et irait à l'encontre de l'économie même d'une disposition transitoire, ainsi qu'il ressort des points 85 à 87 du présent arrêt."
29. Het Parlement is derhalve van mening dat zijn optreden in overeenstemming is met de geest van de betrokken overgangsbepalingen en met de bedoeling van de communautaire wetgever. Vanwege "de complexiteit van het mechanisme" en "de ondoorzichtigheid van de wettekst"zag het Parlement zich echter genoodzaakt over zijn eigen interpretatie te beslissen om de overgangsperiode te verkorten."
30. Het mechanisme van artikel 7, lid 7, van bijlage XIII en de praktijk die voortvloeit uit de uitlegging van dat artikel, hadden geen enkele invloed op bevorderingen die vóór 1 mei 2004 hebben plaatsgevonden.
31. Het Parlement benadrukte dat de klagers op 1 januari 2004 werden gepromoveerd en dat er geen rechtsgrondslag was op grond waarvan zij na hun laatste promoties, in januari 2004, in aanmerking konden komen voor een MF van 1. Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van bijlage XIII bij het Statuut [6] is een MF op hun salarissen toegepast. Bijgevolg zal hun MF slechts worden verhoogd tot 1 binnen maximaal twee jaar na hun eerste bevordering op grond van het nieuwe Statuut.
32. Op basis van deze overwegingen concludeerde het tot aanstelling bevoegde gezag in zijn antwoorden van 5 juni 2008 op de klachten van klagers op grond van artikel 90, lid 2, dat hun administratieve situatie in overeenstemming was met het beginsel van gelijke behandeling. De administratieve situatie van een vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut bevorderde ambtenaar was immers niet vergelijkbaar met die van een ambtenaar die krachtens het nieuwe Statuut was bevorderd. De bestreden besluiten zijn dus niet in strijd met het beginsel van gelijke behandeling.
33. Het tot aanstelling bevoegde gezag merkte voorts op dat in het arrest Lafili (punt 85) duidelijk werd aangegeven dat de bepalingen van het Statuut inzake de nieuwe loopbaanstructuur en het maandelijkse basissalaris van toepassing zijn op toekomstige situaties [7]. Bovendien werd in het arrest verklaard dat "het inherent was aan de aard van een overgangsbepaling om uitzonderingen op te nemen op sommige regels waarvan de toepassing noodzakelijkerwijs werd beïnvloed door de wijziging van het systeem."
34. Vervolgens ging het Parlement in op het verzoek van de Ombudsman om een kopie van het formele besluit van zijn Bureau betreffende de MF. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Rekenkamer over de toepasselijkheid van de MF heeft het Bureau de Praktijk formeel bekrachtigd door middel van het officiële antwoord van het Parlement. Het Parlement heeft bij zijn advies de volgende documenten gevoegd:
i) Notulen van zijn bureauvergadering van 22 september 2009 [8]. Bladzijde 13 van deze notulen bevatte een punt getiteld "Jaarverslag van de Rekenkamer - Goedkeuring door het Bureau van de antwoorden van het Parlement op de opmerkingen van de Rekenkamer - Nota van de secretaris-generaal"; en
ii) Een kopie van een uittreksel uit het Publicatieblad C-287 [9]. De desbetreffende opmerkingen van de Rekenkamer staan in de punten 11.7-11.9 (Specifieke beoordeling in het kader van de betrouwbaarheidsverklaring – MF van toepassing op de salarissen) en de antwoorden van het Parlement op deze opmerkingen staan in de punten 11.7-11.11.
35. In hun gezamenlijke opmerkingen hebben klagers samengevat gesteld dat het niet ging om de vraag of bepalingen van het Statuut onverenigbaar waren met het besluit van het Parlement, maar om het tegenovergestelde, aangezien het Statuut altijd voorrang moet hebben op de praktijken van individuele instellingen.
36. De MF had tot doel ervoor te zorgen dat alle vóór 1 mei 2004 aangeworven ambtenaren op ordelijke en niet-discriminerende wijze geleidelijk van de oude naar de nieuwe salarisschaal werden overgeheveld. Het Parlement heeft dit doel opzettelijk en opzettelijk gedwarsboomd door eenzijdig te besluiten de "legitieme doelstelling" van verkorting van de overgangsperiode na te streven. Het was echter nooit verplicht om dit te doen.
37. De "bekrachtiging", waarnaar het Parlement in zijn advies verwees toen het sprak over zijn reactie op de opmerkingen van de Rekenkamer, zou in het beste geval kunnen worden omschreven als impliciet en daterend van 22 september 2008. Dit gebeurde 21 maanden nadat het in 2005 bevorderde personeel op de hoogte was gebracht van het besluit van de directeur-generaal om de praktijk in te voeren. Dit ontbreken van een gezaghebbende grondslag voor zijn besluit lijkt nog te worden verergerd door het feit dat de Juridische Dienst niet is geraadpleegd. Dit was in strijd met artikel 3 van het besluit van het Bureau van 28 januari 2004 [10], waarin het volgende is bepaald: "In het geval van administratieve procedures verleent de Juridische Dienst bijstand overeenkomstig de daaraan gehechte voorwaarden."
38. De klagers namen ten slotte nota van de verklaring van het Parlement dat het "gedwongen was om te beslissen over zijn eigen interpretatie van de complexe en ondoorzichtige bepalingen van artikel 7 om de overgangsperiode te verkorten." Volgens hen was dit doel puur zelf opgelegd. Het Parlement heeft zelf toegegeven dat de andere instellingen, zoals de Rekenkamer of het Hof van Justitie, de bepalingen van artikel 7 verschillend hebben uitgelegd. De klagers vonden geen bewijs dat de rechtbanken moeilijkheden hadden ondervonden bij de interpretatie en toepassing waarnaar het Parlement herhaaldelijk verwees. Ter ondersteuning van hun beweringen dienden de klagers de "mededelingen aan het personeel" over deze kwestie in, die in 2007 door de Rekenkamer [11] en het Hof van Justitie [12] werden gepubliceerd. In deze mededelingen hebben de Rekenkamer en het Hof van Justitie hun personeel in kennis gesteld van hun respectieve beleid inzake bevordering na bevordering na de hervorming van het Statuut.
39. De klagers vulden hun opmerkingen aan door de Ombudsman een kopie toe te zenden van de resolutie van het Parlement van 23 april 2009 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de EU voor het begrotingsjaar 2007 - afdeling VI-EECS ("de resolutie van 23 april 2009"). In punt 7 van deze resolutie heeft het Parlement het volgende verklaard: "De bepalingen van het Statuut betreffende de vermenigvuldigingsfactor moeten door alle instellingen op dezelfde wijze worden uitgelegd en uitgevoerd om de gelijke behandeling van hun personeel te waarborgen; wacht de uitspraak van het Gerecht voor ambtenarenzaken op een door een ambtenaar van de Commissie ingesteld beroep af en verwacht van het EESC dat het zijn praktijk (zo nodig met terugwerkende kracht) aan deze uitspraak aanpast."
Beoordeling van de Ombudsman die tot een ontwerpaanbeveling heeft geleid
40. Om te beginnen spreekt de Ombudsman zijn teleurstelling uit over het feit dat het Parlement niet in staat is een formeel administratief besluit over te leggen waarbij een dergelijke belangrijke administratieve praktijk als de onderhavige wordt vastgesteld. Zoals klagers terecht hebben opgemerkt, kan het antwoord van het Parlement op de opmerkingen van de Rekenkamer geen dergelijk besluit met terugwerkende kracht vormen.
41. Ten tweede merkt de Ombudsman op dat de Rekenkamer in punt 11.11 van haar opmerkingen heeft verklaard dat de bepalingen van het Statuut betreffende de MF door alle instellingen op dezelfde wijze moeten worden uitgelegd en uitgevoerd. Dit zou zorgen voor een "juridische en regelmatige toepassing van het Statuut door alle instellingen, waardoor een gelijke behandeling van hun personeel mogelijk wordt."Het Parlement heeft dit uitdrukkelijk herhaald in zijn resolutie van 23 april 2009.
42. In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman verbaasd over het eenzijdige besluit van het Parlement om zich te onthouden van het nastreven van bovengenoemde doelstelling, terwijl hij zich ervan bewust is dat andere instellingen een andere praktijk hebben. Hij merkt in dit verband op dat de Commissie, het Hof van Justitie en de Rekenkamer (en blijkbaar alle andere instellingen) hebben besloten artikel 7, lid 7, eerste zin, van bijlage XIII bij het Statuut volledig ten uitvoer te leggen en voor elke ambtenaar na zijn bevordering na 1 mei 2004 een MF te berekenen. Een ambtenaar in deze instellingen blijft daarom in de eerste salaristrap van zijn/haar nieuwe rang zolang zijn/haar MF onder 1 blijft of totdat hij/zij opnieuw wordt bevorderd.
43. Het Parlement achtte het om twee redenen gerechtvaardigd om zijn eigen interpretatie en zijn betwiste praktijk te gebruiken. In de eerste plaats vanwege de "complexe" en "ondoorzichtige" aard van de bepalingen van artikel 7 van bijlage XIII bij het Statuut, die volgens het Parlement een eigen interpretatie mogelijk maken. Ten tweede omdat de overgangsperiode moet worden ingekort.
44. De Ombudsman acht bovenstaande redenen echter niet overtuigend.
45. De Ombudsman merkt op dat het Hof in de punten 37, 83 en 89 van het arrest Lafili heeft verklaard dat de formulering van artikel 7 "dubbelzinnig ","misleidend" en "ambivalent" was. Het voegde daaraan toe dat de in de leden 6 en 7 van artikel 7 gebruikte formulering inderdaad een uitlegging mogelijk maakt die "niet geheel letterlijk"is, maar die nog steeds in overeenstemming moet zijn met het doel van de desbetreffende overgangsbepalingen [13].
46. De interpretatie van artikel 7 door het Parlement was echter niet louter "letterlijk", maar kwam veeleer neer op een wetswijziging [14]. De Ombudsman is van mening dat de administratieve organen van het Parlement het artikel niet op deze manier mochten interpreteren.
47. Terwijl het arrest Lafili betrekking heeft op de uitlegging van de laatste volzin van artikel 7, die betrekking heeft op situaties waarin de MF na bevordering hoger dan 1 zou kunnen worden, verwijst de bestreden praktijk van het Parlement naar situaties waarin de MF na bevordering nog steeds lager dan 1 zou zijn. Deze situaties vallen onder artikel 7, lid 7, eerste zin, van bijlage XIII, dat volgens de Ombudsman duidelijk is: "Indien de vermenigvuldigingsfactor na bevordering minder dan 1 bedraagt, blijft de ambtenaar, in afwijking van artikel 44 van het Statuut, in de eerste salaristrap van zijn nieuwe rang zolang de vermenigvuldigingsfactor onder 1 blijft of totdat hij wordt bevorderd."(cursivering van mij)
48. In tegenstelling tot de bovenstaande bepaling heeft het Parlement besloten om twee jaar na hun eerste bevordering op grond van het nieuwe Statuut een MF van 1 op iedereen toe te passen, ook al hadden zij nog steeds een MF van minder dan 1. De Ombudsman wijst er in dit verband op dat de redenering achter de bepaling in de eerste zin van artikel 7, lid 7, veeleer lijkt te zijn dat de overgang naar het nieuwe loopbaan- en salarisstelsel geleidelijk moet verlopen en individueel moet worden toegepast. Het bereikte resultaat is precies het tegenovergestelde.
49. De Ombudsman begrijpt dat het uiteindelijke doel van het Parlement was om de overgangsperiode voor het grote aantal betrokken ambtenaren zoveel mogelijk te verkorten. De Ombudsman merkt echter op dat het Parlement niet heeft uitgelegd waarom de overgangsperiode noodzakelijkerwijs moest worden ingekort. Hij herinnert eraan dat uit de voorbereidende werkzaamheden van het nieuwe Statuut integendeel vrij duidelijk bleek dat de overgangsperiode voor elke ambtenaar afzonderlijk zou gelden en dat sommigen van hen tijdens hun loopbaan zelfs geen MF van 1 zouden behalen.
50. Zelfs indien deze doelstelling van verkorting van de overgangsperiode gegrond zou worden geacht, sluit een dergelijke benadering, zoals uit de onderhavige grieven blijkt, de eventuele oneerlijke behandeling van personeelsleden die tot dezelfde functiegroep behoren, echter niet uit. Als gevolg van de bijzondere uitlegging die het Parlement zelf aan artikel 7, lid 7, van bijlage XIII bij het Statuut heeft gegeven, is de MF van de krachtens het nieuwe Statuut bevorderde ambtenaren immers automatisch gestegen tot 1. Hun salarissen werden dus hoger dan die van ambtenaren die vóór 1 mei 2004 waren bevorderd en wier MF op minder dan 1 bleef.
51. Het Parlement zou terecht kunnen zeggen dat i) ambtenaren die vóór 1 mei 2004 zijn bevorderd en ambtenaren die na die datum zijn bevorderd, zich niet in identieke situaties bevinden; en ii) de argumenten van klagers inzake discriminatie in dit verband derhalve niet kunnen worden aanvaard. Zoals uit de onderhavige grieven blijkt, heeft de praktijk van het Parlement echter een situatie gecreëerd waarin ambtenaren van dezelfde functiegroep, die vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut zijn aangeworven, financieel oneerlijk worden behandeld, afhankelijk van de datum van hun respectieve bevorderingen (zie punt 5 hierboven).
52. De Ombudsman wil ook benadrukken dat de praktijk van het Parlement zijn ambtenaren een duidelijk financieel voordeel biedt ten opzichte van ambtenaren van elke andere instelling. De ambtenaren van het Parlement ontvangen het volledige salaris van de nieuwe salarisschaal twee jaar na hun eerste bevordering op grond van het nieuwe Statuut. Ambtenaren van de andere instellingen die op precies dezelfde datum tot dezelfde rang worden bevorderd, kunnen nog steeds een MF op hun salaris toepassen, zoals bepaald in artikel 7, lid 7, van bijlage XIII bij het Statuut. Dit verschil in behandeling van ambtenaren is precies wat het Europees Parlement als politieke instelling wilde voorkomen toen het zijn resolutie van 23 april 2009 aannam (zie het citaat hierboven in punt 39).
53. Samengevat is de Ombudsman van mening dat de praktijk van het Parlement:
a) een MF van 1 toe te passen op zijn ambtenaren die twee jaar na hun eerste bevordering nog steeds een MF van minder dan 1 hebben, is niet in overeenstemming met artikel 7, lid 7, van bijlage XIII bij het Statuut;
b) leidt tot een oneerlijke financiële behandeling van zijn ambtenaren, afhankelijk van de data van hun respectieve bevorderingen; en
c) zijn ambtenaren een duidelijk financieel voordeel biedt ten opzichte van ambtenaren die voor andere EU-instellingen werken.
Dientengevolge concludeert de Ombudsman dat de praktijk in strijd is met de artikelen 4, 5 en 11 van de Europese code van goed administratief gedrag [15] en derhalve een geval van wanbeheer is.
54. De Ombudsman neemt er nota van dat het Parlement in zijn antwoord op de opmerkingen van de Rekenkamer heeft beloofd dat zijn secretaris-generaal een administratieve werkgroep zou aanwijzen die het onderwerp grondig zou onderzoeken en zo nodig wijzigingen zou voorstellen.
55. In het licht van het bovenstaande doet de Ombudsman hieronder een overeenkomstige ontwerpaanbeveling, overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het Statuut van de Europese Ombudsman.
B. De ontwerpaanbeveling
Op basis van zijn onderzoek naar de klachten doet de Ombudsman het Parlement de volgende ontwerpaanbeveling:
Het Parlement moet uitleggen welke maatregelen het voornemens is te nemen om aan het Statuut te voldoen en zijn praktijk in overeenstemming brengen met die van de andere instellingen.
Het Parlement moet de conclusies en aanbevelingen toelichten van de werkgroep ter zake die het heeft toegezegd te zullen benoemen, alsook de daaropvolgende maatregelen die het tot aanstelling bevoegde gezag heeft genomen.
Het Parlement en de klagers zullen van deze ontwerpaanbeveling in kennis worden gesteld. Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het Statuut van de Europese Ombudsman zendt het Parlement uiterlijk op 31 augustus 2010 een uitvoerig gemotiveerd advies toe. Het uitvoerig gemotiveerde advies kan bestaan uit de aanvaarding van de ontwerpaanbeveling en een beschrijving van de wijze waarop deze is of zal worden uitgevoerd.
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
Gedaan te Straatsburg op 11 mei 2010
[1] Besluit van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese Ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt (94/262/EGKS, EG, Euratom), PB L 113, blz. 15.
[2] PB L 124 van 27.4.2004, blz. 1.
[3] De zaken 2986/2008/MF en 2987/2008/MF zijn gezamenlijk behandeld.
[4] Het verschil tussen salaristrap 1 en salaristrap 2 in de nieuwe salarisschaal (zie artikel 8, lid 2, van bijlage XIII bij het Statuut).
[5] Zaak F-22/07, Lafili/Commissie, arrest van 4 september 2008, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 91.
[6] Artikel 7, lid 2, van bijlage XIII bij het Statuut bepaalt:
"Voor elke ambtenaar wordt op 1 mei 2004 een vermenigvuldigingsfactor berekend. Deze vermenigvuldigingsfactor is gelijk aan de verhouding tussen het maandelijkse basissalaris dat vóór 1 mei 2004 aan een ambtenaar is betaald en het toepasselijke bedrag als omschreven in artikel 2, lid 2, van deze bijlage …."
[7] De oorspronkelijke Franse versie van punt 85 luidt als volgt:
"Le Statut des Fonctionnaires est entré en vigueur le ler mai 2004 de telle sorte que, sous réserve des dispositions transitoires et de principes généraux tels que le principe de sécurité juridique, de non-rétroactivité ou de protection des droits des acquis, les dispositions nouvelles du statut qui régissent la nouvelle structure de carrière et le traitement mensuel de base s'appliquent aux situations à naitre."
[8] PV BUR 22-09-2008 (beschikbaar op het intranet van het Parlement).
[9] PB 2008, C 287, blz. 111-114.
[10] Referentie PE 339.484/BUR (beschikbaar op het intranet van het Parlement).
[11] Mededeling van het personeel van de Rekenkamer nr. 01/07 "Bevordering naar een hogere salaristrap na bevordering sinds de hervorming van het statuut".
[12] Mededeling van het Hof van Justitie nr. 04/07 "Verbetering naar een hogere salaristrap na bevordering sinds de hervorming van het statuut".
[13] Punt 83 van het arrest Lafili: "… le libellé de l’article 7, paragrafen 6 en 7, est suffisamment ambivalent pour justifier la recherche d’une interprétation non exclusivement littérale qui soit conforme à l’économie et à la finalité des dispositions transitoires en cause."
[14] De Ombudsman herinnert er echter aan dat het Hof van Justitie de hoogste autoriteit is voor de uitlegging van het recht van de Unie.
[15] Zie de Europese code van goed administratief gedrag en meer bepaald artikel 4 (rechtmatigheid), artikel 5 (geen discriminatie) en artikel 11 (eerlijkheid).