Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Ontwerpaanbeveling aan de Europese Commissie in klacht 489/98/OV
Aanbeveling
Zaak 489/98/OV - Geopend op Maandag | 18 mei 1998 - Aanbeveling omtrent Donderdag | 04 november 1999 - Besluit over Woensdag | 12 april 2000
Geachte heer P.,
Op 1 april 1998 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend over het verzuim van de Europese Commissie om u na afloop van uw onbetaald verlof om redenen van persoonlijke aard weer in dienst te nemen en te weigeren u een vergoeding te betalen voor het verlies van salaris en het verlaagde pensioen.
Op 18 mei 1998 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Europese Commissie. De Commissie heeft haar advies op 27 juli 1998 toegezonden en ik heb u verzocht desgewenst opmerkingen te maken. Op 14 september 1998 heb ik uw opmerkingen over het standpunt van de Commissie ontvangen. Op 31 maart 1999 ontving ik een brief van de heer Brendan Donnelly, lid van het Europees Parlement, die namens u schreef om te informeren naar de uitkomst van uw klacht. Op 12 april 1999 heb ik hem geantwoord dat uw klacht nog in behandeling was. Ik heb u dienovereenkomstig op dezelfde dag geïnformeerd.
Op 22 april 1999 heeft u nadere informatie over uw klacht verstrekt. Op 23 april 1999 heb ik de Commissie om nadere opmerkingen over bepaalde aspecten van uw klacht verzocht. De Commissie heeft haar tweede advies op 1 juli 1999 toegezonden en ik heb het u op 20 juli 1999 toegezonden met het verzoek nieuwe opmerkingen te maken. Op 11 augustus 1999 heeft u uw opmerkingen over het tweede advies van de Commissie toegezonden.
Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan. Mijn excuses voor de vertraging die het heeft opgelopen bij het nemen van een beslissing over uw klacht.
Het KLACHT
Volgens de klager waren de relevante feiten als volgt:
Klager, ambtenaar in rang A4 van de Europese Commissie, ging van 1 oktober 1995 tot en met 30 september 1996 een jaar met onbetaald verlof om redenen van persoonlijke aard. Hij beklaagde zich erover dat de Commissie hem na deze periode niet opnieuw in dienst had genomen. Meer in het bijzonder had de Commissie twee maanden na het verstrijken van zijn onbetaald verlof nog steeds geen aanbod tot herplaatsing gedaan en was er ook geen vooruitzicht op herplaatsing in de toekomst.
Klager schreef vervolgens op 25 november 1996 een brief aan de directeur-generaal van DG IX, waarin hij hem meedeelde dat hij met ingang van 1 oktober 1996 ontslag nam om een regelmatige bron van inkomsten te verkrijgen, aangezien hij geen andere keuze had dan met vervroegd pensioen te gaan.
Op 10 juni 1997 verzocht klager op grond van artikel 90, lid 1, van het Statuut om een financiële vergoeding voor het loonverlies vanaf het verstrijken van zijn verlof tot de datum van zijn ontslagbrief, en om het verlaagde pensioen. Op 5 augustus 1997 antwoordde DG IX dat klager een ondubbelzinnig verzoek om ontslag had ingediend, zoals bepaald in artikel 48 van het Statuut, en dat het derhalve geen rekening kon houden met zijn verzoek om schadevergoeding.
Op 17 september 1997 diende klager bij het TABG een beroep in tegen deze weigering op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut, waarin hij zijn verzoek om financiële compensatie herhaalde. Het TABG heeft het verzoek van klager bij brief van 16 februari 1998 afgewezen. Zij was van mening dat de Commissie geen administratieve onregelmatigheden had begaan en niet verantwoordelijk was voor zijn ontslag, zodat zij geen schadevergoeding hoefde te betalen. Klager diende derhalve de onderhavige klacht in bij de Ombudsman, op grond dat de Commissie hem na afloop van zijn onbetaald verlof om redenen van persoonlijke aard niet opnieuw in dienst had genomen en had geweigerd een vergoeding te betalen voor a) het salarisverlies omdat hij niet opnieuw in dienst was genomen en b) het financiële verlies als gevolg van zijn ontslag.
Het onderzoek
In haar
advies verwees de Commissie naar het antwoord van het TABG van 16 februari 1998. Het tot aanstelling bevoegd gezag had klager herinnerd aan de bepaling van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut, volgens welke de instelling een ambtenaar na afloop van het onbezoldigde verlof om redenen van persoonlijke aard opnieuw in dienst moet nemen in het eerste ambt dat overeenkomt met zijn rang en dat vacant wordt in zijn categorie of dienst, mits hij voldoet aan de vereisten voor dat ambt. De procedure om vast te stellen of een ambtenaar aan deze eisen voldoet, moet daadwerkelijk plaatsvinden en moet zodanig worden uitgevoerd dat de betrokken instelling kan aantonen dat aan het voorschrift is voldaan. Het niet verrichten van dergelijke controles zou een onrechtmatig handelen of nalaten vormen dat de aansprakelijkheid van de Commissie jegens verzoekster met zich zou brengen.
De Commissie merkte vervolgens op dat uit een onderzoek van de maatregelen die klager enerzijds en de Commissie anderzijds hadden genomen, geen onregelmatigheid in de herplaatsingsprocedure naar voren kwam. Het TABG was van mening dat het feit dat klager eind november 1996 niet was herplaatst redelijk was, aangezien zijn verlof om redenen van persoonlijke aard twee maanden eerder, op 30 september 1996, was verstreken. Om deze redenen werd het verzoek van klager om schadevergoeding afgewezen voor de periode vanaf het einde van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard tot de datum van zijn ontslagbrief.
Het tot aanstelling bevoegd gezag heeft erop gewezen dat het Hof van Justitie in zijn arrest van 1 juli 1976 (1) heeft geoordeeld dat in het geval van een verzoek om schadevergoeding wegens niet-herplaatsing na het verstrijken van het verlof om redenen van persoonlijke aard, verzoeker bij gebreke van verrichte diensten geen aanspraak kan maken op betaling van achterstallig loon. Hij heeft niettemin recht op vergoeding van de werkelijke schade die hij heeft geleden door het verlies van dit salaris als gevolg van het onrechtmatige gedrag van de administratie.
Met betrekking tot het verzoek om financiële compensatie vanaf de datum waarop hij met pensioen ging, voerde klager aan dat hij gedwongen was ontslag te nemen, aangezien de administratie hem gedurende de twee maanden na het verstrijken van zijn verlof geen inkomsten had opgeleverd. De Commissie herinnerde aan de vaste rechtspraak volgens welke de gemeenschapsinstelling aansprakelijk is indien de gestelde gedraging onrechtmatig is, er daadwerkelijk schade is geleden en er een causaal verband bestaat tussen die gedraging en de schade.
In casu heeft het TABG gecontroleerd of de Commissie daadwerkelijk stappen had ondernomen en dit naar behoren had gedaan, en of de periode van twee maanden tussen het verstrijken van het verlof en zijn ontslagbrief een redelijke termijn was, zelfs indien klager niet opnieuw was aangesteld. Ook het ontslag van klager was het gevolg van het feit dat hij schriftelijk ondubbelzinnig te kennen had gegeven dat hij voornemens was de dienst van de instelling definitief te beëindigen, zoals bepaald in artikel 48 van het Statuut. Aangezien het ontslag dus een vrijwillige handeling van klager was, concludeerde de Commissie dat zij in deze zaak geen directe verantwoordelijkheid droeg en dat de Commissie geen schuld kon worden toegerekend. Daarom werd het verzoek om financiële compensatie afgewezen.
Opmerkingen van klager Klager
handhaafde zijn klacht. Hij verklaarde dat er op dat moment inderdaad een aantal perfect geschikte posten vacant waren en dat de Commissie zijn kwalificaties voor geen van deze posten heeft onderzocht. Hij verklaarde dat vier geschikte posten waren gereserveerd voor andere specifieke kandidaten of voor personen uit de nieuwe lidstaten. Klager was derhalve van mening dat de verklaring van de Commissie dat er geen sprake was van een onregelmatigheid in de herplaatsingsprocedure, niet correct was. De door de Commissie genomen maatregelen waren niet doeltreffend geweest, aangezien zij niet hadden geleid tot één enkel aanbod tot herplaatsing in de loop van 3,5 maanden vanaf de datum waarop hij zijn voornemen om terug te keren bevestigde, en evenmin tot een vooruitzicht op herplaatsing in de toekomst. Klager concludeerde dat het gedrag van de Commissie nalatig was, dat hij schade had geleden en dat het oorzakelijk verband tussen beide duidelijk was. Op 22 april 1999 zond klager nadere gegevens over vier posten die vacant waren op het moment dat hij om herplaatsing verzocht.
Andere onderzoeken
Om na te gaan of de Commissie de bekwaamheden van klager met betrekking tot de vacante posten in zijn rang in detail heeft onderzocht, heeft de Ombudsman de Commissie op 23 april 1999 om verdere opmerkingen over drie punten verzocht.
Ten eerste verzocht de Ombudsman om een lijst van alle posten (met inbegrip van de vereisten) die overeenkomen met de rang van klager (A4) en die vacant waren in de periode na het verstrijken van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard (30 september 1996).
In de tweede plaats werd de Commissie verzocht te reageren op de bewering van klager dat zij zijn kwalificaties voor geen van de vacante posten zou hebben onderzocht, omdat deze waren voorbehouden aan andere sollicitanten.
Ten slotte vroeg de Ombudsman wat de rechtvaardiging was voor de overweging van het tot aanstelling bevoegde gezag dat de vacante posten niet overeenstemden met de kwalificaties van klager (brief van commissaris Liikanen van 16 februari 1998, blz. 3, laatste alinea).
Het tweede advies van de Commissie
De Commissie zond de Ombudsman de lijsten van vacante leidinggevende posten die tussen 18 juli 1996 en 28 november 1996 wekelijks werden gepubliceerd. De Commissie herhaalde dat dit geschil het gevolg was van het eenzijdige besluit van klager van 25 november 1996 om minder dan twee maanden na 1 oktober 1996 ontslag te nemen bij de Commissie. Daarom verklaarde de Commissie dat zij niet verantwoordelijk kon worden gesteld voor dat besluit of de gevolgen ervan voor de inkomsten van klager.
Met betrekking tot de bewering van klager dat hij zijn kwalificaties voor geen van de vacante posten had onderzocht, merkte de Commissie op dat niet wordt betwist dat er tussen 1 oktober 1996 en 30 november 1996 A5/A4-posten vacant waren, waaronder de vier door klager genoemde posten van eenheidshoofd. De Commissie wees er in de eerste plaats op dat een van de posten waarnaar klager verwees een A3-post was en derhalve niet relevant was. Derhalve moest worden onderzocht of het curriculum vitae van klager aantoonde dat hij voldeed aan de vereisten voor de andere drie posten.
Volgens het cv van klager was hij als A4-ambtenaar tussen 1974 en 1990 hoofdadministrateur (A5/4) en vervolgens afdelingshoofd bij DG II (Economische en Financiële Zaken). Tussen 1990 en 1995 was hij adviseur van DG I in Parijs. De Commissie merkte op dat het cv van klager een vaag beeld gaf van zijn loopbaan en vaardigheden, en dat de post van afdelingshoofd tot 1988 voorbehouden was aan ambtenaren van categorie A3. Na 1990 was klager niet langer afdelingshoofd (of beter gezegd eenheidshoofd).
De vacatures in kwestie waren voor het hoofd van de externe dimensie van de eenheid Interne markt en financiële diensten in DG XV, het hoofd van de eenheid Toezicht op de impact van het Europees Sociaal Fonds in DG V en het hoofd van de eenheid Verenigde Naties in DG IA. Elk van deze functies vereist speciale vaardigheden. De Commissie verklaarde dat er redelijke twijfel bestond over de vraag of klager voldeed aan de vereiste voor deze functies, zowel wat betreft het verantwoordelijkheidsniveau (een kandidaat voor een functie als eenheidshoofd moet over aantoonbare managementvaardigheden beschikken) als wat betreft de andere vereisten. De administratie kan derhalve niet worden verweten dat zij klager niet onmiddellijk heeft hersteld, omdat zij in dergelijke omstandigheden de betrokkene om aanvullende informatie moet verzoeken. Dat de Commissie dit niet deed, was te wijten aan het feit dat klager met pensioen ging voordat dit binnen een redelijke termijn kon worden gedaan.
DG IX van de Commissie nam ook contact op met verschillende directoraten-generaal, waaronder DG I, DG II, DG VI en DG XXI, in een poging een geschikte post voor de klager te vinden. Deze pogingen leidden echter niet tot zijn herplaatsing, omdat het cv van klager onvoldoende details over zijn capaciteiten bevatte. De Commissie merkte op dat dit cv te vaag was om een onmiddellijke beslissing mogelijk te maken.
De Commissie concludeerde derhalve dat de administratie in deze zaak verre van inactief was en stappen was begonnen te ondernemen om klager opnieuw in dienst te nemen.
Aanvullende opmerkingen van klager
Klager handhaafde zijn klacht en herhaalde dat hem in de 3,5 maanden na zijn verzoek om herplaatsing geen post was aangeboden. Klager merkte ook op dat zijn cv bedoeld was om zijn beroepservaring samen te vatten die de Commissie al sinds 22 jaar kende. Klager voegde daaraan toe dat hij inderdaad van 1986 tot 1987 een A3-functie bekleedde als afdelingshoofd bij DG II-E-2. Klager verklaarde dat de posten waarnaar de Commissie verwees, allemaal in overeenstemming waren met zijn ervaring en verantwoordelijkheden bij de delegatie van Parijs. Ten slotte merkte hij op dat de Commissie om aanvullende informatie over zijn cv had kunnen vragen.
BESLUIT
1 Het verzuim van de Commissie om klager aan het einde van zijn onbetaald verlof om redenen van persoonlijke aard opnieuw in dienst te nemen
1.1 Klager beweerde dat de Commissie hem aan het einde van zijn onbetaald verlof om redenen van persoonlijke aard, op 30 september 1996, niet opnieuw in dienst had genomen. Meer in het bijzonder had hij twee maanden na deze datum nog steeds geen aanbod tot herplaatsing ontvangen, noch was er enig vooruitzicht op herplaatsing voor de nabije toekomst. De Commissie merkte op dat uit het onderzoek van de door haar genomen maatregelen bleek dat er geen sprake was van een onregelmatigheid in de herplaatsingsprocedure. In haar tweede advies voegde de Commissie daaraan toe dat er gegronde twijfel bestond over de vraag of klager voldeed aan de vereisten voor de vacante posten. De Commissie wees er ook op dat het cv van klager te vaag was om onmiddellijk een besluit te nemen over zijn herplaatsing.
1.2 De Ombudsman merkt op dat artikel 40, lid 4, onder d), van het Statuut bepaalt dat een ambtenaar na afloop van zijn verlof moet worden herplaatst in het eerste ambt dat overeenkomt met zijn rang en dat vacant wordt in zijn categorie of dienst, mits hij voldoet aan de vereisten voor dat ambt. Volgens de rechtspraak van het Gerecht verifieert de administratie systematisch, door middel van een gedetailleerd onderzoek, de geschiktheid van de ambtenaar in afwachting van zijn herplaatsing voor elk vacant ambt dat overeenkomt met zijn rang. Daarom moet de procedure voor de verificatie van de geschiktheid van ambtenaren die in afwachting zijn van herplaatsing doeltreffend zijn en moet zij haar gang gaan op zodanige wijze dat de instellingen kunnen aantonen dat zij in acht is genomen. Hoewel de bevoegde autoriteiten niet kunnen worden verplicht te bewijzen dat zij de bekwaamheden van de ambtenaar hebben onderzocht wanneer er een duidelijk verschil bestaat tussen zijn bekwaamheden en die welke vereist zijn voor een vacant ambt, moet dit bewijs niettemin worden geleverd in alle gevallen waarin, bij gebreke van een dergelijk kennelijk verschil, een volledige verificatie van de bekwaamheden van de betrokkene met betrekking tot een vacant ambt noodzakelijk is. Het ontbreken van een systematische verificatie van de geschiktheid van de betrokken ambtenaar voor elk vacant ambt waarin hij had kunnen worden herplaatst, vormt een dienstfout die tot aansprakelijkheid van de administratie kan leiden, voor zover dit verzuim de herplaatsing van de betrokkene vertraagt (2).
1.3 De Ombudsman gaat derhalve na of de Commissie in het onderhavige geval een gedetailleerd onderzoek heeft verricht naar de bekwaamheden van de klager met betrekking tot de vacante posten. Het blijkt dat klager op 12 augustus 1996 heeft verzocht om met ingang van 1 oktober 1996 weer in dienst te worden genomen. In zijn eindbesluit van 16 februari 1998 over het beroep van klager op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut heeft het tot aanstelling bevoegde gezag enkel opgemerkt dat geen enkel directoraat-generaal in staat was om klager vóór eind november 1996 een post aan te bieden, omdat "zij geen relevante vacante posten beschikbaar hadden, of de vacante posten niet overeenstemden met de bekwaamheden van klager". Het tot aanstelling bevoegde gezag heeft geen enkele rechtvaardiging gegeven voor zijn conclusie dat de bekwaamheden van klager niet overeenstemden met die welke voor de vacante ambten vereist waren, noch verwezen naar de specifieke vacante ambten.
1.4 De Ombudsman verzocht derhalve om nadere gegevens over de lijst van posten die vacant waren in de periode na het verstrijken van het verlof van klager om redenen van persoonlijke aard. Hij verzocht de Commissie ook aan te geven wat de rechtvaardiging was van het tot aanstelling bevoegde gezag voor zijn conclusie dat de bekwaamheden van klager niet overeenkwamen met die van de vacante posten. Uit de tussen 18 juli 1996 en 28 november 1996 gepubliceerde lijsten van vacatures blijkt dat er in deze periode meer dan vijfentwintig A5/A4-posten vacant waren (3).
1.5 In haar advies aan de Ombudsman heeft de Commissie echter, met uitzondering van de vier door klager zelf aangegeven posten, geen melding gemaakt van een bepaalde vacante A5/A4-post van deze lijsten, en heeft zij ook niet kort gemotiveerd waarom klager niet opnieuw in een van deze posten kon worden opgenomen. Met betrekking tot drie van de vier door klager genoemde posten heeft de Commissie zich er opnieuw toe beperkt zonder grondig onderzoek te constateren dat er redelijke twijfel bestond of klager voldeed aan de vereisten voor deze posten, zowel wat betreft het verantwoordelijkheidsniveau (behoefte aan aantoonbare managementvaardigheden voor functies van eenheidshoofd) als de andere vereisten. De Commissie heeft daar zelfs aan toegevoegd dat de administratie, gezien deze werkelijke onzekerheid, in dergelijke omstandigheden de betrokkene om aanvullende informatie moet verzoeken. Dit vereiste is ook bevestigd in de rechtspraak van het Gerecht van eerste aanleg (4). De Commissie heeft dit echter niet gedaan.
1.6 Uit het bovenstaande concludeert de Ombudsman dat de Commissie heeft nagelaten om, zoals vereist door de jurisprudentie van het Hof van Justitie, gedetailleerd onderzoek te verrichten naar de capaciteiten van klager met betrekking tot elke vacante post die overeenkomt met zijn rang. Dit wordt ook bevestigd door het feit dat de Commissie haar oordeel over de bekwaamheden van klager met betrekking tot de vacante posten uitsluitend heeft gebaseerd op het curriculum vitae van klager, dat zij zelf te vaag en vaag achtte, en zonder klager om meer gedetailleerde informatie te vragen. Ook blijkt dat de Commissie op geen enkel moment de details van het persoonsdossier van klager heeft geraadpleegd, wat zij had kunnen doen gezien het feit dat hij 22 jaar voor de Commissie had gewerkt.
1.7 Uit deze overwegingen blijkt dus dat het feit dat de Commissie de kwalificaties van klager voor de betrokken posten niet grondig heeft onderzocht, een geval van wanbeheer vormt dat de Commissie aansprakelijk kan stellen jegens klager. Aangezien het vanwege de tegengestelde meningen van de Commissie en klager op dit punt niet mogelijk was een minnelijke schikking tussen de partijen te vinden, doet de Ombudsman de onderstaande ontwerpaanbeveling.
2 Klager vorderde een financiële vergoeding voor het feit dat de Commissie hem niet opnieuw in dienst had genomen en voor de financiële gevolgen van zijn ontslag
2.1 Klager vorderde een vergoeding voor 1) het verlies van salaris (tussen het einde van zijn onbetaald verlof tot de datum van zijn ontslag) als gevolg van het feit dat de Commissie hem niet opnieuw in dienst had genomen aan het einde van zijn onbetaald verlof om redenen van persoonlijke aard, en voor 2) het financiële verlies in verband met het feit dat hij ontslag moest nemen bij de Commissie. De Commissie weigerde beide compensaties te betalen omdat zij van mening was dat zij enerzijds geen onregelmatigheid had begaan in de herplaatsingsprocedure en anderzijds niet verantwoordelijk kon worden gesteld voor het eenzijdige besluit van klager om af te treden bij de Commissie.
2.2 Met betrekking tot de eerste vordering tot schadevergoeding wegens het verzuim van de Commissie om klager opnieuw in dienst te nemen, merkt de Ombudsman op dat volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie de eiser tot schadevergoeding wegens het niet opnieuw in dienst nemen na het verstrijken van het verlof om redenen van persoonlijke aard, bij gebreke van verleende diensten, geen aanspraak kan maken op betaling van achterstallige salarissen. Hij heeft niettemin recht op vergoeding van de schade die hij daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van het verlies van dit salaris als gevolg van het onrechtmatige gedrag van de administratie (5).
2.3 Daarom moet de Commissie in het onderhavige geval de klager vergoeden voor de materiële schade die hij rechtstreeks heeft geleden als gevolg van de fout van de dienst van de Commissie, namelijk het niet grondig onderzoeken van de kwalificaties van klager voor de posten die vacant waren na het verstrijken van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard. De Ombudsman acht zich niet in staat het bedrag van deze vergoeding vast te stellen. Hij verzoekt de partijen overeenstemming te bereiken over het beginsel en het bedrag van een financiële compensatie. De Ombudsman doet derhalve onderstaande ontwerpaanbeveling. 2.4 Met betrekking tot de tweede vordering merkt de Ombudsman op dat de betrokken instelling volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie niet aansprakelijk kan worden gesteld voor financiële schade die voortvloeit uit het besluit van de ambtenaar om zijn dienstverband te beëindigen voordat hij in kennis is gesteld van zijn herplaatsing (6). Artikel 40, lid 4, onder d), in fine, bepaalt inderdaad dat de ambtenaar tot zijn daadwerkelijke wederindienstneming onbetaald verlof om redenen van persoonlijke aard blijft opnemen. De Ombudsman is derhalve van mening dat de Commissie in het onderhavige geval niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het eenzijdige besluit van klager om af te treden. De vordering van klager tot schadevergoeding is derhalve niet gegrond en er is geen wanbeheer vastgesteld met betrekking tot dit aspect van de zaak.
3 Conclusie Volgens
de rechtspraak van het Gerecht verifieert de administratie systematisch, door middel van een gedetailleerd onderzoek, de geschiktheid van de ambtenaar die in afwachting is van zijn herplaatsing voor elk vacant ambt dat overeenkomt met zijn rang.
In casu heeft het TABG geen enkele rechtvaardiging gegeven voor zijn conclusie dat de bekwaamheden van klager niet overeenstemden met die welke voor de vacante posten vereist waren. Bovendien heeft de Commissie, met uitzondering van de vier door klager zelf aangegeven posten, geen melding gemaakt van een bepaalde vacante A5/A4-post van de lijsten, en heeft zij ook niet kort gemotiveerd waarom klager niet opnieuw in een van die posten kon worden opgenomen. De Commissie baseerde haar oordeel over de bekwaamheden van klager met betrekking tot de vacante posten uitsluitend op het curriculum vitae van klager, dat zij zelf te vaag en vaag achtte, en zonder klager om meer gedetailleerde informatie te vragen. Derhalve concludeert de Ombudsman dat de Commissie heeft nagelaten het gedetailleerde onderzoek te verrichten, zoals vereist door de jurisprudentie van het Hof van Justitie, van de bekwaamheden van klager met betrekking tot elke vacante post die overeenkomt met zijn rang. Dit verzuim vormt een geval van wanbeheer dat de Commissie aansprakelijk kan stellen jegens klager.
In het licht van deze conclusies (punten 1.7 en 2.3) en gezien het feit dat het op dit punt niet mogelijk was een minnelijke schikking tussen de partijen te vinden, doet de Ombudsman de volgende ontwerpaanbeveling aan de Europese Commissie:
- De Commissie moet de klager vergoeden voor de materiële schade die hij rechtstreeks heeft geleden als gevolg van de dienstfout van de Commissie, namelijk het niet grondig onderzoeken van de kwalificaties van de klager voor de posten die na het verstrijken van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard vacant waren.
De Europese Commissie zal van deze ontwerpaanbeveling in kennis worden gesteld. Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het statuut van de Ombudsman brengt de Commissie binnen drie maanden een uitvoerig gemotiveerd advies uit. Het omstandig advies kan bestaan uit de aanvaarding van de aanbeveling van de Ombudsman en een beschrijving van de maatregelen die zijn genomen om de aanbeveling uit te voeren.
Met vriendelijke groet
Jacob SÖDERMAN
(1) Zaak 58/75, Sergy tegen Commissie, Jurispr. 1976, blz. 1139.
(2) Zaak T-48/90, Giordani tegen Commissie, Jurispr. 1993, blz. II-721, punten 50-56; Zaak T-276/94, Buick tegen Commissie, Jurispr. 1995, blz. II-667, punten 34-46; Zaak T-205/96, Bieber tegen Parlement, Jurispr. 1998, blz. II-723.
(3) Vacatures COM/088/96, COM/090/96, COM/093/96, COM/094/96, COM/095/96, COM/096/96, COM/R/5138/96, COM/036/96, COM/105/96, COM/104/96, COM/103/96, COM/109/96, COM/110/96, COM/065/96, COM/113/96, COM/118/96, COM/122/96, COM/120/96, COM/126/96, COM/115/96, COM/116/96, COM/128/96, COM/R/5659/96, COM/131/96, COM/155/96, COM/157/96, COM/163/96.
(4) Zie zaak T-276/94, punt 43.
(5) Zaak 58/75, Sergy tegen Commissie, Jurispr. 1976, blz. 1139, punt 39.
(6) Zaak 292/87, Pizziolo tegen Commissie, Jurispr. 1988, blz. 5165.
(7) Besluit 94/262 van het Europees Parlement van 9 maart 1994 betreffende het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt, PB L 113 van 9.6.1994, blz. 15.