FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Ontwerpaanbevelingen van de Europese Ombudsman in zijn onderzoek naar klacht 1947/2010/PB tegen de Europese Commissie

Gemaakt overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het Statuut van de Europese Ombudsman [1]

Achtergrond van de klacht

1. De zaak heeft voornamelijk betrekking op de algemene tendens van de Commissie om te aarzelen om het publiek toegang te verlenen tot documenten die betrekking hebben op lopende onderzoeken naar mogelijke inbreuken op het EU-recht door de lidstaten. EU-burgers die in Denemarken wonen, hadden de indruk dat het directoraat-generaal Milieu van de Commissie (DG Milieu) op zijn beleidsterrein rond de jaren 2006-2007 een meer open praktijk heeft aangenomen. Toen DG Milieu vervolgens terugkeerde naar de bovengenoemde tendens van de Commissie, vroegen deze burgers om rechtvaardigingen en stelden zij voor de meer open praktijk te blijven volgen. Omdat zij niet tevreden waren met de antwoorden van de Commissie, wendden zij zich tot de Europese Ombudsman.

2. De meer gedetailleerde achtergrond van de zaak is, kort samengevat, als volgt.

3. In een brief voorafgaand aan de inleiding van de onderhavige zaak moedigde klager de Ombudsman aan om op eigen initiatief een onderzoek naar deze kwestie in te stellen. Hij schreef als volgt:

"Ik heb met grote belangstelling kennis genomen van uw besluit tot sluiting van de OI/[2/] 2009/MHZ [[2]] betreffende de Europese Commissie.

Mijn belangstelling voor deze kwestie is te wijten aan het feit dat ik eerder om toegang van het publiek tot twee inleidende brieven van de Commissie heb verzocht en deze heb verkregen. De twee inleidende brieven zijn in mei 2006 naar Denemarken gestuurd, onder vermelding van de registratienummers 2006/2144 met betrekking tot de habitatrichtlijn, en 2006/2134 met betrekking tot de vogelrichtlijn. De Deense autoriteiten hebben het publiek toegang verleend tot deze inleidende brieven nadat DG Milieu van de Commissie het volgende had meegedeeld:

DG Milieu heeft de praktijk met betrekking tot de toegang van het publiek gewijzigd en zal in de toekomst het publiek toegang verlenen tot alle documenten in verband met lopende inbreukprocedures die betrekking hebben op de toegang van het publiek en zal in de toekomst het publiek toegang verlenen tot alle documenten in verband met lopende inbreukprocedures die betrekking hebben op inconsistenties tussen nationale en EU-wetgeving. Verspreiding in gevallen als de onderhavige kan immers de toepassing en het nuttige effect van de betrokken richtlijnen vergemakkelijken. Deze omstandigheid wordt beschouwd als een hoger openbaar belang dat openbaarmaking rechtvaardigt.

Ik kan u dan ook meedelen dat wij ons niet verzetten tegen de toegang van het publiek tot de inleidende brieven aan Denemarken betreffende de toepassing van de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG.

In het licht van het bovenstaande hebben de Deense autoriteiten het publiek in december 2006 toegang tot de documenten verleend. De redenen voor openbaarmaking door het Deense ministerie van Milieu zijn, samen met de openingsbrieven, beschikbaar op het volgende adres:

http://www.blst.dk/NATUREN/Natura2000plan/sidebar/Seneste_nyt/aabningsskrivelser.htm

Denemarken ontving vervolgens een aanvullende aanmaningsbrief en een met redenen omkleed advies in zaak 2006/2134. De Deense autoriteiten weigerden mij toegang tot deze documenten te verlenen. Ondanks de hierboven genoemde wijziging in de praktijk is het Deense ministerie van Milieu de Commissie blijven vragen of het het publiek toegang kan verlenen. De Commissie weigert thans het publiek toegang te verlenen onder verwijzing naar verordening nr. 1049/2001 en het arrest Petri [e], waarop de Deense regering zich beroept.

Het is interessant dat u in uw onderzoek op eigen initiatief geen melding maakt van de openheidspraktijk die de Commissie in het najaar van 2006 heeft aangenomen, zoals geformuleerd in haar bovengenoemde brief aan de Deense regering in november 2006.

Ik stel daarom voor dat de Europese Ombudsman duidelijkheid probeert te krijgen over de koerswijziging tussen november 2006 en 2009.

Het is raadselachtig dat de Commissie de Europese Ombudsman niet heeft meegedeeld dat zij in 2006 een openheidsbeleid op dit gebied heeft gevoerd, een beleid dat nu is gewijzigd. Het is een beleidswijziging die de Commissie blijkbaar liever stilzwijgend overneemt, aangezien zij de Europese Ombudsman er niet van in kennis heeft gesteld in verband met het onderzoek op eigen initiatief dat in 2009 werd afgesloten."

4. De Ombudsman deelde klager mee dat hij het, in plaats van een onderzoek op eigen initiatief in te stellen, passender achtte mogelijke klachten over deze kwestie te onderzoeken.

5. Op 5 september 2010 diende klager de onderhavige klacht in.

6. Klager deelde de Ombudsman mee dat hij in 2009 een verzoek om toegang van het publiek tot een aanvullende openingsbrief aan Denemarken had ingediend.

7. De Commissie antwoordde ontkennend en deelde klager mee dat openbaarmaking van de aanmaningsbrief aan een lidstaat onverenigbaar is met diens recht op vertrouwelijkheid in inbreukprocedures. Zij verwees naar het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 2001 in de zaak Petrie [3]. Op 3 mei 2009 diende klager een confirmatief verzoek in bij het secretariaat-generaal van de Commissie. Hij vestigde de aandacht van de Commissie op het feit dat in 2006 een eerdere inleidende brief van de Commissie over de inbreukprocedure in kwestie was gepubliceerd op de website van het Deense ministerie van Milieu. Hij vroeg de Commissie ook of er een verzoek van de Deense autoriteiten was om de inleidende brief waarom hij in 2009 had verzocht, niet openbaar te maken. Klager heeft nooit een antwoord op zijn confirmatief verzoek ontvangen.

Onderwerp van het onderzoek

8. Op 5 oktober 2010 opende de Ombudsman een onderzoek naar de volgende aantijgingen en vorderingen.

Beschuldigingen

1. De Commissie heeft niet geantwoord op het confirmatief verzoek van klager van 3 mei 2009.

2. De Commissie heeft klager niet uitgelegd waarom zij, na een nieuwe praktijk in 2006, opnieuw een restrictieve praktijk heeft ingevoerd met betrekking tot de toegang van het publiek tot het openen van brieven aan lidstaten in inbreukprocedures.

3. De Commissie heeft klager niet meegedeeld of de Deense autoriteiten hem hadden verzocht de toegang van het publiek tot de openingsbrieven en de bijlagen daarbij te weigeren.

Vorderingen

1. De Commissie moet reageren op de verzoeken in de bovenstaande beweringen.

2. De Commissie zou de invoering van de in 2006 vastgestelde praktijk moeten heroverwegen, zodat het publiek meer toegang heeft tot aan de lidstaten gerichte openingsbrieven.

Het onderzoek

9. Op 9 maart 2011 heeft de Commissie haar advies over de klacht uitgebracht. De Ombudsman heeft het advies doorgestuurd naar klager, die er op 19 april 2011 zijn opmerkingen over heeft ingediend.

10. Voordat de Commissie op 9 maart 2011 bovengenoemd advies toezond, zond klager een kopie van het antwoord dat hij uiteindelijk ontving in antwoord op zijn confirmatief verzoek. Het antwoord van de Commissie wordt hieronder samengevat.

Beoordeling door de Ombudsman

Opmerkingen vooraf

Deze zaak is vergelijkbaar met een andere zaak voor de Ombudsman.

11. De Ombudsman merkt op dat zijn huidige ontwerpaanbevelingen betrekking hebben op een belangrijke kwestie die sterk lijkt op die welke in een andere zaak aan de orde is gesteld, namelijk zaak 2207/2010/PB. Klager en de Commissie zijn op de hoogte van dit feit. De beoordelingen van de Ombudsman in beide zaken worden gecoördineerd en de ontwerpaanbevelingen voor beide zaken worden op dezelfde dag aangenomen.

12. In het onderhavige geval komen de gemeenschappelijke kwesties tot uiting in de tweede bewering, die nuttig kan worden onderzocht aan de hand van de volgende drie rubrieken: "Het bestaan van een nieuwe praktijk vanaf 2006"; "De redenen voor de intrekking van de nieuwe praktijk"; "Systeemkwesties in verband met de niet-openbaarmaking van inbreukdocumenten".

13. Alvorens deze kwesties te beoordelen, zal de Ombudsman de eerste en de derde bewering afzonderlijk onderzoeken.

Antwoord van de Commissie op het confirmatief verzoek van klager

14. Zoals in punt 10 hierboven is opgemerkt, deelde klager de Ombudsman na de inleiding van het onderzoek, maar voordat de Commissie haar advies indiende, mee dat de Commissie op zijn confirmatief verzoek had geantwoord. Het antwoord en een bijbehorende verklaring in het advies van de Commissie worden hieronder samengevat.

15. In haar gedetailleerde antwoord aan klager weigerde de Commissie toegang te verlenen tot het betrokken document.

16. Eerst bood zij haar excuses aan voor de laattijdige registratie en behandeling van het confirmatief verzoek van klager. Zij verklaarde dat een grondige controle van de relevante e-mailaccounts was uitgevoerd en merkte op dat het feit dat de e-mail van klager met het confirmatief verzoek niet in de binnenkomende e-mails was opgenomen, te wijten leek te zijn aan een technisch probleem in het systeem van de Commissie.

17. Vervolgens heeft de Commissie de context en het voorwerp van het confirmatief verzoek benadrukt. Zij heeft uitgelegd dat zij Denemarken op 2 februari 2009 een aanmaningsbrief had gestuurd in het kader van de desbetreffende inbreukprocedure (2006/2134). Deze procedure betrof de vermeende onverenigbaarheid van de Deense wetgeving met de vogelrichtlijn van de Unie 79/409 (zoals gewijzigd). De inbreukprocedure liep nog. Klager was ook klager met betrekking tot de zojuist genoemde inhoudelijke kwestie (inbreukklacht nr. 2007/4437) en werd op 7 juli 2010 op de hoogte gebracht van de stand van zaken van het onderzoek van de Commissie.

18. Onder de titel "Verdrag van Aarhus" verklaarde de Commissie vervolgens dat klager in zijn confirmatief verzoek had verzocht om behandeling van het verzoek overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie. De Commissie wees erop dat deze richtlijn, die een deel van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus ten uitvoer legt, gericht is tot de lidstaten en derhalve niet van toepassing is op het confirmatief verzoek van de klager.

19. De Commissie verwees vervolgens naar andere wetgeving, Verordening (EG) nr. 1367/2006 [4], waardoor sommige bepalingen van het Verdrag van Aarhus bindend zijn voor de EU-instellingen. De Commissie merkte op dat in Verordening (EG) nr. 1367/2006 uitdrukkelijk is bepaald dat de definitie van "document" in Verordening (EG) nr. 1049/2001 [5] milieu-informatie omvat zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1367/2006. Artikel 3 bepaalt dat Verordening (EG) nr. 1049/2001 van toepassing is op elk verzoek om toegang tot milieu-informatie waarover de EU-instellingen beschikken. In het licht van het voorgaande heeft de Commissie geconcludeerd dat het document waartoe klager in de onderhavige zaak om toegang van het publiek heeft verzocht, milieu-informatie bevat en dat derhalve zowel Verordening (EG) nr. 1367/2006 als Verordening (EG) nr. 1049/2001 van toepassing zijn.

20. De Commissie ging ook in op de specifieke vraag of in de onderhavige zaak toegang van het publiek kon worden verleend. De negatieve conclusie van de Commissie was gebaseerd op de volgende overwegingen.

21. De in artikel 258 VWEU bedoelde niet-nakomingsprocedure omvat twee fasen, namelijk de administratieve fase en de gerechtelijke fase. De administratieve fase heeft ten eerste tot doel de betrokken lidstaat in de gelegenheid te stellen een einde te maken aan de schending van het Verdrag, ten tweede de lidstaat het recht te verlenen om te worden gehoord, en ten derde de omvang van het geschil te bepalen ingeval de zaak aan het Hof wordt voorgelegd.

22. Aanmaningsbrieven vormen de eerste stap in de administratieve procedure. In dergelijke brieven verzoekt de Commissie de lidstaat zijn opmerkingen over de concrete beweringen kenbaar te maken en dit binnen een bepaalde termijn te doen. In de bovengenoemde aanvullende brief worden de mogelijke inbreuken vermeld waarvan de Commissie kennis heeft gekregen door aanvullende klachten van burgers over inbreuken, alsook door haar onderzoek van de wetgeving en verdere informatie die Denemarken heeft verstrekt.

23. Het voornemen van de Commissie om een aanvullende aanmaningsbrief te sturen was Denemarken het recht te verlenen om te worden gehoord, voordat zij besloot over te gaan tot de volgende stap.

24. De Commissie deelde klager vervolgens mee dat zij, aangezien de inbreukprocedure nog liep, het publiek geen toegang kon verlenen tot de aanvullende aanmaningsbrief. Zij baseerde haar besluit op artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001, waarin het volgende is bepaald: "De instellingen weigeren de toegang tot een document wanneer de openbaarmaking ervan afbreuk zou doen aan de bescherming van: [...] - het doel van inspecties, onderzoeken en audits".

25. De Commissie heeft uitgelegd dat, om haar taak als hoedster van de Verdragen te vervullen en een oplossing voor inbreuken te vinden zonder gerechtelijke stappen te hoeven ondernemen, een klimaat van wederzijds vertrouwen tussen haarzelf en Denemarken moest worden gehandhaafd gedurende de verschillende fasen van de procedure, tot het moment waarop de zaak was afgerond.

26. Indien het document in kwestie openbaar was gemaakt op het moment dat klager erom vroeg en dus op een moment in de procedure waarop de zaak nog niet was afgerond, zou dit een negatief effect hebben gehad op de beraadslagingen tussen de Deense autoriteiten en de Commissie. Dit zou op zijn beurt de kans op een minnelijke schikking hebben verkleind, bij voorkeur zonder dat de zaak aanhangig hoeft te worden gemaakt bij het Hof van Justitie. De openbaarmaking van het document zou dus duidelijk afbreuk hebben gedaan aan het doel van het onderzoek van inbreukprocedure 2006/2134.

27. Deze uitlegging is bevestigd door het Gerecht van eerste aanleg [thans het Gerecht], in de zaak Petrie [6]:

"Zoals het Hof in punt 63 van zijn arrest WWF [...] heeft opgemerkt, mogen de lidstaten van de Commissie verlangen dat zij de vertrouwelijkheid waarborgt tijdens onderzoeken die tot een niet-nakomingsprocedure kunnen leiden. Dit vertrouwelijkheidsvereiste blijft ook gelden nadat de zaak bij het Hof van Justitie aanhangig is gemaakt, op grond dat niet kan worden uitgesloten dat de besprekingen tussen de Commissie en de betrokken lidstaat over de vrijwillige naleving van de Verdragsvereisten door deze laatste tijdens de gerechtelijke procedure en tot aan de uitspraak van het arrest van het Hof van Justitie kunnen worden voortgezet. Het behoud van deze doelstelling, namelijk een minnelijke schikking van het geschil tussen de Commissie en de betrokken lidstaat voordat het Hof arrest heeft gewezen, rechtvaardigt de weigering van toegang tot de aanmaningsbrieven en met redenen omklede adviezen die zijn opgesteld in het kader van de procedure van artikel 226 EG ter bescherming van het openbaar belang inzake inspecties, onderzoeken en gerechtelijke procedures, die tot de eerste categorie uitzonderingen van beschikking 94/90 behoort."

28. De Commissie wees er voorts op dat het Hof van Justitie, toen het bovengenoemde bepaling van Verordening (EG) nr. 1049/2001 in een recenter arrest [7] uitlegde, de nadruk legde op het bilaterale karakter van de administratieve procedure tussen de Commissie en een lidstaat. Het Hof van Justitie oordeelde dat "de belanghebbenden, met uitzondering van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de toekenning van de steun, in het kader van de procedure voor het toezicht op staatssteun niet het recht hebben om de documenten in het administratieve dossier van de Commissie te raadplegen. Met deze omstandigheid moet rekening worden gehouden bij de uitlegging van de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001. Indien deze belanghebbenden op grond van verordening nr. 1049/2001 toegang zouden kunnen krijgen tot de documenten in het administratieve dossier van de Commissie, zou het stelsel van toezicht op staatssteun ter discussie worden gesteld."

29. Net als de procedure voor de toetsing van staatssteun zijn inbreukprocedures op grond van artikel 258 VWEU een bilaterale aangelegenheid, waarin het standpunt van de Commissie uitsluitend tot de betrokken lidstaat is gericht. De hierboven aangehaalde uitlegging van het Hof is dus rechtstreeks van toepassing op deze niet-nakomingsprocedures.

30. De Commissie ging vervolgens in op de kwestie van gedeeltelijke toegang en merkte op dat dergelijke toegang niet kon worden verleend. De reden hiervoor was dat het betrokken document volledig onder de door de Commissie ingeroepen uitzondering viel.

31. De Commissie ging vervolgens in op de kwestie van het "hoger openbaar belang" en merkte op dat, volgens Verordening 1049/2001, de uitzondering waarop zij zich beroept niet van toepassing is indien er een zogenaamd "hoger openbaar belang" openbaarmaking gebiedt. De Commissie wees erop dat een dergelijk belang in de eerste plaats "openbaar"moet zijn en in de tweede plaats groter moet zijn dan de schade die openbaarmaking zal veroorzaken.

32. De Commissie merkte op dat, overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1367/2006 "met betrekking tot artikel 4, lid 2, eerste en derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001, met uitzondering van onderzoeken, met name naar mogelijke inbreuken op het Gemeenschapsrecht, een hoger openbaar belang bij openbaarmaking wordt geacht te bestaan wanneer de gevraagde informatie betrekking heeft op emissies in het milieu. Wat de andere uitzonderingen van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 betreft, worden de weigeringsgronden restrictief uitgelegd, rekening houdend met het openbaar belang dat met openbaarmaking wordt gediend en met de vraag of de gevraagde informatie betrekking heeft op emissies in het milieu."

33. De Commissie wees erop dat het door klager gevraagde document geen informatie over emissies bevatte. Bovendien heeft zij opgemerkt dat, zelfs indien het document dergelijke informatie zou bevatten, het hoger openbaar belang dat openbaarmaking gebiedt als bedoeld in voornoemd artikel, niet van toepassing zou zijn omdat het document deel uitmaakt van een onderzoek naar mogelijke schendingen van het Unierecht.

34. Ten slotte legde de Commissie klager uit dat het feit dat haar onderzoek was gebaseerd op een door hem ingediende inbreukklacht hem juridisch gezien niet de status van "partij" in de procedure verleende. Klager had derhalve geen ruimere rechten op toegang tot de onderzoeksdocumenten dan andere burgers.

35. In zijn e-mail waarin hij het in de voorgaande punten samengevatte besluit van de Commissie toezendt, benadrukte klager dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de eerder genoemde meer open praktijk.

36. In haar daaropvolgende advies over de klacht bij de Ombudsman deelde de Commissie klager en de Ombudsman mee dat "[w]anneer de inbreukprocedure inmiddels is afgesloten, de Commissie dit besluit heeft heroverwogen en nu het gevraagde document openbaar maakt".

A. Vermeende niet-beantwoording van het confirmatief verzoek van klager van 3 mei 2009

Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten

37. In haar advies verklaarde de Commissie dat zij geen verklaring had voor het feit dat het verzoek van klager niet in de elektronische mailbox voor verzoeken om toegang tot documenten terechtkwam. Het secretariaat-generaal van de Commissie was niet op de hoogte van zijn verzoek. Klager heeft de aandacht van de Commissie niet gevestigd op het feit dat hij geen feedback over zijn aanvraag heeft ontvangen en geruime tijd heeft gewacht alvorens een klacht in te dienen bij de Ombudsman. De Commissie heeft haar bezorgdheid geuit over deze uitzonderlijke en onverklaarbare gebeurtenis. In deze bijzondere omstandigheden was de Commissie van mening dat dit niet als wanbeheer moest worden behandeld. De aanvraag werd onmiddellijk geregistreerd en onderzocht zodra de Commissie van het bestaan ervan op de hoogte was.

38. In zijn opmerkingen over dit deel van het standpunt van de Commissie maakte klager de volgende opmerkingen.

39. Na zijn eerste e-mail aan de secretaris-generaal van de Commissie heeft hij twee e-mails ontvangen. Hij zag deze retourmails als een duidelijke aanwijzing dat de Commissie zijn e-mail inderdaad had ontvangen. Klager heeft kopieën van deze retour-e-mails bijgevoegd. De eerste bevatte de volgende informatie [8]:

"Uw bericht

Aan: SG TOEGANGSDOCUMENTEN; [naam van de ambtenaar] (ENV)

Betreft: Ønske om aktindsigt i en supplerende Abningsskrivelse til
Danmark vedrørende 79/409 EF, Fugledirektivet [verzoek om toegang van het publiek in een aanmaningsbrief aan Denemarken betreffende 79/409/EG, vogelrichtlijn]
verzonden: zo, 3 mei 2009 08:11:16 +0200

is verwijderd zonder te worden gelezen op Zon, 3 Mei 2009 19:42:17 +0200

Eindontvanger: RFC822; [e-mailadres van de ambtenaar]

Beschikking: automatische actie/MDN-verzonden-automatisch; verwijderde
X-MSExch-Correlation-Key: DNaAepq040iQ2ChA+6XFmg==
Origineel-bericht-ID: <4 9FD3584.60704083vip¦cvbercitv.dk>

Er is geen virus gevonden in dit inkomende bericht.
Gecontroleerd door AVG - www.avg.com

Versie: 8.0.238 / Virusdatabase: 270.12.15/2093 - Datum van uitgave: 05/02/09
14:23:00".

40. De tweede retour e-mail bevatte de volgende informatie:

Betreft: Lees: Ønske om aktindsigt i en supplerende âbningsskrivelse til Danmark vedrarende 79/409 E0F, Fugledirektivet [verzoek om toegang van het publiek in een aanmaningsbrief aan Denemarken betreffende 79/409/EG, vogelrichtlijn]

van: <[officiële naam]

Datum: ma, 4 mei 2009 07:05:17 +0200

Aan: <[naam van de klager]>

Uw bericht

Aan: SG ACCES DOCUMENTEN ; [naam van de ambtenaar](ENV)

Betreft: Ønske om aktindsigt i en supplerende Abningsskrivelse til
Danmark vedrArende 7 9/4 0 9 EAF/ Fugledirektivet [verzoek om toegang van het publiek in een aanmaningsbrief aan Denemarken betreffende 79/409/EG, vogelrichtlijn]

Verzonden: zo, 3 mei 2009 08:11:16 +0200

is gelezen op ma, 4 mei 2009 07:05:17 +0200

Eindontvanger: RFC822; [e-mailadres van de ambtenaar]

Beschikking: automatische actie/MDN-verzonden-automatisch; weergegeven
X-MSExch-Correlation-Key: cAeilpOLj UKeHyRbYrx07A==
Origineel-bericht-ID: <49FD3584 . 607 04 08(3vip. cybercity. dk>

Er is geen virus gevonden in dit inkomende bericht.
Gecontroleerd door AVG -

Versie: 8.0.238 / Virusdatabase: 270.12.15/2093 - Datum van uitgave: 05/02/09
14:23:00

41. Klager gaf aan dat hij in het licht van deze e-mails over terugkeer, en omdat hij van mening was dat de behandeling van de zaak door de secretaris-generaal veel tijd in beslag kon nemen, aanvankelijk niet klaagde over de trage behandeling van zijn confirmatief verzoek.

Beoordeling door de Ombudsman

42. De Ombudsman merkt op dat de Commissie een speciale functionele elektronische mailbox onderhoudt die is ontworpen om de efficiënte behandeling van verzoeken om toegang van het publiek te vergemakkelijken (sg-acc-doc@ec.europa.eu). Het lijkt erop dat klager in deze zaak zijn confirmatief verzoek van 3 mei 2009 naar die mailbox heeft gestuurd. In haar advies over de onderhavige klacht heeft de Commissie haar ongenoegen geuit over het feit dat het confirmatief verzoek niet was geïdentificeerd. Zij was van mening dat, aangezien niemand van het confirmatief verzoek op de hoogte was, het feit dat het niet was behandeld, niet als een geval van wanbeheer kon worden beschouwd.

43. De Ombudsman deelt de verbijstering van de Commissie. In zijn opmerkingen heeft klager kopieën bijgevoegd van twee e-mails van de Commissie, die beide kennelijk in antwoord op zijn confirmatief verzoek zijn verzonden. Terwijl in de eerste retoure-mail werd vermeld dat de e-mail van klager was "verwijderd zonder te worden gelezen", werd in de tweede aangegeven dat de e-mail "was gelezen op ma 4 mei 2009...". In deze omstandigheden kon klager redelijkerwijs aannemen dat de Commissie zijn verzoek behandelde.

44. De Ombudsman is van mening dat de informatie met betrekking tot dit deel van de zaak niet hoeft te leiden tot een formele vaststelling van wanbeheer. De Ombudsman onderstreept dat de relatie van zijn instelling met de andere instellingen wordt beheerst door wederzijds vertrouwen. Hij heeft derhalve geen reden om aan te nemen dat de Commissie, toen zij de onderhavige klacht onderzocht en haar advies opstelde, op de hoogte was van de twee e-mails die klager bij zijn bovengenoemde correspondentie had gevoegd.

45. Bovendien merkt de Ombudsman op dat het niet behandelen van het confirmatief verzoek van klager in de onderhavige zaak een secundaire kwestie is, die voornamelijk betrekking heeft op de kwestie die in verband met de tweede bewering is onderzocht.

46. De Ombudsman verzoekt de Commissie niettemin informatie te verstrekken over het resultaat van haar onderzoek naar de kwestie van wat er met de bovengenoemde correspondentie is gebeurd.

B. Bewering dat klager niet is ingelicht over de vraag of de Deense autoriteiten de Commissie hadden verzocht de toegang van het publiek te weigeren

Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten

47. Klager beweerde dat de Commissie hem niet had meegedeeld of de Deense autoriteiten haar hadden verzocht de toegang van het publiek tot de openingsbrieven en de bijlagen daarbij te weigeren.

48. In haar advies heeft de Commissie verklaard dat, aangezien de documenten documenten van de Commissie zijn, de Deense autoriteiten niet zijn geraadpleegd over de openbaarmaking ervan. Zij verwees naar artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1049/2001, op grond waarvan de lidstaten de Commissie alleen kunnen verzoeken geen van hen afkomstige documenten openbaar te maken.

49. In zijn opmerkingen heeft klager geen verdere opmerkingen over dit aspect van de zaak gemaakt.

Beoordeling door de Ombudsman

50. Uit het standpunt van de Commissie blijkt dat het antwoord op de vraag van klager negatief is. De Ombudsman bevestigt bovendien dat de Commissie in haar in punt 48 hierboven weergegeven redenering het recht nauwkeurig uiteenzet.

51. In het licht van het voorgaande en het ontbreken van opmerkingen over deze kwestie in de opmerkingen van klager concludeert de Ombudsman dat er geen redenen zijn voor verder onderzoek.

C. Bewering dat niet is uitgelegd waarom de Commissie na een nieuwe praktijk in 2006 opnieuw een restrictieve praktijk heeft ingevoerd met betrekking tot de toegang van het publiek tot aan de lidstaten gerichte openingsbrieven in inbreukprocedures en daarmee verband houdende vorderingen

De kortstondige nieuwe praktijk

52. Deze kwestie vereist een beoordeling die openhartig en vrij van semantische overwegingen is. Een definitie van de term 'praktijk' is noch nuttig, noch noodzakelijk. Op basis van het in punt 3 hierboven genoemde beschikbare bewijsmateriaal is het duidelijk dat het DG Milieu van de Commissie op een bepaald moment systematisch is gestopt met het volgen van de gebruikelijke aanpak van de Commissie om het publiek geen toegang te verlenen tot het inleiden van brieven in inbreukprocedures met betrekking tot zijn eigen specifieke werkterrein. Het is niet duidelijk waarom dit is gebeurd en de mogelijke verklaringen zijn in ieder geval niet nodig voor het onderhavige deel van de beoordeling. Vervolgens hebben de verantwoordelijke personen binnen de Commissie de aanpak van DG Milieu in overeenstemming gebracht met de bovengenoemde gebruikelijke aanpak. Dit is in wezen wat de Commissie in haar advies heeft verklaard toen zij verklaarde dat "[o]n verdere bespreking na intern debat, in 2009, DG Milieu zijn aanpak opnieuw in overeenstemming heeft gebracht met de algemene aanpak van de Commissie, die is gebaseerd op een vermoeden van niet-openbaarmaking, zoals bevestigd door de rechtspraak."

53. De Ombudsman begrijpt ten volle de teleurstelling van klager over het feit dat de Commissie zich niet openlijker en uitdrukkelijker heeft aangesloten bij zijn opvatting dat de bovengenoemde stappen van DG Milieu een nieuwe openbaarmakingspraktijk vormden, die door de Commissie als instelling werd goedgekeurd en formeel werd vastgesteld. Het is juist dat de Commissie eerst in haar correspondentie met klager en vervolgens voor de Ombudsman heeft geaarzeld om openlijk te erkennen dat DG Milieu een nieuwe benadering heeft uitgeprobeerd die bedoeld was om een regel te vormen. De Commissie had vanaf het begin meer openheid en openheid ten opzichte van klager kunnen tonen en had bepaalde niet erg empathische opmerkingen in haar standpunt kunnen vermijden die erop leken te wijzen dat klager eenvoudigweg verkeerd had begrepen wat er was gebeurd.

54. Tegelijkertijd merkt de Ombudsman ook op dat de bovengenoemde ontwikkeling belangrijke uiteenlopende standpunten binnen de Commissie aan het licht heeft gebracht over wat de meest doeltreffende benadering van openheid in inbreukprocedures is. Het spreekt vanzelf dat een dergelijke inconsistentie voor elke organisatie mogelijk gênant is en dat een aanvankelijke defensieve benadering, bedoeld om openheid over dat onderwerp te voorkomen, niet onnatuurlijk is. Het gemeenschappelijke begrip van openheid in het openbaar bestuur van de EU vereist echter dat de burger van meet af aan de waarheid wordt verteld. Dit is in casu niet gebeurd.

55. Bovendien durft de Ombudsman, gelet op de vertraging die zich bij de indiening van dat advies heeft voorgedaan, te concluderen dat de kwestie het onderwerp was van enige discussie, mogelijk zelfs discussie, binnen de Commissie. Nogmaals, dat is een teken van een normaal functionerende administratie. Het feit dat het standpunt van de Commissie nog openhartiger had kunnen zijn in haar uiteenzetting van de feiten en de bijbehorende conclusies doet niet af aan het feit dat de Commissie uiteindelijk de hierboven geciteerde informatie heeft verstrekt die de Ombudsman in staat heeft gesteld tot zijn desbetreffende feitelijke vaststelling te komen.

56. In het licht van het bovenstaande concludeert de Ombudsman dat het betreurenswaardig was dat de Commissie niet openlijker met klager heeft gesproken over de feitelijke en goed gedocumenteerde feiten met betrekking tot de nieuwe aanpak waarmee zijn DG Milieu heeft geëxperimenteerd. De Ombudsman acht het echter niet nodig in dit verband een formele, publieke kritische opmerking te maken.

De verklaringen die zijn gegeven voor het intrekken van de kortstondige nieuwe praktijk

57. Dit deel heeft specifiek betrekking op de specifieke kwestie van een intrekking van de praktijk waarvan klager werd verweten dat deze bestond.

58. De Ombudsman merkt op dat de Commissie de volgende juiste opmerkingen heeft gemaakt, aanvankelijk in haar communicatie met klager en vervolgens in haar advies.

59. Ten eerste sluit de EU-verordening betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden [9] de toepassing uit van het vermoeden van een hoger openbaar belang bij openbaarmaking van documenten wat inbreukprocedures betreft. Het belang van dit punt is dat het Verdrag van Aarhus in bepaalde omstandigheden voorziet in een vermoeden van een hoger openbaar belang bij de openbaarmaking van informatie.

60. Ten tweede bepalen de EU-regels inzake de toegang van het publiek tot documenten, zoals bevestigd door de rechtspraak, dat de specifieke documenten waartoe burgers toegang vragen, aan een individuele en concrete beoordeling moeten worden onderworpen. Volgens de rechtspraak kunnen de instellingen slechts bij wijze van uitzondering beslissen over de toegang van het publiek tot documenten op basis van categorieën documenten. Het zou daarom zeer problematisch zijn om tot de conclusie te komen dat de Commissie haar DG Milieu in de regel opdracht moet geven om inleidende brieven openbaar te maken.

61. In het licht van het bovenstaande kan de Ombudsman niet concluderen dat de beginselen van behoorlijk bestuur vereisen dat de Commissie de aanpak waarmee haar DG Milieu gedurende een korte periode heeft geëxperimenteerd, (her)introduceert.

Systemische problemen in verband met de niet-openbaarmaking van inbreukdocumenten

62. De fundamentele systemische kwestie die in de onderhavige zaak aan de orde is, is algemeen bekend. Het gaat erom of de eerbiediging van het EU-recht het best kan worden gewaarborgd door middel van een open handhavingsbeleid of door middel van een geheim beleid. De Commissie lijkt van mening te zijn dat dit laatste beleid de naleving van het EU-recht beter waarborgt. Klager is van mening dat het tegenovergestelde het geval is.

63. Het spreekt voor zich dat de Ombudsman zijn overwegingen heeft gebaseerd op het vermoeden dat alle relevante actoren, waaronder de Commissie en de klager, een gemeenschappelijke wens delen dat de handhaving van het EU-recht snel en doeltreffend verloopt. Bovendien valt niet te ontkennen dat de Commissie zeer belangrijke stappen heeft ondernomen om het niveau van openheid met betrekking tot afgesloten inbreukprocedures te verhogen. Zij heeft dit zelfs gedaan tot het punt van openbaarmaking van documenten van een lidstaat, ondanks de bezwaren van die lidstaat (zie zaak T-59/09, Duitsland/Commissie [10]). Het gaat hier om de vraag of, met betrekking tot lopende inbreukprocedures, het bovengenoemde gemeenschappelijke doel het best kan worden gewaarborgd door middel van geheimhouding of door middel van openheid.

64. De Europese Ombudsman is niet op de hoogte van gedetailleerd empirisch onderzoek naar de voor- of nadelen, voor de rechtsstaat en voor de naleving van het EU-recht, van een open of een geheim handhavingsbeleid. Het is echter algemeen bekend dat EU-lidstaten die over het algemeen een transparanter openbaar bestuur hebben, doorgaans ook een hoge mate van rechtsstaat en naleving van het EU-recht genieten. Het is ook opmerkelijk dat de internationaal erkende transparantieorganisatie Transparency International financieel wordt ondersteund door zowel publieke als private actoren van zeer verschillende aard. Transparantie als middel om de rechtsstaat beter te waarborgen is gebaseerd op een vermoeden dat in grote lijnen lijkt te worden gedeeld door zeer verschillende maatschappelijke actoren, waaronder machtige commerciële organisaties.

65. De Europese Commissie heeft een lange en diepgaande ervaring met de handhaving van het EU-recht. De Ombudsman neemt uiteraard zeer ernstig de zorgen die deze instelling kan hebben met betrekking tot de risico's die gepaard gaan met een grotere mate van openheid in verband met haar op het Verdrag gebaseerde taak om de Verdragen en de daaruit voortvloeiende wetgeving te bewaken. Als het inderdaad zo is dat de rechtsstaat in de EU zou worden geschaad als gevolg van een grotere transparantie in de handhavingsaanpak van de Commissie, zou het niet meer dan normaal zijn dat de Commissie kiest voor geheimhouding.

66. De Ombudsman merkt op dat de Europese Commissie en haar taken in de loop der tijd zijn geëvolueerd. Lange tijd stond de Commissie zeer "op zichzelf" om ervoor te zorgen dat de lidstaten het EU-recht (of het EEG-recht) naleefden. Zijn belangrijkste medespeler, het Hof van Justitie, was en blijft een orgaan dat naar zijn aard alleen kan optreden in antwoord op bij hem aanhangig gemaakte zaken. In een dergelijke context kan het vermoeden dat geheimhouding - sommigen zouden in de eerdere context in grote lijnen verwijzen naar diplomatie - de handhavingstaken van de Commissie beter zou dienen, inderdaad volkomen aannemelijk zijn.

67. De institutionele en maatschappelijke omgeving is echter veranderd. De EU heeft nu een sterk en volwassen Europees Parlement. Het heeft ook een gevestigd maatschappelijk middenveld dat actief is in de verschillende sectoren en kwesties die onder de beleidsvorming van de Unie vallen. Ook andere, iets minder zichtbare of bekende ontwikkelingen hebben zich voorgedaan, zoals, om er maar een te noemen, de oprichting van een Europees netwerk van ombudsmannen die het EU-recht toepassen.

68. Volgens de Ombudsman is het aannemelijk dat de overgrote meerderheid van dergelijke (historisch) recente EU-actoren, ondanks hun soms uiteenlopende oriëntaties, de bovengenoemde gemeenschappelijke wens delen om bij te dragen tot een sterke rechtsstaat in de EU. Het lijkt een even plausibele hervatting dat zij dat doel beter kunnen ondersteunen als zij meer kennis hebben van lopende EU-rechtshandhavingskwesties.

69. Toen hij dit onderzoek opende, stelde de Ombudsman de Commissie een aantal vragen over haar benadering van de toegang van het publiek tot documenten in verband met inbreukprocedures. Hij werd daartoe aangespoord door de inhoud van de correspondentie die de Commissie met klager had uitgewisseld. In haar advies heeft de Commissie deze vragen beantwoord, waarbij zij in wezen de verschillende benaderingen en argumenten heeft uiteengezet waarop zij zich wil baseren om openbaarmaking van documenten met betrekking tot lopende inbreukzaken te voorkomen. De Ombudsman is van mening dat dit onderzoek een goede gelegenheid biedt om enkele van de belangrijkste kwesties in verband met de toegang van het publiek tot documenten in verband met lopende inbreukprocedures aan te pakken.

70. Bovengenoemde benaderingen en argumenten kunnen als volgt worden samengevat.

71. Uitgangspunt is een algemeen vermoeden van niet-openbaarmaking. De Commissie verwijst in het algemeen naar" de jurisprudentie" over deze kwestie en in het bijzonder naar een relatief recente staatssteunzaak. Het algemene vermoeden vloeit voort uit het belang om het doel van inbreukprocedures te beschermen (artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001). Het door de Commissie gesignaleerde risico is dat van "onnodige externe druk" die volgens haar het doel van een inbreukprocedure waarschijnlijk in gevaar zou brengen.

72. Bovendien verwijst de Commissie naar vaste rechtspraak volgens welke de lidstaten het recht hebben van de Commissie te verlangen dat zij de vertrouwelijkheid in acht neemt bij onderzoeken die tot een niet-nakomingsprocedure kunnen leiden (arrest Petrie, punt 27 supra).

73. Naast het belang om het doel van het inbreukonderzoek te beschermen, betekent de mogelijkheid dat een lopend inbreukonderzoek aanleiding kan geven tot gerechtelijke procedures dat het belang om gerechtelijke procedures te beschermen op het spel staat. Volgens de Commissie zou dit belang op zich een reden zijn om documenten met betrekking tot lopende inbreukprocedures niet openbaar te maken.

74. Wat het algemene vermoeden van vertrouwelijkheid betreft, is de Ombudsman het ermee eens dat de rechtspraak van het Hof aanwijzingen bevat dat een dergelijk vermoeden bestaat. De Ombudsman is er echter niet volledig van overtuigd dat de specifieke rechtszaak waarnaar de Commissie verwees (het arrest Technische Glasswerke) een nuttige analogie is. In die zaak verwees het Hof naar "belanghebbenden "en een "systeem voor de toetsing van staatssteun". De Commissie heeft zelf vaak benadrukt dat burgers in het algemeen geen "belanghebbende partijen" zijn en dat de algemene inbreukprocedures (in de precontentieuze fase) bedoeld zijn als flexibele fora voor onderhandelingen tussen haarzelf en de betrokken lidstaat. Om dit te omschrijven als een "systeem" dat vergelijkbaar is met de specifieke regels voor de behandeling van staatssteunkwesties, lijkt niet overtuigend.

75. Recentere rechtspraak lijkt echter te verwijzen naar een algemeen vermoeden in de trant van wat de Commissie heeft willen aanvoeren. In zijn arrest van 14 februari 2012 heeft het Gerecht verklaard dat "[...] in de eerste plaats moet worden opgemerkt dat er, anders dan bij een nog lopende inbreukprocedure, geen algemeen vermoeden bestaat dat de openbaarmaking van uitwisselingen tussen de Commissie en een lidstaat in het kader van een afgesloten inbreukprocedure afbreuk zou doen aan het doel van de onderzoeken als bedoeld in artikel 4, lid 2, derde streepje, van Verordening (EG) nr. 1049/2001"[11]. Wat ook opvalt, is dat het vermoeden waarnaar het Gerecht heeft verwezen, verband houdt met de bepaling waarnaar in de aangehaalde passage wordt verwezen. Het lijkt geen verband te houden met een vermoeden dat is afgeleid van het bovengenoemde afzonderlijke, zij het daarmee samenhangende, recht van de lidstaat om vertrouwelijkheid van de Commissie te verwachten.

76. Hieruit volgt dat de Commissie terecht heeft verwezen naar "een vermoeden" op basis van genoemde bepaling. Wat de reikwijdte en de toepassing van dat vermoeden betreft, is de Ombudsman er echter niet van overtuigd dat de aanpak van de Commissie volledig in overeenstemming is met Verordening (EG) nr. 1049/2001 en de relevante jurisprudentie.

77. Volgens de Ombudsman is het algemene vermoeden waarnaar het Gerecht verwijst, een vermoeden dat als uitgangspunt dient en dat hoogstens de intellectuele en administratieve lasten van de Commissie vermindert door aan personen die om documenten verzoeken uit te leggen waarom openbaarmaking niet kan worden toegestaan. Zo kan de Commissie bijvoorbeeld verwijzen naar "standaard"-, zij het nauwkeurige, verklaringen voor niet-openbaarmaking.

78. Bovendien kan de Ombudsman alleen het vermoeden begrijpen dat van toepassing is in "eenvoudige" situaties, dat wil zeggen wanneer het inbreukonderzoek niet wordt gekenmerkt door uitzonderlijke omstandigheden en de lidstaat zelf nog niet betrokken is geraakt bij de kwestie van de mogelijke openbaarmaking van documenten.

79. Ten slotte wijst de Ombudsman erop dat de kwestie van de toegang van het publiek tot documenten in lopende inbreukprocedures moet worden gekenmerkt door een minimum aan gelijkheid tussen de twee betrokken partijen, namelijk de Commissie en de lidstaten. In bovengenoemd arrest Duitsland/Commissie heeft het Gerecht met betrekking tot de redenen die de lidstaten moeten geven wanneer zij zich tegen openbaarmaking verzetten, benadrukt dat de bekende basisvereisten betreffende de redenen voor niet-openbaarmaking van toepassing zijn. Dit betekent dat de redenen "van specifieke aard moeten zijn en dat het risico dat een beschermd belang wordt geschaad, redelijkerwijs voorzienbaar en niet louter hypothetisch moet zijn". Deze vereisten moeten derhalve ook gelden voor de mogelijke standaardverklaringen van de Commissie waarnaar in punt 77 hierboven wordt verwezen.

80. In het kader van dit onderzoek heeft de Commissie een formulering gebruikt die zij als standaardverklaring lijkt te willen gebruiken voor de toepassing van de uitzondering van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001. Openbaarmaking zou waarschijnlijk "ongepaste externe druk"veroorzaken.

81. De Ombudsman is er niet van overtuigd dat deze formulering voldoende voldoet aan de in punt 79 genoemde vereisten. De uitdrukking kan volstaan als de Commissie ook in standaardvorm zou kunnen verwijzen naar ervaringen uit het verleden die het verwachte risico duidelijk geloofwaardig zouden maken.

82. De Ombudsman is ook bezorgd dat, wanneer het begrip "ongepaste externe druk"niet wordt gedefinieerd, het grote publiek de indruk kan wekken dat de Commissie in wezen wil verwijzen naar pogingen van leden van het maatschappelijk middenveld of zelfs beleidsmakers van de overheid om tijdens het inbreukonderzoek hun standpunten naar voren te brengen met betrekking tot de kwesties die het voorwerp zijn van het inbreukonderzoek in kwestie.

83. In het licht van het voorgaande zal de Ombudsman hieronder een gerelateerde ontwerpaanbeveling doen, die vergezeld zal gaan van een verdere aanbeveling met betrekking tot toekomstige individuele verzoeken om toegang van het publiek tot documenten in verband met lopende inbreukprocedures.

84. Met betrekking tot de tweede reden die de Commissie hierboven heeft genoemd, namelijk de vaste rechtspraak (Petrie), waarin het recht van de lidstaten wordt erkend om van de Commissie te verwachten dat zij de vertrouwelijkheid in acht neemt met betrekking tot onderzoeken die tot inbreukprocedures kunnen leiden, merkt de Ombudsman op dat de desbetreffende rechtspraak geldig lijkt te blijven (zie bijvoorbeeld de zaken waarnaar wordt verwezen in het arrest in zaak API/Commissie [12], punten 120-121). Omdat de Commissie echter vaak een brede benadering heeft gevolgd om openbaarmaking te weigeren, achtte de Ombudsman het met een beroep op het arrest Petrie noodzakelijk om de benadering van de Commissie te onderzoeken wanneer de lidstaat zelf zich niet tegen openbaarmaking verzet of deze zelfs volledig passend acht. In dergelijke gevallen wijst het antwoord van de Commissie, dat ook in haar advies over de onderhavige klacht is overgenomen, erop dat waarschijnlijk twee andere uitzonderingen van toepassing zouden zijn, namelijk de waarschijnlijke schade aan het doel van onderzoeken (hierboven besproken) en de waarschijnlijke schade aan gerechtelijke procedures (zie hieronder).

85. De Ombudsman, wiens mandaat hem verplicht om de systemische gevolgen van de aan hem voorgelegde kwesties te onderzoeken, kan niet concluderen dat de kwestie adequaat is behandeld, ook al kunnen deze twee uitzonderingen rechtsgeldig worden ingeroepen. De reden hiervoor is een kwestie waarnaar de klagers in zaak 2207/2010/PB verwijzen, namelijk dat een lidstaat die geen beleidsmatige of juridische bezwaren zou hebben tegen de openbaarmaking van een document met betrekking tot een lopend inbreukonderzoek, zeer terughoudend kan zijn om het document daadwerkelijk openbaar te maken als de Commissie haar meedeelt dat het beter zou zijn het vertrouwelijk te houden. Anders gezegd, er bestaat in een dergelijk geval een ernstig risico dat de burger met een zeer ongelukkige "merry-go-round"-situatie wordt geconfronteerd.

86. De Ombudsman is er niet van overtuigd dat in dergelijke situaties een passende mate van transparantie is gewaarborgd. Het is belangrijk deze kwestie aan te pakken, met name omdat de recente rechtspraak het niveau van transparantie dat van toepassing is op de tegenovergestelde situatie, waarin het de lidstaat is die de Commissie verzoekt geen documenten openbaar te maken [13], aanzienlijk heeft verhoogd.

87. De Ombudsman zal de Commissie dan ook aanbevelen maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat personen die toegang willen aanvragen tot documenten in verband met lopende inbreukprocedures, een passende mate van transparantie wordt gewaarborgd met betrekking tot de achtergrond van een mogelijke weigering van openbaarmaking, namelijk het standpunt van de betrokken lidstaat.

88. Met betrekking tot het standpunt van de Commissie dat openbaarmaking van documenten in verband met lopende inbreukprocedures schade kan berokkenen aan gerechtelijke procedures omdat de administratieve fase van de inbreukprocedure aanleiding kan geven tot een rechtszaak, kan de Ombudsman alleen opmerken dat de Commissie dit standpunt niet in detail heeft toegelicht. De Ombudsman is niet op de hoogte van beginselen, regels of jurisprudentie die het argument duidelijk geloofwaardig maken. Hij kan dus niet ingaan op het standpunt van de Commissie, maar kan de Commissie er alleen aan herinneren dat zij, indien zij dit argument wil aanvoeren in antwoord op bepaalde verzoeken om toegang van het publiek tot documenten, volgens de rechtspraak concreet en niet-hypothetisch moet uitleggen waarom het argument geldig is.

B. De ontwerpaanbevelingen

Op basis van zijn onderzoek naar deze klacht doet de Ombudsman de volgende ontwerpaanbevelingen aan de Europese Commissie:

Wanneer de Commissie verzoeken om toegang van het publiek tot documenten in verband met lopende inbreukprocedures ontvangt, moet zij de betrokken lidstaat systematisch raadplegen om zich uit te spreken over de vraag of zij haar recht op vertrouwelijkheid als bedoeld in de rechtspraak ter zake wenst te handhaven. De schriftelijke correspondentie over de raadpleging moet in de regel openbaar zijn.

De Commissie moet, telkens wanneer een lidstaat haar raadpleegt over de mogelijke openbaarmaking van documenten in verband met lopende inbreukprocedures, en in geval van een negatief advies, een antwoord indienen dat voldoet aan de normen die nu van de lidstaten worden verlangd wanneer zij de Commissie aanbevelen een document niet openbaar te maken. In dit verband beveelt de Ombudsman aan dat het antwoord van de Commissie in de regel als openbaar wordt aangemerkt.

De Commissie moet in het onderhavige geval en, in het algemeen, bij de behandeling van verzoeken om toegang, de aanvragers uitleggen wat zij bedoelt met de uitdrukking "ongepaste externe druk"die wordt gebruikt om de bescherming van het doel van onderzoeken in te roepen als basis voor het niet openbaar maken van documenten met betrekking tot lopende inbreukprocedures. De Commissie moet met name uitleggen naar wat voor potentiële externe actoren zij wenst te verwijzen en wat zij bedoelt met “ongepaste” en “druk”.

Bovendien moet de Commissie bij de voorbereiding van haar antwoord op de onderhavige ontwerpaanbevelingen onderzoeken of zij over concrete informatie beschikt over specifieke voorbeelden van voorgenomen of onbedoelde openbaarmaking van documenten met betrekking tot lopende inbreukprocedures die duidelijk hebben geleid tot schade aan het doel van de betrokken onderzoeken, in de restrictieve zin van die term in Verordening 1049/2001. Zij moet dergelijke informatie verstrekken in haar antwoord en kopieën van alle relevante documentatie verstrekken.

De Commissie en de klager zullen van deze ontwerpaanbevelingen in kennis worden gesteld. Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het Statuut van de Europese Ombudsman zendt de Commissie uiterlijk op 31 oktober 2012 een omstandig advies toe. Het uitvoerig gemotiveerde advies kan bestaan uit de aanvaarding van de ontwerpaanbevelingen en een beschrijving van de wijze waarop deze zijn uitgevoerd.

Tot slot zou de Ombudsman, onder verwijzing naar de feitelijke bevindingen van de Ombudsman met betrekking tot de eerste bewering (paragrafen 42-46), het op prijs stellen als de Commissie zich zou kunnen buigen over de vraag wat er met de e-mails van klager in kwestie is gebeurd. De Ombudsman voegt daartoe een kopie van de opmerkingen van klager bij.

 

P. Nikiforos Diamandouros

Gedaan te Straatsburg op 18 juli 2012


[1] Besluit van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese Ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt (94/262/EGKS, EG, Euratom), PB L 113, blz. 15.

[2] http://www.ombudsman.europa.eu/nl/cases/decision.faces/nl/4390/html.bookmark

[3] Zaak T-191/99, Petrie e.a./Commissie, Jurispr. 2001, blz. II-3677.

[4] Verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB 2006, L 264, blz. 13).

[5] Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).

[6] Arrest Petrie/Commissie, aangehaald in voetnoot 4, punt 68.

[7] Zaak C-139/07 P, Commissie/Technische Glaswerke Ilmenau, Jurispr. 2010, blz. I-5885, punt 58.

[8] De vierkante haken in de tekst van de hieronder geciteerde berichten vervangen persoonsgegevens of bevatten een vertaling van de tekst die door de diensten van de Ombudsman is verstrekt.

[9] Verordening nr. 1367/2006, aangehaald in voetnoot 5.

[10] Arrest van het Gerecht van 14 februari 2012, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.

[11] Arrest Duitsland/Commissie, aangehaald in voetnoot 10, punt 78, cursivering van mij.

[12] Zaak T-36/04, API/Commissie, Jurispr. 2007, blz. II-3201.

[13] Zie zaak C-64/05 P, Zweden/Commissie, arrest van 18 december 2007, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie; en zaak T-59/09, Duitsland/Commissie, arrest van het Gerecht van 14 februari 2012, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!