FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van het onderzoek naar klacht 2041/2014/DK tegen de Europese Commissie betreffende de overdracht van pensioenrechten

De zaak betrof het besluit van de Commissie om haar oorspronkelijke voorstel betreffende de overdracht van de pensioenrechten van klager, verworven in de pensioenregeling van het VK, naar de pensioenregeling van de EU te wijzigen.

De Commissie voerde aan dat zij haar oorspronkelijke voorstel moest wijzigen, aangezien het gebaseerd was op algemene uitvoeringsbepalingen die al verouderd waren op het moment dat haar voorstel werd ingediend. Het herziene voorstel van de Commissie, dat minder gunstig was voor klager, was gebaseerd op de herziene algemene uitvoeringsbepalingen die op de datum van het oorspronkelijke voorstel reeds van kracht waren. Klager voerde aan dat de Commissie haar eerste voorstel dat hij reeds had aanvaard, moest honoreren.

De Ombudsman onderzocht de kwestie en stelde vast dat het Gerecht had geoordeeld dat de Commissie wettelijk niet verplicht was voorstellen te doen voor de overdracht van buiten de pensioenregeling van de Unie verworven pensioenrechten en dat de werkelijke waarde van dergelijke overgedragen pensioenrechten pas na de overdracht kon worden vastgesteld. In feite was dit een door de Commissie vastgestelde praktijk om haar ambtenaren eenvoudigweg beter te informeren over wat zij konden verwachten zodra zij daadwerkelijk hadden besloten om de overdracht van hun pensioenrechten naar de pensioenregeling van de EU aan te vragen.

De Ombudsman sloot de klacht derhalve af met de conclusie dat er geen sprake was van wanbeheer door de Commissie.

Achtergrond van de klacht

1. De klacht betreft een geschil tussen een ambtenaar van de Europese Commissie en de Commissie over de overdracht van de nationale pensioenrechten van klager aan de pensioenregeling van de instellingen van de Europese Unie (EU-pensioenregeling).

2. In december 2009 verzocht klager om overdracht van zijn in een van de lidstaten verworven pensioenrechten aan de pensioenregeling van de EU. In mei 2010 stelde de Commissie voor dat zijn pensioenrechten zouden worden omgezet in zes jaar en twee maanden pensioendienst in de pensioenregeling van de EU, en dat het resterendedeel van het over te dragen kapitaal (17 599,27 EUR) aan klager zou worden terugbetaald(het oorspronkelijke voorstel). Klager heeft het voorstel in juni 2010 aanvaard.

3. In mei 2011 deelde de Commissie klager mee dat zij verplicht was haar eerdere voorstel te herzien, aangezien het gebaseerd was op de eerdere algemene uitvoeringsbepalingen, die met ingang van 1 januari 2009 achterhaald waren[1]. Op basis van de nieuwe algemene uitvoeringsbepalingen (2011) heeft de Commissie een nieuw voorstel gedaan voor een periode van vijf jaar, zeven maanden en twaalf dagen, zonder aan de klager terug te betalen bedragen (herzien voorstel). Klager aanvaardde het herziene voorstel niet, aangezien hij van mening was dat de Commissie haar oorspronkelijke voorstel dat hij had aanvaard, had moeten honoreren. Nadat klager tevergeefs een klacht had ingediend bij de Commissie, wendde hij zich in juli 2013 tot de Ombudsman (klacht 1405/2013/DK).

4. De Ombudsman heeft een onderzoek geopend en het advies van de Commissie ingewonnen. De Commissie vestigde de aandacht op het feit dat er reeds 32 zaken met betrekking tot dezelfde kwestie bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie aanhangig waren[2] en vroeg zich af of het passend was dat de Ombudsman hierbij betrokken werd. De Ombudsman was van mening dat een klacht indienen bij de Ombudsman een grondrecht is op grond van het EU-recht, zoals blijkt uit artikel 43 van het Handvest van de grondrechten van de EU. Daarom moeten beperkingen van het recht om een klacht in te dienen bij de Ombudsman, zoals die waarin artikel 1, lid 3, en artikel 2, lid 7, van het Statuut van de Ombudsman[3] voorzien, strikt worden uitgelegd. De Ombudsman was derhalve van mening dat deze beperkingen, die van toepassing zijn wanneer de feiten waarop een klacht is gebaseerd zich voor de rechter bevinden, in de onderhavige zaak niet van toepassing waren. Volgens de Ombudsman moeten de beperkingen voor de toepassing van de zaak voor een rechtbank betrekking hebben op de eigen zaak van de klager. Na onderzoek van de aanhangige rechtszaken stelde de Ombudsman echter ook vast dat het duidelijk was dat het Gerecht voor ambtenarenzaken zich zou buigen over de kwestie van de toepasselijkheid van de nieuwe uitvoeringsvoorschriften, de kernkwestie die klager in zijn klacht aan de orde stelde. In het licht van het bovenstaande was de Ombudsman van oordeel dat er onvoldoende redenen waren om de klacht nader te onderzoeken en sloot hij deze op 4 december 2013 af.

5. In december 2013 heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken uitspraak gedaan[4] in zaak F-117/11. Het Gerecht was van oordeel dat de besluiten van de Commissie om haar aanvankelijke offertes in te trekken voor ambtenaren die deze offertes reeds vóór de inwerkingtreding[5] van de algemene uitvoeringsbepalingen van 2009 hadden aanvaard, onwettig waren.

6. In juli 2014 diende klager op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in bij de Commissie om op basis van het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken de nota van 20 mei 2011 te betwisten, waarin hij zijn herziene voorstel indiende.

7. In oktober 2014 heeft de Commissie de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Volgens artikel 90, lid 2, van het Statuut moet een klacht binnen een termijn van drie maanden worden ingediend. Klager ontving het bestreden besluit op 20 mei 2011. Daarom heeft hij bovengenoemde termijn niet gehaald. Klager had ook al een klacht op grond van artikel 90, lid 2, ingediend tegen dezelfde beschikking van de Commissie. Bij besluit van 26 juli 2011 had de Commissie deze klacht afgewezen. Ten slotte kunnen beslissingen van het Gerecht voor ambtenarenzaken volgens vaste rechtspraak niet worden beschouwd als een "nieuw feit" voor de klager waardoor de termijn van drie maanden opnieuw zou kunnen ingaan. In ieder geval zijn de beslissingen van het Gerecht waarnaar klager verwijst, op 11 december 2013 gegeven, zodat de nieuwe termijn van drie maanden in maart 2014 zou zijn verstreken. Klager heeft zijn klacht op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut pas in juli 2014 ingediend.

8. In december 2014 diende klager deze klacht in bij de Ombudsman. De belangrijkste klacht van klager was dat de Commissie haar oorspronkelijke voorstel, nadat hij het had aanvaard, had vervangen door een minder gunstig voorstel. Hij had in 2011 tijdig een relevante klacht op grond van artikel 90, lid 2, ingediend. De Commissie verwierp het. Vervolgens heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken in december 2013 vastgesteld dat de praktijk van de Commissie in het soort situatie van klager onwettig was.

9. De Ombudsman was van mening dat het duidelijk oneerlijk zou zijn om een zaak te sluiten op grond van het feit dat de door klager aan de orde gestelde kwestie aanhangig was bij een rechtbank en vervolgens een nieuwe klacht af te wijzen die was ingediend nadat de rechtbank zich over die kwestie had uitgesproken. Hoewel het waar was dat klager zich pas zeven maanden na de uitspraak van bovengenoemd arrest opnieuw tot de Commissie wendde, hield de Ombudsman rekening met het feit dat klager reeds een klacht op grond van artikel 90, lid 2, had ingediend en was zij van mening dat de periode die hij in 2014 nodig had gehad om bij de Commissie terug te keren, niet onredelijk of buitensporig was.

10. Bovendien achtte de Ombudsman voldoende redenen om een onderzoek in te stellen in het licht van de bevindingen van het Gerecht dat de besluiten van de Commissie om haar oorspronkelijke offertes te vervangen, indien deze vóór de inwerkingtreding van de nieuwe algemene uitvoeringsbepalingen door de betrokken ambtenaren waren aanvaard, onwettig waren. Bovendien heeft het Gerecht geoordeeld dat artikel 9 van de AUB 2011, waarop de herziene besluiten van de Commissie waren gebaseerd, onwettig was en dat beroepen op grond van die bepaling dus nietig waren. De Ombudsman was van mening dat het in dergelijke omstandigheden een goede administratieve praktijk was om besluiten op basis van die regel te heroverwegen die niet het voorwerp van een gerechtelijke procedure waren geweest, maar die waren aangevochten door middel van een klacht op grond van artikel 90, lid 2, en vervolgens in een klacht bij de Ombudsman.

Het onderzoek

11. De Ombudsman verzocht de Commissie derhalve een advies over de klacht uit te brengen en mee te delen of zij voornemens was haar eerdere (oorspronkelijke) voorstellen opnieuw te bekijken in overeenstemming met de bovenstaande bevindingen van het Gerecht.

12. In de loop van het onderzoek ontving de Ombudsman het advies van de Commissie over de klacht en vervolgens de opmerkingen van klager naar aanleiding van het advies van de Commissie. Bij de uitvoering van het onderzoek heeft de Ombudsman rekening gehouden met de argumenten en standpunten van de partijen.

Beoordeling en conclusies van de Ombudsman

13. In haar advies wees de Commissie erop dat in twee[6] van de bovengenoemde zaken hogere voorzieningen waren ingesteld bij het Gerecht en dat de arresten van dat Gerecht[7] in de komende maanden werden verwacht. Onder verwijzing naar artikel 228 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie[8], artikel 1, lid 3,[9] en artikel 2, lid 7,[10] van het Statuut van de Ombudsman, artikel 10, lid 3,[11] van de uitvoeringsbepalingen van de Ombudsman en het feit dat de kern van de bij het Hof aanhangige zaken dezelfde was als de kern van de klacht van de klager bij de Ombudsman, was de Commissie van oordeel dat de Ombudsman de onderhavige klacht zonder verder oponthoud moest afsluiten.

14. In zijn opmerkingen heeft klager niet betwist dat zijn klacht betrekking had op dezelfde kwestie als die welke in de twee bovengenoemde zaken bij het Gerecht aanhangig was.

15. Het Gerecht heeft in beide zaken op 13 oktober 2015 uitspraak gedaan[12]. De Ombudsman heeft de twee arresten zorgvuldig onderzocht en is van oordeel dat zij betrekking hebben op dezelfde juridische kwesties als die welke in deze klacht aan de orde worden gesteld.

16. In dit verband moet worden opgemerkt dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat noch de uitvoeringsbepalingen van 2004, noch de uitvoeringsbepalingen van 2009[13] de Commissie verplichten een "voorstel" te sturen aan ambtenaren die om de overdracht van in andere pensioenregelingen verworven pensioenrechten naar de EU-pensioenregeling hebben verzocht. De Rekenkamer constateerde ook dat dit een door de Commissie vastgestelde praktijk was om ambtenaren alleen maar te informeren over wat zij konden verwachten indien zij daadwerkelijk zouden besluiten om de overdracht van hun in andere pensioenregelingen verworven pensioenrechten te verzoeken[14]. Het Hof wees erop dat, overeenkomstig artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, de precieze vaststelling van het aantal jaren dat in het kader van de pensioenregeling van de Unie moet worden meegeteld, pas kan plaatsvinden nadat de feitelijke overdracht door de nationale autoriteiten heeft plaatsgevonden en alleen "op basis van het overgedragen kapitaal"[15].

17. In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman van oordeel dat de Commissie had gehandeld in overeenstemming met de relevante regels, zoals vervolgens uitgelegd door het Hof, toen zij een nieuw voorstel aan klager deed met betrekking tot de overdracht van zijn buiten de EU-pensioenregeling verworven pensioenrechten. Aangezien de werkelijke waarde van de overgedragen pensioenrechten van de klager pas na de overdracht door de nationale autoriteiten kan worden vastgesteld, zou elk "voorstel" dat vooraf door de Commissie wordt gedaan, louter adviserend zijn en niet bindend voor de Commissie. De Ombudsman is derhalve van mening dat er geen sprake was van wanbeheer door de Commissie.

18. De Ombudsman wijst er echter op dat de Commissie weliswaar niet verplicht was om de waarschijnlijke waarde van de overgedragen pensioenrechten te berekenen, en dat de werkelijke waarde van de overgedragen rechten pas na de overdracht kon worden vastgesteld, maar dat het een goede administratieve praktijk voor de Commissie zou zijn geweest om haar ambtenaren ervan in kennis te stellen dat haar "voorstel" niet juridisch bindend was. Gezien het bovenstaande is de Ombudsman echter van mening dat verder onderzoek naar dit aspect van de klacht niet gerechtvaardigd is.

 

Conclusie

Op basis van het onderzoek naar deze klacht sluit de Ombudsman de klacht af met de volgende conclusie:

De Ombudsman constateert geen wanbeheer door de Commissie.

Klager en de Commissie zullen van dit besluit in kennis worden gesteld.

 

 

[1] Bij Verordening (EG) nr. 1324/2008 van de Raad van 18 december 2008 is de in artikel 8 van bijlage VIII bij het Statuut bedoelde rentevoet gewijzigd, die wordt gebruikt bij actuariële berekeningen in verband met de pensioenregeling van de EU. De Commissie legde ook uit dat de nieuwe uitvoeringsbepalingen van 2011 nieuwe omrekeningscoëfficiënten invoerden, waardoor de Commissie de juiste berekeningen kon maken met betrekking tot de overdraagbare pensioenrechten van klager.

[2] zaken F-117/11; F-130/11; F-131/11; F-134/11; F-136/11; F-138/11; F-18/12; F-29/12; F-31/12; F-42/12; F-44/12; F-55/12; F-61/12; F-62/12; F-66/12; F-75/12; F-88/12; F-91/12; F-108/12 ; F-112/12; F-144/12; F-146/12; F-147/12; F-152/12; F-18/13; F-19/13; F-23/13; F-25/13; F-35/13; F-38/13; F-39/13 en F-40/13.

[3] Op grond van artikel 1, lid 3, en artikel 2, lid 7, van het Statuut van de Ombudsman kan een klacht niet door de Ombudsman worden onderzocht indien de feiten waarop de klacht is gebaseerd bij een rechtbank aanhangig zijn.

[4] De meeste relevante onderdelen van het arrest van het Gerecht kunnen als volgt worden samengevat:

het standpunt van de Commissie dat verordening nr. 1324/2008 de AUB 2004 overbodig heeft gemaakt en automatisch geen rechtsgrondslag meer heeft met betrekking tot de methode voor de berekening van het aantal toe te rekenen pensioenjaren, rechtens onjuist is, aangezien de rechtvaardiging van een dergelijk standpunt indruist tegen zowel de werkingssfeer van deze verordening als artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut;

volgens een algemeen aanvaard beginsel is een nieuwe regel onmiddellijk van toepassing op situaties die zich nog moeten voordoen en op de toekomstige gevolgen van situaties die onder de oude regel zijn ontstaan, maar niet volledig zijn gevormd (arrest van 13 juni 2012, Guittet/Commissie, F 31/10, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

- opdat de situatie van een ambtenaar of functionaris die een verzoek tot „overplaatsing” heeft ingediend, volledig in het kader van de AUB 2004 is samengesteld, moet worden vastgesteld dat de betrokkene aan het einde van de dag die voorafgaat aan de datum van inwerkingtreding van de nieuwe omrekeningscoëfficiënten van de AUB 2011 (31 maart 2011) het hem in het kader van de AUB 2004 voorgelegde voorstel voor extra pensioenjaren had aanvaard;

- in casu heeft de Commissie niet aangetoond dat het te bereiken doel de toepassing met terugwerkende kracht van de AUB 2011 vereiste. Voorts heeft zij niet aangetoond dat zij op grond van een dwingend hoger belang verplicht was de AUB 2011 met terugwerkende kracht toe te passen.

de toepassing van de in bijlage 1 bij de AUB 2011 vastgestelde omrekeningscoëfficiënten vóór de inwerkingtreding van deze algemene uitvoeringsbepalingen op 1 april 2011 op ambtenaren of andere personeelsleden die vóór 1 april 2011 een voorstel betreffende extra pensioenjaren hadden aanvaard, noodzakelijkerwijs het gewettigd vertrouwen van deze ambtenaren of andere personeelsleden heeft geschonden (zie in die zin arrest Guittet/Commissie, reeds aangehaald, punt 66).

- artikel 9 van de AUB 2011 moet onwettig worden verklaard voor zover het voorziet in de toepassing van de in bijlage 1 bij de AUB 2011 vastgestelde omrekeningscoëfficiënten op ambtenaren en andere personeelsleden die vóór de inwerkingtreding van de AUB 2011 een voorstel betreffende extra pensioenjaren hebben aanvaard;

- de oorspronkelijke voorstellen, die de AUB 2004 toepasten, waren op geen enkele wijze onwettig en konden derhalve niet worden ingetrokken.

[5] 3 maart 2011.

[6] Zaken F-130/11 en F-117/11.

[7] T-104/14 P, T-131/14 P.

[8] "Inovereenstemming met zijn taken verricht de Ombudsman onderzoeken die hij gegrond acht, hetzij op eigen initiatief, hetzij op basis van klachten die rechtstreeks of via een lid van het Europees Parlement bij hem zijn ingediend, tenzij tegen de vermeende feiten een gerechtelijke procedure is of is ingeleid."

[9] "DeOmbudsman mag niet tussenbeide komen in zaken voor rechtbanken of de gegrondheid van een uitspraak van een rechtbank in twijfel trekken."

[10] "Wanneerde Ombudsman wegens lopende of afgesloten gerechtelijke procedures met betrekking tot de aangevoerde feiten een klacht niet-ontvankelijk moet verklaren of de behandeling ervan moet beëindigen, wordt het resultaat van elk onderzoek dat hij tot dan toe heeft verricht, definitief ingediend."

[11] "Indieneen gerechtelijke procedure wordt ingeleid met betrekking tot zaken die door de Ombudsman worden onderzocht, sluit hij de zaak af. De uitkomst van alle onderzoeken die hij tot dan toe heeft uitgevoerd, wordt zonder verdere actie ingediend.

[12] http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=169701&pageIndex=0&doclang=FR&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=589958 en http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=169662&pageIndex=0&doclang=FR&mode=lst&dir=&occ=first&amppart=1&cid=590216

[13] Zie punt 42 van het arrest in zaak T-131/14 P.

[14] Zie punt 43 van het arrest in zaak T-131/14 P.

[15] Zie punt 52 van het arrest in zaak T-131/14 P.

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!