FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van zijn onderzoek naar klacht 1708/2011/JF tegen de Europese Commissie

Klager diende bij de Europese Commissie een klacht in tegen Portugal, waarin hij stelde dat die lidstaat de EU-staatssteunregels niet correct had toegepast.

Toen de Commissie besloot dat er geen reden was om de klacht te onderzoeken, wendde klager zich tot de Europese Ombudsman. Hij voerde aan dat de Commissie dit besluit te snel heeft genomen en het bovendien niet naar behoren heeft gemotiveerd. Zij heeft ook geen antwoord gegeven op de klacht in het Portugees, wat belangrijk was omdat klager de interpretatie van de EU-wetgeving door de Portugese autoriteiten zelf betwistte. Ten slotte heeft zij ook niet geantwoord op de verdere correspondentie van klager. Klager voerde aan dat de Commissie zijn klacht naar behoren zou moeten onderzoeken en haar interpretatie van de wetgeving in kwestie zou moeten verduidelijken.

In antwoord op het onderzoek van de Ombudsman legde de Commissie uit dat haar directoraat-generaal (DG) Concurrentie reeds een soortgelijke kwestie had behandeld als die waarnaar klager in zijn klachten verwees in het kader van een procedure die in 2011 werd afgesloten. Daarom kon DG Concurrentie zo snel antwoorden. Voorts heeft zij haar uitlegging van de betrokken regeling gegeven, die samenviel met die van de Portugese autoriteiten. Tot slot verontschuldigde zij zich voor het feit dat zij een aantal administratieve fouten had gemaakt en lichtte zij de redenen voor het optreden ervan toe.

De Ombudsman stelde vast dat de Commissie niet alleen geen wanbeheer had gepleegd, maar ook aan de beweringen van klager had voldaan. Hoewel de Ombudsman benadrukte dat de uitlegging van het EU-recht een kwestie is die alleen op gezaghebbende wijze door de rechterlijke instanties van de EU kan worden geregeld, was hij ook van mening dat de interpretatie van de Commissie van de relevante EU-wetgeving redelijk was. Gelet op het voorgaande heeft hij de zaak gesloten.

Achtergrond van de klacht

1. De klager is eigenaar van twee ondernemingen, de ene in Portugal en de andere in Nederland.

2. Bij e-mail van 11 april 2011 heeft klager bij de Europese Commissie een klacht ingediend tegen Portugal wegens schending van het EU-recht (de "eerste klacht"). De klager voerde aan dat Portugal, door te weigeren steun te verlenen in verband met immateriële activa die door een onderneming zijn verworven van een andere onderneming die tot dezelfde eigenaar behoort, artikel 12, lid 2, onder c), van de algemene groepsvrijstellingsverordening [1] heeft geschonden en dus het EU-recht inzake staatssteun niet naar behoren heeft nageleefd.

3. Op 4 mei 2011 heeft het directoraat-generaal Concurrentie van de Commissie de eerste klacht beantwoord. Zij verklaarde dat zij geen onrechtmatige staatssteun van de Portugese autoriteiten kon vaststellen. Zij heeft daaraan toegevoegd dat een maatregel overeenkomstig artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) onrechtmatige staatssteun vormt indien deze maatregel door een lidstaat of in welke vorm ook met staatsmiddelen is bekostigd en de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalst of dreigt te vervalsen, voor zover deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Volgens DG Concurrentie heeft klager geen enkele bewering met betrekking tot de onrechtmatige toekenning van staatssteun naar voren gebracht, maar eerder verwezen naar het ontbreken van staatssteun. In het licht van het bovenstaande was DG Concurrentie niet voornemens de zaak verder te behandelen.

4. Op 9 mei 2011 diende klager een nieuwe klacht in bij de Europese Commissie over dezelfde kwestie, in het Portugees (de "tweede klacht").

5. Op 12 mei 2011 heeft het secretariaat-generaal van de Commissie de ontvangst van de tweede klacht bevestigd.

6. Op 27 juli 2011 vestigde klager de aandacht van de SG op het feit dat hij geen verdere berichten over de tweede klacht had ontvangen.

7. Op 29 juli 2011 heeft de SG geantwoord dat zij de tweede klacht onder referentienummer "Ares (2011) 516669" had geregistreerd en aan DG Concurrentie had toegewezen.

8. Op 3 augustus 2011 heeft DG Concurrentie de tweede klacht geregistreerd. Zij verontschuldigde zich bij klager voor de vertraging en het ongemak die, zoals zij uitlegde, te wijten waren aan "[een] probleem met [haar] registersysteem dat [de] e-mail van klager verwijderde".

9. Klager verzocht vervolgens DG Concurrentie te bevestigen dat hij alle relevante documenten met betrekking tot de tweede klacht had ontvangen. DG Concurrentie bevestigde dat het alle documenten had ontvangen. Het stelde hem gerust dat "het slechts een [IT] probleem was."

10. Op 4 augustus 2011, dus de volgende dag, heeft DG Concurrentie de tweede klacht in het Engels beantwoord. Samengevat heeft DG Concurrentie in de tweede klacht geen bewijs gevonden dat Portugal artikel 12, lid 2, onder c), van de algemene groepsvrijstellingsverordening had geschonden. Bijgevolg was zij niet voornemens de zaak verder te onderzoeken.

11. Klager antwoordde dezelfde dag dat hij het niet eens was met het standpunt van DG Concurrentie. Hij voerde aan dat de onjuiste toepassing van artikel 12, lid 2, onder c), van de algemene groepsvrijstellingsverordening door de Portugese autoriteiten zijn onderneming in Portugal schade heeft berokkend. Volgens klager past het Verenigd Koninkrijk ("VK") het genoemde artikel anders toe. Dit heeft tot gevolg dat buitenlandse ondernemingen zich in een gunstigere positie bevinden ten opzichte van in Portugal gevestigde ondernemingen. Klager verzocht DG Concurrentie te verduidelijken wat de juiste interpretatie van artikel 12, lid 2, onder c), van de algemene groepsvrijstellingsverordening was.

12. Aangezien op 17 augustus en 18 en 22 september 2011 geen antwoord werd ontvangen, wendde de klacht zich tot de Europese Ombudsman.

Onderwerp van het onderzoek

13. Klager beweerde dat de Commissie zijn tweede klacht niet naar behoren had afgehandeld.

14. Klager voerde aan dat de Commissie

i) de tweede klacht grondig te analyseren en te onderzoeken, hem op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in alle stadia en de daaruit voortvloeiende conclusies openbaar te maken, teneinde een uniforme toepassing van het EU-recht te waarborgen; en

ii) de juiste uitlegging van artikel 12, lid 2, onder c), van de algemene groepsvrijstellingsverordening te geven, met name gelet op de Portugese taalversie van dat artikel.

Het onderzoek

15. Op 26 oktober 2011 heeft de Ombudsman de klacht voor advies doorgestuurd naar de voorzitter van de Europese Commissie.

16. Op 27 februari 2012 ontving de Ombudsman het advies van de Commissie in het Engels en op 12 maart 2012 de vertaling ervan in het Portugees, die hij aan klager doorstuurde met een uitnodiging om opmerkingen te maken. De Ombudsman ontving geen opmerkingen over het standpunt van de Commissie, behalve een kopie van een brief die klager op 1 januari 2012 rechtstreeks aan DG Concurrentie had gestuurd.

Analyse en conclusies van de Ombudsman

A. Bewering dat de tweede klacht niet naar behoren is afgehandeld

Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten

17. Ten eerste voerde klager aan dat het onredelijk was om aan te nemen dat DG Concurrentie in staat was geweest om de tweede klacht grondig te analyseren en vervolgens binnen 24 uur na de registratie ervan naar behoren te beantwoorden.

18. In haar advies heeft de Commissie in dit verband uitgelegd dat DG Concurrentie de tweede klacht snel kon beantwoorden omdat zij de relevante kwesties in het kader van de eerste klacht reeds in detail had onderzocht. Het was immers het feit dat de twee klachten sterk op elkaar leken, dat ertoe leidde dat de tweede klacht ten onrechte werd geschrapt, omdat DG Concurrentie de indruk had dat dit neerkwam op een duplicatie van de eerste klacht.

19. Bovendien had DG Concurrentie de door klager in zijn twee klachten genoemde kwesties reeds behandeld in het kader van een andere procedure die in 2009 was ingeleid en die DG Concurrentie op 14 juli 2011 heeft afgesloten (de "procedure van 2009"). Dit was de reden waarom DG Concurrentie de tweede klacht snel kon beantwoorden.

20. Ten tweede heeft DG Concurrentie volgens klager niet naar behoren gemotiveerd waarom hij van mening was dat klager geen aanwijzingen had verstrekt dat de Portugese autoriteiten artikel 12, lid 2, onder c), van de algemene groepsvrijstellingsverordening hadden geschonden.

21. Bij haar advies heeft de Commissie een brief gevoegd die DG Concurrentie op 15 december 2011 aan klager had gestuurd. In die brief heeft DG Concurrentie zijn standpunt uiteengezet dat de Portugese autoriteiten artikel 12, lid 2, onder c), van de algemene groepsvrijstellingsverordening correct hebben toegepast. Kortom, in gevallen waarin ondernemingen die immateriële activa verkopen en kopen onder zeggenschap staan van dezelfde persoon, kan volgens DG Concurrentie niet worden geacht aan de voorwaarde van "derden" van dat artikel te zijn voldaan.

22. De Commissie legde verder uit dat de procedure van DG Concurrentie van 2009 al gericht was op de interpretatie door de Portugese autoriteiten van artikel 12, lid 2, onder c), van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Bij de afsluiting van die zaak herinnerde DG Concurrentie de Portugese autoriteiten eraan dat bij transacties tussen twee verbonden ondernemingen niet aan het vereiste van "derden" is voldaan. Dit is volgens DG Concurrentie de juiste uitlegging van genoemd artikel en de Portugese autoriteiten hadden dus de verplichting om geen steun te verlenen in situaties die vergelijkbaar zijn met die waarnaar klager in zijn klachten verwijst.

23. In zijn brief aan DG Concurrentie van 1 januari 2012 betwistte klager het standpunt van de Commissie. Hoewel de klager erkende dat hij volledige zeggenschap had over de ondernemingen die de immateriële activa verkochten en kochten, benadrukte hij dat hij geen zeggenschap had over of invloed had op de transacties tussen hen. De marktomstandigheden deden dat. Bovendien waren de betrokken ondernemingen in de betrokken lidstaten onderworpen aan volledig onafhankelijke belastingstelsels [2]. Ten slotte wees hij erop dat ten tijde van de opstelling van de algemene groepsvrijstellingsverordening één lidstaat en één advocatenkantoor twijfels uitten over de duidelijkheid van artikel 12, lid 2, onder c), die de Commissie heeft genegeerd.

24. Ten derde voerde klager aan dat DG Concurrentie niet heeft geantwoord op zijn tweede klacht in het Portugees, die niet alleen de taal van de klacht was, maar ook die van de versie van artikel 12, lid 2, onder c), van de algemene groepsvrijstellingsverordening die tot de klacht heeft geleid. Bovendien heeft zij geen rekening gehouden met het feit dat het Verenigd Koninkrijk dit artikel anders heeft uitgelegd.

25. In haar advies verwees de Commissie naar de brief van DG Concurrentie van 15 december 2012, waarin laatstgenoemde zich bij klager verontschuldigde voor de administratieve fouten die zich hadden voorgedaan. In haar advies erkende de Commissie voorts dat zij de tweede klacht in het Portugees niet had beantwoord en verontschuldigde zij zich daarvoor.

26. De Commissie benadrukte niettemin ook dat alle e-mails van klager aan DG Concurrentie, evenals bepaalde bijlagen, in het Engels waren opgesteld. Dit verklaart waarom DG Concurrentie, nadat het de tweede klacht als klacht had aangemerkt, snel probeerde te antwoorden in het Engels.

27. Wat de Portugese versie van artikel 12, lid 2, onder c), van de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft, was de Commissie van mening dat deze nauwelijks verschilde van de Engelse versie van dat artikel [3]. In dit verband verwees de Commissie naar de jurisprudentie van de rechterlijke instanties van de EU betreffende de interpretatie van wetgeving die in verschillende talen is opgesteld [4].

28. Ten slotte heeft de Commissie de opmerkingen van klager dat de Britse autoriteiten de vereisten van artikel 12, lid 2, onder c), van de algemene groepsvrijstellingsverordening anders hebben uitgelegd, aldus opgevat dat die lidstaat het EU-recht heeft geschonden. De Commissie was van mening dat de vraag of de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk het Unierecht correct hebben toegepast, niet relevant was voor de beoordeling door DG Concurrentie van de eerste en de tweede klacht, die betrekking hadden op de verenigbaarheid van de litigieuze Portugese regeling met het Unierecht. Eventuele twijfels over de toepassing van de staatssteunregels door een andere lidstaat hadden moeten worden geuit en onderzocht in het kader van afzonderlijke procedures tegen de betrokken lidstaat.

29. In zijn brief aan DG Concurrentie van 1 januari 2012 benadrukte klager dat hij wilde betogen dat het VK (evenals enkele andere lidstaten) het EU-recht daadwerkelijk correct toepaste, terwijl Portugal dat niet deed. Hij herhaalde dat in Portugal gevestigde ondernemingen en in het Verenigd Koninkrijk gevestigde ondernemingen verschillend worden behandeld.

30. Ten vierde voerde klager aan dat DG Concurrentie niet heeft geantwoord op zijn e-mail van 4 augustus 2011 over de tweede klacht.

31. In haar brief van 15 december 2012 aan klager en in haar advies aan de Ombudsman erkende de Commissie dat zij de e-mail van klager van 4 augustus 2011 niet had beantwoord. Zij verontschuldigde zich voor dit "toezicht", dat volgens haar te wijten was aan i) het feit dat de ambtenaar van DG Concurrentie die de tweede klacht behandelde, herhaaldelijk met ziekteverlof was; en ii) de zomervakantie, waardoor er minder personeelsleden beschikbaar waren en er prioriteit moest worden gegeven aan middelen, zodat DG Concurrentie zaken met strikte termijnen kon behandelen.

Beoordeling door de Ombudsman

Wat betreft het snelle antwoord van DG Concurrentie op de tweede klacht (eerste argument)

32. De in de punten 18 en 19 hierboven samengevatte uitleg van de Commissie is redelijk. Bovendien heeft klager in dit verband geen opmerkingen ingediend om de uitleg van de Commissie te weerleggen.

Wat betreft de rechtvaardiging van DG Concurrentie voor het niet onderzoeken van de tweede klacht (tweede argument)

33. De Ombudsman wijst erop dat de algemene groepsvrijstellingsverordening onder meer tot doel had een duidelijke reeks voorwaarden vast te stellen aan de hand waarvan een aantal staatssteunmaatregelen als verenigbaar met de staatssteunregels kan worden beschouwd zonder dat aan het vereiste van voorafgaande aanmelding hoeft te worden voldaan.

34. Artikel 12, lid 2, onder c), van de algemene groepsvrijstellingsverordening luidt:

"Om voor de toepassing van deze verordening als in aanmerking komende kosten te worden beschouwd, moeten immateriële activa aan alle volgende voorwaarden voldoen:

[...]

zij moeten tegen marktvoorwaarden van derden worden gekocht, zonder dat de verwerver in staat is zeggenschap in de zin van artikel 3 van [de EG-concentratieverordening] over de verkoper uit te oefenen, omgekeerd".

Artikel 3 van de EG-concentratieverordening [5] bepaalt:

"2. De zeggenschap wordt gevormd door rechten, overeenkomsten of andere middelen die, afzonderlijk of in combinatie en gelet op de betrokken feitelijke of juridische overwegingen, de mogelijkheid bieden een beslissende invloed uit te oefenen op een onderneming, met name door:

a) eigendom of het recht om alle of een deel van de activa van een onderneming te gebruiken;

b) rechten of overeenkomsten die een beslissende invloed uitoefenen op de samenstelling, het stemgedrag of de besluiten van de organen van een onderneming.

3. De zeggenschap wordt verkregen door personen of ondernemingen die:

a) houder zijn van de rechten of recht hebben op rechten uit hoofde van de betrokken overeenkomsten; of

b) [...] de bevoegdheid hebben om de daaruit voortvloeiende rechten uit te oefenen."

35. Volgens de Ombudsman worden immateriële activa alleen als in aanmerking komende kosten beschouwd wanneer zij van derden worden gekocht [6].

36. Volgens de Commissie is de term "derde" niet van toepassing op transacties tussen verkopers en kopers die door dezelfde persoon worden gecontroleerd [7].

37. Aangezien klager, zoals hij zelf erkent, zeggenschap heeft over beide ondernemingen die de immateriële activa verkopen en kopen [8], lijkt het standpunt van de Commissie dat in het onderhavige geval, kortom, niet is voldaan aan de voorwaarde van "derde", coherent en redelijk te zijn.

Wat betreft de formulering van het antwoord van DG Concurrentie op de tweede klacht en het vermeende verzuim om rekening te houden met de uitlegging van de relevante bepaling door andere lidstaten (derde argument)

38. De Ombudsman merkt op dat de Commissie heeft erkend fouten te hebben gemaakt, namelijk door klager niet in het Portugees te antwoorden, en zich heeft verontschuldigd. De Ombudsman is zeer ingenomen met het initiatief van de Commissie.

39. De Ombudsman merkt voorts op dat de Commissie zowel in haar brief van 15 december 2012 als in haar advies over de klacht haar interpretatie van artikel 12, lid 2, onder c), van de algemene groepsvrijstellingsverordening in het Portugees heeft gegeven (samengevat in de punten 22 en 36 hierboven). De Ombudsman ziet geen reden om de interpretatie van de Commissie als onjuist te beschouwen, in tegenstelling tot de interpretatie van klager dat, kortom, aan het vereiste van een "derde" is voldaan in gevallen waarin de eigenaar, ondanks de volledige zeggenschap over zowel de kopende als de verkopende ondernemingen, geen zeggenschap heeft over de markt voor immateriële activa, of moet voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit het feit dat de betrokken ondernemingen aan verschillende belastingstelsels zijn onderworpen [9].

40. Wat ten slotte het argument van klager betreft dat, kortom, een aantal lidstaten artikel 12, lid 2, onder c), van de algemene groepsvrijstellingsverordening anders uitlegt dan DG Concurrentie, is de Ombudsman van mening dat het antwoord van de Commissie op dit argument juist is. De analyse van de uitvoering van de betrokken Uniewetgeving door alle lidstaten telkens wanneer de Commissie specifieke precontentieuze inbreukprocedures tegen één lidstaat behandelt, kon nauwelijks in overeenstemming zijn met het beginsel van proceseconomie. Bovendien valt elk besluit om procedures betreffende inbreuken door andere lidstaten te voegen met lopende precontentieuze procedures of elk besluit over interpretatieve normen in dergelijke procedures (mits deze normen in overeenstemming zijn met de jurisprudentie) onder de discretionaire bevoegdheid van de Commissie. Klager heeft niet aangetoond dat de Commissie, door haar analyse te beperken tot de Portugese situatie, haar discretionaire bevoegdheid niet correct heeft uitgeoefend.

Wat betreft het uitblijven van een antwoord op de e-mail van klager van 4 augustus 2011 (vierde argument)

41. De Ombudsman is van mening dat de Commissie haar gedrag heeft gecorrigeerd door haar excuses aan te bieden en uitleg te geven over haar verzuim om te antwoorden.

Algemene beoordeling door de Ombudsman van de bewering van klager

42. In het licht van zijn bevindingen in de punten 32, 37, 39, 40 en 41 is de Ombudsman van oordeel dat er geen sprake is geweest van wanbeheer.

B. Vorderingen

43. Klager voerde aan dat de Commissie

i) de tweede klacht grondig te analyseren en te onderzoeken, hem op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in alle stadia en de daaruit voortvloeiende conclusies openbaar te maken, teneinde een uniforme toepassing van het EU-recht te waarborgen; en

ii) de juiste uitlegging van artikel 12, lid 2, onder c), van de algemene groepsvrijstellingsverordening te geven, met name gelet op de Portugese taalversie van dat artikel.

44. In haar advies verwees de Commissie naar de conclusies van haar procedure van 2009 en gaf zij aanvullende toelichtingen bij haar besluit om de tweede klacht niet te onderzoeken.

Beoordeling door de Ombudsman

45. Op basis van het bewijsmateriaal waarover de Ombudsman beschikt, kan hij concluderen dat DG Concurrentie op voldoende redelijke wijze over de tweede klacht heeft beslist. Bovendien heeft de Commissie in haar brief van 15 december 2011 en in het advies dat zij in de loop van het onderzoek dat tot dit besluit heeft geleid, heeft verstrekt, voldoende, duidelijke en gemakkelijk te begrijpen verklaringen gegeven voor haar besluit om de klachten niet te onderzoeken. Ten slotte heeft zij haar uitlegging van artikel 12, lid 2, onder c), van de algemene groepsvrijstellingsverordening verduidelijkt, met name gelet op de Portugese taalversie van dat artikel.

46. Gelet op het voorgaande concludeert de Ombudsman dat de Commissie zich niet alleen niet schuldig heeft gemaakt aan wanbeheer, maar ook aan de beweringen van klager heeft voldaan. Daarom sluit hij de zaak af.

C. Conclusie

Op basis van zijn onderzoek naar deze klacht sluit de Ombudsman deze af met de volgende conclusie:

Er is geen wanbeheer vastgesteld met betrekking tot de bewering van de klacht. Bovendien heeft de Commissie voldaan aan de argumenten van klager.

Klager en de voorzitter van de Commissie zullen van dit besluit in kennis worden gesteld.

 

P. Nikiforos Diamandouros

Gedaan te Straatsburg op 14 januari 2013


[1] Artikel 12, lid 2, onder c), van verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (hierna: "algemene groepsvrijstellingsverordening"), PB 2008, L 214, blz. 3, met het opschrift "Specifieke voorwaarden voor investeringssteun", bepaalt: "Om voor de toepassing van deze verordening als in aanmerking komende kosten te worden beschouwd, moeten immateriële activa aan alle volgende voorwaarden voldoen: [...] zij moeten tegen marktvoorwaarden van derden worden gekocht, zonder dat de verwerver in staat is zeggenschap in de zin van artikel 3 van verordening (EG) nr. 139/2004 [van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (EG-concentratieverordening) (PB 2004, L 24, blz. 1)] over de verkoper uit te oefenen, of omgekeerd [...]".

[2] In de originele Portugese versie: "[e] u controlo plenamente a empresa vendedora e a empresa adquirente. Importa no entanto referir que nas transacções em causa bem em como praticamente todas as que as empresas realizam as mesmas não são alvo do meu controlo ou influência mas sim das condições do mercado, ou seja qualquer uma das minhas empresas (tal como é comum no mercado comercial) não vai comprar um bem ou serviço mais caro a uma empresa ou grupo quando pode encontrar o mesmo bem ou serviço a preços mais baratos noutra empresa - talia ilógico e não nos trataria quaisquertagens. Devo referir que fiscalmente somos até obrigados (procedimento que é monitorizado pelas autoridades fiscais - até de forma activa e perceptível no caso das autoridades Holandesas) a estabelecer preços de mercado para licenciamento de software entre ambas as empresas por forma a proteger os interesses fiscais de cada país..."

[3] Het relevante gedeelte van dit artikel bepaalt in het Portugees: "tenha a possibilidade de exercer controlo" en, in het Engels: "in een positie zijn om controle uit te oefenen".

[4] Gevoegde zaken T-349/06, T-371/06, T-14/07, T-15/07 en T-332/07, Duitsland/Commissie, Jurispr. 2008, blz. II-2181, punt 67: "[a]ls gemeenschapswetgeving in verschillende talen is opgesteld en de verschillende taalversies gelijkelijk authentiek zijn, impliceert de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht een vergelijking van de verschillende taalversies [...]. De noodzaak van een uniforme uitlegging van de gemeenschapsverordeningen vereist dat de ene taalversie niet op zichzelf wordt beschouwd, maar moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van de in de andere officiële talen bestaande versies, [...] zelfs indien dit betekent dat de betrokken bepaling moet worden uitgelegd en toegepast op een wijze die in strijd is met de natuurlijke en gebruikelijke betekenis van de woorden die in een of meer taalversies worden gebruikt, in strijd met de vereisten van rechtszekerheid".

[5] Aangehaald in voetnoot 1.

[6] De Ombudsman benadrukt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie het enige orgaan is dat bevoegd is om het EU-recht bindend uit te leggen.

[7] In zijn brief van 15 december 2011 aan de klager verklaarde DG Concurrentie (in het Portugees) dat "[p] ode dificilmente argumentar-se, como se afigura ser a sua opinião, que uma interpretação razoável da expressão "um terceiro" abranja o caso de um vendedor e um adquirente que são controlados pela mesma pessoa. Tal interpretação, se aceite, privaria quase totalmente de objecto o "requisito de um terceiro"". In haar advies aan de Ombudsman lichtte de Commissie verder toe dat "[i]n hun brief van 14 juli 2011 aan Portugal, de diensten van DG COMP... de Portugese autoriteiten ervan in kennis hebben gesteld dat niet is voldaan aan de eis van een derde indien de transacties plaatsvinden tussen twee verbonden ondernemingen".

[8] In de eigen woorden van de klager: "[e] u controlo plenamente a empresa vendedora e a empresa adquirente."

[9] De Ombudsman herhaalt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie het enige orgaan is dat bevoegd is om het EU-recht bindend uit te leggen.

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!