Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit in zaak 97/2008/(BEH)JF - Klachten met betrekking tot het werk van de comitologiecomités
Besluiten
Zaak 97/2008/(BEH)JF - Geopend op Maandag | 04 februari 2008 - Besluit over Vrijdag | 18 september 2009
Klaagster was nauw betrokken bij de discussies in verband met een voorstel van de Commissie voor een Richtlijn inzake babyvoeding („de Richtlijn"). Deze besprekingen vonden plaats binnen het Permanent Comité voor de voedselketen en diergezondheid (Committee on the Food Chain and Animal Health - het SCoFCAH) bij het Directoraat-generaal Gezondheid en consumenten van de Commissie.
Het SCoFCAH keurde het voorstel van de Commissie voor de bovengenoemde richtlijn goed. Klaagster wendde zich vervolgens met het volgende tot de Ombudsman: de Commissie zou verzuimd hebben haar taken in verband met het goed functioneren van het SCoFCAH naar behoren uit te voeren. Zij stelde dat de werkmethoden van het SCoFCAH en van deskundigencomités in het algemeen moeten worden veranderd.
De Ombudsman kwam tot de conclusie dat hij over voldoende bewijsmateriaal beschikte waaruit bleek dat de desbetreffende SCoFCAH-bijeenkomsten overeenkomstig de geldende procedurele voorschriften en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur hadden plaatsgevonden. Hij wees er in dezen echter nadrukkelijk op dat klaagster, indien zij veranderingen in het comitologiesysteem wilde voorstellen, kon overwegen het Europees Parlement te benaderen en een verzoekschrift ter zake in te dienen.
DE TERUGGROND NAAR HET KLACHT
1. De klager vertegenwoordigt "Baby Milk Action", een non-profitorganisatie die tot doel heeft levens te redden en een einde te maken aan het vermijdbare lijden dat wordt veroorzaakt door ongepaste zuigelingenvoeding. Baby Milk Action werkt binnen een wereldwijd netwerk [het International Baby Food Action Network ('IBFAN')] om onafhankelijke, transparante en effectieve controles op de marketing van de babyvoedingsindustrie te versterken.
2. Klager volgde de besprekingen over Richtlijn 2006/141/EG van de Commissie van 22 december 2006 inzake volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding, waarbij Richtlijn 1999/21/EG ("Richtlijn 2006/141")[2] werd gewijzigd, op de voet. Deze besprekingen vonden plaats tijdens vergaderingen van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid ("het SCoFCAH") bij het directoraat-generaal Gezondheid en consumenten van de Europese Commissie (DG SANCO), onder voorzitterschap van een van de ambtenaren van DG SANCO ("de ambtenaar").
3. Op 26 juni 2006 heeft de Commissie het ontwerp van richtlijn 2006/141 bij het SCoFCAH ingediend. Op 19 juli 2006 heeft het SCoFCAH met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een positief advies uitgebracht.
4. In een aantal mededelingen aan DG SANCO uitte klager zijn bezorgdheid over het feit dat de lidstaten onzeker waren over het niveau van harmonisatie waarin richtlijn 2006/141 voorziet. Zij verzoekt de ambtenaar, haar en twee leden van het Europees Parlement (EP-leden) die belangstelling hebben voor kwesties in verband met zuigelingenvoeding, te ontmoeten om deze kwestie te bespreken.
5. De ambtenaar antwoordde dat het uiteindelijk aan het Europees Hof van Justitie (HvJ) was om over de harmonisatiekwestie te beslissen. Hij legt ook uit dat de bijeenkomst van de leden van het Europees Parlement op een hoger niveau moet worden georganiseerd.
6. Op 24 oktober 2007 had klager een ontmoeting met ambtenaren van DG SANCO en besprak hij de juridische status en de uitvoering van Richtlijn 2006/141. Deze bijeenkomst werd ook bijgewoond door een vertegenwoordiger van het Kinderfonds van de Verenigde Naties (UNICEF).
7. De volgende dag hebben de ambtenaren van DG SANCO, met inbegrip van de ambtenaar, een "nota voor het dossier betreffende bovengenoemde vergadering" ("de nota") opgesteld. Uit de nota bleek dat de bijeenkomst betrekking had op de vraag of richtlijn 2006/141 een gedeeltelijke of een volledige harmonisatiemaatregel was. Zij benadrukte dat de klager zijn bezorgdheid had geuit over het feit dat sommige lidstaten bovengenoemde richtlijn als een totale harmonisatiemaatregel beschouwden, terwijl andere lidstaten, rekening houdend met het feit dat de richtlijn ruimte bood voor interpretatie met betrekking tot reclame en geen goedkeuring vóór het in de handel brengen vereiste voor de opname van nieuwe ingrediënten, dat niet deden. Zij is ook van mening dat de richtlijn de tenuitvoerlegging van de internationale code voor het in de handel brengen van vervangingsmiddelen voor moedermelk (hierna "de code" genoemd) belemmert. Volgens haar maakten twee leden van het Europees Parlement van een bepaalde lidstaat zich hierover zorgen en hadden zij de toenmalige commissaris voor Gezondheid om zijn mening over deze kwestie gevraagd. In antwoord hierop heeft de Commissioner erop gewezen dat richtlijn 2006/141 een volledige harmonisatierichtlijn is.
8. In de nota werd verder vermeld hoe de ambtenaar had benadrukt dat het uiteindelijke oordeel over de bovengenoemde kwestie bij het HvJ lag. De richtlijn stond de lidstaten toe de reclame verder te beperken, maar alleen voor volledige zuigelingenvoeding. Tijdens de onderhandelingen vroegen sommige lidstaten om de mogelijkheid om beperkingen in te voeren voor opvolgzuigelingenvoeding. De overgrote meerderheid was het daar echter niet mee eens. Het SCoFCAH stemde positief over Richtlijn 2006/141 en slechts één lidstaat onthield zich van stemming. Hieruit bleek een zeer brede consensus om voor deze laatste producten geen beperkingen te stellen. Hoe dan ook, hoewel de code slechts een aanbeveling was, geen internationale overeenkomst of overeenkomst, en dus niet bindend, hebben richtlijn 2006/141 en andere relevante EG-wetgeving de meeste leidende beginselen ervan onderschreven.
9. Wat zuigelingenvoeding betreft, werd in de mededeling aangegeven dat de essentiële samenstelling ervan was geharmoniseerd. Het gebruik van andere ingrediënten was onderworpen aan de controle van de lidstaten en het was hun beslissing of een ingrediënt al dan niet geschikt was voor het beoogde voedingsdoel. Richtlijn 89/398/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen [3] (hierna "de kaderrichtlijn" genoemd) voorzag in een vrijwaringsclausule die relevante reacties mogelijk maakt. In de nota werd voorts vermeld dat de ambtenaar in antwoord op de vraag van Unicef over de gevolgen van een bepaalde lidstaat die verder gaat dan wat in richtlijn 2006/141 is bepaald en reclame voor opvolgzuigelingenvoeding verbiedt, heeft uitgelegd dat de betrokken lidstaat deze nationale maatregelen aan de Commissie zou moeten meedelen en dat de Commissie zou onderzoeken of zij in overeenstemming zijn met de richtlijn. De Commissie zou ook klachten kunnen ontvangen met betrekking tot deze nationale maatregelen, die zij zou moeten onderzoeken. Indien de Commissie tot de conclusie zou komen dat de betrokken lidstaat maatregelen toepast die in strijd zijn met de EU-regels, zou zij een zaak aanhangig kunnen maken bij het Hof van Justitie, dat uiteindelijk over de kwestie zou beslissen. UNICEF vroeg zich vervolgens af waar de mate van harmonisatie was gedefinieerd, waarop DG SANCO antwoordde dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie in het algemeen verwees naar de bedoeling van de wetgever, net als Richtlijn 2006/141 door de formulering, het doel en de structuur ervan. Ten slotte werd in de nota verwezen naar opmerkingen van klager over een gebrek aan transparantie in de vergaderingen van de "deskundigencomités", aangezien er geen notulen werden gemaakt. De ambtenaar antwoordt dat er notulen van de vergadering van het SCoFCAH zijn waaruit blijkt dat de richtlijn in juni 2006 is aangenomen, met slechts één onthouding - vier stemmen.
10. Op 31 oktober 2007 heeft de Commissie de bovengenoemde mededeling aan klager toegezonden.
11. Op dezelfde dag antwoordde klager dat de nota haar standpunten onjuist weergaf. Zij verduidelijkte aldus haar overtuiging dat er binnen de richtlijn ruimte was om de code en de resoluties van de Wereldgezondheidsvergadering (WHA) volledig uit te voeren. Richtlijn 2006/141 bevatte geen specifieke aanbeveling met betrekking tot vervolgreclame voor melk, afgezien van een schuine verwijzing in artikel 13, en het was de uitlegging van de richtlijn door de Commissie die het optreden van de lidstaten belemmerde. De meeste lidstaten hebben geen opmerkingen gemaakt over reclame. Een gepensioneerde Deense ambtenaar die de SCoFCAH-bijeenkomsten bijwoonde, bevestigde dit aan klager. Indien het door een lidstaat verstrekte officiële bewijsmateriaal dat vervolgreclame voor melk de borstvoeding ondermijnde, zou zijn aanvaard en indien de lidstaten in de gelegenheid waren gesteld om over dit specifieke punt te stemmen, zou de overgrote meerderheid er de voorkeur aan hebben gegeven om hierover op nationaal niveau een besluit te nemen. Bovendien was richtlijn 2006/141 niet in overeenstemming met de kaderrichtlijn omdat de Commissie het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding (SCF) niet heeft geraadpleegd en de door dit orgaan aanbevolen vrijwaringsmaatregel niet heeft opgenomen. Tot slot merkte klager op dat er geen volledige notulen van de vergaderingen van het SCoFCAH waren en was hij van mening dat de Commissie: i) waarnemers zou moeten toestaan deel te nemen aan vergaderingen van deskundigen en werkgroepen; ii) EP-leden zou moeten raadplegen over belangrijke wijzigingen in aangelegenheden die onder de kaderrichtlijn vallen; en iii) een analyse zou moeten uitvoeren van de gevolgen van de voorgestelde wijzigingen voor de gezondheid, de maatschappij en het milieu. De klager besloot met een verzoek aan DG SANCO om het bovenstaande in overweging te nemen en de nota te wijzigen.
12. Later vroeg klager DG SANCO waarom de nota standpunten van een aantal personen vermeldde zonder hun toestemming te vragen, aangezien de Commissie, alvorens naar haar eigen standpunten te verwijzen, had moeten bevestigen dat zij deze correct had begrepen. Klager vroeg voorts of de Commissie "officiële logboeken van vergaderingen"met betrekking tot haar ambtenaren had opgesteld.
13. DG SANCO antwoordde dat het kennis had genomen van de verduidelijkingen van klager en haar bovengenoemde e-mails in het dossier had geregistreerd. Voorts heeft zij verklaard dat de nota bedoeld was om de inhoud van de vergadering van 24 oktober 2007 als bijlage bij te houden en dat zij geen officiële logbestanden hoefde bij te houden.
14. Op 8 januari 2008 wendde klager zich tot de Europese Ombudsman.
15. Op 29 februari 2008 legde het hoofd van het kabinet van de commissaris in een brief aan klager uit dat richtlijn 2006/141 bedoeld was als geharmoniseerd wetgevingsinstrument. Zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding kunnen dus alleen in de Gemeenschap in de handel worden gebracht indien zij in overeenstemming zijn met richtlijn 2006/141, die voorziet in vaste regels inzake de essentiële samenstelling, voorschriften inzake residuen van bestrijdingsmiddelen, etikettering, presentatie en reclame, namelijk die van artikel 13 ervan. De beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken, wordt dus volledig door de richtlijn zelf bepaald en moet worden afgeleid uit de bewoordingen, het doel en de structuur ervan. In specifieke gevallen voorzag richtlijn 2006/141 in nationale maatregelen met betrekking tot reclame voor volledige zuigelingenvoeding en zuiverheidscriteria. Het heeft uiteindelijk uitvoering gegeven aan de beginselen en doelstellingen van de code.
Het onderwerp van het onderzoek
16. De klager voerde aan dat de Commissie haar taken met betrekking tot de werking van het SCoFCAH niet naar behoren heeft uitgevoerd.
17. Klager voerde aan dat de werkmethoden van de SCoFCAH en van de comités van deskundigen in het algemeen moesten worden gewijzigd.
Het onderzoek
18. Op 4 februari 2008 heeft de Ombudsman de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Europese Commissie.
19. Op 9 juli 2008 ontving de Ombudsman het advies van de Commissie, dat hij aan klager doorstuurde met een uitnodiging om opmerkingen te maken.
20. Klager diende haar opmerkingen in op 13 oktober 2008.
De analyse en conclusies van de OMBUDSMAN
Opmerking vooraf
21. In het licht van de argumenten van de klager ter ondersteuning van haar bewering en vordering, behandelt de Ombudsman deze gelijktijdig.
A. Werkmethoden van het SCoFCAH
Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten
22. De klager voerde aan dat de Commissie haar taken met betrekking tot de werking van het SCoFCAH niet naar behoren heeft uitgevoerd.
23. Ter ondersteuning van haar bewering voerde zij aan dat de ambtenaar de SCoFCAH-vergaderingen niet op een eerlijke en objectieve manier heeft voorgezeten omdat hij:
i) misleidende schriftelijke verklaringen hebben afgelegd over hun procedures en als gevolg daarvan lidstaten en anderen die betrokken zijn bij de bescherming van de gezondheid van kinderen hebben misleid;
ii) heeft nagelaten met anderen overleg te plegen over de inhoud van nota's voor de dossiers van bepaalde "off the record"-vergaderingen;
iii) de standpunten van de klager verkeerd hebben weergegeven;
iv) geen rekening heeft gehouden met de bezorgdheid van de lidstaten over de noodzaak om de volksgezondheid te beschermen in de besprekingen over Richtlijn 2006/141 binnen het SCoFCAH; en
v) het advies van het SCF niet heeft opgevolgd op bepaalde gebieden die onder richtlijn 2006/141 vallen.
24. Klager voerde aan dat zowel de werkmethoden van het SCoFCAH als de werkmethoden van deskundigencomités in het algemeen moeten worden gewijzigd. Er moet met name worden gezorgd voor meer transparantie en verantwoordingsplicht van het beleidsvormingsproces in vergaderingen van comités van deskundigen; de Commissie moet officiële logbestanden bijhouden van de vergaderingen van EU-ambtenaren; en zij moet de horizontale verplichtingen van de EU erkennen om in alle communautaire beleidsmaatregelen een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid te waarborgen en ervoor te zorgen dat zij de lidstaten niet misleidt met betrekking tot Richtlijn 2006/141 en de kaderrichtlijn, met name met betrekking tot de mate van harmonisatie die door de vorige richtlijn tot stand is gebracht. Het SCoFCAH moet de volledige verslagen van zijn vergaderingen openbaar maken en waarnemers in staat stellen de vergaderingen bij te wonen. Daarnaast moet de Commissie een regelgevingseffectbeoordeling uitvoeren van de gezondheids-, sociale en milieukosten van voorgestelde wetgeving.
25. In haar standpunt verwierp de Commissie de bewering van klager en beantwoordde zij haar argumenten uitvoerig. Zij heeft ook uitgelegd dat zij richtlijn 2006/141 heeft vastgesteld op basis van gedelegeerde wetgevingsbevoegdheden die haar door de gemeenschapswetgever krachtens de kaderrichtlijn waren verleend. De voorwaarden voor de uitoefening van de aldus verleende uitvoeringsbevoegdheden zijn vastgesteld in Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 ("het comitologiebesluit")[4].
26. Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de kaderrichtlijn worden de specifieke bepalingen die van toepassing zijn op groepen voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen, zoals volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding, vastgesteld door middel van specifieke richtlijnen betreffende de aard en de samenstelling van deze producten. Artikel 13 ervan voorziet in de comitologieprocedure, met de hulp van het SCoFCAH. Dit laatste is ingesteld bij artikel 58 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden ("Verordening 178/2002")[5].
27. Het SCoFCAH bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten. Het brengt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen advies uit over ontwerpmaatregelen die door zijn voorzitter, de ambtenaar van DG SANCO, zijn ingediend binnen een door DG SANCO vastgestelde termijn, afhankelijk van de urgentie van elke aangelegenheid. De ambtenaar stemt niet. De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast overeenkomstig het advies van het SCoFCAH.
28. Het SCoFCAH volgt het standaardreglement van orde, dat de Commissie op 31 januari 2001 heeft aangenomen ("het standaardreglement van orde") op basis van het comitologiebesluit [6]. Artikel 14, lid 2, van het standaardreglement van orde bepaalt dat de beraadslagingen van de commissies vertrouwelijk worden behandeld. Dit om te voorkomen dat de lidstaten zich op enigerlei wijze terughoudend voelen tijdens de discussies over de merites van de aan hen voorgelegde ontwerpwetgeving.
29. De rol van de voorzitter wordt geregeld door de bepalingen van het comitologiebesluit en het standaardreglement van orde, en de ambtenaar heeft deze naar behoren gevolgd.
30. Er is een verschil tussen een comitologiecomité, zoals het SCoFCAH, en een deskundigengroep. De eerste wordt ingesteld door de wetgever, d.w.z. de Raad of de Raad en het Parlement. Het staat de Commissie bij in de uitvoering van de EU-wetgeving, bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt altijd voorgezeten door de Commissie. De tweede is opgezet door de Commissie om haar van deskundig advies te voorzien. Hoewel een deskundigengroep uit nationale deskundigen kan bestaan, vertegenwoordigen deze niet de lidstaten. Het kan bestaan uit deskundigen of belanghebbenden uit onder meer bedrijven, ngo’s, vakbonden en de academische wereld. Het kan worden voorgezeten door de Commissie of door een uit haar leden gekozen voorzitter.
31. De Commissie heeft getracht de comitéprocedure af te stemmen op normen die vergelijkbaar zijn met die van andere besluitvormingsprocessen. In januari 2003 heeft zij een online comitologieregister en een register van documenten met betrekking tot de werkzaamheden van de comitologiecomités opgezet [7]. Met ingang van maart 2008 biedt dit register directe toegang tot bepaalde documenten. Wanneer een document niet in het register openbaar wordt gemaakt, kunnen gebruikers via een rechtstreekse link in het register een verzoek om toegang tot documenten indienen op grond van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie [8]. Het register bevat agenda's van commissievergaderingen, ontwerpuitvoeringsmaatregelen, samenvattingen van vergaderingen en stemresultaten van adviezen van een bepaald comité. Daarnaast publiceert DG SANCO aan het begin van elk jaar een voorlopig tijdschema van de vaste commissies, hun ontwerpagenda’s en beknopte verslagen van de commissies [9]. Ten slotte publiceert de Commissie vanaf 2000 in het Publicatieblad verslagen over de werkzaamheden van de comitologiecomités.
32. Evenzo heeft de Commissie aangegeven dat zij veel moeite heeft gedaan om de transparantie en verantwoordingsplicht van deskundigengroepen te vergroten. Zij heeft de namen van de leden van deze groepen verzameld en verwerkt en openbaar gemaakt in een register van deskundigengroepen dat op haar website is geplaatst. Dit register bevatte informatie over elke groep, namelijk de doelstellingen en het lidmaatschap ervan.
33. Comitologie is in wezen een wetgevingsprocedure en het resultaat is het resultaat van een dynamische gedachtewisseling en onderhandelingen die uiteindelijk leiden tot de goedkeuring van een compromispakket. Hoewel in de besprekingen binnen het SCoFCAH naar specifieke maatregelen in het ontwerp van de richtlijn kan zijn verwezen, hebben de vertegenwoordigers van de lidstaten dus gestemd over de voorgestelde tekst in zijn geheel en niet over de afzonderlijke punten ervan. Dit heeft ertoe geleid dat het ontwerp met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, bij slechts één onthouding, is goedgekeurd. Stemmen over elk onderwerp is niet de regel in wetgevingsberaadslagingen.
34. Artikel 152, lid 1, van het EG-Verdrag bepaalt dat de Gemeenschap bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid nastreeft. De wetgevingsvoorstellen van de Commissie moeten derhalve aan deze verplichting voldoen, met name op gebieden die relevant zijn voor DG SANCO. Dit was ook in het onderhavige geval het geval.
35. De uiteenlopende uitlegging van richtlijn 2006/141 en de kaderrichtlijn belette de Commissie niet haar standpunt kenbaar te maken. Alleen het Hof van Justitie is uiteindelijk bevoegd om de uitlegging van het Gemeenschapsrecht te toetsen.
36. De schriftelijke uiteenzetting van DG SANCO over de SCoFCAH-vergaderingen met betrekking tot de vaststelling van richtlijn 2006/141 weerspiegelde nauwkeurig de besprekingen en de stemming van het comité. Het is door geen van de lidstaten betwist, die duidelijk hebben aangegeven dat deze rekeningen niet misleidend waren. De verslagen van de vergaderingen zijn beschikbaar op de website van de Commissie en in het comitologieregister.
37. In dit verband heeft de Commissie benadrukt dat de nota niet onjuist is en de lidstaten of wie dan ook niet misleidt, aangezien zij enkel vermeldt dat richtlijn 2006/141 is vastgesteld en dat er slechts één onthouding heeft plaatsgevonden. De nota was bedoeld om de vergadering van 24 oktober 2007 bij wijze van herinnering vast te leggen. Hoewel er geen formele notulen van die vergadering waren, bevatte de nota alle essentiële informatie over de identiteit van de deelnemers, de datum en het tijdstip van de vergadering, de inhoud van de gedachtewisseling en, aangezien de e-mails van klager bij de nota waren gevoegd, de opmerkingen en standpunten van klager. Toen klager de juistheid van de mededeling in twijfel trok, registreerde de Commissie de brieven van klager officieel in het dossier en verduidelijkte zij e-mails met betrekking tot de verklaringen die zij tijdens de vergadering had afgelegd, waarmee zij vaststelde dat zij het niet eens was met de specifieke punten in de mededeling.
38. Om voor de hand liggende praktische redenen is er geen verplichting om officiële logbestanden bij te houden voor alle vergaderingen waarbij ambtenaren van de Commissie betrokken zijn. In plaats daarvan is het de vaste praktijk van de Commissie om de essentiële informatie over belangrijke vergaderingen intern schriftelijk vast te leggen. DG SANCO moedigt zijn ambtenaren aan om systematisch verslag uit te brengen en korte en snelle "back to office-verslagen " op te stellen na vergaderingen over aangelegenheden die relevant zijn voor zijn beleid.
39. Het zou uiterst omslachtig en veel middelen kosten om alle discussies en gedachtewisselingen tussen de commissieleden te transcriberen. In de beknopte verslagen die op de website van DG SANCO en in het comitologieregister worden gepubliceerd, worden de belangrijkste punten van die besprekingen en de resultaten ervan adequaat beschreven. Rekening houdend met de aard van de besprekingen tijdens de vergaderingen van het SCoFCAH, waar de vertegenwoordigers van de Commissie en de lidstaten hun individuele standpunten kenbaar maken en de lidstaten hun stem uitbrengen over ontwerpmaatregelen, zou systematische openbaarmaking van volledige verslagen van die vergaderingen het risico met zich meebrengen dat zij worden blootgesteld aan ongepaste externe druk, die negatieve gevolgen kan hebben voor het besluitvormingsproces.
40. De Commissie hoeft geen toestemming te vragen aan derden waarmee zij contact heeft gehad alvorens naar dergelijke contacten te verwijzen. Het is niet verplicht, noch is het gebruikelijk dat de Commissie belanghebbenden de mogelijkheid biedt opmerkingen te maken over haar nota's voor het dossier of andere interne verslagen van de vergaderingen van haar ambtenaren. Alleen ter wille van de transparantie heeft de Commissie de mededeling op 31 oktober 2007 aan klager toegezonden.
41. Het standaardreglement van orde voorziet niet in de mogelijkheid voor externe waarnemers om de vergaderingen van het SCoFCAH bij te wonen. In artikel 8 van het standaardreglement van orde is echter bepaald dat, indien nodig, "[d]e voorzitter [kan] besluiten deskundigen uit te nodigen om over specifieke aangelegenheden te spreken, op verzoek van een lid of op eigen initiatief". Deze deskundigen moeten zich echter terugtrekken wanneer de commissie overgaat tot stemming. Evenzo is in artikel 6, lid 1, van het standaardreglement van orde het volgende bepaald: "... met toestemming van de voorzitter kunnen de delegaties worden vergezeld door deskundigen, op kosten van de betrokken lidstaat."Het specifieke reglement van orde van bepaalde comités biedt bepaalde vertegenwoordigers van derde landen of vertegenwoordigers van organisaties de mogelijkheid om de vergaderingen van het comité als waarnemers bij te wonen. Deze waarnemers moeten zich ook terugtrekken wanneer de commissie overgaat tot stemming. Van deze mogelijkheid is gebruikgemaakt om de kandidaat-lidstaten van de EU welkom te heten op de vergaderingen van de comités.
42. Het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding is opgericht bij Besluit 74/234/EEG van de Commissie van 16 april 1974 betreffende de instelling van een Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding [10]. Overeenkomstig artikel 4 van de kaderrichtlijn moet het SCF worden geraadpleegd over bepalingen die gevolgen kunnen hebben voor de volksgezondheid. In mei 2003 zijn de vijf bestaande wetenschappelijke comités die de Commissie wetenschappelijk advies over voedselveiligheid verstrekken, overgedragen aan de EFSA en zijn alle verwijzingen in de communautaire wetgeving naar het SCF vervangen door een verwijzing naar de EFSA.
43. De EFSA is dus verantwoordelijk voor de risicobeoordeling en de communicatie met betrekking tot voedselkwesties en is verantwoordelijk voor het verstrekken van onafhankelijk wetenschappelijk advies aan de Commissie over alle aspecten in verband met voedselveiligheid. De Commissie is verantwoordelijk voor het risicobeheer en de besluitvorming over de specifieke acties op basis van bovengenoemd advies. De omvang van de rol en de discretionaire bevoegdheid van de Commissie bij de uitoefening van haar risicobeheertaken is door het HvJ verduidelijkt in onder meer zaak T-13/99 Pfizer. Daar oordeelde het HvJ dat "... het aan de communautaire instellingen is om het beschermingsniveau te bepalen dat zij passend achten voor de samenleving." Zij moeten "... het risiconiveau bepalen ... dat naar hun oordeel niet langer aanvaardbaar is voor de samenleving en waarboven, in het belang van de bescherming van de menselijke gezondheid, preventieve maatregelen moeten worden genomen ondanks bestaande wetenschappelijke onzekerheid". Volgens het Hof van Justitie beschikten de communautaire instellingen derhalve over een ruime beoordelingsmarge, met name bij het bepalen van het risiconiveau dat onaanvaardbaar wordt geacht voor de samenleving.[11] De vaststelling van een aanvaardbaar risiconiveau is derhalve in wezen een beleidsoordeel van de Commissie.
44. De Commissie baseert zich op de wetenschappelijke gegevens en het bewijsmateriaal van haar wetenschappelijke comités en de EFSA. Deze worden altijd in aanmerking genomen wanneer regelgeving dit vereist. Dit was ook in het onderhavige geval het geval. Dit betekent echter niet dat de Commissie haar verantwoordelijkheid met betrekking tot de vaststelling van het aanvaardbare risiconiveau en de meest geschikte beleidsmaatregelen aan haar wetenschappelijke adviseurs kan delegeren.
45. Het effectbeoordelingssysteem van de Commissie heeft tot doel te zorgen voor empirisch onderbouwde beleidsvorming door middel van een geïntegreerde en evenwichtige beoordeling van problemen en alternatieve maatregelen. Een "Impact Assessment Board" (IAB) biedt de Commissie onafhankelijke kwaliteitsondersteuning en -controle. IA richt zich in de eerste plaats op belangrijke voorstellen. In het algemeen worden, om ervoor te zorgen dat de middelen op passende wijze worden gebruikt, volledige effectbeoordelingen alleen uitgevoerd wanneer zij een toegevoegde waarde hebben. In sommige gevallen kan een veel beperktere "evenredige" effectbeoordeling gerechtvaardigd zijn. Voor bepaalde initiatieven, zoals het opstellen van adviesdocumenten of -verslagen, is een effectbeoordeling mogelijk helemaal niet gerechtvaardigd. In het wetgevingswerkprogramma voor 2008 [12] heeft de Commissie aangegeven dat zij effectbeoordelingen zou uitvoeren voor bepaalde comitologiemaatregelen die waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen zullen hebben [13].
Beoordeling door de Ombudsman
46. Wat betreft het bewijsmateriaal met betrekking tot de terugkerende besprekingen tussen klager en de Commissie over de mate van harmonisatie waarin richtlijn 2006/141 voorziet, wijst de Ombudsman erop dat hij bevoegd is om mogelijke gevallen van wanbeheer bij het optreden van communautaire instellingen of organen te onderzoeken. In zijn onderzoek onderzoekt hij dus niet de gegrondheid van de wetgevingshandelingen van de Gemeenschappen. Het onderzoek in de onderhavige zaak heeft dus uitsluitend betrekking op de administratieve activiteit van de Commissie bij de voorbereiding van richtlijn 2006/141 en zal derhalve geen standpunt innemen over de bovengenoemde besprekingen, waarover het Hof niettemin een passend besluit kan nemen. Zoals de Commissie terecht opmerkt, staat het in geval van twijfel aan het HvJ om te beslissen of de harmonisatiemaatregel in kwestie het hele gebied bestrijkt dan wel ruimte laat voor nationale regelgevingsinitiatieven [14]. Met andere woorden, de vraag of de lidstaten strengere gezondheidsnormen kunnen of kunnen opleggen aan babymelkformules die hun grondgebied binnenkomen dan de normen van de betrokken richtlijn, ongeacht de mate van harmonisatie ervan, is niet het voorwerp van dit onderzoek.
47. Bovendien merkt de Ombudsman op dat klager ter ondersteuning van haar bewering argumenten heeft aangevoerd die in wezen in twee grote groepen kunnen worden verdeeld: i) argumenten met betrekking tot de acties die de ambtenaar tijdens de vergaderingen van het SCoFCAH heeft ondernomen, en ii) argumenten met betrekking tot acties die na deze vergaderingen zijn ondernomen. Na analyse van de volledige documentatie die klager en de Commissie bij hem hebben ingediend, concludeert de Ombudsman dat deze materialen het mogelijk maken de kwesties in verband met de SCoFCAH-vergaderingen van 26 juni en 19 juli 2006 grondig te onderzoeken. Dit geldt ook voor de vergadering van 24 oktober 2007 en de nota betreffende die vergadering.
De vergaderingen van het SCoFCAH van 26 juni en 19 juli 2006
48. Om te beginnen herinnert de Ombudsman eraan dat de Raad, overeenkomstig artikel 202 van het EG-Verdrag, de Commissie de bevoegdheid kan geven om de communautaire wetgeving ten uitvoer te leggen. Bij deze taak kan de Commissie worden bijgestaan door comités, overeenkomstig de zogenaamde comitéprocedure. Het comitologiebesluit, zoals uitvoerig geanalyseerd door de Commissie in haar advies, bevat de regels voor de werking van de comités. Dit besluit is gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG van de Raad van 17 juli 2006 tot wijziging van Besluit 1999/468/EG tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [15]. De praktische regels voor de administratieve werking van de comités zijn opgenomen in het standaardreglement van orde. In dit verband moet worden opgemerkt dat het HvJ de grondwettelijke geldigheid van het comitésysteem heeft bevestigd, hoewel het in een arrest dat aan de bovengenoemde comitologiebesluiten voorafging [16].
49. De bezwaren van de klager moeten in de bovengenoemde juridische context worden geplaatst. Kortom, door de ambtenaar ervan te beschuldigen geen eerlijke en objectieve vergaderingen te houden en geen rekening te houden met de bezorgdheid van de lidstaten over de noodzaak om de volksgezondheid te beschermen, plaatst klager vraagtekens bij het standpunt van de Commissie tijdens de wetgevingsprocedure, omdat zij van mening is dat de Commissie de belangen van de industrie heeft bevoordeeld in plaats van die van de volksgezondheid [17]. Volgens haar blijkt dit uit de optie die de Commissie heeft gekozen voor reclame voor opvolgmelk. Als DG SANCO volledige notulen van de SCoFCAH-vergaderingen had opgesteld of de deelnemers had geraadpleegd over de verslagen van de vergaderingen die zij hadden bijgewoond, zou het hebben vastgesteld dat sommige lidstaten van mening waren dat vervolgreclame op nationaal niveau moest worden verboden of besloten. Dit zou verder zijn aangetoond door de door de Commissie gekozen optie om geen specifieke vrijwaringsmaatregel op te nemen in richtlijn 2006/141, zoals voorgesteld door het SCF en ondersteund door de lidstaten [18].
50. De Ombudsman analyseerde het comitologieregister van de Commissie [19] en vond na het invullen van het zoekformulier de "samenvattende verslagen" van de vergaderingen van het SCoFCAH van 26 juni en 19 juli 2006. De procedure van de SCoFCAH wordt in het beknopte verslag van 19 juli 2006 omschreven als zijnde van regelgevende aard [20]. Het is derhalve redelijk om te concluderen dat de leden van het SCoFCAH, ongeacht de uiteindelijke beslissing van de Commissie, met haar hadden moeten instemmen [21]. Uit bovenstaande beknopte verslagen blijkt dat de " tekst van de ontwerpmaatregel is gewijzigd als gevolg van voorlegging aan het comité" en dat op een totaal van 321 stemmen de ontwerp-richtlijn 2006/141 317 positieve stemmen en 4 onthoudingen heeft gekregen. Niemand heeft tegengestemd.
51. Het lijkt er dus op dat de vertegenwoordigers van de lidstaten niet alleen voldoende gelegenheid hebben gehad om hun verschillende standpunten aan de Commissie kenbaar te maken, zoals met name blijkt uit het beknopte verslag van de bijeenkomst van 26 juni 2006 [22], maar dat zij het in grote lijnen eens waren met het definitieve ontwerp van de richtlijn, met inbegrip van de bepaling inzake de vervolgreclame- en vrijwaringsclausule, die ertoe heeft geleid dat de Commissie de maatregel uiteindelijk heeft vastgesteld. De verklaring van klager, in haar opmerkingen, van het standpunt van een bepaalde lidstaat dat "sommige [lidstaten] teleurgesteld waren dat strengere bepalingen voor de kennisgeving van opvolgzuigelingenvoeding en volledige zuigelingenvoeding en een verbod op reclame voor opvolgzuigelingenvoeding niet waren opgenomen", verandert derhalve niets aan het uiteindelijke resultaat dat, nog steeds in overeenstemming met die rekening, "de lidstaten de tekst in zijn geheel steunden". Bovendien hebben zij volgens de Commissie de bovengenoemde gegevens niet betwist [23]. Evenzo doet het feit dat de Commissie het advies van het SCF of de EFSA mogelijk niet heeft opgevolgd, niets af aan het feit dat het SCoFCAH de definitieve versie van zijn voorstel voor een richtlijn inzake volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding heeft goedgekeurd.
52. In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman van oordeel dat klager er niet in is geslaagd aan te tonen dat de ambtenaar a) misleidende schriftelijke verklaringen heeft afgelegd over de werkzaamheden van de vergaderingen van het SCoFCAH en als gevolg daarvan b) lidstaten en anderen die betrokken zijn bij de bescherming van de gezondheid van kinderen heeft misleid, of c) geen rekening heeft gehouden met de bezorgdheid van de lidstaten over de noodzaak om de volksgezondheid te beschermen in besprekingen binnen het SCoFCAH over Richtlijn 2006/141. In dit verband is klager er niet in geslaagd aan te tonen dat het feit dat de Commissie het advies van de EFSA mogelijk niet heeft opgevolgd, noodzakelijkerwijs een geval van wanbeheer vormt.
53. Klager is ook bezorgd over de transparantie van de comitologieprocedure en met name van de desbetreffende SCoFCAH-vergaderingen. Bovendien is het volgens haar niet geloofwaardig dat de systematische openbaarmaking van volledige verslagen van de vergaderingen van het Comité ertoe zou leiden dat de Commissie en de lidstaten worden blootgesteld aan ongepaste externe druk die het besluitvormingsproces negatief zou kunnen beïnvloeden.
54. De Ombudsman ondervond geen problemen bij het zoeken naar de relevante documenten op de website van de Commissie en vertrouwt erop dat burgers die geïnteresseerd zijn in het volgen van de activiteiten van het SCoFCAH dergelijke problemen evenmin zouden ondervinden. De beknopte verslagen lijken, naast de maatregelen die zijn genomen met betrekking tot de rol van het Parlement in het kader van de regelgevingsprocedure, met name met betrekking tot informatie over agenda's, stemverslagen en ontwerpmaatregelen die aan de commissies zijn voorgelegd [24], geschikt om het transparantiebeginsel in acht te nemen en tegelijkertijd de efficiëntie van de besluitvormingswerkzaamheden van de commissies te handhaven. Zij bieden voldoende informatie over de onderwerpen die tijdens de betrokken vergaderingen zijn besproken en over het resultaat van die besprekingen. Het beknopte verslag over de stemming over richtlijn 2006/141 bevat informatie over de behaalde resultaten en het feit dat de richtlijn is goedgekeurd. Zelfs indien, zoals klager aanvoert, uit dergelijke verslagen niet blijkt dat sommige lidstaten inderdaad ontevreden waren over het feit dat de Commissie of de ambtenaar hun bezwaren niet in aanmerking hebben genomen, kan niet worden betwist dat zij uiteindelijk de gelegenheid hebben gehad om dergelijke bezwaren kenbaar te maken en uiteindelijk overeenstemming hebben bereikt over de definitieve versie die uit de besprekingen is voortgevloeid.
55. Bovendien wijst de Ombudsman erop dat de comitologiecomités volgens de vaste rechtspraak van de communautaire rechterlijke instanties voor de toepassing van de communautaire regels inzake de toegang tot documenten onder de Commissie zelf vallen. Het is dus aan de Commissie om uitspraak te doen over verzoeken om toegang tot documenten van die comités [25]. Hieruit volgt dat burgers, naast de door het register geboden toegankelijkheid, verzoeken om toegang van het publiek kunnen indienen tot alle andere documenten die mogelijk niet automatisch toegankelijk zijn. Dit zou ook het geval zijn voor alle andere documenten die de Commissie in verband met comitologievergaderingen opstelt.
56. Wat de deskundigengroepen betreft, neemt de Ombudsman nota van de informatie op de website van de Commissie [26] over onder meer de missies, samenstelling en taken van de verschillende daarin genoemde groepen. Hij is van mening dat dergelijke informatie voldoende lijkt om het grote publiek voldoende vertrouwd te maken met het soort deskundig advies dat de Commissie ontvangt van de groepen die zij opricht.
57. Wat waarnemers betreft, voorziet het huidige standaardreglement van orde inzake comitologie, zoals de Commissie terecht opmerkt, niet in de mogelijkheid voor derden om de comitologievergaderingen bij te wonen. De enige uitzonderingen zijn situaties waarin deskundigen worden uitgenodigd om advies te geven en waarnemers vergaderingen in het kader van het protocol bijwonen. Zelfs in dergelijke gevallen heeft geen van hen stemrecht. Aangezien de comitologievergaderingen betrekking hebben op wetgevingsbesprekingen met de lidstaten, die vervolgens over de documenten van de Commissie stemmen, is het niet uitgesloten dat het toestaan van tussenkomst van andere partijen dan de EU-lidstaten en het mogelijk beïnvloeden van de wetgevingsprocedure het concept van de comitologie in zijn huidige vorm zou kunnen ondermijnen. De Ombudsman benadrukt niettemin dat het klager vrij staat zich tot het Europees Parlement te wenden en wijzigingen in het comitologiesysteem voor te stellen in de vorm van een verzoekschrift.
Nota van de vergadering van 24 oktober 2007
58. In overeenstemming met het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, merkt de Ombudsman op dat klager bij e-mail van 25 oktober 2007 aan de ambtenaar "zeer hoopte dat [zij] de woorden van de vergadering van de vorige dag correct [had] begrepen". Ook in haar verdere e-mail aan de ambtenaar van 29 oktober 2007 was klager van mening dat het "onbeleefd zou zijn om [de ambtenaar] haar herinnering aan wat er tijdens die vergadering was gebeurd niet te delen".
59. Na de e-mails van [klager] van 25 en 29 oktober 2007 heeft DG SANCO haar derhalve haar interne nota toegezonden met een beknopt overzicht van de besprekingen die op 24 oktober 2007 tussen [haar, UNICEF en DG SANCO] hebben plaatsgevonden.
60. De Ombudsman merkt op dat de Commissie belanghebbenden in beginsel niet de mogelijkheid biedt opmerkingen te maken over haar interne verslagen van vergaderingen zoals die in kwestie.
61. Volgens de Ombudsman moet de Commissie, als zij vergaderingen met belanghebbenden organiseert en hun standpunten over een bepaalde kwestie opvraagt, ervoor zorgen dat zij de geuite standpunten naar behoren registreert door nauwkeurige notulen op te stellen. Het raadplegen van de betrokken belanghebbenden over de inhoud van dergelijke notulen zou inderdaad beter verenigbaar zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur. Dit betekent echter niet dat de Commissie notulen moet opstellen van elke vergadering die zij met belanghebbenden heeft. De Commissie kan inderdaad eenvoudige "nota's voor het dossier" opstellen, die zouden kunnen overeenkomen met de herinneringen van haar ambtenaren aan een bepaalde vergadering. Deze interne nota's kunnen niet worden beschouwd als officiële notulen van wat de belanghebbenden daadwerkelijk hebben gezegd.
62. Voordat de vergadering in kwestie plaatsvond in het kader van de regelmatige voorbereidende werkzaamheden voor de voorgestelde richtlijn 2006/141, werd belanghebbenden, waaronder klager, door de Commissie verzocht om te gelegener tijd hun standpunt over de voorgestelde richtlijn uiteen te zetten [27]. De bijeenkomst in kwestie werd niet op eigen initiatief van de Commissie georganiseerd, maar naar aanleiding van een specifiek verzoek van klager [28]. Het kan dus niet procedureel vergelijkbaar zijn met de regelmatige bijeenkomsten met belanghebbenden die worden georganiseerd in het kader van de voorbereidende werkzaamheden voor de wetgevingsvoorstellen van de Commissie. Het lijkt er derhalve op dat de Commissie niet verplicht was officiële notulen van deze vergadering op te stellen. Een briefje voor het dossier was voldoende. Bij het opstellen van een dergelijke nota hoefde zij de personen die aan de vergadering hebben deelgenomen, niet te raadplegen. Hieruit volgt dat de Commissie niet met de deelnemers aan de vergadering de inhoud hoefde te bevestigen van de nota die zij voor haar eigen interne doeleinden had opgesteld .
63. Desalniettemin heeft de Commissie de nota ter informatie "omwille van de transparantie ..." aan klager toegezonden. De Ombudsman begrijpt derhalve dat de Commissie niet van plan was haar interne nota te delen met een van de deelnemers aan de vergadering, met uitzondering van klager. Zij heeft dit alleen gedaan in antwoord op de bezorgdheid van klager zelf over haar herinnering aan die bijeenkomst, die zij ook aan de ambtenaar wilde meedelen.
64. Toen de klager opmerkingen over de mededeling maakte, heeft de Commissie die opmerkingen bij haar gevoegd en in het desbetreffende dossier opgenomen. Daaruit volgt dat, aangezien de aldus geregistreerde informatie uitsluitend bestemd was voor gebruik door de Commissie, de indiening van de e-mails van klager ter verduidelijking bij de mededeling in de interne dossiers van de Commissie voldoende lijkt om te garanderen dat de Commissie naar behoren rekening zou houden met de standpunten van klager.
65. In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman, ook al is niet uitgesloten dat de Commissie in feite de standpunten van klager in haar nota verkeerd heeft geïnterpreteerd, van mening dat de latere maatregelen die de Commissie heeft genomen toereikend waren om een passende follow-up van de verduidelijkingen van klager in dit verband te waarborgen. Zij zijn derhalve in overeenstemming met de beginselen van behoorlijk bestuur, zodat de Commissie de andere deelnemers aan de vergadering niet hoefde te raadplegen over de inhoud van de nota. Bijgevolg kan het standpunt van klager, dat zonder enig bevestigend bewijs werd aangevoerd, dat de mededeling door de sector zou kunnen worden gebruikt om haar campagne ter bescherming van de gezondheid te ondermijnen, aangezien er geen garanties waren dat iemand haar aanvullende e-mails ter verduidelijking zou opmerken, niet worden gehandhaafd.
66. Anderzijds was klager in haar opmerkingen van mening dat, indien de Commissie al interne aantekeningen bijhoudt, het opstellen van officiële logbestanden een korte stap voorwaarts zou zijn.
67. De Ombudsman begrijpt dat de bovengenoemde term "log" overeenkomt met een gedetailleerd verslag dat de inhoud van een bepaalde vergadering nauwkeuriger weergeeft dan een "interne nota", die uiteindelijk, zoals in het onderhavige geval, de herinnering van de instelling aan de vergadering van 24 oktober 2007 weergeeft, net zoals de standpunten van klager haar herinnering aan die vergadering weergeeft. In dit verband zou "ambtenaar"in die zin betekenen dat een dergelijk record automatisch beschikbaar zou zijn voor ten minste alle betrokkenen bij de desbetreffende vergadering. In dit verband neemt de Ombudsman nota van het standpunt van de Commissie dat zij om"duidelijke praktische redenen"niet verplicht is officiële logbestanden op te stellen van alle vergaderingen waaraan haar ambtenaren deelnemen.
68. Hoewel de Commissie niet specificeert wat dergelijke praktische redenen zijn, acht de Ombudsman het redelijk dat niet voor alle vergaderingen een verslag als hierboven beschreven vereist is. Dit hangt met name af van de aard, het onderwerp en de deelnemers van de betrokken bijeenkomsten. In dit verband benadrukt hij niettemin, net als zijn conclusie in punt 55 hierboven, dat burgers de mogelijkheid hebben om verzoeken om toegang van het publiek tot de "back-to-officeverslagen " in te dienen, die door de ambtenaren van de instellingen zijn opgesteld met betrekking tot de vergaderingen die zij bijwonen.
69. Wat ten slotte de analyse van de gevolgen van de voorgestelde wetgeving voor de gezondheid, de maatschappij en het milieu betreft, heeft klager in haar opmerkingen de uitleg van de Commissie dat haar effectbeoordelingen samenvattend in verhouding moeten staan tot de toegevoegde waarde die zij aan de vast te stellen maatregel bieden, niet betwist. In dit verband heeft klager het standpunt van de Commissie dat haar wetgevingsvoorstellen in overeenstemming waren met de verplichting van artikel 152, lid 1, van het EG-Verdrag [29] niet ter discussie kunnen stellen.
70. In het licht van het voorgaande concludeert de Ombudsman dat er geen wanbeheer is vastgesteld met betrekking tot de bewering van klager.
B. Conclusie
Op basis van zijn onderzoek naar deze klacht sluit de Ombudsman deze af met de volgende conclusie:
Er is geen wanbeheer vastgesteld met betrekking tot de bewering van klager dat de Commissie haar taken met betrekking tot de werking van het SCoFCAH niet naar behoren heeft uitgevoerd. Bijgevolg kan het argument van klager met betrekking tot de werkmethoden van het SCoFCAH en de deskundigencomités in het algemeen niet worden aanvaard. Dit belet klager echter niet om desgewenst een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten en wijzigingen in het wetgevingskader van de comitéprocedure voor te stellen.
Klager en de Commissie zullen van dit besluit in kennis worden gesteld.
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
Gedaan te Straatsburg op 18 september 2009
[1] Volgens de website van Baby Milk Action: www.babymilkaction.org.
[2] PB L 401, blz. 1.
[3] PB 1989, L 186, blz. 27. Deze richtlijn is vervolgens gewijzigd bij Richtlijn 96/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996, Richtlijn 1999/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 juni 1999 en Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003.
[4] Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PB L 184, blz. 23). Dit besluit is vervolgens gewijzigd bij besluit 2006/512/EG van de Raad van 17 juli 2006 tot wijziging van besluit 1999/468/EG tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PB 2006, L 200, blz. 11).
[5] PB L 31, blz. 1.
[6] "Standaardreglement van orde - Besluit 1999/468/EG van de Raad, Reglement van orde voor de ... Comité", PB 2001, C 38, blz. 3.
[7] http://ec.europa.eu/transparency/regcomitology/registre.cfm?CL=nl.
[8] PB L 145, blz. 43.
[9] http://ec.europa.eu/food/committees/regulatory/index_en.htm.
[10] PB 1974, L 136, blz. 1.
[11] Zaak T-13/99 Pfizer Animal Health SA/Raad van de Europese Unie, Jurispr. 2002, blz. II-3305, punten 151 en 167.
[12] COM(2007) 640 definitief.
[13] COM(2008) 32 definitief.
[14] Zie onder meer zaak C-1/96, The Queen/Minister of Agriculture, Fisheries and Food, Jurispr. 1998, blz. I-1251, punt 63: "[...] het feit dat de lidstaten op hun grondgebied beschermende maatregelen mogen vaststellen die strenger zijn dan die welke in een richtlijn zijn vastgesteld, betekent niet dat de richtlijn de bevoegdheden van de lidstaten op het gebied van de bescherming van kalveren niet uitputtend heeft geregeld [...]"
[15] PB 2006, L 200, blz. 11.
[16] Zie zaak 25-70, Einfuhr- und Vorratsstelle für Getreide und Futtermittel/Köster et Berodt & Co, Jurispr. 1970, blz. 1161, r.o. 9 en 10: "In artikel 155 [van het EG-Verdrag] is bepaald dat de Commissie de haar door de Raad verleende bevoegdheden uitoefent ter uitvoering van de door deze laatste vastgestelde regels. Deze bepaling, waarvan het gebruik facultatief is, stelt de Raad in staat de modaliteiten vast te stellen waaraan de Commissie bij de uitoefening van de haar verleende bevoegdheid is onderworpen. De zogenoemde beheerscomitéprocedure maakt deel uit van de modaliteiten waaraan de Raad rechtmatig een bevoegdheidsdelegatie aan de Commissie kan onderwerpen [...]. Het comité van beheer heeft tot taak te zorgen voor permanent overleg om de Commissie te begeleiden bij de uitoefening van de haar door de Raad verleende bevoegdheden en om de Raad in staat te stellen zijn eigen optreden in de plaats te stellen van dat van de Commissie. Het beheerscomité is dus niet bevoegd om een besluit te nemen in plaats van de Commissie of de Raad. Zonder afbreuk te doen aan de communautaire structuur en het institutionele evenwicht, stelt het beheerscomité de Raad derhalve in staat aan de Commissie een uitvoeringsbevoegdheid van aanzienlijke omvang te delegeren, onder voorbehoud van zijn bevoegdheid om zo nodig zelf een besluit te nemen.
De wettigheid van de zogenoemde procedure van het comité van beheer [...] kan dus niet worden betwist in het kader van de institutionele structuur van de Gemeenschap."
[17] Volgens de opmerkingen van klager: "... het standpunt van [de ambtenaar] weerspiegelt zo vaak dat van de babyvoedingsindustrie ...[T] heeft de Commissie zelf het besluitvormingsproces ten gunste van de industrie negatief beïnvloed ..."
[18] In overeenstemming met de opmerkingen van de klager heeft het SCF opgeroepen tot "een onafhankelijke beoordeling van de facultatieve ingrediënten van zowel volledige zuigelingenvoeding als opvolgzuigelingenvoeding voordat deze in de handel worden gebracht." Dit werd duidelijk ondersteund door de meeste lidstaten, maar deze belangrijke waarborg werd niet opgenomen.
[19] Beschikbaar op http://ec.europa.eu/transparency/regcomitology/index_en.htm.
[20] In tegenstelling tot "advies"; "management"; en "waarborg".
In het comitologiebesluit worden de comités in drie groepen ingedeeld, afhankelijk van de vraag of zij advies-, beheers- of regelgevende bevoegdheden hebben. De regelgevingsprocedure moet worden gebruikt voor maatregelen van algemene strekking die bedoeld zijn om essentiële bepalingen van basisbesluiten toe te passen, zoals die welke betrekking hebben op gezondheid en veiligheid. In de regelgevingsprocedure kan de Commissie een maatregel alleen vaststellen als deze in overeenstemming is met het advies van het comité (volgens Paul Craig en Graínne de Burca, EU Law, Text, Cases, and Materials, Third Edition, Oxford, blz. 150-153).
[22] Het beknopte verslag van deze vergadering luidt als volgt: "Debat over de herschikking van Richtlijn 91/321/EEG Ontwerp-richtlijn van de Commissie ... inzake volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding.
De Commissie heeft de ontwerp-herschikking van Richtlijn 91/321/EEG inzake volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding gepresenteerd. Tijdens de inleiding heeft de Commissie uitgelegd dat de bevoegdheden die aan de Commissie zijn gedelegeerd via de kaderwetgeving van Richtlijn 89/398/EEG van de Raad betreffende voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen, zich niet uitstrekken tot de invoering van een vergunningsprocedure. Bovendien zou de invoering van een vergunningsprocedure in een richtlijn waarschijnlijk tot technische en juridische problemen leiden, aangezien elke lidstaat op zijn eigen manier zijn nationale wetgeving zou omzetten. Sommige leden van de commissie hebben de kwestie van de eiwitconversiefactor aan de orde gesteld. De Commissie legde uit dat de omrekeningsfactor van toepassing was op het eindproduct en niet op de afzonderlijke ingrediënten van het product. Het Comité wordt ervan in kennis gesteld dat het ontwerp zal worden herzien om rekening te houden met wijzigingen in de wetsontwerpen, en het is de bedoeling het ontwerp tijdens de volgende vergadering van het Comité ter stemming voor te leggen."
[23] Zie T-188/97 Rothmans International BV/Commissie, Jurispr. 1999, blz. II-2463, punt 58: "De Commissie verzorgt het secretariaat van het Comité, hetgeen betekent dat zij de notulen opstelt die het Comité goedkeurt."
[24] Artikel 7, lid 3, van het comitologiebesluit bepaalt: "Het Europees Parlement wordt door de Commissie regelmatig in kennis gesteld van de werkzaamheden van het comité. Daartoe ontvangt zij de agenda's van de vergaderingen van de comités, de aan de comités voorgelegde ontwerp-maatregelen ter uitvoering van de volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag aangenomen besluiten, alsmede de resultaten van de stemmingen en beknopte verslagen van de vergaderingen en de lijsten van de autoriteiten en organisaties waartoe de personen behoren die door de lidstaten zijn aangewezen om hen te vertegenwoordigen. Het Europees Parlement wordt ook op de hoogte gehouden wanneer de Commissie aan de Raad maatregelen of voorstellen voor te nemen maatregelen toezendt."
[25] Zie zaak T-188/97, Rothmans International BV/Commissie, punt 62.
[26] http://ec.europa.eu/transparency/regexpert/
[27] Volgens het advies van de Commissie "werden belanghebbenden betrokken bij de voorbereidende werkzaamheden die hebben geleid tot de vaststelling van Richtlijn 2006/141/EG door middel van een brede raadpleging van representatieve Europese organisaties voorafgaand aan de opstelling van het voorstel en parallel aan besprekingen met deskundigen van de lidstaten. Het IBFAN, waartoe de organisatie van de klager behoort, heeft de Commissie op 4 maart 2005 oorspronkelijke opmerkingen en op 31 maart 2005 herziene opmerkingen doen toekomen."
[28] Volgens het standpunt van de Commissie, dat klager niet betwistte: "[zijn] diensten hebben het verzoek van klager om een bijeenkomst om de juridische status en de uitvoering van Richtlijn 2006/141/EG te bespreken, aanvaard."
[29] "Bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Gemeenschap wordt een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid gewaarborgd.
Het optreden van de Gemeenschap, dat een aanvulling vormt op het nationale beleid, is gericht op de verbetering van de volksgezondheid, de preventie van ziekten en aandoeningen bij de mens en het wegnemen van bronnen van gevaar voor de menselijke gezondheid. Dit optreden heeft betrekking op de bestrijding van de belangrijkste plagen op gezondheidsgebied, door het bevorderen van onderzoek naar de oorzaken, de overdracht en de preventie ervan, alsmede gezondheidsvoorlichting en -educatie. De Gemeenschap vult het optreden van de lidstaten aan om drugsgerelateerde gezondheidsschade te beperken, met inbegrip van voorlichting en preventie."