Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 885/2007/JMA tegen de Europese Commissie
Besluiten
Zaak 885/2007/JMA - Geopend op Donderdag | 21 juni 2007 - Besluit over Dinsdag | 26 augustus 2008
Samenvatting van het besluit inzake klacht 885/2007/JMA tegen de Europese Commissie
De klacht had betrekking op de ontwikkeling van een industriële haven in Granadilla, op het eiland Tenerife (Spanje). Aangezien de uitvoering van het project negatieve milieueffecten zou kunnen hebben op twee aangrenzende natuurgebieden die krachtens Richtlijn 92/43/EEG van de Raad inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats als "gebieden van communautair belang" zijn aangemerkt, moest de Commissie hierover een formeel advies uitbrengen, dat op 6 november 2006 werd gepubliceerd. In dit advies werd echter geen rekening gehouden met informatie over alternatieve locaties die klager in het kader van zijn klachten bij de Commissie had ingediend (referenties 2002/5081 en 2003/4260). Hij klaagde daarom bij de Ombudsman over het feit dat de Commissie de door hem verstrekte informatie had genegeerd en dat de instelling niet had geantwoord op zijn brief van 20 februari 2007, waarin hij het voornemen van de Commissie om zijn klachten af te sluiten had betwist.
In zijn onderzoek onderzocht de Ombudsman de inhoud van de verschillende uitwisselingen en constateerde hij dat de punten van zorg voor klager die hij onder de aandacht van de Commissie had gebracht, namelijk de bestaande situatie van de nabijgelegen haven van Santa Cruz ("nuloptie"), de geschiktheid van alternatieve opties en de alternatieve locaties, in feite in het advies van de Commissie waren behandeld en aan een gedetailleerde analyse waren onderworpen. De Ombudsman voegde daaraan toe dat de Commissie in haar advies een gedetailleerde toelichting had gegeven op de redenen die haar tot de conclusie hadden gebracht dat het project van de haven van Granadilla onder bepaalde voorwaarden kon worden voortgezet om redenen van hoger openbaar belang.
Wat het antwoord op de brief van klager betreft, constateerde de Ombudsman dat de Commissie hierop niet had geantwoord. Aldus had de Commissie klager niet in kennis gesteld van de formele sluiting van zijn klachten en had zij niet adequaat gereageerd op de specifieke argumenten die in die brief waren aangevoerd met betrekking tot mogelijke alternatieve locaties voor het project van Granadilla. Een dergelijk verzuim was in strijd met artikel 18 van de Europese code van goed administratief gedrag en vormde een geval van wanbeheer waarvoor de Ombudsman een kritische opmerking aan de Commissie heeft gericht.
Straatsburg, 26 augustus 2008
Geachte heer M.,
Op 26 maart 2007 heeft u namens verschillende milieu-ngo's, waaronder "Ecologistas en Acción", "Greenpeace", "SEO/BirdLife" en "WWF/Adena", bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen de Europese Commissie. De klacht had betrekking op de bouw van een haven in de stad Granadilla op het eiland Tenerife (Spanje).
Op 21 juni 2007 heb ik de voorzitter van de Commissie in kennis gesteld van uw klacht en hem verzocht hierover vóór 30 september 2007 advies uit te brengen. Op 1 oktober 2007 heeft de Commissie haar advies in het Engels uitgebracht. Op 15 oktober 2007 heeft zij een vertaling van het advies in het Spaans toegezonden, die u op 25 oktober 2007 is toegezonden, met het verzoek desgewenst opmerkingen te maken. Op 21 november 2007 heeft u verzocht om verlenging van de antwoordtermijn. Bij brief van 12 december 2007 heb ik uw verzoek ingewilligd om u toe te staan uw opmerkingen in te dienen tot en met 31 januari 2008. Op 12 januari 2008 heeft u uw opmerkingen over het advies van de Commissie ingediend.
Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.
Het KLACHT
Klacht 3514/2006/JMA:Op 15 november 2006 diende klager een eerste klacht in bij de Europese Ombudsman, die werd geregistreerd onder nummer 3514/2004/JMA. De klacht had betrekking op het standpunt van de Commissie met betrekking tot de ontwikkeling door de Spaanse autoriteiten van een industriële haven in de stad Granadilla, op het eiland Tenerife (Spanje). Klager legde uit dat hij bij de Commissie een aantal klachten had ingediend met betrekking tot dit project (referenties 2002/5081 en 2003/4260), waarin hij had aangevoerd dat het niet in overeenstemming was met artikel 6, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (1) ("de habitatrichtlijn"), omdat de uitvoering ervan volgens hem negatieve milieueffecten zou hebben op twee aangrenzende natuurgebieden die als beschermde gebieden waren aangemerkt.
Deze bepaling bepaalt dat voor speciale beschermingszones elk project dat significante gevolgen kan hebben voor het gebied, moet worden onderworpen aan een passende beoordeling van de gevolgen ervan voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. Indien deze beoordeling negatief is, kunnen de verantwoordelijke autoriteiten deze alleen uitvoeren om dwingende redenen van groot openbaar belang en bij gebreke van alternatieve oplossingen. Aangezien hij van mening was dat er mogelijke alternatieven voor het project waren, voerde klager aan dat de ontwikkeling ervan in strijd zou zijn met het EU-recht. In december 2005 diende klager daarom bij de Commissie een studie in waaruit volgens hem bleek dat er ten minste zeven alternatieven waren voor de bouw van een haven in Granadilla, waaronder de uitbreiding van de bestaande nabijgelegen haven van Santa Cruz. Op 15 april 2006 zond klager de Commissie een nieuw verslag waarin werd uiteengezet hoe deze alternatieven konden worden toegepast. Het rapport verwees naar zaken als de beschikbare grond- en steengroevematerialen voor een eventuele uitbreiding van de haven van Santa Cruz, de effecten ervan op de nabijgelegen bevolking en een beoordeling van de potentiële groei van die haven. Op 13 juli 2006 herhaalde klager zijn verzoek bij brief aan commissaris Dimas, waarop de verantwoordelijke diensten op 11 oktober 2006 hebben geantwoord. In haar antwoord benadrukte de Commissie dat zij hierover nog geen besluit had genomen.
Klager merkte op dat de Commissie op 6 november 2006 overeenkomstig artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn haar formele advies over het project van Granadilla heeft uitgebracht. In dit advies concludeerde de Commissie dat de bouw van een nieuwe haven in Granadilla leek te beantwoorden aan dwingende redenen van groot openbaar belang en dat er volgens haar geen haalbare alternatieven voor het project leken te zijn.
In zijn klacht bij de Ombudsman beweerde klager i) dat de Commissie hem geen toegang had verleend tot de documenten die bij het opstellen van zijn advies waren gebruikt, en ii) dat zij geen rekening had gehouden met de informatie die hij had verstrekt, met name zijn argumenten ter ondersteuning van haalbare alternatieven voor het project.
Met betrekking tot de eerste bewering besloot de Ombudsman een onderzoek in te stellen. De Ombudsman heeft zijn onderzoek naar dit aspect van de zaak afgesloten bij besluit van 13 mei 2008 (2).
In verband met de tweede bewering was de Ombudsman van mening dat klager met betrekking tot dit aspect van het probleem geen passende benadering van de Commissie had gevolgd. Klager beweerde dat de Commissie, zoals beloofd aan de Ombudsman in zijn antwoord op zijn eigen initiatiefonderzoek OI/2/2006/JMA, de mogelijke alternatieven die klager in zijn correspondentie met de instelling had beschreven, niet grondig had overwogen. Vervolgens lichtte hij in detail de verschillende opties toe die hij had voorgesteld en benadrukte hij dat de Commissie er in haar advies van 6 november 2006 niet naar had verwezen.
Klager merkte op dat in de analyse van de Commissie als uitgangspunt de zogenaamde "nuloptie" was genomen, waarbij werd vastgesteld dat er geen sprake was van een toename van de werkelijke havencapaciteit. De klager wees erop dat een dergelijk vertrekpunt onjuist was, aangezien, zelfs indien het project voor de bouw van een haven in Granadilla zou worden geannuleerd, de nabijgelegen haven van Santa Cruz haar capaciteit zou hebben zien toenemen als gevolg van de uitbreidingsplannen die momenteel worden uitgevoerd. De klager merkte voorts op dat deze plannen, die reeds waren goedgekeurd, zouden moeten leiden tot de toekomstige uitbreiding van zowel de Oost- als de Vishaven van de haven van Santa Cruz. Hij concludeerde derhalve dat de Commissie geen verklaring had kunnen geven waarom zij deze uitbreidingsplannen niet in aanmerking had genomen voor haar uitgangspositie.
Klager onderzocht vervolgens de mogelijke alternatieven waarmee de Commissie in feite rekening had gehouden. Het eerste alternatief was de uitbreiding van de bestaande haven van Santa Cruz. De Spaanse autoriteiten hadden dit alternatief niet gehandhaafd op grond dat: a) het negatieve gevolgen zou hebben gehad voor de inwoners van de bijna-stad Santa Cruz de Tenerife; b) er waren geen nabijgelegen steengroeven om de nodige materialen te leveren; c) geen enkele grond geschikt was voor een dergelijke uitbreiding; en d) het zou leiden tot een toenemend gebrek aan evenwicht tussen de noordelijke en zuidelijke delen van het eiland. In haar advies concludeerde de Commissie dat de argumenten van de Spaanse autoriteiten redelijk leken. Klager was echter van mening dat deze redenen niet gegrond waren, aangezien de geplande uitbreiding van de haven van Santa Cruz zou plaatsvinden in een sector van de haven met zware belading die in geen geval gevolgen zou hebben gehad voor de lokale bevolking. Hij voegde er ook aan toe dat er een aantal gebouwen in de buurt van de haven waren, waarvan de materialen voor een eventuele uitbreiding hadden kunnen worden gebruikt. Hij merkte verder op dat de kaarten van de bestaande haven van Santa Cruz laten zien dat er stukken land beschikbaar waren, die voldoende ruimte hadden kunnen bieden voor elke uitbreiding. Ten slotte voerde de klager aan dat een groter onevenwicht tussen de noordelijke en zuidelijke delen van het eiland zou voortvloeien uit de ontwikkeling van de haven van Granadilla. Op basis van een aantal studies die aan de Commissie zijn toegezonden, voerde klager aan dat de rechtvaardiging voor de haven van Granadilla was gelegen in de vermeende behoefte aan een grotere groei van de havencapaciteit, terwijl volgens hem de uitbreiding van de bestaande faciliteiten in Santa Cruz zou hebben volstaan om in toekomstige maritieme behoeften te voorzien.
Klager merkte op dat indien de bouw van een nieuwe haven de voorkeursoptie was, hij de Commissie in kennis had gesteld van een aantal alternatieve, geschiktere locaties dan het Granadilla-gebied. Deze alternatieve locaties waren volgens hem door de Commissie niet in overweging genomen.
Uit de beschikbare informatie bleek echter niet dat klager passende stappen bij de instelling had ondernomen om de inhoud van het advies van de Commissie van 6 november 2006 te betwisten.
Aangezien dit aspect van de klacht niet, zoals artikel 2, lid 4, van zijn Statuut vereist, was voorafgegaan door passende administratieve stappen ten aanzien van de verantwoordelijke instelling, heeft de Ombudsman deze bij brief van 31 januari 2007 niet-ontvankelijk verklaard. In zijn brief aan klager adviseerde de Ombudsman hem de Commissie te schrijven over dit aspect van de zaak en informatie te vragen over de redenen waarom de in zijn klacht uiteengezette argumenten niet in aanmerking waren genomen. Klager werd ervan in kennis gesteld dat hij, indien hij van mening was dat het antwoord van de Commissie onbevredigend was, kon overwegen een nieuwe klacht in te dienen bij de Ombudsman.
Klacht 885/2007/JMA:Op 26 maart 2007 diende klager een nieuwe klacht in bij de Ombudsman, die werd geregistreerd onder nummer 885/2007/JMA. In deze klacht legde klager uit dat hij naar aanleiding van het advies van de Ombudsman op 20 februari 2007 contact had opgenomen met de verantwoordelijke Commissie, met het verzoek om uitleg over de redenen waarom de informatie met betrekking tot zijn klachten (referenties 2002/5081 en 2003/4260), die hij aan de Commissie had toegezonden, niet in aanmerking was genomen in haar advies van 6 november 2006. Klager herhaalde in deze brief de argumenten tegen het havenproject in Granadilla die hij in het kader van zijn eerdere klachten reeds had aangevoerd in zijn eerdere contacten met de Commissie. De brief van klager van 20 februari 2007 was niet beantwoord.
Rekening houdend met het nieuwe bewijsmateriaal besloot de Ombudsman de brief van klager als nieuwe klacht te registreren en een onderzoek in te stellen. De Ombudsman heeft de Commissie verzocht een advies uit te brengen over de volgende beschuldigingen:
Klager stelt, kort samengevat, dat de Commissie heeft nagelaten:
- rekening te houden met de informatie die hij overeenkomstig artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn in zijn advies van 6 november 2006 heeft verstrekt over het bestaan van alternatieven voor de aanleg van een haven in Granadilla;
- antwoord op zijn brief van 20 februari 2007, waarin hij uitleg vraagt over de tekortkomingen van bovengenoemd advies van de Commissie over de haven van Granadilla.
Het onderzoek
Advies van de CommissieIn haar advies heeft de Commissie eerst de achtergrond van de zaak beschreven. Zij legde uit dat het project voor de bouw van een nieuwe haven in Granadilla, op het eiland Tenerife, was aangevochten door verschillende milieu-ngo's en burgerorganisaties, waaronder de vereniging van klagers, die klachten 2002/5081 en 2003/4260 had ingediend. In deze klachten voerde de klager aan dat het project van Granadilla in strijd zou zijn met een aantal communautaire voorschriften, waaronder Richtlijn 85/337/EEG 2 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten en Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
De Commissie legde uit dat het project waarschijnlijk negatieve gevolgen zal hebben voor de nabijgelegen Natura 2000-gebieden "Sebadales del Sur de Tenerife" en "Montana Roja" en dat het daarom overeenkomstig artikel 6, leden 3 en 4, van de habitatrichtlijn moet worden onderworpen aan een milieubeoordeling waarbij rekening moet worden gehouden met de mogelijkheden voor alternatieven, risicobeperkende maatregelen en uiteindelijk compensatie. Op 7 november 2005 heeft de Commissie een verzoek van de Spaanse autoriteiten ontvangen om overeenkomstig artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn advies uit te brengen over het ontbreken van alternatieve oplossingen en om dwingende redenen van groot openbaar belang (3). De Commissie heeft haar advies op 6 november 2006 uitgebracht, dat op haar website is gepubliceerd. Een kopie van het document is als bijlage bij het advies aan de Ombudsman gevoegd.
In haar advies over het project voor de haven van Granadilla concludeerde de Commissie dat het project, zoals beschreven in de door de Spaanse autoriteiten ingediende documenten, kon worden voortgezet om redenen van groot openbaar belang, op voorwaarde dat tijdig alle nodige compenserende maatregelen werden genomen om de algehele bescherming van de samenhang van de Natura 2000-gebieden te waarborgen.
Vervolgens heeft de Commissie elk van de aantijgingen van klager behandeld. Wat betreft het vermeende verzuim om rekening te houden met de argumenten van klager met betrekking tot het bestaan van alternatieven, legde de Commissie uit dat zij het project sinds 2002 in overweging had genomen, toen zij een onderzoek ter zake begon in verband met klacht nr. 2002/5081. De Commissie benadrukte dat zij, alvorens haar advies uit te brengen, ten volle rekening had gehouden met alle beschikbare informatie uit verschillende bronnen, waaronder die van de klager en andere milieu-ngo’s en burgers die tegen dit project waren. In dit verband heeft de Commissie talrijke bijeenkomsten gehouden met overheidsinstanties en ngo's, waaronder die van klager, om naar meningen te luisteren en nieuw bewijsmateriaal te verzamelen. De Commissie heeft alle beschikbare informatie met betrekking tot de alternatieven voor de bouw van de haven van Granadilla geanalyseerd. Op basis van de in een vroeg stadium door de klager verstrekte informatie kon de Commissie namelijk tot de conclusie komen dat het project aanzienlijke gevolgen zou hebben voor twee "locaties van communautair belang".
De Commissie voegde daaraan toe dat haar advies over het project van Granadilla was goedgekeurd na alle verschillende standpunten van de verschillende partijen te hebben onderzocht. De Commissie erkende echter dat haar conclusie verschilde van die van klager, hoewel zij, zo benadrukte zij, ten volle rekening had gehouden met diens standpunten. Gezien de kloof tussen voor- en tegenstanders van het project achtte de Commissie het onrealistisch te verwachten dat haar definitieve standpunt door alle belanghebbenden zou worden gedeeld.
In verband met haar vermeende verzuim om op een brief van klager te antwoorden, merkte de Commissie op dat zij geen spoor had van het ontvangen van een brief van 20 februari 2007, maar ging zij ervan uit dat klager in feite verwees naar zijn brief van 15 februari 2007, die op 22 februari 2007 door de diensten van de Commissie was geregistreerd. Volgens de Commissie had klager niet om een antwoord verzocht, aangezien de mededeling een eenvoudige toezendingsbrief was met aanvullende informatie die in de klachten 2002/5081 en 2003/4260 moest worden opgenomen. De Commissie merkte voorts op dat, overeenkomstig de mededeling van de Commissie over de betrekkingen met de klager in verband met inbreuken op het Gemeenschapsrecht, klagers "na elk besluit van de Commissie" schriftelijk in kennis worden gesteld. De Commissie betreurde evenwel dat zij de ontvangst van de betrokken brief niet had bevestigd. Hij onderstreepte echter dat de bezwaren en vragen over de in de brief aan de orde gestelde alternatieven in het advies van de Commissie van 6 november 2006 aan de orde zijn gesteld.
Opmerkingen van klagerIn zijn opmerkingen van 7 juni 2007 herhaalde klager zijn beweringen. Hij benadrukte dat de Commissie geen rekening had gehouden met de informatie die hij had verstrekt en daarom een administratieve handeling had vastgesteld zonder behoorlijke motivering. Hij benadrukte dat zijn argumenten waren samengevat in zijn brief van 15 februari 2007, waarop de Commissie niet had geantwoord. Klager legde uit dat het document niet louter ter informatie was bedoeld, maar veeleer om de Commissie ervan te overtuigen dat zijn klachten met redenen waren omkleed en dat zij niet moesten worden afgesloten. Klager benadrukte dat de Commissie potentiële alternatieven voor het havenproject in Granadilla had onderzocht op basis van verschillende studies van haar diensten waartoe hij geen toegang had gehad.
BESLUIT
1 Achtergrond: het eerdere onderzoek van de Ombudsman naar de haven van Granadilla: OI/2/2006/JMA1.1 De Ombudsman heeft reeds de gelegenheid gehad om het project voor de bouw van een haven in Granadilla te herzien in het kader van een onderzoek op eigen initiatief (referentie OI/2/2006/JMA), dat hij op 27 januari 2006 heeft geopend, nadat hij een groot aantal klachten over deze kwestie had ontvangen.
Volgens deze klagers had de Commissie een aantal ,artikel 226’-klachten met betrekking tot de haven van Granadilla afgesloten op grond van het feit dat de ontwikkeling van een industriële haven in die stad niet in strijd zou zijn met de communautaire voorschriften. De klagers voerden in zeer algemene termen aan dat de Commissie het bestaan van mogelijke alternatieve oplossingen voor het voorgestelde project niet in overweging had genomen.
In haar antwoord aan de Ombudsman voerde de Commissie aan dat zij op dat moment nog geen besluit had genomen met betrekking tot bestaande klachten over deze kwestie, aangezien haar diensten het project nog aan het beoordelen waren. Zij heeft uitgelegd dat het al dan niet bestaan van alternatieven voor het project een relevante kwestie is die moet worden behandeld in een formeel advies over de kwestie die haar diensten zouden moeten uitvaardigen overeenkomstig artikel 6, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (“de habitatrichtlijn”)(4). De Commissie verzekerde de Ombudsman dat zij in haar toekomstig advies de ecologische waarden die waarschijnlijk door het project zullen worden beïnvloed, alsook de relevantie van de aangevoerde dwingende redenen en het evenwicht tussen deze twee tegengestelde belangen grondig zou beoordelen. Zij voegde daaraan toe dat zij ook een evaluatie van de compenserende maatregelen zou uitvoeren.
1.2 Aangezien de Commissie hierover nog geen besluit had genomen, en gezien haar toezeggingen, concludeerde de Ombudsman dat er op dat moment geen verder onderzoek nodig was en besloot hij zijn onderzoek op eigen initiatief op 24 oktober 2006 af te sluiten (5). De Ombudsman wees er echter op dat, zodra de Commissie haar advies had uitgebracht, burgers en ingezetenen de mogelijkheid zouden hebben om klachten bij hem in te dienen indien zij van mening waren dat er sprake was van wanbeheer door de Commissie.
2 Vermeend verzuim van de Commissie om de door klager verstrekte informatie in aanmerking te nemen2.1 Klager beweert dat de Commissie in haar overeenkomstig artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn ingediende advies van 6 november 2006 geen rekening heeft gehouden met de informatie die hij had verstrekt over het bestaan van alternatieven voor de bouw van een haven in Granadilla, ondanks de toezeggingen die de instelling had gedaan in haar antwoord op het onderzoek op eigen initiatief van de Ombudsman OI/2/2006/JMA. Klager heeft die informatie in zijn klachten bij de Commissie ingediend (referenties 2002/5081 en 2003/4260), waarin hij beweerde dat het project niet in overeenstemming was met de habitatrichtlijn. Volgens hem zou de uitvoering van het project negatieve milieueffecten hebben op twee aangrenzende natuurgebieden die als "gebieden van communautair belang" zijn aangemerkt, hoewel er alternatieven voor het project beschikbaar waren.
Volgens de informatie die klager in december 2005 en 15 april 2006 bij de Commissie heeft ingediend en die hij op 15 februari 2007 opnieuw heeft ingediend, was het ontoereikend om te oordelen dat de situatie vóór de ontwikkeling van het project, de zogenaamde "optie nul", zou hebben geleid tot een impasse van de werkelijke havencapaciteit voor de haven van Santa Cruz, aangezien een aantal plannen om de capaciteit ervan te vergroten reeds was goedgekeurd en op dat moment in uitvoering was. De klager voerde aan dat een verdere uitbreiding van de haven van Santa Cruz moet worden beschouwd als een alternatief voor het project van Granadilla. De klager erkende dat de Spaanse autoriteiten dergelijke opties hadden geweigerd op grond van het feit dat a) zij negatieve gevolgen zouden hebben voor de inwoners van de nabijgelegen stad Santa Cruz de Tenerife; b) er waren geen nabijgelegen steengroeven om de nodige materialen te leveren; c) geen grond geschikt was voor de uitbreiding; en d) zij zouden leiden tot een toenemend gebrek aan evenwicht tussen de noordelijke en zuidelijke delen van het eiland. Hij voerde echter aan dat deze redenen niet gegrond waren.
In zijn contacten met de Commissie voerde klager aan dat a) de geplande uitbreiding van de haven van Santa Cruz zou plaatsvinden in een sector van de haven met zware belading ("Dársena Pesquera") en derhalve geen negatieve gevolgen zou hebben voor de lokale bevolking; b) er was een nabijgelegen steengroeve ("La Jurada") waarvan de materialen hadden kunnen worden gebruikt voor een eventuele uitbreiding van de haven van Santa Cruz; c) aangrenzende oude gebouwen die in de haven aanwezig zijn, hadden ook buiten gebruik kunnen worden gesteld om aanvullende materialen voor die uitbreiding te verkrijgen; d) uit de kaarten van de bestaande haven bleek dat er stukken grond beschikbaar waren die voldoende ruimte konden bieden voor eventuele uitbreidingen; en, ten slotte, e) een grotere onevenwichtigheid tussen de noordelijke en zuidelijke delen van het eiland zou in plaats daarvan het gevolg zijn van de ontwikkeling van de haven van Granadilla.
Op basis van de bij de Commissie ingediende verslagen voerde de klager aan dat de uitbreiding van de bestaande faciliteiten van de haven van Santa Cruz voldoende zou zijn om tegemoet te komen aan toekomstige handelsbehoeften, waardoor het niet nodig zou zijn nieuwe faciliteiten te ontwikkelen. Indien echter een nieuwe haven zou worden gekozen, deed klager een aantal suggesties met betrekking tot alternatieve locaties.
In zijn opmerkingen wees klager erop dat de Commissie potentiële alternatieven voor het project met betrekking tot de haven van Granadilla had onderzocht, die waren gebaseerd op verschillende studies van haar diensten waartoe hij geen toegang had gehad.
2.2 De Commissie voert aan dat zij deze kwestie al sinds 2002 volgt, toen zij een onderzoek instelde naar de mogelijke bouw van een haven in Granadilla. De Commissie benadrukt dat zij, alvorens haar advies op 6 november 2006 uit te brengen, alle beschikbare informatie uit verschillende bronnen in aanmerking had genomen, waaronder die van klager en andere milieu-ngo's en burgers die tegen dit project waren. De Commissie wijst erop dat zij alle beschikbare informatie over alternatieven had geanalyseerd en dat haar advies was goedgekeurd nadat zij ten volle rekening had gehouden met alle verschillende standpunten. De Commissie erkent echter dat de conclusie die zij in haar advies had getrokken, verschilde van die van klager, hoewel zij, benadrukt zij, ten volle rekening heeft gehouden met diens standpunten. Gezien de kloof tussen voor- en tegenstanders van het project is de Commissie van mening dat het onrealistisch was te verwachten dat haar definitieve standpunt door alle belanghebbenden zou worden gedeeld.
2.3 Om te beoordelen of de Commissie al dan niet naar behoren rekening heeft gehouden met de door klager verstrekte informatie, acht de Ombudsman het noodzakelijk de inhoud van de verschillende uitwisselingen tussen klager en de Commissie en de redenering in het advies van de Commissie van 6 november 2006 te herzien.
2.4 De Ombudsman merkt op dat klager de Commissie in december 2005 en op 15 april 2006 informatie heeft verstrekt over het onderwerp van zijn klachten (referenties 2002/5081 en 2003/4260). In zijn brieven heeft klager een aantal rapporten opgenomen. De klager was van mening dat de gedetailleerde informatie in deze verslagen de noodzaak van een nieuwe haven in Granadilla in twijfel trok en argumenten aanvoerde ter ondersteuning van mogelijke alternatieven. De Ombudsman merkt op dat de belangrijkste kwesties die in deze verslagen aan de orde worden gesteld, de volgende zijn:
Nuloptie: Wat betreft de voortzetting van de bestaande situatie, namelijk de zogenaamde "nuloptie", merkt de Ombudsman op dat klager in zijn uitwisselingen van december 2005 en 15 april 2006 heeft uitgelegd dat een dergelijke optie geen impasse inhield met betrekking tot de werkelijke havencapaciteit van de haven van Santa Cruz, aangezien een aantal plannen om de capaciteit van deze haven te vergroten reeds was goedgekeurd en op dat moment in uitvoering was.
Alternatieve opties: De Ombudsman merkt op dat klager in zijn uitwisselingen van december 2005 en 15 april 2006 heeft gepleit voor een verdere uitbreiding van de haven van Santa Cruz als belangrijkste alternatief voor die in Granadilla. In de verschillende documenten bij zijn verslag van 15 april 2006 voerde klager aan dat de uitbreiding van de haven van Santa Cruz geen negatieve gevolgen zou hebben voor de inwoners van de nabijgelegen stad Santa Cruz de Tenerife, aangezien de werkzaamheden zouden moeten plaatsvinden in een sector van de haven met zware belading ("Dársena Pesquera"), wat geen negatieve gevolgen zou hebben voor de lokale bevolking. De klager voegde daaraan toe dat deze werkzaamheden konden worden uitgevoerd door gebruik te maken van materialen uit een nabijgelegen steengroeve ("La Jurada") en van aangrenzende oude gebouwen die konden worden ontmanteld. Samen met zijn verslag heeft klager kaarten van de haven van Santa Cruz bijgevoegd, waaruit bleek dat er verschillende stukken land beschikbaar waren en voldoende ruimte konden bieden voor eventuele uitbreidingen. Deze optie zou volgens klager het vervoersevenwicht tussen de noordelijke en zuidelijke delen van het eiland niet verstoren, in tegenstelling tot de situatie die zou voortvloeien uit de ontwikkeling van de haven in Granadilla.
Alternatieve sites: De Ombudsman merkt op dat klager in zijn verslag van 15 april 2006 betoogde dat de uitbreiding van de haven van Santa Cruz voldoende zou zijn om tegemoet te komen aan toekomstige handelsbehoeften. Als er echter een nieuwe haven zou worden gekozen, deed hij een aantal suggesties met betrekking tot alternatieve locaties.
2.5 De Ombudsman merkt op dat de Commissie in antwoord op bovenstaande informatie klager op 13 juli 2006 heeft geantwoord.
In haar brief van 13 juli 2006 deelde de Commissie klager mee dat de instelling:
"Niet overeenkomstig artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn een besluit heeft genomen, maar dat het genoemde besluit betrekking heeft op de beoordeling van de ecologische waarden die door het plan of project kunnen worden beïnvloed, de relevantie van de aangevoerde dwingende redenen en het evenwicht tussen deze twee tegengestelde belangen, alsmede een evaluatie van de compenserende maatregelen."
2.6 De Ombudsman merkt op dat de Commissie op 6 november 2006 overeenkomstig artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn een advies heeft uitgebracht over de haven van Granadilla. Deel VI van het advies is gewijd aan de analyse van alternatieve oplossingen. In dat deel van het document benadrukte de Commissie dat haar diensten alle beschikbare informatie met betrekking tot de alternatieve oplossingen hadden geanalyseerd, met inbegrip van informatie die werd gepresenteerd in het kader van ontvangen klachten. In het licht van deze analyse concludeerde de Commissie als volgt:
"nuloptie":Alternatieve opties:"De conclusie van de diensten van de Commissie is dat de bestaande havenfaciliteiten de verwachte toename van het zeeverkeer niet aankunnen en dat aanvullende faciliteiten en een grotere havencapaciteit noodzakelijk zijn voor de economische ontwikkeling van het eiland."
Alternatieve sites:"Met betrekking tot de alternatieven die een uitbreiding van de bestaande havenfaciliteiten in Santa Cruz inhouden, zijn de diensten van de Commissie van mening dat de Spaanse autoriteiten voldoende redenen hebben gegeven om deze opties af te wijzen, met name omdat:
Het zou (de uitbreiding van de bestaande havenfaciliteiten) negatieve gevolgen hebben voor de inwoners van Santa Cruz de Tenerife, zowel tijdens de bouw als zodra de uitgebreide haven operationeel wordt;
Het zou geen steengroeve in de omgeving hebben, waardoor problemen tijdens de bouw zouden ontstaan;
Het zou niet over de nodige grond beschikken voor de ontwikkeling van de bijbehorende industriële en logistieke ondersteuningsfaciliteiten in de aangrenzende gebieden.
Het zou de vervoersonevenwichtigheid tussen Noord en Zuid van het vervoerssysteem van het eiland verder vergroten.
Dit zou het plan voor de ontwikkeling van een aardgasopslagterminal op het eiland in gevaar brengen, waardoor de voor de lokale economie beschikbare energiemix zou worden gediversifieerd. Vanwege de nabijheid van de huidige haven tot de stad Santa Cruz, zou het ontwikkelen van een dergelijke faciliteit op de bestaande site niet mogelijk zijn.
"De Commissie heeft het standpunt van de autoriteiten beoordeeld dat Granadilla de enige geschikte locatie is voor de nieuwe haven op Tenerife. Dit advies is gebaseerd op verschillende technische redenen waarmee rekening moet worden gehouden bij het identificeren van een locatie voor de bouw van een nieuwe haven. Daarbij gaat het onder meer om factoren als de diepte van de zeebodem aan de kust, de aanwezigheid van een steengroeve die al dan niet dicht genoeg bij de beoogde locatie ligt, de beschikbaarheid van vrij aangrenzend landoppervlak voor behandeling en logistieke activiteiten, de toereikendheid van de vervoersverbindingen met het achterland en de nabijheid van havengebruikers."
2.7 Alvorens in te gaan op de beweringen van klager, wijst de Ombudsman erop dat zijn onderzoek van het optreden van de Commissie beperkt is gebleven tot het nagaan of de Commissie een coherente en toereikende toelichting heeft gegeven met betrekking tot de specifieke argumenten die klager heeft aangevoerd.
De Ombudsman is zich ervan bewust dat de Commissie in haar toelichting waarom het project voor de haven van Granadilla niet in strijd was met artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn, een aantal aanvullende argumenten heeft aangevoerd die klager niet heeft behandeld. De Commissie wees er met name op dat er geen haalbare alternatieven voor de haven van Granadilla beschikbaar waren omdat i) in de haven van Santa Cruz geen terminal voor de invoer van gas kon worden gebouwd (aangezien de haven van Santa Cruz in de buurt van een stedelijk gebied lag), en ii) de andere voorgestelde locaties onvoldoende toegang tot diep water hadden. De Ombudsman heeft deze argumenten niet beoordeeld, aangezien dit aspect van het probleem geen deel uitmaakte van de bewering van klager en derhalve niet onder het toepassingsgebied van dit onderzoek viel.
2.8 Na onderzoek van de door klager verstrekte informatie in het licht van het advies van de Commissie van 6 november 2006 is de Ombudsman van oordeel dat de punten van zorg voor klager die hij onder de aandacht van de Commissie had gebracht, namelijk de bestaande situatie van de haven van Santa Cruz ("nuloptie"), de geschiktheid van alternatieve opties en de alternatieve locaties, in feite in het advies van de Commissie aan de orde waren gesteld en daarin aan een gedetailleerde analyse waren onderworpen.
De Ombudsman merkt voorts op dat klager heeft erkend dat de Commissie deze kwesties heeft onderzocht, zij het op basis van verschillende studies die zijn diensten hebben opgesteld en waartoe hij geen toegang had gehad.
Rekening houdend met de bovenstaande bevindingen is de Ombudsman van mening dat de Commissie in haar advies over het havenproject in Granadilla overeenkomstig artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn in feite rekening heeft gehouden met de kwesties die klager in zijn correspondentie aan de orde heeft gesteld. De Ombudsman stelt ook vast dat de Commissie in die tekst een gedetailleerde toelichting heeft gegeven op de redenen die haar tot de conclusie hadden gebracht dat het havenproject in Granadilla onder bepaalde voorwaarden kon worden voortgezet om redenen van hoger openbaar belang.
De Ombudsman is derhalve van mening dat er geen sprake lijkt te zijn van wanbeheer met betrekking tot dit aspect van de zaak.
3 Vermeend verzuim van de Commissie om te antwoorden op een brief van klager3.1 Klager beweert dat de Commissie niet heeft geantwoord op zijn brief van 20 februari 2007, waarin hij uitleg vroeg over de tekortkomingen van het advies van de Commissie van 6 november 2006 over de haven van Granadilla.
3.2 De Commissie voert aan dat zij geen spoor had van het ontvangen van een brief van 20 februari 2007, maar gaat ervan uit dat klager in feite verwees naar de brief van klager van 15 februari 2007, die op 22 februari 2007 door de diensten van de Commissie was geregistreerd (6). Volgens de Commissie had klager niet om een antwoord op die brief verzocht. De Commissie was voorts van mening dat de brief een eenvoudige "toezendingsbrief" was met aanvullende informatie die in de klachten 2002/5081 en 2003/4260 moest worden opgenomen.
De Commissie voegt hieraan toe dat, overeenkomstig de mededeling van de Commissie over de betrekkingen met de klager in verband met inbreuken op het Gemeenschapsrecht, klagers pas na elk besluit van de Commissie schriftelijk in kennis worden gesteld.
De Commissie betreurt evenwel dat zij de ontvangst van de betrokken brief niet heeft bevestigd. Hij onderstreept echter dat de Commissie de in de brief aan de orde gestelde punten van zorg en vragen heeft behandeld.
3.3 Klager voegt er in zijn opmerkingen aan toe dat de brief in kwestie niet louter ter informatie was, maar veeleer bedoeld was om de Commissie ervan te overtuigen dat zijn klachten met redenen waren omkleed en niet moesten worden afgesloten.
3.4 De Ombudsman merkt op dat de procedureregels die de Commissie bij de behandeling van klachten moet volgen, zijn uiteengezet in een mededeling aan het Europees Parlement en de Europese Ombudsman over de betrekkingen met de klager met betrekking tot inbreuken op het Gemeenschapsrecht (7). In artikel 10 van de bijlage ("Beslechting van de zaak") wordt in de mededeling het volgende bepaald:
"[W]indien een dienst van de Commissie voornemens is voor te stellen geen verdere maatregelen te nemen naar aanleiding van een klacht, stelt hij de klager daarvan vooraf in kennis in een brief waarin hij de redenen uiteenzet waarom hij voorstelt de zaak te sluiten en de klager verzoekt binnen een termijn van vier weken zijn opmerkingen kenbaar te maken."
De brief van 2 februari 2007 bevatte een dergelijke uitnodiging om opmerkingen in te dienen. In zijn antwoord van 20 februari 2007 op deze uitnodiging voerde klager argumenten aan waarom hij van mening was dat de Commissie de zaken ten onrechte zou sluiten.
3.5 De Commissie heeft niet gereageerd op de brief van 20 februari 2007. De Ombudsman aanvaardt niet dat de Commissie terecht niet op deze brief heeft gereageerd. Dit is des te meer het geval, aangezien in artikel 7 van de bijlage ("Mededeling aan de klagers") van de mededeling wordt bepaald dat:
De diensten van de Commissie nemen na elk besluit van de Commissie (ingebrekestelling, met redenen omkleed advies, verwijzing naar het Hof of afsluiting van de zaak) schriftelijk contact op met de klagers over de maatregelen die zij naar aanleiding van hun klacht hebben genomen."
Volgens de bovenstaande bepaling is de Commissie verplicht per brief contact op te nemen met de klager nadat een besluit over de klacht is genomen. Voorts is de Ombudsman van mening dat een brief waarin een klager in kennis wordt gesteld van de definitieve afsluiting van een zaak op grond van artikel 226, waar nodig betrekking moet hebben op eventuele openstaande kwesties die door een klager naar voren worden gebracht na de uitnodiging om opmerkingen in te dienen.
3.6 De Ombudsman merkt op dat de Commissie deze verplichting in casu niet is nagekomen. De Commissie heeft klager dus geen individuele motivering verstrekt ter ondersteuning van haar besluit om de door klager ingediende klachten op grond van artikel 226 af te sluiten (referenties 2002/5081 en 2003/4260). Dit vormt een inbreuk op artikel 18 van de Europese code van goed administratief gedrag (8). De Commissie heeft met name niet van de gelegenheid gebruik gemaakt om adequaat te reageren op de specifieke argumenten die klager in zijn brief van 20 februari 2007 heeft aangevoerd met betrekking tot de volgende argumenten:
- de voortzetting van de bestaande situatie, namelijk de zogenaamde "nuloptie", zou niet leiden tot een impasse met betrekking tot de capaciteit van de haven van Santa Cruz om het hoofd te bieden aan de verwachte toename van het zeeverkeer, aangezien plannen om de capaciteit van de haven van Santa Cruz te vergroten reeds waren goedgekeurd en momenteel worden uitgevoerd;
- de verdere uitbreiding van de haven van Santa Cruz zou een levensvatbaar alternatief kunnen zijn voor de ontwikkeling van de haven van Granadilla, aangezien de optie Santa Cruz:
- zou geen negatieve gevolgen hebben voor de inwoners van de nabijgelegen stad Santa Cruz de Tenerife, aangezien de uitbreidingswerkzaamheden zouden plaatsvinden in een geïsoleerde sector van de haven die is gereserveerd voor zware belading, namelijk de "Dársena Pesquera" (waardoor ervoor wordt gezorgd dat er geen negatieve gevolgen zijn voor de lokale bevolking);
- kan worden uitgevoerd met materialen uit een nabijgelegen steengroeve ("La Jurada"), alsook met materialen uit aangrenzende oude gebouwen die kunnen worden ontmanteld;
- kunnen worden geplaatst op stukken beschikbare grond, met name op grond die volgens de klacht beschikbaar is; en
- minder verstorend zou zijn dan de ontwikkeling van een haven in Granadilla vanuit het oogpunt van de vervoersbalans tussen de noordelijke en zuidelijke delen van het eiland.
De Ombudsman is van mening dat sommige van de bovengenoemde aspecten als "onopgeloste kwesties" kunnen worden aangemerkt en dat zij niet kunnen worden behandeld door louter te verwijzen naar het advies van de Commissie van 6 november 2006. In plaats daarvan had de Commissie deze kwesties moeten behandelen in een nieuwe brief waarin de klager in kennis werd gesteld van de definitieve afsluiting van de zaak.
3.7 De Ombudsman is van mening dat, zoals bepaald in artikel 18 van de Europese code van goed administratief gedrag, de Commissie, wanneer zij burgers antwoordt op kwesties die van invloed zijn op hun rechten en/of belangen (zoals het geval is bij klachten op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag), moet antwoorden met een individuele motivering waarin de aangevoerde argumenten naar behoren worden behandeld, en zonder haar antwoord op korte of vage gronden te baseren. De Ombudsman is derhalve van mening dat de Commissie, door niet te antwoorden op de brief van klager van 20 februari 2007, de hierboven geschetste verplichting niet is nagekomen. Dit is een geval van wanbeheer waarvoor hij hieronder een kritische opmerking zal maken.
4 ConclusieOp basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht lijkt het noodzakelijk de volgende kritische opmerking te maken:
De Ombudsman merkt op dat de Commissie niet heeft gereageerd op de brief van 20 februari 2007 waarin klager het voornemen van de Commissie betwistte om de door klager ingediende klachten op grond van artikel 226 af te sluiten (referenties 2002/5081 en 2003/4260). De Commissie heeft klager ook niet in kennis gesteld van de formele afsluiting van de klachten. De Ombudsman is zich bewust van het feit dat de Commissie klager geen individuele motivering heeft verstrekt ter ondersteuning van haar besluit om de door klager ingediende klachten op grond van artikel 226 af te sluiten.
Aangezien deze aspecten van de zaak betrekking hebben op procedures in verband met specifieke gebeurtenissen in het verleden, is het niet passend te streven naar een minnelijke schikking van de zaak. De Ombudsman sluit daarom de zaak.
De voorzitter van de Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.
Met vriendelijke groet,
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
(1) PB L 059 van 8.3.1996, blz. 63.
(2) http://www.ombudsman.europa.eu/decision/en/063514.htm
Indien een plan of project, ondanks een negatieve beoordeling van de gevolgen voor het gebied en bij gebreke van alternatieve oplossingen, toch moet worden uitgevoerd om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, neemt de lidstaat alle nodige compenserende maatregelen om ervoor te zorgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 wordt beschermd. Zij stelt de Commissie in kennis van de genomen compenserende maatregelen.
Wanneer het betrokken gebied een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort herbergt, kunnen alleen overwegingen worden aangevoerd die verband houden met de menselijke gezondheid of de openbare veiligheid, met gunstige gevolgen die van primair belang zijn voor het milieu of, na advies van de Commissie, met andere dwingende redenen van groot openbaar belang."
(4) PB L 059 van 8.3.1996, blz. 63.
(5) http://www.ombudsman.europa.eu/decision/en/06oi2.htm
(6) Hoewel er een verschil van mening bestaat tussen klager en de Commissie met betrekking tot de datum waarop de brief van klager is verzonden, aangezien niet wordt betwist dat klager op het relevante tijdstip een brief aan de Commissie heeft gestuurd, zal de Ombudsman, om verwarring te voorkomen, naar deze brief verwijzen als de brief van 20 februari 2007.
(7) PB C 244 van 10.10.2002, blz. 5.
(8) "De ambtenaar vermijdt het nemen van beslissingen die op korte of vage gronden zijn gebaseerd of die geen individuele motivering bevatten."