FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 743/2007(BM)MF tegen de Europese Commissie


Straatsburg, 19 juni 2008

Geachte mevrouw M.,

Op 6 maart 2007 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen de Europese Commissie over de overdracht aan het Belgische nationale pensioenrechtenstelsel van de pensioenrechten die u tijdens uw contract als tijdelijk functionaris bij de Commissie hebt verworven.

Op 29 mei 2007 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Commissie.

Bij brief van 11 oktober 2007 heb ik u meegedeeld dat uw klacht om redenen die verband houden met de interne organisatie van mijn diensten was overgeplaatst naar een andere juridisch ambtenaar.

Na een verlenging van de antwoordtermijn heeft de Commissie op 13 november 2007 advies uitgebracht.

Op 20 november 2007 heb ik u een uitnodiging tot het maken van opmerkingen doen toekomen, die u op 20 december 2007 hebt toegezonden.

Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.


Het KLACHT

De relevante feiten waren volgens de klager, samengevat, als volgt:

Van 1 mei 2004 tot 1 mei 2005 werkte klager voor het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie als onderzoeksassistent, in het kader van een overeenkomst van tijdelijk functionaris van categorie B*(1). Haar contract werd verlengd tot en met 30 april 2006. Sinds die datum was klager werkloos.

In oktober 2006 verzocht klager om overdracht aan het Belgische Pensioenbureau van de pensioenrechten die zij tijdens haar contract met de Commissie had verworven (2). Zij werd er echter van in kennis gesteld dat de overdracht niet mogelijk was, en wel om de volgende redenen: i) de categorie van haar laatste contract met de Commissie ("tijdelijk B") niet was opgenomen in een in februari 2003 tussen de Commissie en de Belgische autoriteiten gesloten overeenkomst inzake de overdracht van pensioenrechten; en ii) naar Belgisch recht moest klager een nieuwe baan vinden voordat de pensioenrechten konden worden overgedragen.

Op 3 oktober 2006 heeft klager contact opgenomen met de Commissie om haar moeilijkheden met betrekking tot de overdracht van haar pensioenrechten toe te lichten. Zij wees er ook op dat zij geen particuliere verzekeringsmaatschappij had gevonden die de in het Statuut gestelde voorwaarden voor de overdracht van haar pensioenrechten zou aanvaarden. Klager verzocht de Commissie een oplossing te vinden.

Op 27 oktober 2006 deelde de Commissie klager mee dat het overdraagbare bedrag 22 821,01 EUR bedroeg en dat haar verschillende mogelijkheden openstonden. Dit waren: i) een volledige overheveling naar een nieuwe pensioenregeling, overeenkomstig artikel 11, lid 1, van bijlage VIII bij het Statuut; of ii) een totale overdracht aan een particulier verzekerings- of pensioenfonds, overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder b), van bijlage VIII. Klager werd verzocht de relevante documenten over te leggen aan de pensioenregeling van haar keuze en werd ervan in kennis gesteld dat zij haar aanvraag binnen de volgende drie maanden moest indienen.

Op dezelfde datum en in antwoord op haar e-mail van 3 oktober 2006 heeft de Commissie haar bezorgdheid erkend en haar verzekerd dat haar rechten zouden worden gehandhaafd, ongeacht de duur van haar onderhandelingen om de situatie op te lossen. De Commissie erkende dat verscheidene andere EG-ambtenaren met hetzelfde probleem werden geconfronteerd. De Commissie heeft zich ertoe verbonden zo spoedig mogelijk een oplossing te vinden en klager daarvan in kennis te stellen.

Op 31 januari 2007 heeft klager de Commissie een e-mail gestuurd waarin zij uitlegde dat zij op 7 december 2006 bij het Belgische Pensioenbureau een aanvraag had ingediend voor de overdracht van haar pensioenrechten naar het Belgische stelsel. Zij had echter opnieuw te horen gekregen dat de overdracht niet mogelijk was. Klager vroeg de Commissie of zij maatregelen had genomen om de situatie te verhelpen en wie verantwoordelijk zou zijn voor een wijziging van de huidige regeling, namelijk artikel 11, lid 1, van bijlage VIII bij het Statuut. Zij benadrukt dat het voor haar van groot belang is dat het Belgische Pensioenbureau rekening houdt met de twee jaar die zij voor de Commissie heeft gewerkt.

In haar klacht bij de Ombudsman verklaarde klager dat vóór de administratieve hervorming van mei 2004 het bedrag van de door tijdelijke functionarissen van rang B opgebouwde EG-pensioenrechten rechtstreeks aan hen was toegekend en dat zij derhalve van de overeenkomst van 2003 waren uitgesloten. Na die datum heeft de Commissie de vroegere voorwaarden voor de terugbetaling van pensioenrechten voor tijdelijke functionarissen van rang B gewijzigd en vervangen door een overdracht aan de nationale autoriteiten. Volgens klager was de Commissie echter vergeten de pensioenoverdrachtsovereenkomst met België te actualiseren en daarin tijdelijke functionarissen op te nemen die in dienst waren van rang B. De tijdens haar werk voor de Commissie opgebouwde EG-pensioenrechten van klager werden derhalve niet erkend door het Belgische stelsel.

Klager verklaarde dat personen die, net als zijzelf, werkloos waren na een periode bij de Commissie te hebben gewerkt, bijgevolg een werkloosheidsuitkering ontvingen op basis van een nulinkomen. Dit gaf hen slechts recht op een vast bedrag in termen van werkloosheidsuitkeringen voor alle volgende jaren. Klager verklaarde dat de Commissie passende maatregelen moest nemen om een oplossing te vinden, aangezien zij in de volgende vier jaar (voordat zij de leeftijd van 65 jaar zou bereiken) een verzoek om haar Belgische pensioen zou moeten indienen.

Klager vermeldde dat de Commissie op de hoogte was van haar moeilijkheden, maar geen actie had ondernomen. Zij legde ook uit dat de overdracht van haar pensioen naar een particuliere verzekeringsregeling niet haalbaar was, vanwege de strenge voorwaarden die werden opgelegd en het feit dat zij hoe dan ook een minder gunstig bedrag aan pensioenrechten zou ontvangen dan zij bij de nationale autoriteiten zou krijgen. Klager vermeldde verder dat zij bij de Belgische Ombudsman een klacht had ingediend met betrekking tot de voorwaarde, naar Belgisch recht, dat zij een nieuwe werkgever moest vinden om recht te krijgen op een pensioenoverdracht.

In haar klacht bij de Ombudsman beweerde klager dat de Commissie had verzuimd een passend mechanisme op te zetten om de pensioenrechten die voormalige tijdelijke functionarissen van de EG in het kader van rang B-contracten hadden verworven, over te dragen naar het Belgische stelsel. Zij stelde dat de Commissie een passend systeem voor de overdracht van haar pensioenrechten moest opzetten.

Verdere contacten tussen klager en de diensten van de Ombudsman

Op 4 mei 2007 vermeldde klager ter gelegenheid van een telefoongesprek met de diensten van de Ombudsman dat het Belgische Pensioenbureau haar had meegedeeld dat het de Commissie om inlichtingen had verzocht om de situatie van klager te regulariseren. Zij had echter geen follow-up ontvangen van de Belgische Pensioendienst naar aanleiding van haar verzoek ter zake.

Het onderzoek

Advies van de Commissie

Het standpunt van de Commissie over de klacht luidde, samengevat, als volgt:

De Commissie benadrukte in de eerste plaats dat klaagster in haar klacht erkende dat zowel de diensten van de Commissie (PMO) als het nationale pensioenbureau (3) de relevante bepalingen van het Gemeenschapsrecht en het nationale recht correct hebben toegepast.

De Commissie verklaarde voorts dat de procedures voor de uitvoering van artikel 11 van bijlage VIII bij het Statuut klaar waren voor uitvoering, zowel op EU-niveau als op Belgisch niveau. Overeenkomstig artikel 11, lid 1, punt 4, konden pensioenrechten alleen in het kader van een nieuwe beroepsactiviteit worden overgedragen aan de pensioenorganisatie waarbij de betrokken persoon zou zijn aangesloten.

Vervolgens verwees de Commissie naar artikel 12, lid 1, sub b, van bijlage VIII bij het Statuut (5), dat onder bepaalde voorwaarden voorzag in de mogelijkheid om de actuariële tegenwaarde van de uitkeringen te betalen aan een particuliere verzekeringsmaatschappij of een pensioenfonds naar keuze.

De Commissie verklaarde dat de tenuitvoerlegging van artikel 12, lid 1, onder b), van bijlage VIII bij het Statuut in theorie het door klager in haar klacht aan de orde gestelde probleem zou moeten verhelpen. Volgens de klager zou het aanbod van de particuliere verzekeringsmaatschappij waarmee zij contact heeft opgenomen ("Integrale verzekering") echter leiden tot een verlies van 50 % van haar maandelijkse inkomen.

De Commissie wees erop dat het van essentieel belang was te benadrukken dat het door klager aan de orde gestelde probleem zich nooit zou hebben voorgedaan indien zij tijdig had verzocht om toepassing van artikel 42 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen ("RAP"). Op grond van artikel 42 kon de functionaris "de instellingen verzoeken alle betalingen te verrichten die hij moet verrichten om in zijn land van herkomst pensioenrechten te vestigen of te behouden." Klager zou dus niet alleen haar rechten in haar nationale pensioenstelsel hebben aangevuld, indien zij tijdig dergelijke verzoeken had ingediend, maar zij zou na afloop van haar diensttijd ook de in artikel 12, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut bedoelde uitkering bij vertrek hebben ontvangen (6).

De Commissie verklaarde dat EG-ambtenaren geacht werden op de hoogte te zijn van de bepalingen van de RAP. Bijgevolg moest klager op de hoogte zijn van de mogelijkheid die artikel 42 van de RAP haar bood.

Ten slotte heeft de Commissie verklaard dat zij, om te voorkomen dat zich in de toekomst soortgelijke situaties zouden voordoen, systematisch van plan was de aandacht van de betrokken functionarissen te vestigen op de mogelijkheid die artikel 42 RAP hun biedt.

Voorts heeft de Commissie verklaard dat zij in het geval van klager voornemens was opnieuw contact op te nemen met de Belgische autoriteiten om hen te verzoeken een overeenkomst te sluiten om de problemen op te lossen die zich bij de toepassing van artikel 11, lid 1, van bijlage VIII bij het Statuut hadden voorgedaan.

Opmerkingen van klager

In haar opmerkingen verklaarde klager dat zij grote moeilijkheden had ondervonden bij het vinden van een particuliere verzekeringsmaatschappij voor de betaling van de actuariële tegenwaarde, omdat de overgrote meerderheid van hen weigerde de eerste voorwaarde van artikel 12, lid 1, onder b), van bijlage VIII bij het Statuut te aanvaarden, op grond waarvan geen overdracht kan plaatsvinden tenzij de verzekeringsmaatschappij garandeert dat het kapitaal niet wordt terugbetaald.

Voorts verklaarde zij dat slechts één particuliere verzekeringsmaatschappij de voorwaarden van artikel 12, lid 1, onder b), van bijlage VIII bij het Statuut heeft aanvaard. Het aanbod van de verzekeringsmaatschappij zou echter leiden tot een verlies van ongeveer 50 % van haar maandelijkse inkomen ten opzichte van het pensioen dat zij van de nationale pensioenregeling zou hebben ontvangen.

Klager verklaarde ook dat i) de Commissie onvoldoende informatie had verstrekt omdat zij haar niet in kennis had gesteld van het bestaan van artikel 42 van het Statuut, hetgeen tot oneerlijkheid leidde. Zij voerde ook aan dat ii) zij het slachtoffer was geweest van discriminatie op grond van leeftijd omdat het voor haar erg moeilijk was om op haar leeftijd een nieuwe werkgever te vinden; en iii) de Commissie had een vermijdbare vertraging opgelopen wat betreft de voorwaarden voor de overdracht aan een particuliere verzekeringsmaatschappij van 2004 tot 2007.

Klager stelde ook een aantal vragen over de overdracht van haar pensioenrechten aan het Belgische Pensioenbureau.

BESLUIT

1 De relevante feiten

1.1 Van 1 mei 2004 tot 1 mei 2005 werkte klager voor het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Commissie in het kader van een overeenkomst van tijdelijk functionaris van categorie B. Haar contract werd verlengd tot en met 30 april 2006. Vanaf dat moment was ze werkloos. In oktober 2006 verzocht klager om overdracht aan het Belgische Pensioenbureau van de pensioenrechten die zij tijdens haar contract met de Commissie had verworven (7). Zij werd er echter van in kennis gesteld dat de overdracht niet mogelijk was.

In haar klacht voerde klager aan dat de Commissie geen passend mechanisme had opgezet om de pensioenrechten die voormalige tijdelijke functionarissen van de EG in het kader van overeenkomsten van rang B hadden verworven, over te dragen naar het Belgische stelsel.

1.2 In haar advies wees de Commissie erop dat het van essentieel belang is te benadrukken dat het door klager aan de orde gestelde probleem zich nooit zou hebben voorgedaan indien zij tijdig had verzocht om toepassing van artikel 42 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen ("RAP"). De Commissie verklaarde dat EG-ambtenaren geacht werden op de hoogte te zijn van de bepalingen van de RAP en dat klager bijgevolg op de hoogte moest zijn van de mogelijkheid die artikel 42 van de RAP haar bood. De Commissie heeft voorts verklaard dat zij, om soortgelijke situaties in de toekomst te voorkomen, systematisch van plan was de aandacht van de betrokken functionarissen te vestigen op de mogelijkheid die artikel 42 van de RAP hun biedt. De Commissie verklaarde voorts dat zij in het geval van klager van plan was opnieuw contact op te nemen met de Belgische autoriteiten om hen te verzoeken een overeenkomst te sluiten om de problemen op te lossen die zich bij de toepassing van artikel 11, lid 1, van bijlage VIII bij het Statuut hadden voorgedaan.

1.3 In haar opmerkingen verklaarde klager dat zij grote moeilijkheden had ondervonden bij het vinden van een particuliere verzekeringsmaatschappij, omdat de overgrote meerderheid van hen de eerste voorwaarde van artikel 12, lid 1, onder b), van bijlage VIII bij het Statuut, op grond waarvan het kapitaal niet mag worden terugbetaald, weigerde.

2 Reikwijdte van het onderzoek van de Ombudsman

2.1 De Europese Ombudsman merkt op dat klager in haar opmerkingen nieuwe beschuldigingen heeft geuit dat i) de Commissie onvoldoende informatie had verstrekt, wat tot oneerlijkheid heeft geleid; ii) zij het slachtoffer was geweest van discriminatie op grond van leeftijd; en iii) de Commissie had een vermijdbare vertraging opgelopen wat betreft de voorwaarden voor overdracht aan een particuliere verzekeringsmaatschappij van 2004 tot 2007. Klager stelde ook een aantal vragen over de overdracht van haar pensioenrechten aan het Belgische Pensioenbureau.

2.2 Om te beginnen herinnert de Ombudsman eraan dat zijn rol bestaat in het onderzoeken van klachten over vermeende gevallen van wanbeheer bij de activiteiten van de instellingen en organen van de Europese Unie. Zijn mandaat stelt hem niet in staat om het gedrag van een nationale instelling of orgaan te onderzoeken.

2.3 De tenuitvoerlegging van de relevante Belgische wet door de Belgische autoriteiten, namelijk het Belgische Pensioenbureau, lijkt onder de bevoegdheid van de Belgische Ombudsman te vallen. In dit verband merkt de Ombudsman op dat klager vermeldde dat zij bij de Belgische Ombudsman een klacht had ingediend met betrekking tot de in de Belgische wetgeving vastgestelde voorwaarde dat een werkloze eerst een nieuwe werkgever moet vinden om recht te hebben op overdracht van pensioenrechten. De Ombudsman merkt verder op dat klager vermeldde dat het Belgische Pensioenbureau de Commissie om informatie had gevraagd om haar situatie op te lossen.

2.4 De Ombudsman wijst erop dat de in de opmerkingen van klager aan de orde gestelde kwesties nieuwe beweringen zijn die in haar oorspronkelijke klacht niet aan de orde zijn gesteld. Zij vallen derhalve buiten het bestek van dit onderzoek en zullen hier niet worden behandeld. Het staat klager vrij om met betrekking tot deze kwesties een nieuwe klacht in te dienen bij de Europese Ombudsman, nadat hij de voorafgaande administratieve stappen in dit verband bij de Commissie heeft ondernomen.

3 Vermeend verzuim van de Commissie om een passend mechanisme in het leven te roepen om de pensioenrechten die voormalige tijdelijke functionarissen van de EG van rang B hebben verworven, over te dragen naar het Belgische stelsel

3.1 De Ombudsman herinnert er in de eerste plaats aan dat artikel 42 van de RAP als volgt luidt:

"Onder door de instelling vast te stellen voorwaarden kan een personeelslid de instellingen verzoeken alle betalingen te verrichten die hij moet verrichten om in zijn land van herkomst pensioenrechten te vestigen of te behouden. (…)".

De Ombudsman merkt voorts op dat een ambtenaar die de dienst van de Gemeenschappen verlaat, recht heeft op overdracht van zijn pensioenrechten naar i) een nieuwe pensioenregeling, overeenkomstig artikel 11, lid 1, van bijlage VIII bij het Statuut, of ii) een particuliere verzekering of pensioenfonds, overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder b), van bijlage VIII, mits aan vier voorwaarden is voldaan (8).

3.2 De Ombudsman wijst erop dat hij op grond van zijn mandaat geen vraagtekens kan zetten bij de bovengenoemde bepalingen van het Statuut van de ambtenaren. De Ombudsman zal daarom alleen onderzoeken of er sprake was van wanbeheer door de Commissie bij de behandeling van de overdracht van pensioenrechten door klager.

3.3 De Ombudsman merkt op dat klager in het onderhavige geval niet heeft verzocht om toepassing van artikel 42 van de RAP, omdat zij stelt dat zij daarvan niet op de hoogte was.

3.4 Ten eerste wil de Ombudsman erop wijzen dat er vanuit juridisch oogpunt van moet worden uitgegaan dat elke ambtenaar of functionaris op de hoogte moet zijn van de bepalingen van het Statuut en dat het zijn/haar verantwoordelijkheid is om passende maatregelen te nemen om er volledig kennis van te nemen. De Ombudsman is van mening dat de Commissie niet juridisch aansprakelijk kan worden gesteld voor het feit dat klager niet op de hoogte was van de mogelijkheden die haar op grond van artikel 42 van de RAP werden geboden met betrekking tot haar pensioenrechten.

De Ombudsman is echter bijzonder ingenomen met de verklaring van de Commissie dat zij, om soortgelijke gevallen in de toekomst te voorkomen, systematisch de aandacht van de betrokken functionarissen wil vestigen op de mogelijkheid die hun wordt geboden op grond van artikel 42 van de RAP. Ter ondersteuning van de intenties van de Commissie zal de Ombudsman in dit verband nog een opmerking maken.

3.5 Ten tweede merkt de Ombudsman op dat pensioenrechten die door voormalige tijdelijke functionarissen zijn verworven, alleen in samenwerking met de Belgische autoriteiten naar het Belgische pensioenstelsel kunnen worden overgedragen. De Ombudsman merkt op dat de Commissie contact heeft opgenomen met de Belgische autoriteiten om hen te verzoeken een overeenkomst met haar te sluiten, teneinde de problemen op te lossen die klager heeft ondervonden met betrekking tot de toepassing van artikel 11, lid 1, van het Statuut. Als zodanig is de Ombudsman van mening dat de Commissie alles in het werk heeft gesteld om klager bij te staan. De Ombudsman is van mening dat de Commissie niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het feit dat de Belgische autoriteiten nog niet de nodige maatregelen hebben genomen om dergelijke overdrachten mogelijk te maken.

3.6 In het licht van het bovenstaande concludeert de Ombudsman dat er geen reden lijkt te zijn voor verder onderzoek naar de bewering van klager.

4 Het argument van klager

4.1 Klager voerde aan dat de Commissie een passend systeem voor de overdracht van haar pensioenrechten moest opzetten.

4.2 In het licht van zijn conclusie in punt 3.6 hierboven concludeert de Ombudsman dat er geen reden lijkt te zijn voor verder onderzoek naar de bewering van klager.

5 Conclusie

Op basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht lijkt er geen reden te zijn voor verder onderzoek naar de bewering en bewering van klager. De Ombudsman sluit daarom de zaak.

Daarnaast maakt de Ombudsman nog de volgende opmerking:

De Commissie moet de agenten systematisch wijzen op de mogelijkheid die hun wordt geboden op grond van artikel 42 van de RAP.

De voorzitter van de Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.

Met vriendelijke groet,

 

P. Nikiforos DIAMANDOUROS


(1) De Ombudsman merkt op dat de benaming "categorie B*", die werd gebruikt tijdens de voorlopige periode van tenuitvoerlegging van het nieuwe Statuut, dat op 1 mei 2004 in werking is getreden, overeenkomt met de huidige AST-overeenkomsten van categorie.

(2) "Office national des Pensions" in de oorspronkelijke Franse versie.

(3) Zie voetnoot 2.

(4) Artikel 11, lid 1, van bijlage VIII bij het Statuut luidt als volgt:

"1. Een ambtenaar die de dienst van de Gemeenschappen verlaat om:

– in dienst treden van een overheidsdienst of een nationale of internationale organisatie die een overeenkomst met de Gemeenschappen heeft gesloten;

– een werkzaamheid, al dan niet in loondienst, uit hoofde waarvan hij pensioenrechten verwerft uit hoofde van een stelsel waarvan de bestuursorganen een overeenkomst met de Gemeenschappen hebben gesloten,

heeft hij er recht op dat de actuariële tegenwaarde van zijn rechten op ouderdomspensioen, geactualiseerd tot de feitelijke datum van overdracht, in de Gemeenschappen wordt overgedragen aan het pensioenfonds van die administratie of organisatie of aan het pensioenfonds op grond waarvan hij rechten op ouderdomspensioen verwerft uit hoofde van de werkzaamheden in loondienst of als zelfstandige.";

(5) Artikel 12 van bijlage VIII bij het Statuut luidt als volgt:

"1. Een ambtenaar die jonger is dan 63 jaar en wiens dienst op een andere wijze eindigt dan door overlijden of invaliditeit en die geen recht heeft op een onmiddellijk of uitgesteld ouderdomspensioen, heeft bij beëindiging van de dienst recht op:

b) in andere gevallen, op de krachtens artikel 11, lid 1, verleende uitkeringen of op de betaling van het actuariële equivalent van die uitkeringen aan een particuliere verzekeringsmaatschappij of een pensioenfonds van hun keuze, op voorwaarde dat die maatschappij of dat fonds garandeert dat: i) het kapitaal wordt niet terugbetaald; ii) een maandelijks inkomen wordt betaald ten vroegste vanaf de leeftijd van 60 jaar en ten laatste vanaf de leeftijd van 65 jaar; iii) er zijn voorzieningen opgenomen voor terugtredings- of nabestaandenpensioenen; iv) overdracht aan een andere verzekeringsmaatschappij of een ander fonds is alleen toegestaan indien dat fonds voldoet aan de voorwaarden van de punten i), ii) en iii).".

(6) Artikel 12, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut luidt als volgt: "In afwijking van lid 1, onder b), hebben ambtenaren jonger dan 63 jaar die sinds hun indiensttreding pensioenrechten hebben opgebouwd of behouden en die zijn betaald aan een nationale pensioenregeling, een particuliere verzekeringsregeling of een pensioenfonds van hun keuze die aan de in lid 1 genoemde voorwaarden voldoet, en wier dienst om andere redenen dan overlijden of invaliditeit eindigt zonder dat zij recht hebben op een onmiddellijk of uitgesteld ouderdomspensioen, bij beëindiging van de dienst recht op een uitkering bij vertrek die gelijk is aan de actuariële waarde van hun pensioenrechten die zij tijdens hun dienst bij de instellingen hebben verworven. In deze gevallen worden de betalingen die worden verricht om hun pensioenrechten in het kader van de nationale pensioenregeling vast te stellen of te handhaven op grond van artikel 42 of artikel 112 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, in mindering gebracht op de uitkering bij vertrek."

(7) Zie voetnoot 2.

(8) Volgens artikel 12, lid 1, sub b, van bijlage VIII bij het Statuut zijn deze vier voorwaarden:

"(…) op voorwaarde dat deze vennootschap of dit fonds garandeert dat:

i) het kapitaal wordt niet terugbetaald;

ii) een maandelijks inkomen wordt betaald ten vroegste vanaf de leeftijd van 60 jaar en ten laatste vanaf de leeftijd van 65 jaar;

iii) er zijn voorzieningen opgenomen voor terugtredings- of nabestaandenpensioenen;

iv) overdracht aan een andere verzekeringsmaatschappij of een ander fonds is alleen toegestaan indien dat fonds voldoet aan de voorwaarden van de punten i), ii) en iii).".

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!