FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 3450/2006/MF tegen de Europese Commissie


Straatsburg, 4 februari 2008

Geachte heer Z.,

Op 29 september 2006 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen de Europese Commissie omdat deze uw verzoek om inlichtingen van 3 maart 2006 niet naar behoren zou hebben behandeld.

Op 28 november 2006 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Commissie en hem verzocht om vóór 28 februari 2007 advies uit te brengen.

Op 5 maart 2007 heeft de Commissie verzocht om verlenging van de termijn voor de indiening van haar advies tot en met 31 maart 2007.

Bij brief van 12 maart 2007 heb ik de Commissie meegedeeld dat ik had besloten haar verzoek in te willigen.

U bent hiervan bij brief van dezelfde datum in kennis gesteld.

De Commissie heeft op 24 april 2007 advies uitgebracht. Diezelfde dag heb ik u een uitnodiging tot het maken van opmerkingen doen toekomen, die u op 9 mei 2007 hebt toegezonden.

Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.


Het KLACHT

Volgens de klager waren de relevante feiten, samengevat, als volgt:

Oorspronkelijke klacht 1588/2006/MF

Op 29 mei 2006 diende klager bij de Europese Ombudsman een klacht in (ref. 1588/2006/MF) tegen de Europese Commissie en de Franse overheidsinstantie "CNIL"(1).

Klager verklaarde dat hij de Commissie op 3 maart 2006 schriftelijk had verzocht in kennis te worden gesteld van de datum waarop Frankrijk de Commissie in kennis had gesteld van zijn wens om af te wijken van artikel 8, lid 1, van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (2) ("Richtlijn 95/46"). Ter ondersteuning van zijn verzoek om inlichtingen verwees de klager naar artikel 8, lid 6, van richtlijn 95/46, op grond waarvan de in de leden 4 en 5 bedoelde afwijkingen van lid 1 aan de Commissie worden meegedeeld.

Op 12 april 2006 heeft de Commissie klager geantwoord dat zijn vraag "geen betrekking had op het Gemeenschapsrecht, maar op de bevoegdheid van de Franse gerechtelijke autoriteiten". De Commissie adviseerde klager te verwijzen naar de CNIL. In zijn klacht bij de Ombudsman beweerde klager dat het advies van de Commissie om naar de CNIL te verwijzen geen zin had. Klager heeft echter geen melding gemaakt van een vermeend geval van wanbeheer door de Commissie. Op 7 juni 2006 zond klager een nieuwe brief met betrekking tot zijn klacht aan de Ombudsman. In deze brief maakte klager duidelijk dat hij ook een klacht over de CNIL wenste in te dienen. Hij beweerde dat hij de CNIL reeds op 11 april 2005 had geschreven en dat hij geen antwoord had ontvangen.

Aangezien klager alleen beweerde dat het antwoord van de Commissie geen zin had, zonder melding te maken van een vermeend geval van wanbeheer, deelde de Ombudsman klager bij brief van 22 juni 2006 mee dat hij het voorwerp van de klacht onduidelijk achtte en sloot hij de klacht af op grond van artikel 2, lid 3, van zijn Statuut. De Ombudsman deelde klager verder mee dat hij kon overwegen zijn klacht te verlengen, waarbij hij erop toezag het voorwerp van zijn klacht en het vermeende geval van wanbeheer te specificeren.

Met betrekking tot de bewering tegen de CNIL deelde de Ombudsman klager mee dat, aangezien dit aspect van de zaak geen betrekking had op een Europese instelling of een Europees orgaan, hij had besloten de zaak te sluiten op basis van artikel 2, lid 1, van zijn Statuut. De Ombudsman deelde klager verder mee dat hij, met zijn instemming, zijn klacht kon doorsturen naar de Franse Ombudsman.

Klacht 3450/2006/MF
indienen

Op 29 september 2006 stuurde klager een nieuwe brief naar de Ombudsman, die werd geregistreerd als een nieuwe klacht onder referentienummer 3450/2006/MF.

In zijn brief verwierp klager het voorstel van de Ombudsman om zijn klacht over te dragen aan de Franse Ombudsman.

Klager voerde voorts aan dat de Commissie zijn verzoek om inlichtingen over de datum waarop Frankrijk de Commissie in kennis had gesteld van zijn wens om af te wijken van artikel 8, lid 1, van richtlijn 95/46, niet naar behoren had behandeld.

Het onderzoek

Advies van de Commissie

Het standpunt van de Commissie over de klacht luidde, samengevat, als volgt:

Wat de feitelijke achtergrond betreft

Op 5 februari 2006 en 3 maart 2006 schreef klager aan de Commissie over decreet nr. 90-115 van 2 februari 1990 (het "decreet van 2 februari 1990") dat door Frankrijk was uitgevaardigd. Dit besluit bepaalde dat gerechtelijke en administratieve instellingen bij de uitoefening van hun taken systemen konden invoeren voor de geautomatiseerde bewaring van persoonsgegevens over onder meer etnische afkomst, politieke, levensbeschouwelijke of religieuze overtuiging en lidmaatschap van een vakbond.

Aangezien dit beroep betrekking had op de door artikel 8, lid 1, van richtlijn 95/46 verboden verwerking van persoonsgegevens, heeft klager de Commissie juist gevraagd wanneer Frankrijk haar had meegedeeld dat het voornemens was van deze bepaling af te wijken.

Bij brief van 12 april 2006 heeft de Commissie klager geantwoord dat zijn vraag betrekking had op het nationale recht en als zodanig buiten de werkingssfeer van het Gemeenschapsrecht viel. Klager werd geadviseerd contact op te nemen met de CNIL, de Franse nationale autoriteit die bevoegd was om zijn verzoek te behandelen.

De Commissie heeft gepreciseerd dat dit advies was gebaseerd op artikel 3, lid 2, van richtlijn 95/46, dat bepaalt dat de verwerking van persoonsgegevens in verband met activiteiten op het gebied van justitie of politiële samenwerking buiten de werkingssfeer van richtlijn 95/46 valt.

De Commissie erkende dat zij in haar antwoord van 12 april 2006 geen rekening had gehouden met het feit dat titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie alleen betrekking had op justitiële samenwerking in strafzaken. Zo viel een deel van het voorwerp van de klacht onder titel VI, en dus buiten de werkingssfeer van richtlijn 95/46, en werd een deel van het voorwerp in feite door deze richtlijn geregeld.

Op basis van het antwoord van de Commissie diende klager bij de Ombudsman een klacht in waarin hij beweerde dat de Commissie zijn verzoek om informatie niet naar behoren had behandeld. Klager stelde dat het decreet van 2 februari 1990 een afwijking van Frankrijk van artikel 8, lid 1, van richtlijn 95/46 vormde en verzocht de Commissie hem daarom mee te delen of Frankrijk zijn verplichtingen was nagekomen.

Ten gronde: de bewering van de klager

De Commissie heeft om te beginnen herinnerd aan het rechtskader dat aan de klacht ten grondslag ligt, namelijk artikel 8, lid 1, van richtlijn 95/46, dat bepaalt:

"(...) De lidstaten verbieden de verwerking van persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, lidmaatschap van een vakvereniging en de verwerking van gegevens over gezondheid of seksleven blijken".

De Commissie verwees naar artikel 8, lid 2, van de richtlijn, waarin de omstandigheden worden opgesomd waarin dit verbod niet van toepassing is. Artikel 8, lid 2, onder e), bepaalt specifiek dat de verwerking van bijzondere categorieën gegevens rechtmatig is wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering.

De Commissie heeft voorts verwezen naar artikel 8, lid 4, van richtlijn 95/46, op grond waarvan de lidstaten om redenen van zwaarwegend algemeen belang in aanvullende vrijstellingen kunnen voorzien, en naar artikel 8, lid 5, dat bepaalt dat de verwerking van gegevens betreffende strafbare feiten, strafrechtelijke veroordelingen of veiligheidsmaatregelen alleen mag plaatsvinden onder toezicht van een overheidsinstantie of, indien het nationale recht in passende specifieke waarborgen voorziet, onder voorbehoud van afwijkingen die de lidstaat krachtens het nationale recht kan toestaan. Ten slotte verwees de Commissie naar artikel 8, lid 6, van de richtlijn, volgens hetwelk de lidstaten de krachtens artikel 8, leden 4 en 5, genomen afwijkingen aan de Commissie moeten meedelen.

In de tweede plaats heeft de Commissie gepreciseerd dat richtlijn 95/46 volgens artikel 3, lid 2, ervan niet van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van een activiteit die buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht valt, zoals die waarin de titels V en VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie voorzien, en in ieder geval op verwerkingen die verband houden met de openbare veiligheid, defensie, de staatsveiligheid en de activiteiten van de staat op strafrechtelijk gebied. Derhalve moet een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de strafrechtelijke gebieden die buiten het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, en anderzijds de gerechtelijke en administratieve instellingen waarop de richtlijn van toepassing is. De verwerking van persoonsgegevens op strafrechtelijk gebied valt dus niet onder de richtlijn, maar elke andere verwerking van persoonsgegevens door gerechtelijke en administratieve instellingen wel.

De Commissie wees er voorts op dat, in de door klager aan de orde gestelde zaak, het door Frankrijk op 2 februari 1990 uitgevaardigde decreet de rechterlijke en administratieve instanties toestaat om persoonsgegevens over onder meer etnische afkomst, politieke, levensbeschouwelijke of religieuze opvattingen of lidmaatschap van een vakbond automatisch te bewaren. Dit valt onder het Gemeenschapsrecht en valt derhalve onder de richtlijn. Artikel 8, lid 2, sub e, van richtlijn 95/46 staat evenwel de verwerking van gevoelige gegevens toe wanneer dit noodzakelijk is voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering, met inbegrip van de uitoefening van hun taken door rechterlijke en administratieve instanties. Aangezien de verplichting om de Commissie in kennis te stellen enkel voortvloeit uit artikel 8, leden 4 en 5, heeft de Commissie erop gewezen dat hieruit volgt dat Frankrijk in casu niet verplicht was om haar de door haar vastgestelde maatregelen mee te delen.

De Commissie verklaarde voorts, dat het decreet van 2 februari 1990 was uitgevaardigd ter uitvoering van de vroegere Franse wet inzake gegevensbescherming, nr. 78-17 van 6 januari 1978. In 2004 heeft Frankrijk een nieuwe wet ingevoerd, namelijk nr. 2004-801 van 6 augustus 2004 betreffende de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van hun persoonsgegevens. De nieuwe wet heeft de vorige wet inzake gegevensbescherming gewijzigd en richtlijn 95/46 in Frans recht omgezet. Frankrijk had de Commissie in kennis gesteld van de aanneming van deze wet. Volgens de huidige Franse wetgeving is de verwerking van gevoelige gegevens die nodig is voor het instellen, uitoefenen of verdedigen van rechtsvorderingen niet verboden in het geval dat deze in overeenstemming is met het doel van de verwerking.

Concluderend bood de Commissie klager haar excuses aan voor het feit dat zij in haar eerste brief niet voldeed aan zijn verwachtingen van een volledig en volledig antwoord op zijn verzoek.

Opmerkingen van klager

In zijn repliek verklaarde klager, dat het decreet van 2 februari 1990 door Frankrijk was uitgevaardigd ter omzetting van artikel 8, lid 4, van richtlijn 95/46. Volgens hem was de verwijzing van de Commissie naar artikel 8, lid 5, van de richtlijn niet relevant.

Klager verklaarde voorts dat de Franse autoriteiten Richtlijn 95/46 hadden geschonden. Klager verzocht de Ombudsman het Parlement overeenkomstig artikel 226 van het EG-Verdrag een verslag te doen toekomen waarin wordt aanbevolen een inbreukprocedure tegen de Franse autoriteiten in te leiden. Voorts verzocht hij de Ombudsman om "iedere gedetacheerde Franse ambtenaar"(3) uit de behandeling van deze procedure te verwijderen, om ervoor te zorgen dat de procedure naar behoren zou worden uitgevoerd. Hij baseerde zijn argument op een rechterlijke uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (zaak CEDH 71665/01) over het recht om de kwestie door een onpartijdig gerecht te laten berechten.

BESLUIT

1 Vermeend verzuim van de Commissie om het verzoek om inlichtingen van klager van 3 maart 2006 naar behoren te behandelen

1.1 Op 3 maart 2006 heeft klager de Europese Commissie schriftelijk verzocht in kennis te worden gesteld van de datum waarop Frankrijk de Commissie in kennis had gesteld van zijn wens om af te wijken van artikel 8, lid 1, van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (4) ("Richtlijn 95/46"). Ter ondersteuning van zijn verzoek om inlichtingen verwees de klager naar artikel 8, lid 6, van richtlijn 95/46, op grond waarvan de in de leden 4 en 5 bedoelde afwijkingen van lid 1 aan de Commissie worden meegedeeld. Op 12 april 2006 heeft de Commissie klager geantwoord dat zijn vraag geen betrekking had op het Gemeenschapsrecht, maar op de bevoegdheid van de Franse gerechtelijke autoriteiten. In zijn klacht voerde klager aan dat de Commissie zijn verzoek om inlichtingen over de datum waarop Frankrijk de Commissie in kennis had gesteld van zijn wens om af te wijken van artikel 8, lid 1, van de richtlijn, niet naar behoren had behandeld.

1.2 In haar advies verklaarde de Commissie dat zij klager in haar antwoord van 12 april 2006 op zijn verzoek om inlichtingen had meegedeeld dat zijn vraag betrekking had op het nationale recht en als zodanig buiten de werkingssfeer van het Gemeenschapsrecht viel. Klager was geadviseerd contact op te nemen met de Franse nationale autoriteit, de "CNIL", die bevoegd was om zijn verzoek te behandelen. Dit advies was gebaseerd op artikel 3, lid 2, van de richtlijn, waarin is bepaald dat de verwerking van persoonsgegevens in verband met activiteiten op het gebied van justitie of politiële samenwerking buiten het toepassingsgebied van de richtlijn valt. De Commissie verklaarde in repliek echter geen rekening te hebben gehouden met het feit dat titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie enkel betrekking had op justitiële samenwerking in strafzaken. Een deel van het voorwerp van de klacht viel dus onder titel VI, en dus buiten de werkingssfeer van de richtlijn, en een deel viel in feite onder de richtlijn. In haar advies bood de Commissie klager haar excuses aan voor het feit dat zij in haar eerste brief geen volledig en volledig antwoord op zijn verzoek had gegeven.

1.3 In zijn opmerkingen stelde klager dat de Franse autoriteiten Richtlijn 95/46 hadden geschonden. Klager verzocht de Ombudsman het Parlement overeenkomstig artikel 226 van het EG-Verdrag een verslag te doen toekomen waarin wordt aanbevolen een inbreukprocedure tegen de Franse autoriteiten in te leiden.

1.4 Om te beginnen wil de Ombudsman erop wijzen dat zijn rol bestaat in het onderzoeken van klachten over vermeende gevallen van wanbeheer bij de activiteiten van de instellingen en organen van de Europese Unie. Het mandaat van de Europese Ombudsman staat hem niet toe het gedrag van nationale instellingen of organen te onderzoeken. In het onderhavige geval zal de Ombudsman derhalve alleen onderzoeken of er sprake was van wanbeheer door de Commissie bij de behandeling van het verzoek om inlichtingen van klager van 3 maart 2006.

1.5 In dit verband merkt de Ombudsman op dat klager in zijn brief van 3 maart 2006 de vraag aan de orde stelde op welke datum Frankrijk de Commissie in kennis had gesteld van zijn wens om af te wijken van artikel 8, lid 1, van richtlijn 95/46 van 24 oktober 1995. De Ombudsman merkt op dat de Commissie klager in haar antwoord van 12 april 2006 kort heeft meegedeeld dat zijn vraag "geen betrekking had op het Gemeenschapsrecht, maar op de bevoegdheid van de Franse gerechtelijke autoriteiten".

1.6 De Ombudsman herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 8, lid 6, van Richtlijn 95/46 "[de] afwijkingen van artikel 8, leden 4 en 5, van de richtlijn ter kennis van de Commissie [moeten] worden gebracht". De Ombudsman is derhalve van mening dat het oorspronkelijke antwoord van de Commissie van 12 april 2006 dat de door klager aan de orde gestelde kwestie geen betrekking had op het Gemeenschapsrecht, onnauwkeurig was.

1.7 De Ombudsman merkt echter op dat de Commissie klager in haar in het kader van het onderzoek van de Ombudsman ingediende advies een zeer gedetailleerd antwoord op zijn verzoek om informatie heeft gegeven, waarin zij hem informeerde over het relevante rechtskader met betrekking tot de kwestie in kwestie en over zijn rechtspositie. De Commissie antwoordde dat artikel 8, lid 2, sub e, van richtlijn 95/46 de verwerking van gevoelige gegevens toestaat wanneer dit noodzakelijk is voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering, met inbegrip van de uitoefening van hun taken door gerechtelijke en administratieve instellingen. Aangezien de verplichting om de Commissie in kennis te stellen enkel voortvloeit uit artikel 8, leden 4 en 5, heeft de Commissie erop gewezen dat hieruit volgt dat Frankrijk in casu niet verplicht was om de Commissie in kennis te stellen van een eventuele afwijking. De Ombudsman merkt voorts op dat de Commissie klager in haar brief van 12 april 2006 haar excuses heeft aangeboden voor het feit dat zij hem geen volledig en volledig antwoord op zijn verzoek heeft gegeven.

1.8 In het licht van het bovenstaande, namelijk het zeer gedetailleerde antwoord van de Commissie op het verzoek om informatie van klager en de verontschuldigingen in haar advies, concludeert de Ombudsman dat er geen reden lijkt te zijn voor verder onderzoek naar de bewering van klager.

1.9 Wat betreft het in zijn opmerkingen geformuleerde verzoek van klager dat de Ombudsman het Parlement een verslag zou toezenden waarin wordt aanbevolen een inbreukprocedure tegen de Franse autoriteiten in te leiden, wenst de Ombudsman te onderstrepen dat dit argument voor het eerst in de opmerkingen van klager naar voren is gebracht. Bovendien behoort het voorwerp van de klacht van klager niet tot het mandaat van de Ombudsman. De Ombudsman kan geen verslag uitbrengen aan het Parlement met het verzoek inbreukprocedures in te leiden tegen een lidstaat op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag. Dergelijke inbreukprocedures kunnen alleen door de Commissie worden ingeleid en de klager moet de zaak daarom rechtstreeks aan deze instelling voorleggen.

2 Conclusie

Op basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht lijkt er geen reden te zijn voor verder onderzoek. De Ombudsman sluit daarom de zaak.

De voorzitter van de Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.

Met vriendelijke groet,

 

P. Nikiforos DIAMANDOUROS


(1) "CNIL" staat voor "Commission nationale de I'lnformatique et des Libertés".

(2) PB L 281, blz. 31.

(3) Vertaling uit het Frans door de diensten van de Ombudsman.

(4) Zie noot 2 hierboven.

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!