Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 2697/2006/(IP)MF tegen de Europese Commissie
Besluiten
Zaak 2697/2006/(IP)MF - Geopend op Maandag | 20 november 2006 - Besluit over Maandag | 11 augustus 2008
Straatsburg, 11 augustus 2008
Geachte heer A.,
Op 8 augustus 2006 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen de Europese Commissie over de behandeling door deze laatste van uw klacht van 8 november 2005 betreffende de uitoefening van haar bevoegdheden uit hoofde van artikel 226 van het EG-Verdrag tegen de Belgische autoriteiten.
In uw klacht voerde u aan dat België Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (1) ("Richtlijn 2003/48") onjuist had uitgelegd en dat de Belgische wet van 17 mei 2004, waarbij genoemde richtlijn ten uitvoer werd gelegd, onverenigbaar was met het Gemeenschapsrecht.
Op 20 november 2006 heb ik de klacht doorgestuurd naar de Commissie, haar verzocht uiterlijk op 28 februari 2007 advies uit te brengen en u daarvan in kennis gesteld.
Op 6 maart 2007 heeft de Commissie de vertaling van haar advies in het Italiaans toegezonden, die ik u op 14 maart 2007 heb doen toekomen met de uitnodiging om vóór eind april 2007 opmerkingen te maken. Ik heb uw opmerkingen op 23 april 2007 ontvangen.
Op 2 juni 2008 heb ik u meegedeeld dat uw klacht om interne organisatorische redenen was overgeplaatst naar een andere juridisch ambtenaar.
Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.
Mijn excuses voor de tijd die het heeft gekost om uw klacht te behandelen.
Het KLACHT
De relevante feiten kunnen volgens de klager als volgt worden samengevat:
Op 8 november 2005 diende klager, een ambtenaar van de Commissie, bij de Commissie een klacht in op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag, waarin hij zich beklaagde over de vermeende onjuiste uitlegging door België van Richtlijn 2003/48.
In zijn klacht stelde klager de volgende zes kwesties aan de orde:
i) De Belgische wet van 17 mei 2004 tot uitvoering van richtlijn 2003/48 was onverenigbaar met het EG-recht. Op grond van de Belgische wet worden EU-ambtenaren die in België woonden, beschouwd als "niet-ingezetenen" in België en zijn zij derhalve onderworpen aan de bronbelasting als bedoeld in artikel 11 van de richtlijn (2).
ii) De Belgische wet van 17 mei 2004 was onverenigbaar met artikel 14 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen (3). Volgens klager hadden ambtenaren die niet de Belgische nationaliteit hadden en in België werkten, in het licht van deze bepaling als "inwoners" in België moeten worden erkend, zelfs als hun fiscale woonplaats zich in een andere lidstaat bevond.
iii) De Belgische wet van 17 mei 2004 was onverenigbaar met artikel 20 van het Statuut (4). Volgens klager moest hij, aangezien hij bij de Juridische Dienst van de Commissie in Brussel werkte, in België wonen. Volgens deze bepaling moest België de status van ingezetene erkennen voor ambtenaren die, net als klager, in Brussel woonden.
iv) De Belgische wet was onverenigbaar met artikel 3, lid 3, van Richtlijn 2003/48, waarin het volgende is bepaald: " (...) de woonplaats wordt geacht zich te bevinden in het land waar de uiteindelijk gerechtigde zijn woonplaats heeft (...)". Volgens de richtlijn wordt onder woonplaats verstaan de plaats waar de betrokkene gewoonlijk woont. Dit was in overeenstemming met het bestuursrecht.
v) De Belgische wet was onverenigbaar met het beginsel van gelijke behandeling en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit. Aangezien de Belgische wet de Belgische ingezetenschap niet erkende voor ambtenaren die in België werkten en niet de Belgische nationaliteit hadden, leidde dit tot discriminatie van ambtenaren ten opzichte van Belgische onderdanen.
vi) De Belgische wet was onverenigbaar met de beginselen van behoorlijk bestuur. Ambtenaren die niet de Belgische nationaliteit hadden en die belastingen betaalden in het land van hun woonplaats, hadden twee mogelijkheden om de negatieve gevolgen van de bronbelasting die door het land van hun woonplaats werd opgelegd, te vermijden. Deze mogelijkheden, voorzien in respectievelijk artikel 13, lid 2, punt 5, en artikel 14, lid 2, van richtlijn 2003/48 (6), waren zowel zeer complex als moeilijk uit te voeren.
Op 15 november 2005 heeft het secretariaat-generaal van de Commissie de ontvangst van de klacht bevestigd. De ontvangstbevestiging werd naar het privéadres van klager gestuurd, hoewel hij dit in zijn klacht niet had aangegeven.
Bij brief van 29 november 2005, die ook naar zijn privéadres werd gestuurd, werd klager ervan in kennis gesteld dat zijn klacht was doorgestuurd naar het directoraat-generaal (DG) Belastingen en douane-unie van de Commissie.
Bij brief van 5 januari 2006 deelde klager de Commissie mee dat hij ermee instemde dat zijn klacht openbaar zou worden behandeld. Tegelijkertijd verzoekt hij om verdere correspondentie naar zijn beroepsadres, bij de Juridische dienst van de Commissie, te sturen.
In zijn antwoord van 24 januari 2006 heeft het DG Belastingen en douane-unie zich op het standpunt gesteld dat de Belgische wet tot omzetting van richtlijn 2003/48 niet in strijd lijkt te zijn met de richtlijn. DG Belastingen en douane-unie verklaarde het niet eens te zijn met het argument van klager dat de Belgische wet onverenigbaar is met het non-discriminatiebeginsel en met het beginsel van behoorlijk bestuur. Volgens klager heeft de Commissie echter geen opmerkingen gemaakt over de andere punten die hij in zijn klacht naar voren had gebracht met betrekking tot de vermeende onverenigbaarheid van de Belgische wet met het EG-Verdrag, het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen en het Statuut. In plaats daarvan stelden de diensten van de Commissie voor de zaak te sluiten.
Bij brief van 3 maart 2006 aan de Commissie heeft klager opnieuw verklaard dat hij alle correspondentie met betrekking tot zijn klacht op zijn beroepsadres wenst te ontvangen. Voorts betwistte hij het besluit van de Commissie om de zaak af te sluiten en verzocht hij haar een brief van 25 juli 2005 van de Italiaanse "Agenzia delle Entrate" betreffende de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2003/48 in Italië te onderzoeken. Volgens klager was deze brief relevant voor zijn zaak. Klager verklaarde dat de Commissie geen gevolg heeft gegeven aan deze brief.
Op 4 april 2006 besloot de Commissie de zaak van klager te sluiten. Klager verklaarde dat hij niet van dit besluit in kennis was gesteld, hetgeen in strijd was met punt 10, lid 3, van de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Europese Ombudsman over de betrekkingen met klager in verband met inbreuken op het Gemeenschapsrecht van 20 maart 2002 (7).
In zijn klacht bij de Ombudsman voerde klager de volgende aantijgingen aan:
(1) De Commissie had haar correspondentie (bevestiging van ontvangst van zijn klacht, brieven van 29 november 2005 en 24 januari 2006) voortdurend naar het privéadres van klager gestuurd, ondanks zijn uitdrukkelijke verzoeken om zijn beroepsadres bij de Commissie te gebruiken;
(2) De Commissie had de Belgische autoriteiten niet om een kopie van de relevante documentatie over de uitlegging van richtlijn 2003/48 door deze autoriteiten verzocht en haar besluit om dit niet te doen niet gemotiveerd;
(3) De Commissie is niet ingegaan op de punten van zijn klacht betreffende de vermeende onverenigbaarheid van de Belgische wet met het EG-Verdrag, het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen en het Statuut;
(4) De Commissie had geen rekening gehouden met de opmerkingen die hij in zijn brief van 3 maart 2006 had gemaakt en met de inhoud van de brief van de Italiaanse "Agenzia delle Entrate"(8) die hij bij zijn opmerkingen had gevoegd, en
(5) De Commissie had besloten zijn klacht af te sluiten zonder hem daarvan in kennis te stellen, in strijd met punt 10, lid 3, van de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Europese Ombudsman over de betrekkingen met klager in verband met inbreuken op het Gemeenschapsrecht van 20 maart 2002.
De klager voerde voorts de volgende argumenten aan:
(1) De Commissie dient zijn klacht te heroverwegen en
(2) De Commissie moet hem vergoeden voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van haar wanbeheer. Een toereikend bedrag zou 5 000 EUR bedragen.
De OMBUDSMAN'S APPROACH
Bij brief van 20 november 2006 deelde de Ombudsman klager mee dat hij had besloten de Commissie om advies te vragen over de beweringen (1), (3), (4) en (5) en over de twee in zijn klacht ingediende beweringen.
De Ombudsman deelde klager voorts mee dat hij met betrekking tot zijn bewering (2), aangezien het erop leek dat klager met betrekking tot dit aspect van de zaak geen passende voorafgaande administratieve stappen bij de Commissie had ondernomen, had besloten de zaak te sluiten op basis van artikel 2, lid 4, van zijn Statuut (9).
Het onderzoek
Advies van de CommissieHet standpunt van de Commissie over de klacht luidde, samengevat, als volgt:
Met betrekking tot de bewering dat de Commissie haar correspondentie voortdurend naar het privéadres van klager had gestuurd ondanks zijn uitdrukkelijke verzoeken om zijn beroepsadres te gebruikenDe Commissie verklaarde dat, zoals de klager in de eerste alinea van zijn klacht op grond van artikel 226 heeft aangegeven, de nota " door de belanghebbende op individuele basis is ingediend" en dat "op geen enkele wijze kan worden geacht de Juridische Dienst van de [Commissie] te betrekken" waartoe de klager was benoemd. De Commissie verklaarde voorts dat haar diensten, in overeenstemming met de gebruikelijke praktijk, het privéadres van klager gebruikten om op zijn klacht op grond van artikel 226 te antwoorden.
De Commissie wees er verder op dat klager om dezelfde redenen het briefhoofd van de Commissie niet had mogen gebruiken bij het schrijven aan haar en de Ombudsman, omdat dit de indruk kon wekken dat zijn brieven een officiële handeling vormden.
Betreffende de gestelde niet-inachtneming van de punten van de klacht op grond van artikel 226De Commissie verklaarde dat haar standpunt met betrekking tot de door klager in zijn klacht op grond van artikel 226 aan de orde gestelde kwesties vrij gedetailleerd was en duidelijk werd toegelicht in haar brief van 24 januari 2006, die bij haar advies was gevoegd.
De Commissie verklaarde dat dezelfde argumenten van toepassing zouden moeten zijn op de bewering van klager dat de Commissie de punten betreffende de vermeende onverenigbaarheid van het Belgische recht met het beginsel van gelijke behandeling, non-discriminatie en behoorlijk bestuur niet zou hebben behandeld.
Wat betreft het vermeende verzuim om rekening te houden met de opmerkingen van klager en de inhoud van de brief van de Italiaanse "Agenzia delle entrate"De Commissie verklaarde voorts dat haar relevante diensten de opmerkingen van klager en de bijgevoegde documenten niet afzonderlijk hadden behandeld, omdat was geoordeeld dat deze geen aanvullende informatie bevatten die de Commissie ertoe had kunnen brengen het standpunt dat zij in haar brief van 24 januari 2006 had ingenomen, te wijzigen.
Wat betreft het vermeende verzuim om klager in kennis te stellen van zijn besluit om het dossier te sluitenDe Commissie erkende dat haar diensten klager in kennis hadden moeten stellen van de afsluiting van zijn klacht op grond van artikel 226. Zij heeft haar excuses aangeboden voor deze omissie.
De Commissie verwees voorts naar artikel 13, lid 2, van de richtlijn (10). In het licht van de informatie en documenten die klager bij zijn klacht op grond van artikel 226 had gevoegd, bleek niet dat hij de relevante stappen bij de Italiaanse autoriteiten had ondernomen om de in artikel 13, lid 2, van de richtlijn bedoelde verklaring te verkrijgen, hetgeen zou leiden tot belastingheffing door Italië over inkomsten uit spaargelden.
De Commissie verklaarde dat zij uiteraard bereid zou zijn te overwegen een inbreukprocedure tegen Italië in te leiden indien de Italiaanse autoriteiten zouden weigeren de in artikel 13, lid 2, van de richtlijn bedoelde verklaring af te geven aan EU-ambtenaren die hun fiscale woonplaats in Italië hebben.
Met betrekking tot de argumenten van klagerDe Commissie verklaarde dat er geen redenen waren om de klacht van klager op grond van artikel 226 te heroverwegen en dat zijn vordering tot schadevergoeding moest worden afgewezen.
Opmerkingen van klagerDe opmerkingen van klager met betrekking tot het advies van de Commissie kunnen als volgt worden samengevat:
Klager erkende dat hij in zijn klacht op grond van artikel 226 had aangegeven dat hij de klacht op individuele basis had ingediend. Hij wees er echter op dat zijn klacht op grond van artikel 226 betrekking had op zijn positie als ambtenaar van een Europese instelling die op discriminerende wijze was behandeld. Dit was de reden waarom hij had besloten het briefhoofd van de Commissie te gebruiken.
Klager herhaalde voorts zijn standpunt dat de Commissie niet gedetailleerd had geantwoord op de punten die hij in zijn klacht aan de orde had gesteld en geen rekening had gehouden met de opmerkingen die hij in zijn brief van 3 maart 2006 had gemaakt en met de inhoud van de brief van de Italiaanse "Agenzia delle Entrate".
Met betrekking tot zijn bewering dat de Commissie hem niet in kennis had gesteld van haar besluit om het dossier af te sluiten, was klager ingenomen met de excuses van de Commissie voor haar nalatigheid. Hij bleef echter bij zijn standpunt dat er sprake was van wanbeheer met betrekking tot dit aspect van de zaak.
BESLUIT
1 De bewering dat de Commissie haar correspondentie voortdurend naar het privéadres van klager had gestuurd ondanks zijn uitdrukkelijke verzoeken om zijn beroepsadres te gebruiken1.1 Op 8 november 2005 diende klager, een ambtenaar van de Commissie, bij de Commissie een "artikel 226-klacht" in waarin hij zich beklaagde over de vermeende onjuiste interpretatie door België van Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling ("Richtlijn 2003/48"). Op 15 november 2005 zond het secretariaat-generaal van de Commissie een ontvangstbevestiging naar het privéadres van klager, hoewel klager dit adres niet in zijn klacht had vermeld.
Bij brief aan zijn privéadres van 29 november 2005 werd klager ervan in kennis gesteld dat zijn klacht was doorgestuurd naar het directoraat-generaal (DG) Belastingen en douane-unie van de Commissie om te worden behandeld.
In zijn klacht bij de Ombudsman beweerde klager dat de Commissie haar correspondentie, dat wil zeggen de bevestiging van de ontvangst van zijn klacht, haar brieven van 29 november 2005 en 24 januari 2006 voortdurend naar zijn privéadres had gestuurd, ondanks uitdrukkelijke verzoeken van hem om zijn beroepsadres bij de Commissie te gebruiken.
1.2 In haar advies verklaarde de Commissie dat haar diensten, in overeenstemming met de gebruikelijke praktijk, het privéadres van klager gebruikten om te antwoorden op zijn klacht op grond van artikel 226 die op individuele basis was ingediend.
1.3 In zijn opmerkingen erkende klager dat hij in zijn klacht op grond van artikel 226 had aangegeven dat hij zijn klacht op individuele basis had ingediend. Hij wees er echter op dat zijn klacht op grond van artikel 226 betrekking had op zijn positie als ambtenaar van een Europese instelling die op discriminerende wijze was behandeld.
1.4 De Ombudsman merkt om te beginnen op dat klager in zijn klacht op grond van artikel 226 van 8 november 2005 geen adres heeft genoemd waarnaar het antwoord van de Commissie moet worden gericht en geen specifiek verzoek heeft gedaan om alle correspondentie naar zijn beroepsadres te sturen. Bovendien bevatten de bij die klacht gevoegde documenten wel degelijk een adres, namelijk het privéadres van klager. Bijgevolg had de Commissie met betrekking tot haar antwoord op deze klacht enkel de mogelijkheid om haar antwoord naar zijn privéadres te sturen.
1.5 Klager heeft de Commissie in zijn brieven van 5 januari en 3 maart 2006 verzocht zijn beroepsadres bij de Commissie te gebruiken. In deze brieven verklaarde hij dat hij wenste dat zijn beroepsadres werd gebruikt, aangezien zijn klacht uit hoofde van artikel 226 "zijn status als ambtenaar betrof".
1.6 De Ombudsman is van mening dat het redelijk is dat de Commissie van mening is dat werkadressen die door de Commissie aan ambtenaren worden toegewezen, uitsluitend voor professioneel gebruik zijn.
De Ombudsman merkt op dat ambtenaren die bij hun instelling een klacht willen indienen over hun werkrelatie met die instelling, de procedure van artikel 90 van het Statuut moeten volgen (11). Ambtenaren kunnen bij het indienen van klachten op grond van artikel 90 van het Statuut erop aandringen dat hun beroepsadres wordt gebruikt, aangezien dergelijke klachten duidelijk betrekking hebben op hun status als ambtenaar.
Klachten uit hoofde van artikel 226 hebben echter tot doel de Commissie informatie te verstrekken over de mogelijke inleiding of vervolging van procedures uit hoofde van artikel 226 tegen lidstaten. Artikel 226 grieven hebben in geen enkele directe zin betrekking op de werkrelatie tussen een instelling en haar ambtenaren. De door ambtenaren bij de Commissie ingediende klachten op grond van artikel 226 moeten dus als privécorrespondentie worden beschouwd. De Ombudsman merkt in dit verband op dat klager zelf in zijn klacht krachtens artikel 226 bij de Commissie het volgende heeft geschreven:
"Deze nota - die volgens de relevante bepalingen als een klacht moet worden behandeld - wordt door de belanghebbende op individuele basis ingediend, maar houdt nauw verband met zijn functie als ambtenaar van een Europese instelling. Het betreft alleen de ondertekenaar persoonlijk en kan op geen enkele wijze worden beschouwd als betrekking hebbend op de juridische dienst waartoe hij is benoemd"(12).
In dit verband was het besluit van de Commissie om in haar correspondentie met klager geen gebruik te maken van het beroepsadres van klager redelijk.
1.7 De Ombudsman onderschrijft het standpunt van de Commissie dat klager het briefhoofd van de Commissie niet had mogen gebruiken bij het indienen van een klacht op grond van artikel 226 bij de Commissie en bij het indienen van een klacht bij de Ombudsman.
1.8 In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman van mening dat er geen sprake lijkt te zijn geweest van wanbeheer door de Commissie met betrekking tot de bewering van klager.
2 Vermeend verzuim van de Commissie om in te gaan op de punten in de klacht van klager betreffende de vermeende onverenigbaarheid van een Belgische wet met het EG-Verdrag, het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen en het Statuut2.1 In zijn klacht beweerde klager dat de Commissie de in zijn klacht naar voren gebrachte punten betreffende de vermeende onverenigbaarheid van de Belgische wet van 17 mei 2004 met het EG-Verdrag, het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen en het Statuut niet had behandeld.
2.2 In haar advies verklaarde de Commissie dat haar standpunt met betrekking tot de door klager in zijn klacht op grond van artikel 226 aan de orde gestelde kwesties uitvoerig werd toegelicht in haar brief van 24 januari 2006, die bij haar advies was gevoegd.
2.3 In zijn opmerkingen bleef klager bij zijn standpunt dat de Commissie niet gedetailleerd had geantwoord op de punten die hij in zijn klacht op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag aan de orde had gesteld.
2.4 De Ombudsman merkt op dat klager in zijn klacht op grond van artikel 226 kort samengevat de volgende kwesties aan de orde stelde:
i) De Belgische wet van 17 mei 2004 tot uitvoering van richtlijn 2003/48 was onverenigbaar met het EG-recht.
ii) De Belgische wet van 17 mei 2004 was onverenigbaar met artikel 14 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen.
iii) De Belgische wet van 17 mei 2004 was onverenigbaar met artikel 20 van het Statuut.
iv) De Belgische wet van 17 mei 2004 was onverenigbaar met artikel 3, lid 3, van richtlijn 2003/48.
v) De Belgische wet van 17 mei 2004 was onverenigbaar met het beginsel van gelijke behandeling en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit.
vi) De Belgische wet van 17 mei 2004 was onverenigbaar met de beginselen van behoorlijk bestuur.
2.5 In zijn antwoord op de klacht van klager op grond van artikel 226 verwees het eenheidshoofd van DG Belastingen en douane-unie als eerste opmerking naar artikel 14 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen (het "Protocol")(13). Het eenheidshoofd verklaarde dat uit deze bepaling voortvloeit dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen, enerzijds, de "werkelijke verblijfplaats" van de betrokken ambtenaar en, anderzijds, zijn "woonplaats" voor belastingdoeleinden. In dit verband verwees het eenheidshoofd vervolgens naar artikel 11 van richtlijn 2003/48 (14).
Het eenheidshoofd wees erop dat de kernvraag van de klacht van klager op grond van artikel 226 derhalve was om vast te stellen of, in het geval van EU-ambtenaren, de term "ingezetene"in artikel 11 van Richtlijn 2003/48 verwijst naar de "werkelijke verblijfplaats" of naar de "fiscale woonplaats".
Het hoofd van de eenheid verklaarde vervolgens dat volgens de tekst van het protocol de term "ingezetene" in artikel 11 van Richtlijn 2003/48 om de volgende redenen aldus moet worden uitgelegd dat deze duidelijk verwijst naar de "fiscale woonplaats ": i) de tekst van de richtlijn verwees herhaaldelijk naar het begrip "fiscale woonplaats "van de uiteindelijk gerechtigde; ii) richtlijn 2003/48 in het algemeen impliceerde dat de fiscale woonplaats en de fiscale woonplaats niet van elkaar verschilden. In het specifieke geval van de EU-ambtenaren was het echter duidelijk dat de "nuttige werking" ( effet utile) van de relevante bepalingen van het EU-recht alleen kon worden behouden voor zover de term "woonplaats" werd geïnterpreteerd als een verwijzing naar de "fiscale woonplaats "van de betrokken persoon; iii) aangezien richtlijn 2003/48 betrekking had op belastingkwesties, moesten de relevante begrippen dienovereenkomstig worden uitgelegd.
Wat betreft de vermeende onverenigbaarheid van het Belgische recht met het beginsel van gelijke behandeling en van non-discriminatie op grond van nationaliteit, verklaarde het eenheidshoofd dat deze onverenigbaarheid het gevolg was van een correcte uitvoering van i) Richtlijn 2003/48 en ii) van het Protocol betreffende de specifieke situatie van EU-ambtenaren waarvoor de "werkelijke verblijfplaats" en de "fiscale woonplaats "niet (altijd) samenvielen.
Wat de vermeende onverenigbaarheid van het Belgische recht met de beginselen van behoorlijk bestuur betreft, heeft het eenheidshoofd erop gewezen dat de gestelde moeilijkheid om ervoor te zorgen dat het woonland niet aan de bronbelasting wordt onderworpen, alleen voortvloeit uit richtlijn 2003/48 en niet aan de Belgische autoriteiten kan worden toegerekend. Bovendien kon de Commissie de verdeling van de relevante winsten tussen de betrokken lidstaten niet betwisten, gelet op de politieke overeenkomsten die zij in dit verband hadden gesloten.
Het eenheidshoofd concludeerde dat de klacht van klager op grond van artikel 226 niet gegrond was en dat hij de Commissie zou voorstellen het dossier tijdens een van haar volgende vergaderingen zonder verdere maatregelen te sluiten.
2.6 In het licht van het antwoord van 24 januari 2006 is de Ombudsman van mening dat het eenheidshoofd van DG Belastingen en douane-unie alle door klager in zijn klacht op grond van artikel 226 aan de orde gestelde punten naar behoren heeft opgehelderd door op al deze punten een met redenen omkleed en zeer gedetailleerd antwoord te geven. In deze omstandigheden is de Ombudsman van mening dat klager zijn standpunt dat het antwoord van de Commissie op zijn klacht uit hoofde van artikel 226 onvolledig was, niet heeft gehandhaafd.
2.7 In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman van mening dat er geen sprake lijkt te zijn geweest van wanbeheer door de Commissie met betrekking tot de bewering van klager.
3 Het vermeende verzuim van de Commissie om rekening te houden met de opmerkingen van klager van 3 maart 2006 en de inhoud van de brief van de Italiaanse "Agenzia delle entrate"3.1 In zijn klacht beweerde klager dat de Commissie geen rekening had gehouden met de opmerkingen die hij in zijn brief van 3 maart 2006 had gemaakt en met de inhoud van de brief van de Italiaanse "Agenzia delle Entrate" die hij bij zijn opmerkingen had gevoegd.
3.2 In haar advies verklaarde de Commissie dat haar relevante diensten de opmerkingen van klager en de bijgevoegde documenten niet afzonderlijk hadden behandeld, omdat zij van mening waren dat deze opmerkingen en documenten geen nieuwe aanvullende informatie bevatten die de Commissie ertoe had kunnen brengen haar standpunt in haar brief van 24 januari 2006 te wijzigen.
3.3 In zijn opmerkingen bleef klager bij zijn standpunt dat de Commissie geen rekening had gehouden met de opmerkingen die hij in zijn brief van 3 maart 2006 had gemaakt en met de inhoud van de brief van de Italiaanse "Agenzia delle Entrate".
3.4 De Ombudsman merkt op dat het hoofd van de eenheid van DG Belastingen en douane-unie in zijn antwoord van 24 januari 2006 op de klacht van klager op grond van artikel 226 het volgende schreef:
"(…) Wij zijn voornemens de Commissie in de loop van een van de volgende vergaderingen voor te stellen geen verdere maatregelen in dit dossier te nemen. Indien u kennis krijgt van nieuwe elementen die het bestaan van een inbreuk zouden kunnen aantonen, verzoeken wij u daarvan uiterlijk één maand na de datum van verzending van deze brief in kennis te worden gesteld."(15) (nadruk toegevoegd).
3.5 In zijn brief van 3 maart 2006 waarin klager zijn opmerkingen maakte over het voorstel van de Commissie om zijn klacht op grond van artikel 226 af te sluiten, herhaalde klager hoofdzakelijk de argumenten die hij reeds in zijn klacht bij de Commissie had aangevoerd. Hij herhaalde met name dat er volgens hem sprake was van een ernstig probleem bij de uitlegging van de richtlijn door de Belgische autoriteiten. De Ombudsman merkte op dat de brief van de Italiaanse "Agenzia delle Entrate" niet bij de bij hem ingediende klacht was gevoegd en dat deze brief derhalve niet samen met de brief van de Ombudsman tot opening van het onderzoek aan de Commissie was toegezonden. Het lijkt er echter op dat de Commissie op de hoogte was van de brief van de Italiaanse "Agenzia delle Entrate" aangezien klager er in zijn brief van 3 maart 2006 uitdrukkelijk naar verwees en vermeldde dat hij deze als bijlage bij de Commissie had ingediend.
3.6 Het lijkt erop dat klager in zijn brief van 3 maart 2006 geen nieuwe informatie heeft verstrekt die het bestaan van een inbreuk op het EU-recht door de Belgische autoriteiten zou kunnen aantonen. Gezien het bovenstaande lijkt het standpunt van de Commissie om de opmerkingen van klager en de bijgevoegde documenten niet afzonderlijk te behandelen, redelijk.
3.7 In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman van mening dat er geen sprake lijkt te zijn geweest van wanbeheer door de Commissie met betrekking tot de bewering van klager.
4 Het vermeende besluit van de Commissie om de klacht van klager af te sluiten zonder hem daarvan in kennis te stellen4.1 Klager beweerde dat de Commissie had besloten zijn klacht op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag af te sluiten zonder hem daarvan in kennis te stellen, in strijd met punt 10, lid 3, van de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Europese Ombudsman over de betrekkingen met de klager in verband met inbreuken op het Gemeenschapsrecht van 20 maart 2002.
4.2 In haar advies erkende de Commissie dat haar diensten klager in kennis hadden moeten stellen van de afsluiting van zijn klacht op grond van artikel 226. Zij heeft haar excuses aangeboden voor deze omissie.
De Commissie verwees voorts naar artikel 13, lid 2, van de richtlijn (16). In het licht van de informatie en documenten die klager bij zijn klacht op grond van artikel 226 had gevoegd, bleek niet dat hij de relevante stappen bij de Italiaanse autoriteiten had ondernomen om de in artikel 13, lid 2, van de richtlijn bedoelde verklaring te verkrijgen, die ertoe zou leiden dat Italië inkomsten uit spaargelden in de vorm van in België verdiende rente zou belasten. De Commissie verklaarde dat zij uiteraard bereid zou zijn te overwegen een inbreukprocedure tegen Italië in te leiden indien de Italiaanse autoriteiten zouden weigeren de in artikel 13, lid 2, van de richtlijn bedoelde verklaring te verstrekken aan EU-ambtenaren die hun fiscale woonplaats in Italië hebben.
4.3 In zijn opmerkingen toonde klager zich ingenomen met de verontschuldigingen van de Commissie. Hij bleef echter bij zijn standpunt dat er sprake was van wanbeheer met betrekking tot dit aspect van de zaak.
4.4 De Ombudsman merkt op dat artikel 10, lid 3, van de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Europese Ombudsman over de betrekkingen met de klager met betrekking tot inbreuken op het Gemeenschapsrecht van 20 maart 2002 (17) als volgt luidt:
"[w]anneer de klager niet antwoordt, of wanneer er geen contact met de klager kan worden opgenomen om redenen waarvoor hij/zij verantwoordelijk is, of wanneer de opmerkingen van de klager de dienst er niet van overtuigen zijn standpunt te heroverwegen, wordt een voorstel gedaan om de zaak te sluiten. In dat geval zal de klager in kennis worden gesteld van het besluit van de Commissie." (nadruk toegevoegd).
4.5 Uit de klacht blijkt duidelijk dat de Commissie klager niet in kennis heeft gesteld van zijn besluit om de zaak te sluiten. Naar haar mening bood de Commissie klager echter haar excuses aan voor deze omissie. Voorts neemt de Ombudsman er nota van dat de Commissie zich bereid heeft verklaard om, zodra klager de desbetreffende stappen bij de Italiaanse autoriteiten heeft ondernomen, te overwegen een inbreukprocedure tegen Italië in te leiden indien de Italiaanse autoriteiten weigeren ten behoeve van EU-ambtenaren die hun "fiscale woonplaats "in Italië hebben, het in artikel 13, lid 2, van de richtlijn bedoelde certificaat te verlenen.
4.6 In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman van mening dat er geen reden lijkt te zijn voor verder onderzoek naar de bewering van klager.
5 Vorderingen van klager5.1 Klager verzocht de Commissie om i) zijn klacht te heroverwegen en ii) hem de schade te vergoeden die hij als gevolg van het wanbeheer van de Commissie had geleden. Een toereikend bedrag zou 5 000 EUR bedragen.
5.2 In haar advies stelde de Commissie dat er geen reden was om de klacht uit hoofde van artikel 226 te heroverwegen en dat de schadevordering van klager moest worden afgewezen.
5.3 Wat betreft de eerste bewering van klager dat de Commissie zijn klacht zou moeten heroverwegen, verwijst de Ombudsman naar het antwoord van de Commissie van 24 januari 2006 op de klacht van klager op grond van artikel 226. In zijn antwoord verklaarde het hoofd van de eenheid dat de term "ingezetene"in artikel 11 van Richtlijn 2003/48 duidelijk moest worden uitgelegd als een verwijzing naar de "fiscale woonplaats ", namelijk om de nuttige werking van de relevante bepalingen van het Unierecht te behouden. Gezien de specifieke situatie van EU-ambtenaren waarvoor de "werkelijke verblijfplaats" en de "fiscale woonplaats "niet (altijd) samenvielen, was de vermeende onverenigbaarheid van het Belgische recht met het beginsel van gelijke behandeling en van non-discriminatie op grond van nationaliteit het gevolg van een correcte uitvoering van Richtlijn 2003/48 en van het Protocol. De gestelde moeilijkheid, die voortvloeit uit de noodzaak ervoor te zorgen dat degenen die door deze situatie worden getroffen, niet door het woonland aan de bronbelasting worden onderworpen, vloeit voort uit de richtlijn. Dit kon niet aan de Belgische autoriteiten worden toegerekend. Bovendien kon de Commissie de verdeling van de relevante winsten tussen de betrokken lidstaten niet betwisten, gelet op de politieke overeenkomsten die zij in dit verband hadden gesloten.
5.4 In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman van mening dat het besluit van de Commissie om het dossier van klager zonder verdere maatregelen te sluiten redelijk en voldoende gefundeerd lijkt. In deze omstandigheden is de Ombudsman van mening dat klager zijn standpunt dat de Commissie zijn klacht moet heroverwegen, niet heeft onderbouwd.
De Ombudsman concludeert derhalve dat er geen reden lijkt te zijn voor verder onderzoek naar deze bewering.
5.5 Wat betreft het tweede argument van klager, dat de Commissie hem moet vergoeden voor de schade die hij als gevolg van het wanbeheer heeft geleden, concludeert de Ombudsman dat er, in het licht van zijn conclusies in de punten 2.7, 3.7 en 4.6 hierboven, geen reden lijkt te zijn voor verder onderzoek naar dit argument.
6 ConclusieOp basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht lijkt er geen sprake te zijn geweest van wanbeheer door de Commissie met betrekking tot de eerste, tweede en derde beweringen van klager.
Wat de vierde bewering van klager en twee beweringen betreft, is de Ombudsman van mening dat er geen reden lijkt te zijn voor verder onderzoek.
De Ombudsman sluit daarom de zaak.
De voorzitter van de Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.
Met vriendelijke groet,
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
(1) PB L 157, blz. 38.
(2) Artikel 11 ("bronbelasting") van richtlijn 2003/48 luidt als volgt:
"Indien de uiteindelijk gerechtigde zijn woonplaats heeft in een andere lidstaat dan die waar de uitbetalende instantie is gevestigd, heffen België, Luxemburg en Oostenrijk gedurende de in artikel 10 bedoelde overgangsperiode een bronbelasting van 15 % gedurende de eerste drie jaar van de overgangsperiode, 20 % voor de daaropvolgende drie jaar en 35 % daarna. (…)".
(3) Artikel 14 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen luidt als volgt:
"Bij de toepassing van de inkomstenbelasting, de vermogensbelasting en de overlijdensbelasting en bij de toepassing van de tussen de lidstaten van de Gemeenschappen gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting, worden ambtenaren en andere personeelsleden van de Gemeenschappen die zich, uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van hun functie in dienst van de Gemeenschappen, op het tijdstip van hun indiensttreding bij de Gemeenschappen vestigen op het grondgebied van een andere lidstaat dan die waar zij hun fiscale woonplaats hebben, zowel in het land waar zij hun werkelijke woonplaats hebben als in het land waar zij hun fiscale woonplaats hebben, geacht hun woonplaats in laatstgenoemd land te hebben behouden, mits zij lid zijn van de Gemeenschappen (...)".
(4) Volgens artikel 20 van het Statuut "woont de ambtenaar hetzij op de plaats waar hij is tewerkgesteld, hetzij op een afstand die niet groter is dan nodig is voor de goede uitoefening van zijn functie (...)".
(5) Artikel 13, lid 2, van de richtlijn luidt als volgt:
"Op verzoek van de uiteindelijk gerechtigde geeft de bevoegde autoriteit van de lidstaat van zijn fiscale woonplaats een verklaring af waarin a) de naam, het adres en het fiscaal of ander identificatienummer of, indien van toepassing, de geboortedatum en -plaats van de uiteindelijk gerechtigde worden vermeld; b) de naam en het adres van de uitbetalende instantie;c) het rekeningnummer van de uiteindelijk gerechtigde of, bij gebreke daarvan, de identificatie van de zekerheid (...)".
(6) Artikel 14, lid 2, van de richtlijn luidt als volgt:
"Indien de door een uiteindelijk gerechtigde ontvangen rente in de lidstaat van de uitbetalende instantie aan bronbelasting is onderworpen, kent de fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde hem een belastingkrediet toe dat gelijk is aan het bedrag van de overeenkomstig zijn nationale recht ingehouden belasting. Indien dit bedrag hoger is dan het bedrag van de overeenkomstig het nationale recht verschuldigde belasting, betaalt de lidstaat van fiscale woonplaats het teveel aan ingehouden belasting terug aan de uiteindelijk gerechtigde".
(7) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Europese Ombudsman over de betrekkingen met de klager in verband met inbreuken op het Gemeenschapsrecht, COM(2002) 141 def., PB 2002, C 244, blz. 5.
(8) De brief van de Italiaanse "Agenzia delle entrate"bestaat uit de uitvoeringscirculaire van wetsbesluit 84/2005 waarbij Richtlijn 2003/48/EG in Italiaans recht is omgezet.
(9) Artikel 2, lid 4, van het Statuut van de Europese Ombudsman luidt als volgt: "De klacht (...) moet worden voorafgegaan door passende administratieve stappen bij de betrokken instellingen en organen."
(10) Zie voetnoot 5.
(11) Artikel 90 van het Statuut luidt als volgt:
“1. Eenieder op wie dit statuut van toepassing is, kan bij het tot aanstelling bevoegde gezag een verzoek indienen om ten aanzien van hem een besluit te nemen. De autoriteit stelt de betrokkene binnen vier maanden na de datum van indiening van het verzoek in kennis van haar met redenen omklede besluit. Indien aan het einde van die termijn geen antwoord op het verzoek is ontvangen, wordt dit beschouwd als een stilzwijgend besluit tot afwijzing van het verzoek, waartegen overeenkomstig het volgende lid een klacht kan worden ingediend.
2. Eenieder op wie dit Statuut van toepassing is, kan bij het tot aanstelling bevoegde gezag een klacht indienen tegen een voor hem bezwarend besluit, hetzij wanneer dit gezag een besluit heeft genomen, hetzij wanneer het heeft nagelaten een statutaire maatregel vast te stellen. De klacht moet binnen drie maanden worden ingediend. (…)“
(12) Vertaling door de diensten van de Ombudsman uit de oorspronkelijke Franse versie: "La présente note- que je souhaite soit traitée comme une plainte en vertu des dispositions concernées- est déposée par l’intéressé à titre individuel, mais en étroite relation avec sa qualité de fonctionnaire communautaire. Elle ne concerne que le signataire stafflement, et ne saurait être censée de mettre en cause, sous n’importe quelle forme, le Service Juridique auquel il est affecté."
(13) Zie voetnoot 3.
(14) Zie voetnoot 2.
(15) Vertaling uit de oorspronkelijke Franse versie: "Nous allons proposer à la Commission de classer ce dossier lors de l'une de ses prochaines réunions. Au cas où vous auriez connaissance d’éléments nouveaux susceptibles de démontrer l’existence d’une infraction, nous vous saurions gré de nous les faire connaître au plus tard dans un délai d’un mois suivant l’envoi de la présente."
(16) Zie voetnoot 5.
(17) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Europese Ombudsman over de betrekkingen met de klager in verband met inbreuken op het Gemeenschapsrecht, COM(2002) 141 def., PB 2002, C 244, blz. 5.