Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 2634/2006/ELB tegen het Europees Bureau voor personeelsselectie
Besluiten
Zaak 2634/2006/ELB - Geopend op Dinsdag | 26 september 2006 - Besluit over Vrijdag | 21 september 2007
Straatsburg, 21 september 2007
Geachte heer X,
Op 2 augustus 2006 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) over uw deelname aan algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04.
Op 26 september 2006 heb ik de klacht doorgestuurd naar de directeur van EPSO. EPSO heeft op 17 januari 2007 advies uitgebracht. Ik heb het u toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 30 maart 2007 hebt toegezonden.
Op 25 oktober 2006 heeft u informatie gevraagd over de voortgang van uw klacht.
Op 27 februari 2007 en 4 april 2007 heb ik u informatie gestuurd over de behandeling van uw klacht.
Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.
Het KLACHT
De feiten kunnen volgens klager als volgt worden samengevat:
Klager nam deel aan algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 (Administrators in the field of information technology)(1). Op 9 november 2005 deelde EPSO hem mee dat hij weliswaar de vereiste minimumscores voor de schriftelijke en mondelinge tests had behaald, maar dat zijn score niet tot de 200 beste scores behoorde en dat zijn naam niet op de reservelijst was geplaatst.
Op 21 november 2005 heeft klager EPSO een e-mail gestuurd met het verzoek te bevestigen of een vraag die in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 was gesteld, eerder voor een ander vergelijkend onderzoek was gebruikt. Hij verzocht ook om een kopie van het schriftelijke examen van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 (2), zodat hij zich een oordeel kon vormen over de vraag of algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 oneerlijk was.
Op 27 november 2005 verzocht klager om heroverweging van zijn verzoek. Hij voerde aan dat 25 % van de punten van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 gebaseerd was op een vraag (in schriftelijke toets d)) die in een eerder algemeen vergelijkend onderzoek was gebruikt. Deze vraag is gesteld aan de kandidaten die a) aan het vorige vergelijkend onderzoek hebben deelgenomen; b) heeft deelgenomen aan opleidingssessies voor algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04; en c) werkte bij de Europese instellingen of kende mensen die bij de Europese instellingen werkten. Kennis van deze vraag verschafte deze kandidaten een voordeel, aangezien zij de mogelijkheid hadden om zich op deze vraag voor te bereiden alvorens deel te nemen aan algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04.
Klager werd hiervan op de hoogte gebracht door middel van een internetbericht in april 2005. In zijn verzoek om heroverweging gaf hij aan dat de principes van goede IT-projectplanning vandaag dezelfde zijn als zes jaar geleden. Hij voegde eraan toe dat de doelstellingen van beide tests vergelijkbaar waren. Ten slotte kunnen kandidaten, zelfs als aan het einde van de toets van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 testdocumenten worden verzameld, de vraag "reconstrueren". Als hij vóór de test van de vraag op de hoogte was geweest, voerde hij aan dat hij in schriftelijke test (d) een beter cijfer zou hebben behaald. Hij voerde ook aan dat ongelijke behandeling van kandidaten had kunnen worden voorkomen als EPSO testdocumenten had gepubliceerd. Hij verzocht om opmerkingen over zijn schriftelijke toets en om een nieuw onderzoek van zijn mondelinge toets.
Op 30 november 2005 heeft EPSO geantwoord op de e-mail van klager van 21 november 2005. Zij heeft aangegeven dat, indien de vraag lijkt op een vraag in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127, de onderhavige vraag is aangepast aan de specifieke huidige behoeften, de doelstellingen van de toets verschillend zijn en de gestelde vragen ook verschillend zijn. De technologische en methodologische ontwikkelingen op dit gebied zijn de afgelopen jaren zo omvangrijk geweest dat een identieke vraag aanleiding kan geven tot zeer uiteenlopende antwoorden. EPSO concludeerde dat de jury het niet nodig achtte de geldigheid van de vraag in twijfel te trekken. Wat betreft het verzoek van klager om een kopie van de vraag van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127, betreurde EPSO dat het geen kopieën van eerdere examenstukken ter beschikking van de kandidaten kon stellen.
Op 1 december 2005 heeft klager op de e-mail van EPSO van 30 november 2005 geantwoord dat hij het niet eens was met de uitleg van EPSO. Ten eerste was de formulering van de tests in beide testdocumenten nagenoeg identiek en waren de gebruikte cijfers identiek. Hij merkte op dat twee van de drie vragen in beide testdocumenten identiek waren. Hij voegde eraan toe dat er de afgelopen jaren op dit gebied geen grote vooruitgang is geboekt en dat een in 1999 geldig migratiestrategieplan in 2005 nog steeds geldig zou zijn.
Op 5 december 2005 heeft klager EPSO een brief gestuurd waarin hij zijn grieven uiteenzette.
Op 21 december 2005 beantwoordde EPSO de correspondentie van klager, met name zijn verzoek om zijn resultaten te heroverwegen. Zij heeft klager informatie verstrekt over de wijze waarop de jury de schriftelijke toets heeft gecorrigeerd. De schriftelijke toets van elke kandidaat werd gecorrigeerd met ten minste twee markers op basis van een correctieraster. De beoordelingscriteria werden voorafgaand aan de beoordelingsprocedure door de jury vastgesteld. De jury heeft gecontroleerd of de beoordelingscriteria correct zijn toegepast op de examens van de kandidaten, heeft rekening gehouden met de opmerkingen/opmerkingen van de markeerders en heeft vervolgens de toe te kennen score bepaald. EPSO deelde klager mee dat de jury tijdens het mondeling examen een tweede beraadslaging over zijn prestaties had gehouden en het oorspronkelijke cijfer had bevestigd. EPSO deelde hem ook mee dat de algemene beoordelingscriteria tijdens de mondelinge fase werden vastgesteld voordat de gesprekken begonnen en dat elke kandidaat werd beoordeeld op basis van zijn of haar individuele prestaties en dat er geen vergelijking tussen kandidaten werd gemaakt. Het voegde daaraan toe dat EPSO geen opleidingen voor algemene vergelijkende onderzoeken heeft georganiseerd en geen materiaal voor dergelijke opleidingen heeft verstrekt. EPSO verwees naar bijlage III bij het Statuut betreffende de vertrouwelijkheid van de werkzaamheden van de jury. Zij heeft ook verklaard dat zij haar standpunt over de geldigheid van de vraag van het schriftelijk examen heeft bevestigd.
Op 3 februari 2006 heeft klager overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het besluit van EPSO om zijn naam niet op de reservelijst te plaatsen. In zijn klacht op grond van artikel 90, lid 2, voerde klager aan dat EPSO zijn verzoek om heroverweging onzorgvuldig behandelde. EPSO weigerde de markering van zijn schriftelijk examen te herzien, de vragen te beantwoorden die hij had gesteld over de vraag die in het schriftelijk examen was herhaald en de verklaringen van klager onjuist weer te geven. EPSO heeft zijn verzoek niet heroverwogen en geen met redenen omkleed antwoord gegeven. Hij herhaalde zijn standpunt dat het hergebruik van een eerder gestelde vraag voor sommige kandidaten een aanzienlijk voordeel oplevert.
Op 5 maart 2006 heeft klager EPSO aanvullende informatie verstrekt over zijn klacht op grond van artikel 90, lid 2. Hij verklaarde dat er sprake is van schending van het beginsel van gelijke behandeling van kandidaten wanneer twee categorieën personen in dezelfde situatie verschillend worden behandeld of wanneer twee verschillende categorieën personen op dezelfde manier worden behandeld. In het onderhavige vergelijkend onderzoek heeft EPSO geen rekening gehouden met het feit dat het vergelijkend onderzoek veel gemakkelijker was voor een categorie kandidaten, namelijk degenen die de vraag hadden gekregen voordat het examen plaatsvond, dan voor een andere categorie, namelijk degenen die de vraag niet hadden gekregen voordat het examen plaatsvond.
Op 19 mei 2006 heeft EPSO de klacht op grond van artikel 90, lid 2, als volgt beantwoord:
Gelijke kansen
Overeenkomstig artikel 5 van bijlage III bij het Statuut is de jury verantwoordelijk voor de selectie van kandidaten die op een reservelijst worden geplaatst. Met het oog op de opstelling van de lijst van kandidaten die aan de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde eisen voldoen, stelt de jury de aan de kandidaten voor te leggen vragen vast overeenkomstig de vaste rechtspraak van de communautaire rechterlijke instanties (3). EPSO legde uit dat de jury de vragen naar eigen goeddunken kiest, zodat zij de beste kandidaten kan selecteren die op de reservelijst worden geplaatst (4). Het is dus aan de jury om te beslissen welke vragen aan de kandidaten moeten worden gesteld. Het feit dat een soortgelijke vraag enkele jaren geleden in een vergelijkend onderzoek is gesteld, belet de jury niet om deze vraag in een ander vergelijkend onderzoek te gebruiken. EPSO-tests zijn een beschermd intellectueel eigendom van de Europese Gemeenschappen en kunnen worden herhaald zonder andere beperkingen dan het toepassingsgebied van de aankondiging van vergelijkend onderzoek.
Het beginsel van gelijke behandeling werd door de jury geëerbiedigd, aangezien de tests voor alle kandidaten hetzelfde waren. Het feit dat vragen van eerdere vergelijkende onderzoeken bij sommige kandidaten bekend kunnen zijn, is irrelevant, aangezien het toegestaan is om aan verschillende vergelijkende onderzoeken deel te nemen. Het feit dat sommige kandidaten op de hoogte zijn van de vragen van eerdere vergelijkende onderzoeken kan op zich niet worden beschouwd als een belemmering voor het hergebruik van vragen.
Zelfs als de beschikbaarheid van eerdere tests via internet discriminerend zou zijn, zou dit noch het personeel van de Commissie bevoordelen, noch de kansen van klager beïnvloeden. Volgens EPSO "beweert hij niet, laat staan bewijst hij, dat hij de vorige tests pas heeft behaald na de zittingstest (d)".
Onzorgvuldige afhandeling van eerdere correspondentie
Wat betreft de bewering dat EPSO het verzoek om heroverweging van de kandidaat heeft genegeerd en dat zijn antwoord fouten bevatte, benadrukte EPSO dat de jury voldoende aandacht heeft besteed aan het verzoek van klager. Zij beoordeelde de feiten en bevestigde haar besluit om de naam van klager niet op de reservelijst te plaatsen. De kandidaat is naar behoren geïnformeerd over dit besluit en de motivering ervan. Het aan klager toegezonden antwoord bevat geen inhoudelijke fout en kan geen relevante basis vormen voor de herbeoordeling van zijn verzoek om heroverweging van zijn verzoek. EPSO herinnerde eraan dat, overeenkomstig artikel 6 van bijlage III bij het Statuut, de werkzaamheden van de jury geheim moeten zijn (5). De werkzaamheden van de jury kunnen derhalve niet openbaar worden gemaakt.
Mogelijkheid om opmerkingen te maken over de schriftelijke tests van klager
EPSO verwees naar de rechtspraak van de communautaire rechterlijke instanties over de toetsing door de rechterlijke instanties van de waardeoordelen van de jury (6). Klager beweerde niet dat het besluit van de jury een kennelijke fout bevatte of dat de jury de regels voor haar werkzaamheden had geschonden of de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid kennelijk had overschreden. Daarom is het niet mogelijk om zijn schriftelijke tests op te merken.
Op 2 augustus 2006 heeft klager bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend over zijn uitsluiting van de reservelijst en de wijze waarop EPSO zijn verzoek om informatie, zijn verzoek om heroverweging van zijn verzoek en zijn klacht op grond van artikel 90 heeft behandeld. Na onderzoek van de klacht besloot de Ombudsman een onderzoek in te stellen naar de volgende beschuldigingen en beweringen.
Klager stelt dat:
(1) EPSO heeft het beginsel van gelijke behandeling van kandidaten geschonden voor zover het schriftelijk examen van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 een vraag bevatte die sterk leek op een vraag die aan de kandidaten van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 was gesteld.
Een vraag die 50 % van het cijfer in het schriftelijke examen vertegenwoordigde, werd ook gebruikt in de meest recente voorafgaande algemene vergelijkende onderzoeken voor dezelfde functie. Klager voerde aan dat kandidaten die de vraag vóór de toets hadden gekregen gemiddeld vijf extra punten scoorden en dat hij negen extra punten zou hebben behaald als hij de vraag vóór de toets had gekregen. De toegang tot de vorige testdocumenten was niet voor alle kandidaten gelijkelijk beschikbaar, aangezien eerdere documenten niet door de EU-instellingen werden gepubliceerd. Het vergelijkend onderzoek was dus gemakkelijker voor kandidaten die aan eerdere vergelijkende onderzoeken hadden deelgenomen en voor kandidaten die niet-officiële banden hadden met EU-ambtenaren die hun de documenten hadden verstrekt. Volgens klager werden kandidaten daarom verschillend behandeld.
Klager voerde met name aan dat:
(A) EPSO heeft valse verklaringen afgelegd over de mate van overeenstemming van de twee testdocumenten;
(B) De jury heeft nagelaten de door klager in zijn verzoek om heroverweging aangevoerde argumenten met betrekking tot de kwestie van de soortgelijke vraag naar behoren te beoordelen en een met redenen omkleed antwoord te geven;
(C) EPSO heeft een valse verklaring afgelegd dat klager niet beweert of bewijst dat hij de vorige examens pas heeft behaald na het afleggen van het schriftelijke examen.
(2) EPSO heeft schriftelijk een valse verklaring afgelegd dat het testdocument was verzameld aan het einde van het schriftelijk examen van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127.
In tegenstelling tot wat EPSO in een brief aan een andere kandidaat heeft verklaard, zijn er aan het einde van het vorige vergelijkend onderzoek geen examendocumenten verzameld, zoals het Europees Parlement in een brief aan klager van 30 juni 2006 heeft verklaard. Het Parlement voegde er in zijn brief aan toe dat de kandidaten de examens mochten houden "zodat zij vervolgens konden nagaan of zij de vragen correct hadden beantwoord". Volgens de klager was het grove nalatigheid om vragen uit deze test opnieuw te gebruiken.
(3) De jury heeft het verzoek van klager om heroverweging niet naar behoren behandeld voor zover zij niet specifiek inging op zijn verzoek om herbeoordeling van zijn prestaties in het schriftelijke examen.
(4) Klager voerde aan dat zijn verzoek om heroverweging opnieuw moest worden beoordeeld, dat zijn cijfer voor de schriftelijke toets moest worden aangepast en dat zijn naam op de reservelijst moest worden geplaatst.
In zijn klacht bij de Ombudsman diende klager aanvullende aantijgingen en beweringen in. De Ombudsman besloot echter geen onderzoek in te stellen naar deze andere aantijgingen en vorderingen, hetzij omdat er geen voorafgaande administratieve stappen leken te zijn ondernomen, hetzij omdat er onvoldoende redenen waren om een onderzoek in te stellen.
Het onderzoek
Het advies van EPSOHet advies van EPSO kan als volgt worden samengevat:
1. De feitenKlager heeft een aanvraag ingediend voor algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 . Op 29 oktober 2004 heeft hij voorselectietests (tests a), b) en c)) en schriftelijke tests (test d)) afgelegd. De schriftelijke test omvatte een essay dat was ontworpen om de kennis van de kandidaten te testen op het gebied waarvoor het vergelijkend onderzoek werd gehouden. Kandidaten moesten schrijven over twee van de voorgestelde vragen die betrekking hadden op de vereiste taken. Elke vraag werd gemarkeerd op een schaal variërend van 0 tot 30 en met een pass mark van 15.
Gezien de punten die hij in de voorselectietests had behaald, werd klager verzocht een volledige aanvraag in te dienen met het oog op een eventuele toelating tot het vergelijkend onderzoek. Na onderzoek van zijn sollicitatie stelde de jury vast dat klager aan alle toelatingsvoorwaarden voldeed en corrigeerde hij zijn schriftelijke toets.
Gezien zijn resultaten werd klager uitgenodigd voor de mondelinge toets, d.w.z. toets e). Het mondeling examen had tot doel de geschiktheid van de kandidaten voor de uitoefening van de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek beschreven taken te beoordelen. Het gesprek was met name gericht op specialistische kennis op het betrokken gebied en kennis van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van de Europese integratie en het communautaire beleid. Ook de kennis van een tweede taal werd getest. Het interview was ook bedoeld om het vermogen van kandidaten om zich aan te passen aan het werken als Europees ambtenaar in een multiculturele omgeving te evalueren. Deze test werd gemarkeerd op een schaal variërend van 0 tot 60 en met een pass mark van 30. Om op de reservelijst te worden geplaatst, moesten de kandidaten zowel voor de tests d) als e) het vereiste minimumaantal punten behalen en behoorden zij tot de 200 kandidaten die voor deze tests in hun geheel het hoogste aantal punten behaalden.
Het cijfer van klager voor het mondeling examen lag boven het vereiste minimum. Het totaal aantal punten dat hij behaalde was echter niet voldoende om hem bij de 200 beste kandidaten te plaatsen. Klager werd hiervan bij brief van 9 november 2005 in kennis gesteld. De brief informeerde hem ook over de resultaten die hij bij de verschillende tests had behaald.
Er volgde een briefwisseling tussen de kandidaat en EPSO over schriftelijk examen d) en met name over een van de vragen van dit examen, die volgens hem vergelijkbaar was met een vraag in een eerder algemeen vergelijkend onderzoek (EUR/A/127).
Bij brief van 3 februari 2006 heeft klager op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het besluit van de jury om zijn naam niet op de reservelijst van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 te plaatsen.
Op 22 mei 2006 werd klager ervan in kennis gesteld dat zijn klacht ongerechtvaardigd was bevonden.
2. OpmerkingenDe gestelde gelijkenis van de vragen
Met betrekking tot algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 wees EPSO erop dat het een algemeen vergelijkend onderzoek betreft dat tot doel heeft een reservepool van administrateurs op het gebied van informatietechnologie en telecommunicatie te vormen. De wedstrijd werd in 1998 georganiseerd door het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie. Het Parlement was door de twee andere instellingen belast met het beheer van de procedure. Een van de examens van het vergelijkend onderzoek was een essay over een onderwerp dat door de kandidaten was geselecteerd uit een aantal vragen op de gebieden waarop de aankondiging van vergelijkend onderzoek betrekking had. Het was ontworpen om het niveau van kennis, schrijfvaardigheid en redeneervermogen van de kandidaten te beoordelen (schriftelijke toets (c)).
Algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 had tot doel een reservepool te vormen voor de aanwerving van administrateurs op het gebied van informatietechnologie. Het omvatte schriftelijk examen d), een schriftelijk examen ter beoordeling van de kennis van de kandidaten op het gebied waarvoor het vergelijkend onderzoek werd gehouden. Kandidaten moesten twee vragen beantwoorden die waren geselecteerd uit een aantal vragen in de functieomschrijving. Klager beantwoordde de vragen 1 (Migratie van het project voor het besturingssysteem) en 3 (Evaluatie van de inschrijvingen).
Wat de inhoud van de examens betreft, heeft EPSO er in het algemeen op gewezen dat volgens vaste rechtspraak:
"Aan de jury's moet een ruime beoordelingsbevoegdheid worden toegekend met betrekking tot de modaliteiten en de gedetailleerde inhoud van de examens van een vergelijkend onderzoek. De rechter kan de wijze van uitvoering van een door een jury vastgesteld examen slechts toetsen voor zover dit noodzakelijk is om een gelijke behandeling van de kandidaten en een objectieve keuze van de jury te waarborgen. Het staat evenmin aan het Hof om de gedetailleerde inhoud van een examen te bekritiseren, tenzij die inhoud niet binnen de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde grenzen valt of niet overeenstemt met de doelstellingen van het examen of van het vergelijkend onderzoek.
De jury voor algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 heeft de teksten van de verschillende vragen voor schriftelijk examen d) van dit vergelijkend onderzoek opgesteld, met inbegrip van vraag 1 die door klager wordt aangevochten. Vraag 1 van de schriftelijke toets had als titel "Migratie van het besturingssysteemproject". Na een vergelijking tussen deze toets en die van een eerder vergelijkend onderzoek dat door klager zelf was verstrekt, merkte EPSO op dat de formulering van de vraag weliswaar vergelijkbaar leek, maar dat de voorwaarden van de toets werden aangepast en bijgewerkt om rekening te houden met de specifieke behoeften van het vergelijkend onderzoek en dat de gestelde vragen niet noodzakelijkerwijs identiek waren, met name wat de risicobeoordelingsstudie betreft.
Het feit dat een van de vragen van het vergelijkend onderzoek vergelijkbaar was met die van een vorig vergelijkend onderzoek, dat zes jaar eerder werd gehouden, vormde geen schending van het beginsel van gelijke behandeling van kandidaten, zoals klager beweerde, aangezien de omstandigheden zelf zeer verschillend waren.
EPSO wees er namelijk op dat, gezien de bijzonder belangrijke technologische ontwikkelingen op het gebied van informatietechnologie in de afgelopen jaren, een identieke vraag tot zeer verschillende antwoorden zou kunnen leiden. Voorts stelt EPSO dat een antwoord dat volledig geschikt wordt geacht voor een vergelijkend onderzoek dat in 1998 van start is gegaan, heel goed niet als zodanig kan worden beschouwd voor een vergelijkend onderzoek dat op een later tijdstip van start is gegaan.
Derhalve kan niet worden gesteld dat de jury geen gelijke behandeling heeft gewaarborgd enkel en alleen omdat een van de vragen van het schriftelijke examen in zekere zin vergelijkbaar was met een vraag die op een ander tijdstip aan kandidaten werd voorgelegd.
Schriftelijke toets van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127Klager beweert dat EPSO valse verklaringen heeft afgelegd toen het uitlegde dat de examenstukken voor algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 aan het einde van het schriftelijke examen waren verzameld.
Op dit punt merkte EPSO op dat de bij de klacht van klager gevoegde brief door EPSO was opgesteld met inachtneming van de informatie die was verstrekt door een lid van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04, dat ook lid was geweest van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127. Volgens dit lid van de jury hebben de teams van invigilators voor algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 na elke toets het in de toets gebruikte vragenboekje, het voor de antwoorden gebruikte papier en het voor de voorbereidende werkzaamheden bestemde papier verzameld. EPSO heeft geen valse verklaringen afgelegd over de organisatie van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127, aangezien de bij het opstellen van het antwoord beschikbare informatie was verstrekt door een persoon die daadwerkelijk aan de organisatie van het vergelijkend onderzoek had deelgenomen en die op de dag van de examens in een van de examencentra aanwezig was geweest. Na ontvangst van deze klacht heeft EPSO het Parlement echter geraadpleegd en het lijkt erop dat de praktijken ten tijde van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 soms van het ene examencentrum tot het andere verschilden. EPSO kon dit misverstand alleen maar betreuren, dat echter geen invloed had op de manier waarop deze zaak werd behandeld.
Verzoek van de kandidaat om heroverwegingHet verzoek om heroverweging van de kandidaat en alle correspondentie die de kandidaat aan EPSO heeft toegeschreven, zijn door de jury zorgvuldig onderzocht. Nadat de jury alle door klager ingediende punten had onderzocht, kwam zij tot haar besluit. Zij was van mening dat er om de hierboven uiteengezette redenen geen twijfel bestond over de geldigheid van vraag 1 van schriftelijk examen d). De jury was van oordeel dat er geen reden was om het examen van klager opnieuw te beoordelen, waarbij hij, zoals gezegd, een cijfer boven het vereiste minimum behaalde, waardoor hij aan het mondeling examen kon deelnemen.
Opmerkingen van klagerDe opmerkingen van klager kunnen als volgt worden samengevat:
(1) Bewering dat EPSO het beginsel van gelijke behandeling van kandidaten heeft geschonden doordat het schriftelijke examen van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 een vraag bevatte die sterk leek op een vraag aan de kandidaten van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127Volgens klager had het waarborgen van gelijke kansen voor alle kandidaten, zoals vermeld in de aankondiging van vergelijkend onderzoek, heel gemakkelijk kunnen gebeuren door eerdere examenstukken te publiceren en/of door herhaling van een vraag te voorkomen.
Klager was van mening dat het beginsel van gelijke kansen voor het eerst werd geschonden toen EPSO er niet in slaagde een vergelijkend onderzoek met nagenoeg dezelfde moeilijkheidsgraad voor alle kandidaten te organiseren (8). Geen van de door EPSO aangehaalde zaken van het Hof van Justitie doet afbreuk aan deze verplichting. In het bijzonder ontslaan de ruime beoordelingsbevoegdheid en de beoordelingsbevoegdheid van de jury haar niet van de verplichting om het gelijkheidsbeginsel in acht te nemen.
Volgens klager werd het gelijkheidsbeginsel een tweede keer geschonden toen de jury weigerde de beoordeling van zijn schriftelijk examen te herzien, hoewel het volgens dezelfde normen was gemarkeerd als voor de kandidaten die vooraf toegang hadden tot een vraag. Het op dezelfde manier behandelen van verschillende situaties is volgens het EU-recht een schending van gelijke kansen.
Klager was van mening dat de onregelmatigheid die zich heeft voorgedaan, namelijk het niet verstrekken van een test met dezelfde moeilijkheidsgraad voor alle kandidaten, materieel van aard was en de resultaten van het vergelijkend onderzoek kon verstoren. Hij vestigde de aandacht van de Ombudsman op punt 79 van zaak T-371/03, Le Voici/Raad (9), waarin staat dat indien een onregelmatigheid van materiële aard is en de resultaten van de tests kan vertekenen, het aan de verwerende instelling is om aan te tonen dat de onregelmatigheid de resultaten van de tests niet heeft beïnvloed. EPSO heeft echter niet aangetoond dat de herhaalde vraag geen invloed heeft gehad op de resultaten van het vergelijkend onderzoek.
EPSO herformuleerde ook de argumenten van klager met betrekking tot het feit dat de vraag voor sommige kandidaten gemakkelijker zou zijn geweest. Zij heeft niet vermeld dat de toets volgens klager gemakkelijker zou zijn voor de kandidaten die het vorige toetspapier op niet-officiële wijze via contacten hebben verkregen, met inbegrip van de kandidaten die het tijdens een opleiding hebben verkregen. Het voorafgaande bezit van deze vraag en de daaruit voortvloeiende mogelijkheid om deze vóór de toets te bestuderen, zouden bepaalde kandidaten in staat stellen om tijd te besparen bij de keuze van de te beantwoorden vraag, zouden hen in staat stellen om deze vraag sneller te beantwoorden en zouden hen extra tijd geven om de tweede vraag van de toets te beantwoorden. Zo hebben zij ook hun prestaties met betrekking tot de tweede vraag verbeterd.
Klager merkte op dat EPSO de verklaring negeerde dat de formulering van een vraag bijna identiek was en dat de gebruikte cijfers in beide testdocumenten identiek waren. Hij verzocht de Ombudsman de twee vragen te onderzoeken en zich een eigen onpartijdig oordeel te vormen over de mate van overeenstemming.
Klager verklaarde ook dat de formulering die EPSO gebruikte in zijn correspondentie met klager niet overeenkwam met de formulering die hijzelf gebruikte in zijn correspondentie met EPSO. Volgens klager houdt dit in dat EPSO zijn standpunt in zijn correspondentie vaak onjuist heeft weergegeven en zijn argumenten niet adequaat heeft beoordeeld en met redenen omkleed heeft beantwoord. Het is mogelijk dat EPSO ook het standpunt van de jury verkeerd heeft voorgesteld. Klager weet niet of wat EPSO zegt inderdaad het standpunt van de jury vertegenwoordigt. In dit verband maken de regels inzake geheimhouding en discretie, waarop EPSO zich vaak beroept, het voor een kandidaat zeer moeilijk om te weten te komen of wat EPSO zegt het standpunt van de jury vertegenwoordigt. Het is zeker niet gepast dat een kandidaat zich tot de jury wendt. De Ombudsman zal zelf kunnen beslissen of het passend voor hem zou zijn om een manier te vinden om zich tot de jury te richten zonder EPSO te raadplegen om na te gaan of het de twee examenstukken daadwerkelijk heeft onderzocht en of het in feite van mening is dat ze "slechts ogenschijnlijk vergelijkbaar"zijn. Dit zou niet noodzakelijkerwijs een schending van de geheimhoudingsplicht of van zijn discretionaire bevoegdheid zijn, maar een manier om uit te vinden of EPSO zijn standpunt onjuist heeft weergegeven.
Klager merkt op dat het enige met redenen omklede argument dat klager van de jury ontving met betrekking tot de kwestie van de soortgelijke vraag een "standaard" antwoord was. Ter ondersteuning van deze verklaring merkt klager op dat EPSO zeven maanden (april 2005) vóór het verzoek van klager dezelfde verklaringen als antwoord aan een andere kandidaat heeft toegezonden.
Klager wees er ook op dat EPSO de formulering van wat de Ombudsman aan EPSO heeft geschreven zodanig heeft geherformuleerd dat zijn verklaring onjuist en onwaar zou lijken, door "een valse verklaring" te vervangen door "valse verklaringen"(10). Deze wijziging herformuleerde de aantijging tegen EPSO op een manier die het onlogisch en onwaar maakt.
(2) De bewering van klager dat EPSO schriftelijk een valse verklaring heeft afgelegd dat het testdocument was verzameld aan het einde van het schriftelijke examen in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127Geconfronteerd met een brief van het Parlement die categorisch in tegenspraak was met wat, voor zover klager weet, de eerste verklaring van de jury en EPSO over de herhaalde vraag was, verklaarde EPSO in zijn advies aan de Ombudsman dat er sprake was van een misverstand en betreurde het het optreden ervan.
Klager verklaarde dat wat er gebeurde eerder een vergissing dan een misverstand was. Hij was het er niet mee eens dat deze fout irrelevant was voor zijn zaak. De beslissing om de vraag opnieuw te stellen was verbazingwekkend. Noch EPSO, noch de jury heeft verklaard dat deze fout of dit misverstand geen invloed heeft gehad op hun besluit om het opnieuw te gebruiken. Wat zeker is, is dat EPSO nu verplicht is toe te geven dat deze verklaring van EPSO en de jury niet correct waren. Zij hebben toegegeven dat er een fout is gemaakt met betrekking tot de herhaalde vraag en algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04, en volgens EPSO moest deze fout worden toegeschreven aan de betrokken jury.
(3) De bewering van klager dat de jury zijn verzoek om heroverweging niet naar behoren heeft behandeld omdat zij niet specifiek inging op zijn verzoek om herbeoordeling van zijn prestaties in het schriftelijke examenAnders dan EPSO in haar advies stelt, was het cijfer van het schriftelijk examen niet alleen voldoende om klager tot het mondeling examen toe te laten, maar telde het ook 50 % van de punten bij de definitieve selectie van kandidaten na het mondeling examen. Als hij in de schriftelijke toets 1,5 punten extra had behaald, zou hij op de reservelijst hebben gestaan. Klager was derhalve van mening dat de verklaring van EPSO dat er geen reden was om de schriftelijke toets waarin hij het pasje had verkregen, opnieuw te beoordelen, misleidend was.
(4) Klager stelt dat zijn verzoek om heroverweging opnieuw moet worden beoordeeld, dat zijn cijfer voor het schriftelijke examen moet worden aangepast en dat zijn naam op de reservelijst moet worden geplaatst.Volgens klager heeft EPSO dit punt in zijn advies niet specifiek behandeld. De reservelijst van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 is nog steeds geldig. Veel mensen op de lijst zijn nog niet aangeworven en de aanwerving op deze lijst kan enkele jaren duren, aangezien het waarschijnlijk is dat de reservelijst in de nabije toekomst geldig zal blijven. Klager ziet geen reden waarom de jury niet opnieuw zou moeten vergaderen, zou moeten worden verzocht hun wettelijke verplichting na te komen om elke kandidaat gelijke kansen te bieden, en zijn toets d) opnieuw te beoordelen, rekening houdend met de impact van de herhaalde vraag op zijn punten en op de punten van de andere kandidaten.
Tot slot wees klager erop dat EPSO in het recente verleden met betrekking tot algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 heeft aangetoond dat het weigerde toe te geven dat er tijdens een test iets mis was gegaan, terwijl er duidelijk sprake was van een dergelijke inconsistentie. In klacht 32/2005/ELB moest de Ombudsman zijn spijt uitspreken over het feit dat EPSO heeft geweigerd de inconsistentie te erkennen die zich heeft voorgedaan, aangezien het nalaten daarvan niet bevorderlijk was voor goede betrekkingen met burgers. Volgens klager is het zeer lage integriteitsniveau van EPSO een schande voor de EU-instellingen. Uit zijn opmerking blijkt dat EPSO in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 , al heeft geweigerd te erkennen wat in feite een inconsistentie was. De onregelmatigheid in de zaak van klager, die EPSO ontkent, is veel ernstiger.
Klager herhaalde dat hij het betreurde dat de Ombudsman er niet mee instemde alle beschuldigingen over EPSO in zijn klacht te onderzoeken, en verzocht hem nogmaals zijn besluit in dit verband te heroverwegen. Klager was van mening dat hij met zijn advies het zeer dubieuze gedrag van EPSO aan het licht had gebracht door er zoveel mogelijk over te publiceren op de website van de Ombudsman. Hij was dan ook van mening dat dit ertoe zou bijdragen dat EPSO voortaan verplicht wordt de waarheid te vertellen, te goeder trouw te handelen en de EU-wetgeving die op zijn activiteiten van toepassing is, te eerbiedigen. Hij begreep niet waarom de EU-instellingen toestaan dat hun vergelijkende onderzoeken worden georganiseerd door een orgaan dat een dergelijk gebrek aan integriteit heeft aangetoond.
BESLUIT
1 Inleidende opmerkingen1.1 In een brief aan de Europese Ombudsman van 25 oktober 2006 heeft klager de Ombudsman verzocht zijn besluit betreffende de niet-ontvankelijkheid van bepaalde beweringen en vorderingen die in zijn klacht waren uiteengezet, te heroverwegen. Op 27 februari 2007, toen hij klager uitnodigde opmerkingen te maken over het advies van het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) ,, deelde de Ombudsman klager mee dat hij zijn eerdere besluit met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van sommige van zijn beweringen en vorderingen handhaafde. In zijn opmerkingen herhaalt klager hetzelfde verzoek. De Ombudsman bevestigt dat er geen overtuigende argumenten zijn aangevoerd die hem ertoe zouden brengen zijn besluit betreffende de niet-ontvankelijkheid van bepaalde beweringen en vorderingen die in deze klacht waren uiteengezet, te wijzigen. De Ombudsman bevestigt derhalve dat de reikwijdte van dit onderzoek beperkt is tot de beweringen en beweringen die in dit besluit worden genoemd.
1.2 In zijn opmerkingen verklaarde klager ook dat de Ombudsman moest beslissen of het passend zou zijn dat de Ombudsman een manier zou vinden om zich tot de jury te richten zonder via EPSO te gaan. De Ombudsman begrijpt dat klager wil dat hij rechtstreeks contact opneemt met de jury in verband met zijn zaak.
De Ombudsman herinnert eraan dat EPSO is belast met de specifieke taak van communicatie tussen de jury's en de kandidaten. Het is derhalve passend dat EPSO de kandidaat in kennis stelt van de adviezen van de jury.
Aangezien de onderhavige klacht bovendien tegen EPSO is gericht, is het passend dat EPSO de Ombudsman antwoordt (11).
In dit verband merkt de Ombudsman op dat het overeenkomstig artikel 5, lid 2, van het besluit van de Ombudsman om uitvoeringsbepalingen vast te stellen, mogelijk is dat de Ombudsman EPSO verzoekt hem toegang te verlenen tot zijn correspondentie met de jury om te bepalen of hij in zijn correspondentie met de klager de standpunten van de jury correct heeft weergegeven. In het licht van de hieronder uiteengezette inhoudelijke bevindingen acht de Ombudsman het echter niet nuttig om in dit geval een dergelijke inspectie uit te voeren.
2 Schending van het beginsel van gelijke behandeling2.1 Klager nam deel aan algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04. Zijn naam stond echter niet op de reservelijst, omdat hij niet tot de 200 beste kandidaten behoorde. Hij stelt dat EPSO het beginsel van gelijke behandeling van kandidaten heeft geschonden, aangezien het schriftelijke examen van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 een vraag bevatte die sterk leek op een vraag aan kandidaten van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127, dat wil zeggen het meest recente interinstitutionele algemeen vergelijkend onderzoek dat voor hetzelfde profiel werd georganiseerd. Hij voerde aan dat het vorige testdocument niet voor alle kandidaten in gelijke mate beschikbaar was, aangezien de vorige testdocumenten niet door de EU-instellingen werden gepubliceerd. Deze beperkte toegang maakte algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 gemakkelijker voor kandidaten die aan eerdere vergelijkende onderzoeken hadden deelgenomen en voor kandidaten die niet-officiële banden hadden met EU-ambtenaren en die hun het testdocument hadden verstrekt. Klager voerde aan dat kandidaten die de vraag hadden gekregen voordat de tests plaatsvonden, gemiddeld vijf extra punten scoorden. Hij beweerde ook dat hij negen extra punten zou hebben gescoord als hij de vraag van tevoren had gekregen.
Klager voerde met name aan dat:
(A) EPSO heeft valse verklaringen afgelegd over de mate van overeenstemming van de twee testdocumenten.
(B) De jury heeft nagelaten de argumenten die klager in zijn verzoek om heroverweging met betrekking tot de kwestie van de soortgelijke vraag had aangevoerd, naar behoren te beoordelen en een met redenen omkleed antwoord te geven.
(C) EPSO heeft een valse verklaring afgelegd dat klager niet heeft beweerd of bewezen dat hij de vorige examens pas heeft behaald nadat hij de schriftelijke examens had afgelegd.
2.2 In zijn advies wees EPSO erop dat algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 een algemeen vergelijkend onderzoek is, dat in 1998 werd georganiseerd door het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie en dat tot doel had een reservepool van administrateurs op het gebied van informatietechnologie en telecommunicatie te vormen. Het Parlement werd door de twee andere instellingen belast met het beheer van de mededingingsprocedure. Een van de examens van het vergelijkend onderzoek was een essay over een onderwerp dat door de kandidaten was geselecteerd uit een aantal vragen op de gebieden waarop de aankondiging van vergelijkend onderzoek betrekking had, en was bedoeld om hun kennisniveau, schrijfvaardigheid en redeneervermogen te beoordelen (schriftelijke toets c)).
Algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04, gericht op de vorming van een reservepool voor de aanwerving van administrateurs op het gebied van informatietechnologie. Het omvatte schriftelijk examen d), dat tot doel had de kennis van de kandidaten op het gebied waarvoor het vergelijkend onderzoek werd gehouden, te beoordelen. Kandidaten moesten twee vragen beantwoorden die waren geselecteerd uit een aantal vragen op de gebieden die onder de functieomschrijving vallen. Klager beantwoordde de vragen 1 (Migratie van het project voor het besturingssysteem) en 3 (Evaluatie van de inschrijvingen).
De jury voor algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 heeft de teksten van de verschillende vragen voor schriftelijk examen d) van dit vergelijkend onderzoek opgesteld, met inbegrip van vraag 1 van dat examen. Na een vergelijking tussen deze toets en de vraag in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 (de kopie van de vraag in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 werd door klager aan EPSO verstrekt), merkte EPSO op dat de formulering van de vragen weliswaar vergelijkbaar leek, maar dat de voorwaarden van de toets in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 werden aangepast en bijgewerkt om rekening te houden met de specifieke behoeften van het vergelijkend onderzoek en dat de gestelde vragen niet noodzakelijk identiek waren, met name wat de risicobeoordelingsstudie betreft.
Het feit dat een van de vragen van het vergelijkend onderzoek vergelijkbaar was met die van een vorig vergelijkend onderzoek, dat zes jaar eerder werd gehouden, vormde geen schending van het beginsel van gelijke behandeling van kandidaten, zoals klager beweerde, aangezien de omstandigheden zelf zeer verschillend waren.
EPSO wees er namelijk op dat, gezien de bijzonder belangrijke technologische ontwikkelingen op het gebied van informatietechnologie in de afgelopen jaren, een identieke vraag tot zeer verschillende antwoorden zou kunnen leiden. Voorts heeft EPSO verklaard dat een antwoord dat volledig geschikt wordt geacht voor een vergelijkend onderzoek dat in 1998 van start is gegaan, heel goed niet als zodanig kan worden beschouwd voor een vergelijkend onderzoek dat op een later tijdstip van start is gegaan.
EPSO legt uit dat het verzoek van de kandidaat om heroverweging en alle correspondentie die de kandidaat aan EPSO heeft meegedeeld, zorgvuldig door de jury zijn onderzocht. Nadat de jury alle door klager ingediende punten had onderzocht, kwam zij tot haar besluit. Zij was van mening dat er geen twijfel bestond over de geldigheid van vraag 1 van schriftelijk examen d).
2.3 Klager was in zijn opmerkingen van mening dat de onregelmatigheid die zich heeft voorgedaan, namelijk het niet verstrekken van een test met dezelfde moeilijkheidsgraad voor alle kandidaten, materieel van aard was en de resultaten van het vergelijkend onderzoek kon verstoren. Hij vestigde de aandacht van de Ombudsman op punt 79 van zaak T-371/03, Le Voici/Raad , waarin staat dat indien een onregelmatigheid van materiële aard is en de resultaten van de tests kan verstoren, het aan de verwerende instelling is om aan te tonen dat de onregelmatigheid de resultaten van de tests niet heeft beïnvloed. De onregelmatigheid die zich in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 heeft voorgedaan, was materieel van aard en kon de resultaten van de examens verstoren, maar EPSO heeft niet aangetoond dat de herhaalde vraag geen invloed had op de resultaten van het vergelijkend onderzoek.
2.4 Ten eerste herinnert de Ombudsman eraan dat volgens de rechtspraak het beginsel van gelijke behandeling van kandidaten in mededingingsprocedures wordt beschouwd als een fundamenteel beginsel van het Gemeenschapsrecht (12).
Bovendien hebben de communautaire rechterlijke instanties verklaard dat het beginsel van gelijke behandeling in het kader van algemene vergelijkende onderzoeken van zeer groot belang is en dat het aan de jury staat om ervoor te zorgen dat de examens voor alle kandidaten min of meer dezelfde moeilijkheidsgraad hebben(13).
2.5 De Ombudsman merkt ook op dat het loutere feit dat vragen met betrekking tot bepaalde primaire taken op een bepaald gebied in eerdere algemene vergelijkende onderzoeken zijn gebruikt, op zich niet betekent dat vragen met betrekking tot dezelfde primaire taken niet kunnen worden herhaald in latere algemene vergelijkende onderzoeken op dat gebied. Een andere beoordeling zou impliceren dat kandidaten voor latere algemene vergelijkende onderzoeken niet konden worden beoordeeld op hun bekwaamheid om deze primaire taken uit te voeren.
2.6 De Ombudsman merkt op dat de relevante vraag (vraag I) in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 en de relevante vraag (vraag 1) in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 uit drie delen bestaan: een korte inleiding, een beschrijving van de huidige situatie en de uit te voeren taak.
De bewoordingen van de korte inleiding en van de beschrijving van de bestaande situatie zijn in beide vragen in wezen identiek (14).
Voor beide competities was het de taak om een "migratieplan" op te stellen. Dit migratieplan bestond uit twee delen van Concurrentie EUR/A/127, namelijk een "migratiestrategieplan"(15) en een briefing aan het topmanagement. In vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 bestond het echter uit drie delen, namelijk een "risicobeoordelingsstudie", een "migratiestrategieplan" en een briefing aan het topmanagement.
2.7 De formulering van een van de drie onderdelen van vraag 1 van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 (betreffende het migratiestrategieplan) is in wezen identiek aan de formulering van een van de twee onderdelen van vraag I van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127.
De Ombudsman merkt op dat de migratie van een besturingssysteem een primaire taak is voor beheerders op het gebied van informatietechnologie. Als zodanig mocht EPSO kandidaten terecht een vraag over dit onderwerp stellen.
Niettegenstaande het bovenstaande moet het feit dat een vraag over een migratiestrategieplan zou kunnen worden opgenomen in algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04, gezien het belang van de migratie van een besturingssysteem voor administrateurs op het gebied van informatietechnologie, redelijkerwijs zijn voorzien door alle kandidaten die de nodige zorgvuldigheid betrachten. Het feit dat een dergelijke vraag in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 is gesteld, kan dus geen relevant voordeel hebben opgeleverd voor bepaalde kandidaten van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04.
2.8 Het deel van de vraag van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04, dat niet is opgenomen in de vraag van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127, betreft een "risicobeoordelingsstudie". De Ombudsman is van mening dat een "risicobeoordelingsstudie" een ingewikkelde taak op het gebied van informatietechnologie vormt. De Ombudsman begrijpt ook dat de risicobeoordeling voor beheerders op het gebied van informatietechnologie de afgelopen jaren steeds belangrijker is geworden. De opneming van een dergelijk onderdeel impliceert dat de in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 gestelde vraag in feite verschilt van de in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 gestelde vraag.
2.9 De Ombudsman merkt ook op dat in het laatste deel van beide vragen de kandidaten in wezen worden verzocht het topmanagement te informeren over het "probleem" en de oplossing voor het "probleem". Als zodanig moet het antwoord op dit punt, wat algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 betreft, noodzakelijkerwijs gericht zijn op het migratiestrategieplan. Wat daarentegen algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 betreft, moet het antwoord op dit punt noodzakelijkerwijs gericht zijn op het migratiestrategieplan en de risicobeoordeling. Hoewel de bewoordingen van het laatste deel van beide vragen in wezen identiek zijn, is de betekenis van het laatste deel van beide vragen dus wezenlijk verschillend.
2.10 De Ombudsman merkt ook op dat de in beide vragen gebruikte gegevens in wezen identiek zijn. De Ombudsman gaat er echter van uit dat deze gegevens slechts achtergrondinformatie vormen en dat eventuele wijzigingen in deze gegevens geen wezenlijk verschil zouden hebben gemaakt voor de aard of de moeilijkheidsgraad van de vragen.
2.11 De Ombudsman concludeert derhalve dat de in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 gestelde vraag inhoudelijk niet identiek is aan de in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 gestelde vraag.
2.12 In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman van mening dat niet is aangetoond dat het beginsel van gelijke behandeling van kandidaten voor algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 is geschonden.
Zelfs indien de vragen identiek waren geweest, is de Ombudsman van mening dat er als zodanig geen sprake zou zijn geweest van een onregelmatigheid. Integendeel, hij merkt op dat het niet ongebruikelijk is dat dezelfde vraag in verschillende vergelijkende onderzoeken wordt hergebruikt.
2.13 Ter ondersteuning van zijn bewering dat het beginsel van gelijke behandeling van kandidaten is geschonden, voerde klager aan dat EPSO valse verklaringen heeft afgelegd over de mate van overeenstemming tussen de twee examenstukken. Gezien zijn bevinding in punt 2.11 is de Ombudsman van mening dat geen verder onderzoek naar het argument van klager gerechtvaardigd is.
2.14 Tot staving van zijn bewering inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling van kandidaten voerde klager ook aan dat de jury de argumenten die hij in zijn verzoek om heroverweging met betrekking tot de kwestie van de soortgelijke vraag had aangevoerd, niet naar behoren had beoordeeld en niet met redenen omkleed had beantwoord.
In zijn e-mail van 30 november 2005 heeft EPSO het volgende verklaard: "(...) de gestelde vragen verschilden ook, met name wat betreft de uitvoering van een risicoanalyse. (...) In het licht van het bovenstaande acht de jury het niet nodig de geldigheid van de vraag in twijfel te trekken." Na een zorgvuldig onderzoek van de verzoeken van klager en de antwoorden van EPSO, en gezien zijn bevindingen in paragraaf 2.11, is de Ombudsman van mening dat EPSO de belangrijkste kwestie van het verzoek om heroverweging heeft behandeld en overtuigende argumenten heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn standpunt. De Ombudsman concludeert derhalve dat het antwoord van EPSO aan klager toereikend was.
2.15 In zijn opmerkingen voert klager ook aan dat het enige met redenen omklede antwoord dat hij van EPSO kreeg, een standaardantwoord was dat zeven maanden eerder al aan een andere kandidaat was toegezonden. De Ombudsman is van mening dat, zelfs indien EPSO dezelfde verklaringen zou hebben gebruikt als in een antwoord aan een andere kandidaat, dit niets verandert aan de inhoudelijke beoordeling van het antwoord van EPSO (namelijk dat de vragen in beide examens niet identiek waren).
2.16 In zijn klacht verwees klager ook naar het feit dat EPSO heeft verklaard dat klager niet heeft bewezen dat hij het testdocument pas van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 heeft verkregen nadat hij de schriftelijke toets van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 (16) had afgelegd.
De Ombudsman merkt op dat EPSO geen bewijs heeft geleverd dat de klager het testdocument in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 heeft verkregen voordat hij de test in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 heeft afgelegd. De hierboven aangehaalde verklaring is dus louter speculatie van EPSO. Als zodanig had het niet gemaakt moeten worden.
Niettegenstaande de ongepaste verklaring van EPSO merkt de Ombudsman ook op dat de vraag of EPSO een valse verklaring heeft afgelegd over de datum waarop klager de vorige toetsen heeft behaald, geen invloed heeft op de vraag of er sprake is van schending van het beginsel van gelijke behandeling van kandidaten met betrekking tot algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04. Hij is derhalve van mening dat niet verder behoeft te worden ingegaan op de vraag of EPSO een valse verklaring heeft afgelegd over de datum waarop klager de examenstukken heeft verkregen.
2.17 In zijn opmerkingen voert klager ook aan dat EPSO de formulering van de Ombudsman van een van de argumenten van klager zodanig heeft gewijzigd dat de argumenten van klager onlogisch en onwaar leken (17). De Ombudsman is van mening dat, hoewel EPSO niet de exacte woorden gebruikte die de Ombudsman gebruikte, EPSO de inhoud van de vraag van de Ombudsman niet heeft gewijzigd.
2.18 In het licht van het bovenstaande stelt de Ombudsman derhalve geen geval van wanbeheer door EPSO vast met betrekking tot dit aspect van de klacht.
3 Bewering dat EPSO een valse schriftelijke verklaring heeft afgelegd3.1 Klager beweert dat EPSO schriftelijk een valse verklaring heeft afgelegd dat het testdocument aan het einde van het schriftelijk examen in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 was verzameld.
3.2 In zijn advies merkte EPSO op dat de brief bij de klacht van klager door EPSO was opgesteld na rekening te hebben gehouden met de informatie die was verstrekt door een lid van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04, dat ook lid was van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127. Volgens dit lid van de raad van bestuur hebben de teams van surveillanten op de dag van de examens van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 na elke examenprocedure het in de examenprocedure gebruikte vragenboekje, het voor de antwoorden gebruikte document en het voor de voorbereidende werkzaamheden bestemde document verzameld. EPSO heeft geen valse verklaringen afgelegd over de organisatie van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127, aangezien de bij het opstellen van het antwoord beschikbare informatie was verstrekt door een persoon die daadwerkelijk aan de organisatie van het vergelijkend onderzoek had deelgenomen en die op de dag van de examens in een van de examencentra aanwezig was geweest. Na ontvangst van deze klacht heeft EPSO het Europees Parlement echter geraadpleegd en het lijkt erop dat de praktijken op dat moment soms varieerden van het ene examencentrum tot het andere. EPSO kon dit misverstand alleen maar betreuren, dat echter geen invloed had op de manier waarop deze zaak werd behandeld.
3.3 In zijn opmerkingen noemde klager wat er was gebeurd eerder een vergissing dan een misverstand en was hij het er niet mee eens dat deze vergissing irrelevant was voor zijn zaak. Noch EPSO, noch de jury heeft verklaard dat deze fout of dit misverstand geen invloed heeft gehad op hun besluit om een vraag te hergebruiken.
3.4 De Ombudsman herinnert er nogmaals aan dat de instellingen en organen van de EU nauwkeurige verklaringen moeten afleggen en eventuele fouten onmiddellijk moeten corrigeren. Hij merkt om te beginnen op dat EPSO in een brief van april 2005 aan een andere kandidaat heeft uitgelegd dat het testdocument voor algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127 was verzameld. De Ombudsman merkt echter op dat het Parlement, in tegenstelling tot de bovengenoemde verklaring, in een brief aan klager van 30 juni 2006 heeft aangegeven dat testdocumenten niet systematisch in alle testcentra werden verzameld. Hij merkt ook op dat EPSO in zijn advies heeft aangegeven contact op te nemen met het Parlement, dat het ervan in kennis is gesteld dat testdocumenten niet systematisch worden verzameld en dat het dit misverstand betreurt.
Daarom is de Ombudsman van mening dat, aangezien EPSO de onnauwkeurigheid onmiddellijk heeft gecorrigeerd zodra het hiervan op de hoogte was, geen verder onderzoek naar dit aspect van de klacht nodig is.
De Ombudsman doet geen afbreuk aan de mogelijkheid dat het Parlement een fout heeft gemaakt, voor zover testdocumenten in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127, in strijd met de destijds vastgestelde procedure, niet in alle testcentra zijn verzameld. De reikwijdte van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht is echter beperkt tot EPSO en heeft geen betrekking op het Parlement.
4 Bewering dat de jury het verzoek van klager om heroverweging niet naar behoren heeft behandeld4.1 Klager beweert dat de jury zijn verzoek om heroverweging niet naar behoren heeft behandeld, aangezien zij zijn verzoek om een herbeoordeling van zijn prestaties in het schriftelijke examen niet specifiek heeft behandeld.
4.2 In zijn advies legt EPSO uit dat de jury zowel het verzoek van de kandidaat om herbeoordeling als al zijn correspondentie zorgvuldig heeft onderzocht. Na alle opmerkingen van klager te hebben onderzocht, kwam de jury tot een besluit. Zij was van mening dat er geen twijfel bestond over de geldigheid van vraag 1 van schriftelijk examen d). De jury was van oordeel dat er geen reden was om het examen van klager opnieuw te beoordelen, waarbij hij, zoals gezegd, een cijfer boven het vereiste minimum behaalde, hetgeen hem in staat stelde deel te nemen aan het mondeling examen.
4.3 In zijn opmerkingen was klager van mening dat het cijfer van de schriftelijke examens niet alleen voldoende was om hem tot het mondeling examen toe te laten, maar dat het ook 50 % van de punten telde bij de definitieve selectie van kandidaten na het mondeling examen.
4.4 De Ombudsman merkt op dat klager in zijn verzoek om heroverweging van 27 november 2005, dat hij indiende nadat hij ervan in kennis was gesteld dat zijn cijfers ontoereikend waren om zijn naam op de reservelijst te plaatsen, verzocht om heroverweging van zijn " verzoek "en met name om opmerkingen over zijn schriftelijke toets.
4.5 De Ombudsman merkt tevens op dat EPSO in zijn brief van 21 december 2005 heeft verklaard dat:
"De schriftelijke toets van elke kandidaat werd gecorrigeerd met ten minste twee markers op basis van een correctieschema. (...) de jury heeft gecontroleerd of de beoordelingscriteria correct zijn toegepast op de examens van de kandidaten (...) en heeft rekening gehouden met de opmerkingen/opmerkingen van de markeerders en vervolgens de toe te kennen score bepaald. (...) de jury heeft ook een tweede beraadslaging gehouden over de prestaties van [klager] tijdens het mondeling examen. Zij is van mening dat de aanvankelijk gemaakte beoordeling overeenkomt met het prestatieniveau van [klager] en bevestigt derhalve het oorspronkelijk gegeven cijfer."
Ten slotte verwees EPSO in antwoord op de klacht op grond van artikel 90 naar de rechtspraak van de communautaire rechterlijke instanties die zich bezighouden met de rechterlijke toetsing van de waardeoordelen van de jury en verklaarde het:
"de klager stelt, laat staan bewijst, niet dat het besluit van de jury een kennelijke fout bevat of dat de jury de regels voor haar werkzaamheden heeft geschonden of de grenzen van haar beoordelingsvrijheid kennelijk heeft overschreden. Daarom is er geen mogelijkheid om zijn schriftelijke tests op te merken."
4.6 De Ombudsman is het met klager eens dat het cijfer dat hij tijdens de schriftelijke toets heeft behaald, niet alleen van invloed was op zijn toelating tot de mondelinge toets, maar ook op zijn eindresultaat. Het was dus van belang om voor het eindresultaat te waarborgen dat het schriftelijk examen correct werd beoordeeld.
4.7 De Ombudsman herinnert eraan dat de jury, zoals vastgesteld in de jurisprudentie van de communautaire rechtbanken, over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt bij de beoordeling van de testresultaten (18). De Ombudsman merkt op dat EPSO heeft uitgelegd dat de jury alleen beslist over het aan een kandidaat toe te kennen cijfer, na de opmerkingen van ten minste twee markeerders en de door hen voorgestelde cijfers te hebben geanalyseerd. De Ombudsman merkt op dat de jury in dit verband heeft besloten geen opmerkingen te maken over het schriftelijke examen van klager en aldus het hem toegekende cijfer heeft bevestigd. Rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de jury bij de beoordeling van de toetsen beschikt, acht de Ombudsman de door EPSO toegepaste procedure bij de behandeling van een verzoek tot heroverweging met betrekking tot de markering van de schriftelijke toets redelijk, dat wil zeggen dat het de verantwoordelijkheid van de jury is om te beslissen of een nieuwe markering noodzakelijk is om een verzoek tot heroverweging naar behoren te behandelen.
In casu is de Ombudsman van mening dat er, gelet op zijn vaststelling in de punten 2.11 en 2.12, voor de jury geen reden was om het examen te laten markeren door een derde markering. De Ombudsman is van mening dat de jury het verzoek van klager naar behoren heeft behandeld en stelt derhalve geen wanbeheer vast met betrekking tot dit aspect van de klacht.
5 Vordering5.1 Klager voerde aan dat zijn verzoek om heroverweging opnieuw moest worden beoordeeld, dat zijn cijfer voor de schriftelijke toets moest worden aangepast en dat zijn naam op de reservelijst moest worden geplaatst.
5.2 In het licht van de bevindingen van de Ombudsman in de paragrafen 2.18, 3.4 en 4.7 kan het argument van klager niet worden aanvaard.
6 ConclusieOp basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht lijkt er geen sprake te zijn geweest van wanbeheer door EPSO. De Ombudsman sluit daarom de zaak.
De directeur van EPSO zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.
Met vriendelijke groet,
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
(1) PB 2004, C 66A.
(2) PB 1998, C 125 A.
(3) Zaak T-158/89, Van Hecken/CES, Jurispr. 1991, blz. II-1341. Punt 24 van de onderhavige zaak luidt als volgt: "(...) de verdeling tussen de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag enerzijds en die van de jury anderzijds, waarbij het tot aanstelling bevoegde gezag over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt bij het opstellen van de vereisten van het vergelijkend onderzoek, terwijl de jury aan deze vereisten is gebonden bij de uitvoering van haar taak uit hoofde van artikel 30 van het Statuut."
Zaak T-371/03, Le Voci/Raad, JurAmbt. 2005, blz. I-A-209 en II-57. Punt 41 van de zaak luidt als volgt: "Wat de beoordeling van een mogelijke schending van de aankondiging van vergelijkend onderzoek betreft, beschikt de jury van een vergelijkend onderzoek volgens vaste rechtspraak over een ruime beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de gedetailleerde inhoud van de in het kader van een vergelijkend onderzoek voorgeschreven toetsen. Het Hof kan de wijze van uitvoering van een examen slechts toetsen voor zover dit noodzakelijk is om te verzekeren dat de kandidaten gelijk zijn behandeld en dat de uit hen gemaakte keuze objectief was. Het staat evenmin aan het Hof om de gedetailleerde inhoud van een examen te toetsen, tenzij die inhoud niet binnen de in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek gestelde grenzen valt of niet overeenstemt met het doel van het examen of het vergelijkend onderzoek.
(4) Zaak T-132/89, Gallone/Commissie, Jurispr. 1990, blz. II-549. Punt 27 van de zaak luidt als volgt: "Het tot aanstelling bevoegd gezag beschikt over een ruime beoordelingsvrijheid bij de vaststelling van de bekwaamheidscriteria voor de te vervullen ambten en bij de vaststelling, in het licht van deze criteria en in het belang van de dienst, van de regels en voorwaarden waaronder een vergelijkend onderzoek wordt georganiseerd. De jury beschikt over een ruime beoordelingsvrijheid met betrekking tot de modaliteiten en de gedetailleerde inhoud van de examens die in het kader van een vergelijkend onderzoek worden georganiseerd."
(5) Zaak T-371/03, Le Voci/Raad, JurAmbt. 2005, blz. I-A-209 en II-957. Punt 123 van de zaak luidt als volgt: "Er is een geheimhoudingsplicht ingevoerd om de onafhankelijkheid van de jury's en de objectiviteit van hun werkzaamheden te waarborgen door hen te beschermen tegen elke inmenging en druk van buitenaf, ongeacht of deze van de administratie van de Gemeenschap zelf, van de betrokken kandidaten of van derden afkomstig zijn."
(6) Zaak T-294/03, Gibault/Commissie, JurAmbt. 2005, blz. I-A-141 en II-635. Punt 41 van de zaak luidt als volgt: "De jury beschikt over een ruime beoordelingsvrijheid bij de beoordeling van de resultaten van het vergelijkend onderzoek en de gegrondheid van haar waardeoordelen kan door de gemeenschapsrechter slechts worden getoetst in duidelijke gevallen van schending van de procedureregels (...) kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid, of indien zij de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid kennelijk heeft overschreden."
Zaak T-146/99, Teixeira Neves/Hof van Justitie, JurAmbt. 2002, blz. I-A-159 en II-731. Punt 41 van de zaak luidt als volgt: "De beoordelingen van een jury van een vergelijkend onderzoek (...) zijn de uitdrukking van waardeoordelen met betrekking tot de prestaties van de kandidaat in de toets en vallen onder de ruime beoordelingsvrijheid van de jury. De gemeenschapsrechter is niet bevoegd om deze besluiten te toetsen, tenzij de regels die de werkzaamheden van de jury’s beheersen, kennelijk zijn geschonden. Bij de beoordeling van de vakkennis, bekwaamheden en motivatie van de kandidaten moet de jury zich uitsluitend en autonoom baseren op de prestaties van de kandidaten, overeenkomstig de vereisten van de aankondiging van vergelijkend onderzoek."
(7) Zie zaak 228/86, Goossens e.a./Commissie, Jurispr. 1988, blz. 1819, punt 14.
(8) Zaak T-5/04, Scano/Commissie, JurAmbt. 2005, blz. I-A-205 en II-931. § 45 luidt als volgt: "S’agissant plus particulièrement du principe d’égalité de traitement, il revêt une importance très grande dans le cadre des procédures de concours, et il appartient au jury de veiller à ce que les épreuves présentent sensiblement le même degré de difficulté pour tous les candidats."
(9) Punt 79 luidt als volgt: "Er zij evenwel aan herinnerd dat een onregelmatigheid tijdens de uitvoering van de examens van een vergelijkend onderzoek de rechtmatigheid van de examens niet aantast, tenzij zij materieel van aard is en de resultaten van de examens kan vertekenen. Wanneer zich een dergelijke onregelmatigheid voordoet, staat het aan de verwerende instelling om aan te tonen dat de onregelmatigheid geen invloed heeft gehad op de resultaten van de tests."
(10) De Ombudsman begrijpt dat klager verwijst naar het feit dat, hoewel in de brief van de Ombudsman aan EPSO van 26 september 2006 werd aangegeven dat klager stelt dat "EPSO een valse verklaring heeft afgelegd die klager niet beweert of bewijst dat hij de vorige tests pas heeft behaald na het afleggen van de schriftelijke test", EPSO in zijn antwoord met name stelt dat "EPSO valse verklaringen heeft afgelegd toen het verklaarde dat klager niet beweerde of aantoonde dat hij de vorige tests pas had behaald nadat hij aan de schriftelijke tests had deelgenomen". (Nadruk toegevoegd door de Ombudsman).
(11) Zie Besluit nr. 2312/2004/MHZ, waarin het volgende is bepaald: "kandidaten van door EPSO georganiseerde vergelijkende onderzoeken communiceren met EPSO. Bovendien antwoordt EPSO in geval van klachten bij de Ombudsman".
(12) Zie zaak T-173/99, Elkaïm en Mazuel/Commissie, JurAmbt. 2000, blz. I-A-101 en II-433, punt 87; Zaak T-5/04, Scano/Commissie, JurAmbt. 2005, blz. I-A-205 en II-931; Zaak T-165/03, Vonier/Commissie, JurAmbt. 2004, blz. I-A-343 en II-1575.
(13) Zaak T-5/04, Scano/Commissie, JurAmbt. 2005, blz. I-A-205 en II-931. § 45 luidt als volgt: "S’agissant plus particulièrement du principe d’égalité de traitement, il revêt une importance très grande dans le cadre des procédures de concours, et il appartient au jury de veiller à ce que les épreuves présentent sensiblement le même degré de difficulté pour tous les candidats."
(14) De gebruikers die worden beschreven in de desbetreffende vraag in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/A/16/04 beschikken over één technisch instrument, dat verschilt van de instrumenten die worden beschreven in de desbetreffende vraag in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek EUR/A/127.
(15) Een "migratiestrategieplan" kan worden gedefinieerd als een reeks stappen waarmee een organisatie kan evolueren naar nieuwere hardware en software om gelijke tred te houden met de veranderende technologie. Het behandelt problemen zoals compatibiliteit met de gebruikersinterface, databasecompatibiliteit, overgangsondersteuning, compatibiliteit met de systeeminterface en training.
(16) Deze verklaring werd door EPSO afgelegd in zijn antwoord op het beroep dat klager op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut had ingesteld. EPSO heeft dergelijke opmerkingen niet gemaakt in zijn advies aan de Ombudsman.
(17) Zie voetnoot 10 hierboven.
(18) Zaak T-53/00, Angioli/Commissie, JurAmbt. 2003, blz. I-A-13 en II-73, punten 91-94.