FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Besluit van de Europese Ombudsman over klacht 1034/2006/WP tegen de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming


Straatsburg, 4 april 2008

Geachte heer T.,

Op 10 april 2006 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) over de wijze waarop hij een klacht tegen het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) heeft behandeld.

Op 8 mei 2006 heb ik de klacht doorgestuurd naar de EDPS. Op 16 mei 2006 heeft de EDPS mij een kopie gestuurd van een brief die hij u diezelfde dag had gestuurd.

Op 31 oktober 2006 heeft de EDPS de oorspronkelijke Engelse versie van zijn advies toegezonden en op 20 november 2006 een vertaling ervan in het Duits. Dit laatste document heb ik u op 27 november 2006 toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 22 december 2006 hebt toegezonden.

Bij brief van 11 juli 2007 heb ik de EDPS verzocht om nadere informatie over één aspect van uw klacht, die uiterlijk op 30 september 2007 moet worden ingediend. Ik heb u dienovereenkomstig op dezelfde dag geïnformeerd.

Op 9 oktober 2007 heeft de EDPS mij meegedeeld dat zijn antwoord meer tijd voor interne raadpleging vergde dan verwacht en verzocht om een verlenging van de termijn tot en met 31 oktober 2007. Ik heb deze verlenging toegestaan.

De EDPS heeft de oorspronkelijke Engelse versie van zijn antwoord op 5 november 2007 en een vertaling ervan in het Duits op 19 november 2007 toegezonden. Ik heb u deze documenten op respectievelijk 12 en 21 november 2007 toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 29 november 2007 hebt toegezonden.

Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.


Het KLACHT

Achtergrond

Klager is een Duitse journalist die werkte als Brussels correspondent van de Stern, een Duits weekblad. In twee artikelen die in 2002 werden gepubliceerd, ging de krant in op een aantal beschuldigingen met betrekking tot vermeende onregelmatigheden die naar voren waren gebracht in een verslag van een EU-ambtenaar, de heer V.B., en op het onderzoek dat OLAF naar deze beschuldigingen had verricht. De artikelen waren gebaseerd op het verslag van de heer V.B. en op vertrouwelijke OLAF-documenten die de krant had verkregen. Vervolgens heeft OLAF een onderzoek ingesteld naar de omstandigheden van het lekken van de vertrouwelijke documenten, met inbegrip van beschuldigingen van omkoping. Op 19 maart 2004 heeft het Belgische parket het appartement en kantoor van klager in Brussel doorzocht en daarbij een groot aantal documenten in beslag genomen. Vervolgens bleek dat deze onderzoeksmaatregelen waren gebaseerd op informatie die OLAF aan de Belgische en de Duitse autoriteiten had verstrekt.

Klachten 1840/2002/GG en 2485/2004/GG

In zijn klacht 1840/2002/GG (1) tegen OLAF beweerde klager dat OLAF in een persbericht ten onrechte beschuldigingen van omkoping had geuit die moesten worden begrepen als gericht tegen hem en zijn krant. Hij voerde ook aan dat OLAF geen antwoord had gegeven op zijn vragen of het toezicht had gehouden op zijn telefoon- of e-mailcommunicatie met OLAF-ambtenaren en of OLAF daardoor persoonsgegevens over hem had verkregen. In zijn besluit tot afsluiting van de zaak bekritiseerde de Ombudsman OLAF voor het aanvoeren van beschuldigingen van omkoping zonder voldoende feitelijke basis. Wat betreft het vermeende verzuim van OLAF om de vragen van klager te beantwoorden, constateerde de Ombudsman geen wanbeheer.

In zijn klacht 2485/2004/GG heeft klager echter nieuw bewijsmateriaal overgelegd waaruit volgens hem bleek dat OLAF had geprobeerd de Ombudsman te misleiden in zijn onderzoek naar klacht 1840/2002/GG. De Ombudsman kwam tot de conclusie dat OLAF hem inderdaad onjuiste en misleidende informatie had verstrekt, waaronder zijn verklaring dat OLAF niet over persoonsgegevens van klager beschikte (afgezien van zijn beroepsadres en telefoonnummer). Op 12 mei 2005 heeft de Ombudsman in deze zaak een speciaal verslag aan het Europees Parlement gericht (2).

De onderhavige grief

In zijn huidige klacht bij de Ombudsman meldde klager dat hij op 1 juli 2005 bij de EDPS een klacht tegen OLAF had ingediend. In die klacht had hij aangevoerd dat OLAF 1) onjuiste informatie over hem betreffende gegevens had verstrekt die het had bewaard, en 2) onjuiste gegevens over hem had bewaard en doorgegeven. De eerste bewering had betrekking op verklaringen van OLAF-ambtenaren dat OLAF geen van zijn persoonsgegevens bezat, afgezien van zijn kantooradres en telefoonnummer. De tweede bewering had betrekking op informatie die OLAF aan de Belgische en Duitse autoriteiten had verstrekt, namelijk dat klager naar Washington zou verhuizen, wat volgens klager had geleid tot de doorzoeking van zijn appartement en kantoor in Brussel. Volgens klager had OLAF geweten dat hij niet van plan was naar Washington, maar naar Hamburg te verhuizen.

Op 1 december 2005 ontving klager het door de adjunct-EDPS ondertekende besluit over deze klacht. Wat zijn eerste bewering betreft, concludeerde de EDPS dat OLAF zijn standpunt onvoldoende had gemotiveerd en derhalve geen correcte benadering had gevolgd met betrekking tot de rechten van klager. De EDPS merkte echter op dat de Ombudsman in zijn speciaal verslag over klacht 2485/2004/GG reeds had geconcludeerd dat de verklaringen van OLAF in dit verband onjuist waren. Volgens de EDPS zou een verdere interventie van zijn kant niets hebben veranderd of toegevoegd aan de analyse en verklaringen van de Ombudsman, en daarom niet gerechtvaardigd zijn geweest.

Met betrekking tot de "nauwkeurigheid van de doorgegeven gegevens", die betrekking heeft op de tweede bewering van klager, heeft de EDPS het volgende verklaard:

"De vermeende onjuiste gegevens met betrekking tot de verhuizing van klager naar Washington en hun interpretatie van de gevolgen die dit zou kunnen hebben voor de onderzoeken van de Belgische en Duitse vervolgingen, maken deel uit van de materiële en procedurele kwesties in verband met het onderzoek van OLAF. De criteria om de juistheid van die gegevens te beoordelen, zijn verre van feitelijk en houden nauw verband met evaluaties van de verdiensten en resultaten van dat onderzoek, en moeten daarom in dit geval als buiten de taak van de EDPS worden beschouwd."

Bovendien zouden de respectieve autoriteiten volgens de EDPS inmiddels de waarheidsgetrouwheid van de gegevens hebben beoordeeld. Een interventie om de rectificatie van de gegevens te beoordelen en eventueel te gelasten, zou derhalve ongepast zijn.

Op 21 december 2005 schreef klager een brief aan de EDPS om tegen dit besluit te protesteren. Wat zijn eerste bewering betreft, voerde hij aan dat het werk van de Ombudsman niet in de plaats kon komen van het werk van de EDPS. Aangezien de Europese wetgever een toezichthouder voor gegevensbescherming had ingesteld, kon deze zich niet onbekwaam verklaren op het gebied van gegevensbescherming. Bovendien bleek uit de reactie van OLAF op het besluit van de Ombudsman in zaak 2485/2004/GG dat OLAF nog steeds weigerde zijn kritiek op de gegevensbescherming te aanvaarden. Daarom was het nog minder begrijpelijk dat de EDPS het niet nodig achtte OLAF in dit verband te bekritiseren.

Met betrekking tot zijn tweede bewering voerde klager aan dat de EDPS geen begrijpelijk argument had aangevoerd ter ondersteuning van zijn weigering om actie te ondernemen. Volgens hem kon men alleen maar vermoeden dat de relevante passage in het besluit bedoeld was om uiting te geven aan het standpunt dat de vraag naar de juistheid van de verklaring van OLAF nauw verband hield met de vraag of de andere beschuldigingen van OLAF tegen hem juist waren. Dit had echter geen zin. De verklaring van OLAF over zijn verandering van woonplaats kon logischerwijs niet afhangen van de juistheid van andere verklaringen die OLAF had afgelegd. Hooguit zou men kunnen terugvallen op de geloofwaardigheid van OLAF in het algemeen. Deze geloofwaardigheid was echter, zoals blijkt uit de relevante besluiten van de Ombudsman, zeer gering. Klager voerde daarom aan dat het des te noodzakelijker zou zijn geweest voor de EDPS om zijn bewering te onderzoeken. Met betrekking tot de verklaring van de EDPS dat de bevoegde autoriteiten de door OLAF verstrekte informatie inmiddels zouden hebben onderzocht, was klager van mening dat hij, afgezien van het feit dat dit louter speculatief was, zijn bewering niet beantwoordde. Als OLAF niet te goeder trouw met persoonsgegevens was omgegaan, viel dit zonder twijfel onder de bevoegdheid van de EDPS. Bovendien was het doorgeven van onjuiste informatie een bijzonder ernstig strafbaar feit, waarvoor het optreden van de EDPS in het belang van de Europese burgers en in het belang van de geloofwaardigheid van de EU-instellingen zou zijn geweest.

Klager verzocht ook om toezending van alle correspondentie die in verband met zijn zaak had plaatsgevonden tussen de EDPS en OLAF of andere organen.

Op 17 januari 2006 heeft de EDPS de ontvangst van de brief van klager bevestigd en verklaard dat hij "waarschijnlijk begin februari [hem] verder zou kunnen informeren". Klager verklaarde echter dat hij niets van de EDPS had gehoord toen hij zich in april 2006 tot de Ombudsman wendde. Volgens hem had de EDPS evenmin gereageerd op een herinnering die op 8 maart 2006 per e-mail was verzonden.

In zijn klacht bij de Ombudsman voerde klager de volgende aantijgingen aan:

  1. De EDPS heeft zijn klacht van 1 juli 2005 niet naar behoren behandeld;
  2. Hij is niet ingegaan op de inhoud van zijn brief van 21 december 2005;
  3. Hij heeft zijn e-mail van 8 maart 2006 niet beantwoord; en
  4. Hij behandelde zijn klacht en verdere correspondentie op een niet-transparante manier.

Klager voerde aan dat de EDPS zijn klacht en verdere correspondentie naar behoren moet behandelen en actie moet ondernemen op basis van de toepasselijke regels.

Wat de vierde bewering van klager betreft, merkte de Ombudsman op dat klager niet had aangegeven op welke manier hij de behandeling van de zaak door de EDPS als ondoorzichtig beschouwde. Uit de context van zijn klacht bleek echter dat hij de vragen had gesteld over de vraag of OLAF om een advies over zijn klacht was gevraagd en over de vraag of er met betrekking tot zijn zaak correspondentie met andere instanties was geweest. De bewering leek geen betrekking te hebben op de bewering van klager dat hij toegang had tot dergelijke documenten, die hij in zijn klacht bij de Ombudsman niet had geformuleerd. In zijn brief aan de EDPS waarin hij een onderzoek instelt naar de onderhavige zaak, heeft de Ombudsman de EDPS daarvan in kennis gesteld.

Het onderzoek

Advies van de EDPS

Naar zijn mening gaf de EDPS een overzicht van de zaak die klager bij hem aanhangig had gemaakt, van zijn beslissing over de zaak en van de verdere correspondentie met klager. Hij verklaarde dat hij op 8 mei 2005, na de herinnering van klager van 8 maart 2006 te hebben ontvangen, een korte brief aan klager had gestuurd waarin hij hem meedeelde dat een ontwerpantwoord op zijn brief van 21 december 2005 ter vertaling was toegezonden. De laatste brief, waarin de EDPS had gereageerd op de opmerkingen en bezwaren van klager, was op 16 mei 2006 verzonden. In deze brief heeft de EDPS de status van zijn besluit en de mogelijke verhaalsmogelijkheden en rechtsmiddelen waarover de klager beschikt, toegelicht. Voorts had de EDPS de belangrijkste elementen van het besluit en het relevante rechtskader voor zijn activiteiten toegelicht.

De EDPS verklaarde dat klager kennelijk had aangenomen dat zijn besluit niet als definitief moest worden beschouwd, aangezien het was ondertekend door de adjunct-EDPS en niet door de EDPS zelf. De EDPS legde echter uit dat de adjunct-EDPS overeenkomstig artikel 42, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (3) ("de verordening") bevoegd was om te handelen alsof hij de EDPS was en om het advies van de EDPS uit te brengen. Daarom moet het besluit worden beschouwd als een besluit van de EDPS.

De EDPS wees erop dat indien klager het niet eens was met zijn besluit, hij dit had kunnen aanvechten door het Gerecht van eerste aanleg te verzoeken het besluit nietig te verklaren overeenkomstig artikel 32, lid 3, van de verordening en de artikelen 225 en 230 van het EG-Verdrag. Dit had in beginsel binnen twee maanden na ontvangst van het besluit moeten gebeuren. De EDPS heeft echter verklaard dat, aangezien alleen zijn brief van 16 mei 2006 en niet het besluit zelf informatie over verhaalsmogelijkheden en rechtsmiddelen bevatte, mag worden aangenomen dat klager binnen twee maanden na ontvangst van die brief nog steeds beroep bij het Hof had kunnen instellen. Aangezien klager dit echter niet had gedaan, had hij het besluit van 1 december 2005 definitief laten worden.

Volgens de EDPS ging klager ervan uit dat de EDPS verplicht was om in een specifiek geval tussenbeide te komen wanneer hij daartoe bevoegd was. Hij was echter van een andere mening en had dit duidelijk tot uitdrukking gebracht in zijn brief van 16 mei 2006. Overeenkomstig artikel 41, lid 2, van de verordening was de EDPS verantwoordelijk voor het toezicht op en de waarborging van de toepassing van de bepalingen van de verordening en van elk ander communautair besluit betreffende de bescherming van de grondrechten en fundamentele vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens. Overeenkomstig artikel 46, onder a), van de verordening diende de EDPS klachten te behandelen en te onderzoeken en de betrokkene binnen een redelijke termijn in kennis te stellen van het resultaat. De EDPS benadrukte dat deze bepaling niet betekent dat hij, wanneer uit een voorlopige evaluatie blijkt dat hij bevoegd is om een klacht te behandelen en de klacht ontvankelijk is, verplicht kan worden het onderzoek voort te zetten. In plaats daarvan kon de EDPS op grond van deze bepaling beslissen of er voldoende gronden waren om het onderzoek voort te zetten en, zo ja, op welke wijze. Volgens de EDPS moet een dergelijk besluit gebaseerd zijn op een voorlopige beoordeling van de gegrondheid van de zaak, in het licht van de beschikbare feiten, de toepasselijke bepalingen en andere relevante omstandigheden. Hij voerde aan dat een relevante overweging in dit verband zou kunnen zijn dat er andere en geschiktere middelen zijn om de toepassing van de bepalingen van de verordening te waarborgen, en dat deze andere middelen, gezien de algemene taken van de EDPS, prioriteit verdienen.

Wat betreft de eerste kwestie die klager aan de orde had gesteld, met betrekking tot de verwerking van zijn gegevens, verklaarde de EDPS dat hij van mening was dat de voorafgaande betrokkenheid van de Ombudsman, de reikwijdte van het onderzoek van de Ombudsman en de relevante elementen in zijn speciaal verslag aan het Europees Parlement het zeer onwaarschijnlijk maakten dat een verder optreden van de EDPS de bevindingen van de Ombudsman zou hebben gewijzigd of iets zou hebben toegevoegd, en dat verder onderzoek daarom niet gerechtvaardigd zou zijn geweest. Dit gold ook voor maatregelen zoals een waarschuwing of waarschuwing aan de verwerkingsverantwoordelijke, als bedoeld in artikel 47, onder d), van de verordening, waarom de klager had verzocht. De EDPS voerde aan dat hij van mening was dat hij eerder prioriteit moest geven aan de kennisgevingen voor voorafgaande controle van de verwerkingen van OLAF, overeenkomstig artikel 27 van de verordening, aangezien deze voorafgaande controleactiviteiten waarschijnlijk zouden bijdragen tot de structurele verbetering van de naleving van de verordening op veel grotere schaal. Deze benadering kwam tot uiting in het afsluitende deel van het besluit. In dit verband vestigde de EDPS de aandacht van de Ombudsman op een advies over deze aangelegenheden dat de EDPS inmiddels had gepubliceerd (4).

De EDPS voerde aan dat deze overwegingen ook relevant waren met betrekking tot de tweede door klager aan de orde gestelde kwestie, namelijk de doorgifte van onjuiste gegevens. De EDPS verklaarde echter dat zijn conclusie op dit punt was gebaseerd op het standpunt dat "de criteria voor de beoordeling van de juistheid van de relevante gegevens - onjuiste informatie, naar het oordeel van [klager] die naar de openbare aanklagers in België en Duitsland is gestuurd om hun onderzoeken te beïnvloeden - moeten worden beschouwd als buiten de taak van de EDPS". Een interventie om deze gegevens te beoordelen en eventueel te laten corrigeren, overeenkomstig artikel 47, onder e), van de verordening, zou ongepast zijn. Een dergelijk optreden ging verder dan een algemene beoordeling van de vraag of een bepaald onderzoek gerechtvaardigd was en een onderzoek zou hebben vereist indien het passend en gerechtvaardigd was geweest voor dit specifieke aspect van de zaak. De EDPS verklaarde vervolgens het volgende:

"Hoewel [klager] de in het besluit ter zake naar voren gebrachte argumenten niet op prijs leek te stellen, heeft het weinig zin de verordening alleen te gebruiken om activiteiten in België en Duitsland te overlappen of zich er in wezen in te mengen, indien deze nog steeds relevant zouden zijn."

De EDPS merkte ook op dat klager "de in het besluit naar voren gebrachte argumenten niet overtuigend" achtte. Hij voerde echter aan dat niets klager ervan had weerhouden zijn standpunt over deze kwestie elders kenbaar te maken, in het kader van de passende procedures, wanneer hij daartoe werd opgeroepen.

Op basis van het bovenstaande was de EDPS van oordeel dat de eerste bewering van klager, dat de EDPS zijn klacht niet naar behoren had behandeld, ongegrond was.

Wat de tweede bewering van klager betreft, dat de EDPS had nagelaten de inhoud van de brief van klager van 21 december 2005 te behandelen, voerde de EDPS aan dat deze bewering eveneens ongegrond was, aangezien de inhoud van de brief van klager uitvoerig was behandeld in de brief van de EDPS van 16 mei 2006.

Wat de e-mail van klager van 8 maart 2006 betreft, erkende de EDPS dat het antwoord op deze e-mail meer tijd in beslag had genomen dan passend was, aangezien deze pas in zijn brief van 16 mei 2006 werd behandeld. De EDPS benadrukte echter dat hij zich had verontschuldigd voor de vertraging in die brief. Hij had ook duidelijk verklaard dat de vertraging op geen enkele wijze van invloed was geweest op de inhoud van zijn reactie op de bezwaren van klager.

Met betrekking tot het vermeende gebrek aan transparantie in de procedure van de EDPS legde de EDPS uit dat een kopie van zijn besluit van 1 december 2005 ter informatie was toegezonden aan de directeur-generaal van OLAF, de functionaris voor gegevensbescherming van OLAF en de Ombudsman. De EDPS verklaarde dat er geen andere correspondentie met andere instanties over de zaak was geweest, aangezien zijn besluit was gebaseerd op een voorlopige beoordeling van de beschikbare feiten en van de gegrondheid van de zaak en had geconcludeerd dat er geen verdere actie zou worden ondernomen.

Concluderend verwierp de EDPS de aantijgingen van klager, met uitzondering van zijn derde aantijging met betrekking tot het vertraagde antwoord op zijn e-mail van 8 maart 2006. Hij verklaarde ervan overtuigd te zijn dat de klacht en andere correspondentie naar behoren zijn behandeld en dat de toepasselijke regels en beginselen in acht zijn genomen.

Opmerkingen van klager

In zijn opmerkingen merkte klager op dat de EDPS naar zijn mening had verklaard dat zijn klacht tegen door OLAF verstrekte onjuiste informatie over zijn verandering van verblijfplaats "buiten de taak van de EDPS"viel. Klager voerde echter aan dat de EDPS geen juridische of feitelijke argumenten ter ondersteuning van dit standpunt had aangevoerd.

Klager voerde ook aan dat de verklaring van de EDPS dat klager de redenering van de EDPS in dit verband "niet overtuigend"had gevonden, onjuist was. Aangezien klager geen argumenten kende, kon hij niet beoordelen of dergelijke argumenten al dan niet overtuigend waren. Klager had eerder kritiek geuit op het feit dat de EDPS geen begrijpelijke reden had aangevoerd om geen actie te ondernemen met betrekking tot dit aspect van zijn klacht.

Wat betreft de verklaring van de EDPS dat het "weinig zin"had om de verordening alleen te gebruiken om activiteiten in België en Duitsland te overlappen of er in wezen in te mengen", voerde klager aan dat deze verklaring zeer onthullend was in haar vaagheid, maar helemaal geen zin had. Hij benadrukte dat hij nooit had gezegd dat hij van plan was de activiteiten in België en Duitsland te beïnvloeden. Hij had de EDPS eerder verzocht een onderzoek in te stellen naar mogelijk wangedrag van OLAF-ambtenaren in het kader van de verordening, dat zelfs tuchtrechtelijk relevant zou kunnen zijn. Klager wees erop dat de verordening uitdrukkelijk bepaalde dat de EDPS ook de toezending van onjuiste informatie moest onderzoeken. Volgens hem had de EDPS echter niet gemotiveerd waarom hij dit in zijn geval niet had gedaan of waarom hij dit niet nuttig achtte.

Met betrekking tot het standpunt van de EDPS dat klager kennelijk had aangenomen dat het besluit van de EDPS niet als een definitief besluit moest worden beschouwd, voerde klager aan dat hij nooit een dergelijk argument had aangevoerd.

Klager concludeerde dat geen van zijn beweringen was afgehandeld. Hij verklaarde echter dat hij, in het belang van een minnelijke schikking, bereid zou zijn zijn klachten tegen de EDPS in te trekken, met inbegrip van zijn klacht 1576/2006/WP over de presentatie van zijn zaak door de EDPS in zijn jaarverslag, indien de EDPS nu zou instemmen met een onderzoek naar zijn bewering dat OLAF onjuiste informatie heeft verstrekt met betrekking tot zijn verblijfplaats. Klager voerde aan dat, aangezien de EDPS zelf blijkbaar niet wist waarom hij deze kwestie niet had onderzocht, dit voorstel voor hem aanvaardbaar zou moeten zijn.

Nadere onderzoeken
Overwegingen van de Ombudsman

Na een voorlopige analyse van de zaak merkte de Ombudsman op dat het besluit van de adjunct-EDPS van 1 december 2005 met betrekking tot de bewering van klager dat OLAF onjuiste gegevens over hem had bewaard en doorgegeven, de volgende verklaring bevatte:

"De criteria om de juistheid van die gegevens te beoordelen, zijn verre van feitelijk en houden nauw verband met evaluaties van de verdiensten en resultaten van dat onderzoek, en moeten daarom in dit geval als buiten de taak van de EDPS worden beschouwd."

In zijn advies verklaarde de EDPS met betrekking tot dezelfde kwestie dat hij het ongepast zou hebben geacht om in te grijpen en dat het weinig zin had om de verordening alleen te gebruiken om activiteiten in België en Duitsland te overlappen of fundamenteel te verstoren, als deze nog steeds relevant zouden zijn.

Gezien deze verklaringen was de Ombudsman er niet helemaal zeker van of hij de redenering waarop het standpunt van de EDPS met betrekking tot dit aspect van de klacht was gebaseerd, volledig begreep. De Ombudsman vroeg zich met name af of de EDPS van mening was dat het aspect buiten zijn mandaat viel, of hij van mening was dat er onvoldoende redenen waren om in te grijpen of dat andere overwegingen volgens hem relevant waren.

Daarom heeft de Ombudsman de EDPS verzocht te verduidelijken op welke gronden zijn standpunt met betrekking tot de kwestie was gebaseerd.

Antwoord van de EDPS

In zijn antwoord verwees de EDPS naar zijn uitleg over zijn rol en de relevante overwegingen bij het besluit om een onderzoek op grond van artikel 46, onder a), van de verordening in te stellen of voort te zetten. Volgens hem moet het duidelijk zijn dat dit besluit een aantal discretionaire elementen bevatte, die echter een adequate toelichting vereisten in elk afzonderlijk geval waarin het besluit negatief was.

De EDPS benadrukte ook dat het besluit van 1 december 2005 werd genomen na een analyse van de zaak op basis van de door klager zelf beschreven feiten en derhalve niet was gebaseerd op enig bijzonder inzicht in de wijze waarop klager en OLAF eerder met de zaak hadden samengewerkt of deze hadden voortgezet. Aangezien de EDPS had besloten geen verdere maatregelen te nemen, was deze situatie sinds 2005 niet fundamenteel veranderd.

Voorts wees de EDPS erop dat zijn besluit over het tweede deel van de klacht van klager moet worden gezien in de context van het besluit om geen verdere maatregelen te nemen met betrekking tot het eerste deel van zijn klacht. De EDPS verklaarde dat in het besluit van 1 december 2005 werd aanvaard dat de EDPS bevoegd was om beide delen van de klacht te behandelen, voor zover daarbij kwesties aan de orde werden gesteld die binnen het toepassingsgebied van de verordening vielen, maar concludeerde dat de EDPS geen verdere maatregelen kon nemen die de situatie op een vruchtbare manier zouden veranderen.

Vervolgens heeft de EDPS zijn standpunt ten aanzien van het tweede onderdeel van de klacht als volgt uiteengezet:

  1. Een onderzoek naar dit deel van de klacht zou een onderzoek naar de feiten van de zaak inhouden. Er zou moeten worden vastgesteld welke gegevens over klager door OLAF waren verzameld en bewaard en welke van deze gegevens aan derden waren doorgegeven. Volgens de EDPS zou dit onderzoek " waarschijnlijk onder [zijn] bevoegdheid vallen", maar moest het worden gerechtvaardigd als nuttig in het licht van de volgende aspecten.
  2. Een onderzoek naar dit deel van de klacht zou ook een evaluatie van deze feiten hebben opgeleverd. Er zou moeten worden beoordeeld welke van de bewaarde of doorgegeven gegevens onjuist waren en op welke gronden, zonder uit te sluiten dat sommige van de rechtsgronden voor verwerking mogelijk verdere aandacht nodig hadden. Volgens de EDPS zou dit onderzoek "in beginsel ook onder zijn bevoegdheid vallen (...), maar zou het onvermijdelijk nauw verband houden met evaluaties van de verdiensten en de resultaten van onderzoeken door OLAF en van die van de Belgische en Duitse autoriteiten". Deze evaluaties zouden grotendeels buiten de bevoegdheid van de EDPS vallen en zouden derhalve de reikwijdte en het mogelijke effect van zijn onderzoek hebben beperkt.
  3. Een interventie om de gegevens te beoordelen en eventueel de rectificatie en kennisgeving ervan aan derden op grond van artikel 47, onder e), van de verordening te gelasten, zoals de klager uitdrukkelijk heeft gevraagd, zou daarom ook ongepast zijn geweest, en des te meer "wanneer een dergelijke rectificatie en kennisgeving in principe zou hebben ingegrepen in de lopende juridische procedure in de betrokken lidstaten". Bijgevolg kon de klager bij het indienen van zijn klacht bij de EDPS redelijkerwijs niet van een dergelijk optreden verwachten.
  4. Een besluit om met betrekking tot het tweede deel van de klacht geen verdere maatregelen te nemen, beperkte het vermogen van klager om zijn rechtmatige belangen te beschermen niet, aangezien niets hem belette om zich elders, binnen de passende procedures, over de zaak uit te spreken. Aangezien de EDPS echter niet over informatie beschikte over de stand van zaken met betrekking tot een van deze procedures, werd dit punt alleen genoemd voor zover het relevant was.
  5. Een besluit om geen verder gevolg te geven aan het tweede onderdeel van de klacht was dus gebaseerd op een geheel van verschillende overwegingen, die tezamen tot de conclusie leidden dat een verder onderzoek van de klacht niet gerechtvaardigd zou zijn geweest.

Daarnaast benadrukte de EDPS dat hij de afgelopen jaren veel aandacht heeft besteed aan de wijze waarop OLAF de verordening in verschillende soorten onderzoeken ten uitvoer legt. Deze aanpak zou waarschijnlijk leiden tot meer structurele waarborgen voor een correcte toepassing van de verordening, in overeenstemming met de algemene prioriteiten van de EDPS.

Opmerkingen van klager

In zijn opmerkingen herinnerde klager eraan welke informatie in het relevante deel van zijn klacht bij de EDPS aan de orde was. Hij wees erop dat OLAF noch de Commissie publiekelijk of tijdens gerechtelijke procedures had betwist dat deze informatie onjuist was. Hij had de EDPS meegedeeld dat de bij zijn zaak betrokken OLAF-ambtenaren wisten dat die informatie onjuist was. Klager betoogde dat, indien het personeel van OLAF zijn persoonsgegevens niet te goeder trouw had behandeld, dit duidelijk onder de bevoegdheid van de EDPS viel overeenkomstig artikel 4, onder a), van de verordening.

Bovendien wees klager erop dat deze kwestie mettertijd niet irrelevant was geworden, aangezien de toezending van onjuiste informatie, waarvan OLAF wist dat deze onjuist was, een bijzonder ernstig strafbaar feit vormde, dat ook tuchtrechtelijk moest worden vervolgd. Zonder de onjuiste informatie van OLAF zouden zijn rechten waarschijnlijk niet op zo'n ernstige wijze zijn geschonden.

Klager voerde aan dat de EDPS opnieuw onbegrijpelijke argumenten had aangevoerd en niet naar een rechtsgrondslag voor zijn besluit had verwezen.

Klager was ingenomen met het feit dat de EDPS erkende dat een passende verklaring nodig was voor een weigering om verdere maatregelen te nemen en dat het tweede aspect van zijn klacht in beginsel onder zijn bevoegdheid zou vallen. Hij begreep echter niet waarom de EDPS had verklaard dat dit "waarschijnlijk" het geval was.

Voorts wees klager erop dat de EDPS opnieuw had verklaard dat zijn onderzoek "onvermijdelijk nauw verband zou houden met evaluaties van de verdiensten en de resultaten van onderzoeken door OLAF en van die van de Belgische en Duitse autoriteiten". Klager voerde aan dat deze koppeling onlogisch en irrelevant was, zo niet onrechtmatig, aangezien hij niet om een evaluatie van de genoemde onderzoeken had verzocht. Bovendien had de EDPS niet verwezen naar een rechtsgrondslag voor zijn standpunt dat hij geen inbreuken bij de verwerking van gegevens kon behandelen indien deze gegevens verband hielden met andere gegevens waarvan hij de verwerking niet kon onderzoeken.

Klager voegde eraan toe dat hij ook niet begreep waarom het bevel tot rectificatie en kennisgeving van gegevens "ongepast"zou zijn geweest, omdat het "in principe zou hebben ingegrepen in lopende juridische procedures in de betrokken lidstaten". OLAF noch de Duitse of Belgische autoriteiten hebben ooit onderzoek gedaan naar zijn verhuizing naar Washington of daarmee verband houdende kwesties. Aangezien er nooit sprake was geweest van dergelijke procedures, had hij, in tegenstelling tot de verklaring van de EDPS, ook nooit de mogelijkheid gehad om de zaak elders aan te pakken.

Klager bleef bij zijn standpunt dat de weigering van de EDPS om zijn klacht te behandelen en zijn verzuim om begrijpelijke redenen voor deze weigering op te geven, neerkwamen op wanbeheer. Hij verzocht de Ombudsman de EDPS in dit verband te bekritiseren en hem te verzoeken zijn klacht te behandelen voor zover deze betrekking had op onjuiste informatie over zijn vermeende verhuizing naar Washington.

BESLUIT

1 Inleidende opmerkingen

1.1 Klager, een Duitse journalist, werkte vroeger als Brussels correspondent van de Stern, een Duits weekblad. Na de publicatie van twee artikelen in de krant in 2002, die deels waren gebaseerd op vertrouwelijke documenten van het Europees Bureau voor fraudebestrijding ("OLAF"), heeft het Bureau een onderzoek ingesteld naar het lekken van de vertrouwelijke documenten, waaronder beschuldigingen van omkoping. In 2004 heeft het Belgische parket het appartement en kantoor van klager in Brussel doorzocht en daarbij een groot aantal documenten in beslag genomen. Vervolgens bleek dat deze onderzoeksmaatregelen waren gebaseerd op informatie die OLAF aan de Belgische en Duitse autoriteiten had verstrekt.

Als reactie hierop diende klager twee klachten tegen OLAF in bij de Ombudsman. In zijn klacht 1840/2002/GG (5) voerde klager aan dat OLAF in een persbericht ten onrechte beschuldigingen van omkoping had geuit die moesten worden begrepen als gericht tegen hem en zijn krant. Hij voerde ook aan dat OLAF geen antwoord had gegeven op zijn vragen of het toezicht had gehouden op zijn telefoon- of e-mailcommunicatie met zijn ambtenaren en of het daardoor persoonsgegevens over hem had verkregen. In zijn besluit tot afsluiting van de zaak bekritiseerde de Ombudsman OLAF voor het aanvoeren van beschuldigingen van omkoping zonder voldoende feitelijke basis. Wat betreft het vermeende verzuim van OLAF om de vragen van klager te beantwoorden, constateerde de Ombudsman geen wanbeheer.

In zijn klacht 2485/2004/GG heeft klager echter nieuw bewijsmateriaal overgelegd waaruit volgens hem bleek dat OLAF had geprobeerd de Ombudsman te misleiden in zijn onderzoek naar klacht 1840/2002/GG. De Ombudsman kwam tot de conclusie dat OLAF hem inderdaad onjuiste en misleidende informatie had verstrekt, waaronder zijn verklaring dat OLAF niet over persoonsgegevens van klager beschikte (afgezien van zijn beroepsadres en telefoonnummer). Op 12 mei 2005 heeft de Ombudsman in deze zaak een speciaal verslag aan het Europees Parlement gericht (6).

Op 1 juli 2005 diende klager bij de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming ("EDPS") een klacht in tegen OLAF. Hij voerde aan dat OLAF (1) onjuiste informatie over hem betreffende gegevens had verstrekt die het had bewaard en (2) onjuiste gegevens over hem had bewaard en doorgegeven. De eerste bewering had betrekking op verklaringen van OLAF-ambtenaren dat OLAF geen van zijn persoonsgegevens bezat, afgezien van zijn kantooradres en telefoonnummer. De tweede bewering had betrekking op informatie die OLAF aan de Belgische en Duitse autoriteiten had verstrekt, namelijk dat klager naar Washington zou verhuizen, wat volgens klager had geleid tot de doorzoeking van zijn appartement en kantoor in Brussel. Volgens klager had OLAF geweten dat hij niet van plan was naar Washington, maar naar Hamburg te verhuizen. Op 1 december 2005 heeft de adjunct-EDPS zijn besluit genomen. Wat de eerste bewering betreft, stelde hij vast dat OLAF geen correcte aanpak had gevolgd met betrekking tot de rechten van klager. Hij merkte echter op dat de Ombudsman in zijn speciaal verslag over klacht 2485/2004/GG reeds had geconcludeerd dat de verklaringen van OLAF in dit verband onjuist waren. Aangezien een verdere interventie van zijn kant niets zou veranderen of toevoegen aan de analyse en verklaringen van de Ombudsman, was deze niet gerechtvaardigd. Wat de tweede bewering van klager betreft, was de EDPS van oordeel dat de criteria om de juistheid van de betrokken gegevens te beoordelen als buiten zijn taak moeten worden beschouwd en dat het voor hem ongepast zou zijn om in deze zaak tussenbeide te komen. Op 21 december 2005 schreef klager een brief aan de EDPS, waarin hij zijn bezwaren tegen het besluit kenbaar maakte. Volgens hem heeft hij geen antwoord op deze brief ontvangen.

1.2 In zijn klacht bij de Ombudsman beweerde klager dat de EDPS (1) zijn klacht van 1 juli 2005 niet naar behoren had behandeld; 2) zijn brief van 21 december 2005 niet inhoudelijk heeft behandeld; (3) geen antwoord heeft gegeven op een e-mail van 8 maart 2006; en 4) zijn klacht en verdere correspondentie op niet-transparante wijze hebben behandeld. Klager voerde aan dat de EDPS zijn klacht en verdere correspondentie naar behoren moet behandelen en dat hij actie moet ondernemen op basis van de toepasselijke regels.

1.3 De Ombudsman heeft een onderzoek ingesteld naar alle aantijgingen en beweringen van klager. Na een eerste analyse van het advies van de EDPS en de opmerkingen van klager verzocht hij de EDPS om nadere informatie over één aspect van de eerste bewering van klager.

2 Behandeling van een klacht tegen OLAF

2.1 Tot staving van zijn bewering dat de EDPS zijn klacht tegen OLAF niet naar behoren had behandeld, voerde klager aan dat, wat het eerste deel van zijn klacht betreft, het werk van de Ombudsman niet in de plaats kon komen van het werk van de EDPS. Aangezien de Europese wetgever een toezichthouder voor gegevensbescherming had ingesteld, kon deze zich niet onbekwaam verklaren op het gebied van gegevensbescherming. Bovendien was het duidelijk dat OLAF nog steeds weigerde de kritiek van de Ombudsman te aanvaarden, waardoor het nog minder begrijpelijk werd dat de EDPS van mening was dat het niet nodig zou zijn om in te grijpen. Met betrekking tot het tweede deel van zijn klacht voerde klager aan dat de EDPS geen begrijpelijk argument had aangevoerd voor zijn weigering om actie te ondernemen. Hij voerde aan dat, indien persoonsgegevens niet te goeder trouw door OLAF waren behandeld, dit zonder twijfel onder de bevoegdheid van de EDPS viel.

2.2 Naar zijn mening benadrukte de EDPS dat hij, zoals klager had aangenomen, niet verplicht was om in een specifieke zaak tussenbeide te komen wanneer hij daartoe bevoegd was. Op grond van artikel 46, onder a), van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (7) ("de verordening") kon hij beslissen of er voldoende gronden waren om het onderzoek voort te zetten indien uit een voorlopige evaluatie was gebleken dat hij bevoegd was om een klacht te behandelen en dat de klacht ontvankelijk was. Wat het eerste deel van de klacht betreft, betoogde de EDPS dat de voorafgaande betrokkenheid van de Ombudsman het zeer onwaarschijnlijk had gemaakt dat een interventie van hem de bevindingen van de Ombudsman zou hebben gewijzigd of aangevuld en dat verder onderzoek dus niet gerechtvaardigd zou zijn geweest. De EDPS voerde aan dat hij van mening was dat hij eerder prioriteit moest geven aan de kennisgevingen voor voorafgaande controle van de verwerkingen van OLAF, overeenkomstig artikel 27 van de verordening, aangezien deze voorafgaande controleactiviteiten waarschijnlijk zouden bijdragen tot de structurele verbetering van de naleving van de verordening op veel grotere schaal.

De EDPS voerde aan dat deze overwegingen ook relevant waren voor het tweede deel van de klacht. Hij verklaarde echter ook dat zijn conclusie op dit punt gebaseerd was op het standpunt dat "de criteria om de juistheid van de relevante gegevens te beoordelen (...) als buiten de taak van de EDPS moeten worden beschouwd". Een interventie om deze gegevens te beoordelen en eventueel te laten corrigeren zou ongepast zijn. Bovendien had het weinig zin om de verordening alleen te gebruiken om activiteiten in België en Duitsland te overlappen en er in wezen in te mengen, als deze nog steeds relevant zouden zijn. De EDPS voerde ook aan dat indien klager niet tevreden was met zijn besluit, hij zich tot de rechter had kunnen wenden.

2.3 Klager was in zijn opmerkingen van mening dat de EDPS nog steeds geen argumenten had aangevoerd ter ondersteuning van zijn standpunt dat het tweede deel van zijn klacht buiten zijn taak viel. Klager heeft geen opmerkingen gemaakt over het standpunt van de EDPS met betrekking tot het eerste deel van zijn klacht.

2.4 Wat het tweede deel van de klacht van klager betreft, was de Ombudsman er niet helemaal zeker van of hij de redenering waarop het standpunt van de EDPS was gebaseerd, volledig begreep. De Ombudsman betwijfelde met name of de EDPS van mening was dat dit aspect buiten zijn mandaat viel, of hij van mening was dat er onvoldoende redenen waren om in te grijpen of dat andere overwegingen volgens hem relevant waren. Daarom heeft de Ombudsman de EDPS verzocht te verduidelijken op welke gronden zijn standpunt was gebaseerd.

2.5 In zijn antwoord verklaarde de EDPS in wezen dat een onderzoek naar het tweede deel van de klacht in beginsel onder zijn bevoegdheid zou vallen, maar dat een complex van verschillende overwegingen hem tot de conclusie had gebracht dat verder onderzoek van deze kwestie niet gerechtvaardigd zou zijn geweest. De EDPS herinnerde eraan dat zijn besluit om een onderzoek in te stellen of voort te zetten een aantal discretionaire elementen bevat, die echter een adequate toelichting vereisen in elk afzonderlijk geval waarin het besluit negatief is. Hij voegt eraan toe dat hij de afgelopen jaren veel aandacht heeft besteed aan de wijze waarop OLAF de verordening in verschillende soorten onderzoeken ten uitvoer legt. Deze aanpak zou waarschijnlijk leiden tot meer structurele waarborgen voor een correcte toepassing van de verordening, in overeenstemming met de algemene prioriteiten van de EDPS.

2.6 Klager voerde in zijn opmerkingen aan dat de EDPS opnieuw onbegrijpelijke argumenten naar voren had gebracht en niet naar een rechtsgrondslag voor zijn besluit had verwezen.

2.7 Wat het eerste deel van de klacht van klager aan de EDPS betreft, acht de Ombudsman het nuttig te verwijzen naar punt B van het memorandum van overeenstemming tussen hem en de EDPS (8), dat op 30 november 2006 is ondertekend en waarin is bepaald dat, om onnodige doublures van procedures te voorkomen, "[n]iedere autoriteit voornemens is een onderzoek in te stellen indien de andere autoriteit in wezen dezelfde klacht behandelt of heeft behandeld, tenzij de klager significant nieuw bewijsmateriaal overlegt in een geval waarin de andere autoriteit haar onderzoek reeds heeft afgesloten". De Ombudsman is natuurlijk op de hoogte van het feit dat dit memorandum werd ondertekend nadat de EDPS zijn besluit over de zaak van klager had genomen. Hij wijst er echter op dat de reden voor het opstellen van bovengenoemde verklaring was dat zowel hij als de EDPS van mening waren dat een dergelijke verklaring passend zou zijn, op basis van hun ervaring en om een optimaal gebruik van de communautaire middelen te bereiken en een consistente aanpak van de juridische en administratieve aspecten van gegevensbescherming te bevorderen. Daarom is de Ombudsman van mening dat de EDPS ook vóór de ondertekening van het memorandum van overeenstemming redelijkerwijs had kunnen oordelen dat hij geen zaken hoefde te onderzoeken waarin de Ombudsman reeds een besluit had genomen.

2.8 In het onderhavige geval lijkt de eerste kwestie die klager bij de EDPS aan de orde stelde inderdaad samen te vallen met één aspect dat de Ombudsman heeft behandeld in zijn onderzoek naar klacht 2485/2004/GG (9). In zijn huidige klacht bij de Ombudsman heeft klager dit feit niet betwist, maar eerder aangevoerd dat de eerdere betrokkenheid van de Ombudsman bij dit aspect van zijn zaak niet in de plaats kon komen van de activiteiten van de EDPS op dit gebied. Rekening houdend met de discretionaire bevoegdheid van de EDPS om te beslissen of en hoe een klacht verder moet worden behandeld, lijkt het argument van de EDPS dat het onwaarschijnlijk leek dat zijn interventie iets zou hebben veranderd of toegevoegd aan de bevindingen van de Ombudsman aannemelijk.

2.9 Wat het tweede deel van de klacht van klager bij de EDPS betreft, stelt de Ombudsman met genoegen vast dat de EDPS in zijn antwoord op het verzoek om nadere informatie van de Ombudsman zijn standpunt heeft verduidelijkt door te stellen dat de zaak in beginsel onder zijn bevoegdheid zou vallen, maar dat een "complex van verschillende overwegingen" hem tot de conclusie had gebracht dat verder onderzoek niet gerechtvaardigd zou zijn geweest.

2.10 De Ombudsman is echter niet overtuigd van alle argumenten die volgens de EDPS tot dit "complex van verschillende overwegingen" behoorden. Zoals de klager heeft opgemerkt, zijn sommige van deze overwegingen inderdaad nogal onduidelijk. Hoewel de EDPS de overwegingen in vijf rubrieken heeft gestructureerd, heeft de Ombudsman slechts twee argumenten kunnen aanvoeren, namelijk dat 1) de evaluatie van de door OLAF verzamelde en doorgegeven gegevens nauw verband zou houden met de evaluatie van de gegrondheid van onderzoeken die OLAF en de nationale autoriteiten in de zaak van de klager hebben uitgevoerd, hetgeen op zijn beurt grotendeels buiten de bevoegdheid van de EDPS zou vallen, en 2) de door de klager gevraagde rectificatie en kennisgeving de gerechtelijke procedures op nationaal niveau zou hebben verstoord. Als de Ombudsman de EDPS echter goed begrijpt, is de EDPS ook nog steeds van mening (3) dat hij prioriteit moet geven aan de kennisgevingen voor voorafgaande controle van de verwerkingen van OLAF, overeenkomstig artikel 27 van de verordening, aangezien deze voorafgaande controleactiviteiten waarschijnlijk zouden bijdragen tot de structurele verbetering van de naleving van de verordening op veel grotere schaal. In dit verband voerde de EDPS aan dat het duidelijk moet zijn dat zijn besluit om een onderzoek op grond van artikel 46, onder a), van de verordening in te stellen of voort te zetten, een zekere beoordelingsmarge inhield.

2.11 Wat het eerste van deze argumenten betreft, merkt de Ombudsman op dat niets erop wijst dat een evaluatie van de gegevens in kwestie, namelijk de informatie die klager naar Washington zou verhuizen, in verband zou zijn gebracht met een evaluatie van de verdiensten van lopende onderzoeken. Zoals klager terecht heeft opgemerkt, heeft OLAF noch de nationale autoriteiten een onderzoek naar zijn verandering van verblijfplaats ingesteld. Voor zover de Ombudsman weet, hadden de bezwaren van klager met betrekking tot een zuiver feitelijke vraag kunnen worden onderzocht zonder een evaluatie van andere aspecten van zijn conflict met OLAF.

2.12 Wat het tweede argument van de EDPS betreft, vindt de Ombudsman het moeilijk in te zien hoe de door klager gevraagde concrete maatregelen de gerechtelijke procedures op nationaal niveau hadden kunnen verstoren. De Ombudsman merkt echter op dat op het moment dat klager zich tot de EDPS wendde, de op nationaal niveau ingeleide procedure met betrekking tot de inhoud van de zaak van klager nog niet was afgerond. Aangezien de verklaring van OLAF dat klager naar Washington zou verhuizen van invloed zou kunnen zijn geweest op de wijze waarop de nationale autoriteiten de zaak van klager hebben onderzocht, kan niet worden uitgesloten dat de betrokkenheid van de EDPS gevolgen zou hebben gehad voor deze onderzoeken. Daarom, en rekening houdend met het standpunt van de EDPS dat hij over een zekere beoordelingsmarge beschikt bij de behandeling van klachten, is de Ombudsman van mening dat het tweede argument van de EDPS niet zonder meer kan worden afgewezen.

2.13 Wat betreft het argument van de EDPS dat bepaalde soorten onderzoeken voorrang moeten krijgen boven andere, herinnert de Ombudsman eraan dat de EDPS, zoals hierboven vermeld, heeft aangevoerd dat hij over een zekere beoordelingsmarge beschikt bij de behandeling van klachten. Gezien dit standpunt zou het standpunt van de EDPS dat hij zich moet concentreren op activiteiten met een groter structureel effect, gerechtvaardigd kunnen zijn. De Ombudsman merkt ook op dat, zoals de EDPS heeft benadrukt, het besluit van de EDPS om zijn onderzoek naar de zaak van klager niet voort te zetten, geen invloed heeft gehad op de mogelijkheden van klager om zijn bezorgdheid in andere contexten kenbaar te maken. De EDPS voerde aan dat klager zijn standpunt over de zaak "in het kader van de passende procedures elders" had kunnen geven. Het lijkt waarschijnlijk dat de EDPS met deze verklaring doelde op de zaak die klager voor het Gerecht van eerste aanleg had gebracht (10) en misschien op zijn recht om een klacht in te dienen bij de Ombudsman.

2.14 De Ombudsman erkent dat de EDPS, in het licht van artikel 46, onder a) en b), van Verordening 45/2001, inderdaad over een zekere beoordelingsmarge beschikt ten aanzien van de klachten die hij moet onderzoeken en onderzoeken. De Ombudsman merkt ook op dat klager terecht van mening is dat de EDPS moet uitleggen waarom hij het in een bepaald geval niet gerechtvaardigd acht een onderzoek naar een klacht in te stellen of voort te zetten. Zoals in de punten 2.12 en 2.13 is geconcludeerd, is de motivering van het besluit van de EDPS van 1 december 2005 in het kader van dit onderzoek duidelijker naar voren gebracht en lijkt deze redelijk. In deze omstandigheden is de Ombudsman van mening dat verder onderzoek van zijn kant naar dit aspect van de klacht niet gerechtvaardigd zou zijn.

2.15 De Ombudsman is echter ook van mening dat het voor potentiële toekomstige klagers passend en zelfs zeer nuttig zou zijn als de EDPS in een algemeen beleidsdocument aankondigde welke algemene criteria of richtsnoeren hij van plan is toe te passen bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid met betrekking tot het horen en onderzoeken van bij hem ingediende klachten. De Ombudsman zal daarom in dit verband nog een opmerking maken.

3 Vermeend verzuim om de inhoud van een brief te behandelen

3.1 Met betrekking tot de bewering van klager dat de EDPS de inhoud van een op 21 december 2005 verzonden brief niet heeft behandeld, heeft de EDPS aangevoerd dat de inhoud van deze brief uitvoerig was behandeld in een op 16 mei 2006 verzonden antwoord.

3.2 Klager heeft hierover geen opmerkingen gemaakt.

3.3 De Ombudsman merkt op dat de brief van de EDPS van 16 mei 2006, waarvan hij een kopie heeft ontvangen, inderdaad lijkt in te gaan op de kwesties die klager in zijn brief aan de orde heeft gesteld. Aangezien klager het standpunt van de EDPS niet heeft betwist, is de Ombudsman derhalve van mening dat hij zijn onderzoek naar dit aspect van de klacht niet hoeft voort te zetten.

4 Vermeend verzuim om te antwoorden

4.1 Wat betreft het vermeende uitblijven van een antwoord van de EDPS op een e-mail van 8 maart 2006, erkende de EDPS dat het antwoord op deze e-mail inderdaad meer tijd had gekost dan passend zou zijn geweest, aangezien het pas in zijn brief van 16 mei 2006 werd behandeld. De EDPS benadrukte echter dat hij zich in die brief had verontschuldigd voor de vertraging. Hij had ook verklaard dat de vertraging geen invloed had gehad op de inhoud van zijn reactie op de bezwaren van klager.

4.2 Klager heeft over dit aspect van zijn klacht geen opmerkingen gemaakt.

4.3 De Ombudsman merkt op dat de EDPS heeft erkend dat zijn antwoord vertraging had opgelopen. Hij is ingenomen met het feit dat de EDPS zich bij klager heeft verontschuldigd voor deze vertraging. Gezien deze omstandigheden en gezien het feit dat klager geen opmerkingen over deze kwestie heeft gemaakt, is de Ombudsman van mening dat hij deze kwestie niet verder hoeft te onderzoeken.

5 Vermeend niet-transparante procedure

5.1 Met betrekking tot het vermeende gebrek aan transparantie in de procedure van de EDPS legde de EDPS uit dat een kopie van zijn besluit in de zaak van klager was toegezonden aan de directeur-generaal van OLAF, de functionaris voor gegevensbescherming van OLAF en de Ombudsman ter informatie. De EDPS verklaarde dat er in deze zaak geen andere correspondentie met andere organen had plaatsgevonden, aangezien zijn besluit was gebaseerd op een voorlopige beoordeling van de beschikbare feiten en de grond van de zaak en hij had geconcludeerd dat er geen verdere actie zou worden ondernomen.

5.2 Klager heeft over dit aspect van de zaak geen opmerkingen gemaakt.

5.3 De Ombudsman merkt op dat de EDPS verduidelijkingen heeft verstrekt over de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van zijn besluit in de zaak van klager en over de correspondentie die hij in zijn context heeft gevoerd. De door de EDPS verstrekte toelichtingen lijken plausibel en zijn door klager niet betwist. De Ombudsman concludeert derhalve dat verder onderzoek naar dit aspect van de klacht niet gerechtvaardigd zou zijn.

6 Vorderingen van klager

6.1 Klager voerde aan dat de EDPS zijn klacht en verdere correspondentie naar behoren moet behandelen en dat hij actie moet ondernemen op basis van de toepasselijke regels.

6.2 Gezien de conclusie van de Ombudsman dat klager zijn bewering dat de EDPS zijn klacht niet naar behoren heeft behandeld, niet heeft aangetoond, kunnen zijn vorderingen niet worden gehonoreerd.

7 Conclusie

Op basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht zou verder onderzoek naar de beweringen en beweringen van klager niet gerechtvaardigd zijn. De Ombudsman sluit daarom de zaak.

De EDPS zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.

BIJZONDERE OPMERKING

Hoewel de EDPS erkent dat hij in het licht van artikel 46, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 45/2001 inderdaad over een zekere beoordelingsmarge beschikt ten aanzien van de klachten die hij moet onderzoeken en onderzoeken, is de Ombudsman van mening dat het passend en zelfs zeer nuttig zou zijn voor potentiële toekomstige klagers als de EDPS in een algemeen beleidsdocument zou aankondigen welke criteria of richtsnoeren hij van plan is toe te passen bij de uitoefening van zijn beoordelingsbevoegdheid bij het openen van onderzoeken en het onderzoeken van klachten die bij hem worden ingediend. De Ombudsman zou het op prijs stellen als de EDPS hem in kennis zou kunnen stellen van de follow-up die hij van plan is aan deze verdere opmerking te geven.

Met vriendelijke groet,

 

P. Nikiforos DIAMANDOUROS


(1) Het besluit van de Ombudsman over die zaak is beschikbaar op zijn website (http://www.ombudsman.europa.eu/decision/en/021840.htm).

(2) Het speciaal verslag van de Ombudsman in deze zaak is beschikbaar op zijn website (http://www.ombudsman.europa.eu/special/pdf/en/042485.pdf).

(3) PB L 8, blz. 1.

(4) Advies van 23 juni 2006 over een kennisgeving met het oog op voorafgaande controle van interne onderzoeken van OLAF (zaak 2005-418).

(5) Zie voetnoot 1.

(6) Zie voetnoot 2.

(7) Zie voetnoot 3.

(8) PB 2007, C 27, blz. 21.

(9) Zie met name voetnoot 2, punt 1.9 van het speciaal verslag van de Ombudsman in die zaak.

(10) Zaak T-193/04, Tillack/Commissie, Jurispr. 2006, blz. II-3995.

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!