FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 2132/2003/GG tegen het Europees Parlement


Straatsburg, 29 maart 2004

Geachte heer X.,

Op 8 november 2003 heeft u bij mij een klacht ingediend tegen het Europees Parlement over de overdracht van door u in Duitsland en België verworven pensioenrechten aan de communautaire pensioenregeling. Op 17 november 2003 heeft u mij een aantal bewijsstukken toegezonden.

Op 26 november 2003 heb ik de klacht doorgestuurd naar de Voorzitter van het Europees Parlement. Het Parlement heeft op 13 januari 2004 advies uitgebracht. Ik heb het u op 19 januari 2004 toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 19 februari 2004 hebt toegezonden.

Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.


Het KLACHT

Klager is een gepensioneerd ambtenaar van het Europees Parlement. Voordat klager bij de overheidsdienst van de EU in dienst trad, werkte hij voor andere werkgevers in Duitsland en België en verwierf hij daar pensioenrechten.

Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII („Pensioenregeling”) bij het Statuut bepaalt:

"Een ambtenaar die in dienst van de Gemeenschappen treedt na:

het verlaten van de dienst van een overheidsdienst of van een nationale of internationale organisatie; of

- het uitoefenen van een werkzaamheid in loondienst of als zelfstandige;

heeft bij de vestiging het recht aan de Gemeenschappen hetzij de actuariële tegenwaarde, hetzij de forfaitaire aflossingswaarde te hebben betaald van de uit hoofde van deze dienst of werkzaamheden verworven rechten op ouderdomspensioen.

In dat geval bepaalt het orgaan waarbij de ambtenaar werkzaam is, met inachtneming van zijn rang in vaste dienst, het aantal pensioenjaren waarmee hij in het kader van zijn eigen pensioenregeling voor het vroegere diensttijdvak wordt gecrediteerd, op basis van het bedrag van de actuariële tegenwaarde of van de bedragen die op bovengenoemde wijze worden terugbetaald."

Blijkens de door het Parlement vastgestelde uitvoeringsbepalingen (en de door andere communautaire instellingen en organen vastgestelde uitvoeringsbepalingen) mag het aantal jaren dat aldus kan worden meegeteld, niet groter zijn dan het aantal jaren waarvoor de betrokkene bij een nationale pensioenregeling was aangesloten.

Bijgevolg kan slechts een deel van de aan de Gemeenschappen overgedragen pensioenrechten in aanmerking worden genomen voor de berekening van het krachtens de communautaire regeling verschuldigde pensioen. Zo zijn in het geval van Kristensen, een van de eisers in de zaak Kristensen (1), de pensioenrechten die voortvloeien uit een overdracht van nationale pensioenrechten die het equivalent van meer dan vier jaar en vijf maanden zou hebben bedragen, verlaagd tot het equivalent van twee jaar en acht maanden.

Uit de feiten van de zaak Kristensen blijkt dat de Europese Commissie, het Hof van Justitie en de Rekenkamer aan de betrokken ambtenaar het deel van de uit hoofde van het nationale recht verworven pensioenrechten teruggeven dat niet wordt gebruikt voor de berekening van het pensioen uit hoofde van het gemeenschapsrecht. De Raad en het Europees Parlement hebben deze bedragen echter niet teruggegeven aan de betrokken ambtenaren, maar hebben ze gestort in de begroting van de Europese Gemeenschappen tot het arrest in de zaak-Kristtensen.

In zijn arrest in de zaak Kristensen oordeelde het Hof dat de nationale pensioenrechten die waren overgedragen aan de communautaire regeling, maar die niet in aanmerking konden worden genomen voor de toepassing van de communautaire regeling, toebehoorden aan de ambtenaar en aan laatstgenoemde moesten worden terugbetaald (2).

Klager stemde ermee in zijn in Duitsland en België verworven pensioenrechten in 1996 over te dragen aan de communautaire regeling.

Op 1 januari 2003 heeft klager zich uit de dienst van het Parlement teruggetrokken. Zijn pensioenrechten zijn vastgesteld bij een besluit van het Parlement van 17 december 2002. Volgens dit besluit hebben zijn werkjaren bij het Europees Parlement (3) en de pensioenrechten die hij in Duitsland en België had verworven en die naar de Gemeenschap waren overgeheveld, geresulteerd in een theoretisch pensioen van 72 83333 % van zijn laatste basissalaris. Rekening houdend met het feit dat klager gedurende het eerste jaar en de elf maanden na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar bleef werken, werd zijn theoretische pensioen verhoogd tot 79 44583 % van zijn laatste basissalaris. Aangezien het maximale ouderdomspensioen echter 70 % van het laatste basissalaris van de ambtenaar bedraagt (4), werd het pensioen van klager tot dit bedrag verlaagd.

In maart 2003 werd klager op de hoogte gebracht van het arrest in de zaak Kristensen. Daarop heeft hij overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het besluit van het Parlement tot vaststelling van zijn pensioenrechten. In zijn klacht was klager van mening dat van het equivalent van 11 jaar en 5 maanden dat was overgedragen van de Duitse en Belgische pensioenregelingen, het equivalent van 4 jaar en 3 maanden aan hem moest worden teruggegeven. Deze klacht werd op 6 augustus 2003 door het Parlement afgewezen.

In zijn klacht bij de Ombudsman maakte klager bezwaar tegen het besluit van het Parlement van 17 december 2002 tot vaststelling van zijn pensioenrechten. Hij voerde aan dat het Europees Parlement hem geen volledige en juiste informatie had verstrekt om hem in staat te stellen de betekenis te beoordelen van de overeenkomst die hij met betrekking tot de overdracht van zijn pensioenrechten had gesloten. Volgens klager vormde dit gebrek aan informatie nalatigheid of zelfs misbruik van bevoegdheid door het Parlement.

Klager voerde aan dat hij, gezien het zeer gespecialiseerde karakter van het onderwerp, om de overdracht had verzocht, waarbij hij zijn vertrouwen volledig in de administratie stelde en de gevolgen niet kon beoordelen.

Klager verzocht om schadevergoeding, bestaande uit de terugbetaling van het teveel aan overgedragen bedragen dat het Parlement had ontvangen en/of van het deel van het Belgische pensioen dat het Parlement te veel had ontvangen van de Belgische Pensioendienst.

Klager vroeg zich ook af waarom in twee documenten die het Parlement in respectievelijk 1999 en 2000 had opgesteld en waarin hem werd geïnformeerd over zijn pensioenrechten, verschillende bedragen waren vermeld met betrekking tot de overgedragen pensioenrechten.

Het onderzoek

Advies van het Europees Parlement

In zijn advies heeft het Europees Parlement de volgende opmerkingen gemaakt:

Over de noodzaak om de Kristensen-zaak toe te passen

De zaak Kristensen betrof een andere situatie. In deze zaak moest het Hof zich buigen over de vraag of het op basis van de nationale pensioenrechten berekende aantal pensioenjaren kon worden beperkt tot het aantal jaren dat de ambtenaar daadwerkelijk in de betrokken lidstaten had gewerkt (“plafonnement”). Deze vraag is in casu niet gerezen. Overeenkomstig het besluit van 18 juni 1996 was het equivalent van elf jaar en vijf maanden daadwerkelijk overgedragen en in aanmerking genomen voor de berekening van het pensioen in het kader van de communautaire regeling.

De beperking van het pensioen tot 70 % van het laatste basissalaris overeenkomstig artikel 77 van het Statuut gold voor alle ambtenaren, ongeacht of zij eerdere pensioenrechten hadden overgedragen dan wel al hun pensioenrechten in het kader van de communautaire regeling hadden verworven.

Nalatigheid, fouten en misbruik van bevoegdheid

Op 18 juni 1996 had klager ermee ingestemd de pensioenrechten die hij in Duitsland en België had verworven, over te dragen aan de communautaire regeling. De verplichting van de administratie om rekening te houden met de belangen van de ambtenaar werd beperkt door de noodzaak om de geldende regels in acht te nemen. In het Statuut is het pensioen echter duidelijk beperkt tot maximaal 70 % van het laatste basissalaris.

Anderzijds bleek uit de tabel bij het voorstel tot overdracht van de Belgische pensioenrechten dat na deze overdracht het maximumbedrag van het pensioen (70 %) reeds op de leeftijd van 60 jaar zou worden bereikt. Klager had de Pensioendienst van het Parlement kunnen verzoeken de overtollige annuïteiten te berekenen en niet over te dragen aan de communautaire regeling.

Het valt nauwelijks te ontkennen dat klager bij de voorbereiding van de documenten die nodig zijn voor de overdracht van zijn pensioenrechten noodzakelijkerwijs nauw contact had gehad met de betrokken diensten en om alle informatie had kunnen vragen die hij nodig had.

De inconsistentie tussen de twee documenten die in 1999 en 2000 ter informatie aan klager werden verstrekt, was te wijten aan een betreurenswaardige fout. Deze fout heeft echter geenszins afbreuk gedaan aan de juistheid van het besluit van het Parlement tot vaststelling van de pensioenrechten van klager, dat in december 2002 is vastgesteld en hem in januari 2003 is meegedeeld. Bovendien werd in beide documenten melding gemaakt van de beperking van het pensioen tot maximaal 70 % van het laatste basissalaris. Klager heeft desalniettemin geen contact opgenomen met de betrokken diensten om uitleg te vragen.

Voorts moet worden opgemerkt dat klager met pensioen ging op de leeftijd van 61 jaar en 11 maanden, niet op de leeftijd van 60 jaar, en dat hij de administratie nooit heeft gevraagd naar de gevolgen van deze verlenging van de periode van bijdragen aan de pensioenregeling.

Wat het gestelde misbruik van bevoegdheid betreft, had klaagster, zoals de rechtspraak van de gemeenschapsrechter verlangt (5), op basis van objectieve en onderling overeenstemmende gegevens niet aangetoond dat de beslissing voor andere dan de genoemde doeleinden was genomen.

Op basis van het bovenstaande stelde het Parlement dat het de geldende regels correct had toegepast en geen nalatigheid, fouten of misbruik van bevoegdheid had begaan.

Samen met zijn advies heeft het Parlement een aantal bewijsstukken overgelegd, waaronder een kopie van een brief aan het Bundesversicherungsanstalt für Angestellte (BFA) van 4 juni 1996. Deze brief, die op 18 juni 1996 door klager is ondertekend, bevat een verklaring volgens welke ondergetekende verklaart dat hij a) definitief afziet van de mogelijkheid van overdracht of b) instemt met de overdracht van de nationale pensioenrechten aan de Gemeenschapsregeling. De tweede mogelijkheid werd vermeld op het document waarvan het Parlement een kopie heeft ingediend.

Opmerkingen van klager

In zijn opmerkingen maakte klager de volgende opmerkingen:

De specifieke en gecompliceerde aard van het onderwerp had hem slechts geleidelijk in staat gesteld om meer te weten te komen over de problemen waarmee hij werd geconfronteerd. Juist de inconsistentie van de informatie die hij van het Parlement had ontvangen, had het hem moeilijk gemaakt om de zaak te beoordelen.

Na nadere en nauwkeurigere informatie te hebben verkregen, was het juist om te zeggen dat het arrest in de zaak Kristensen niet van toepassing was op de onderhavige zaak.

Uit het onderzoek van de documenten waarover hij beschikte, bleek dat hij een van de twee in de brief aan het Bundesverfassungsgericht van 4 juni 1996 genoemde mogelijkheden niet had vermeld. De diensten van het Parlement leken deze omissie te hebben gecorrigeerd door de tweede mogelijkheid aan te vinken. De Ombudsman werd verzocht dit na te gaan door een vergelijking te maken van de kopie van de brief die klager hem reeds had toegezonden. Hoewel het Parlement ongetwijfeld te goeder trouw had gehandeld, vormde dit feit een kennelijke procedurefout die de gehele overdracht van de Duitse pensioenrechten ongeldig maakte. Het BfA zou hiervan in kennis worden gesteld.

BESLUIT

1 Het niet verstrekken van volledige en correcte informatie

1.1 Klager is gepensioneerd ambtenaar van het Europees Parlement. Voordat klager bij de overheidsdienst van de EU in dienst trad, werkte hij voor andere werkgevers in Duitsland en België en verwierf hij daar pensioenrechten. In 1996 aanvaardde klager dat deze pensioenrechten moesten worden overgedragen aan de communautaire pensioenregeling. Als gevolg van deze overplaatsing had klager reeds op de leeftijd van 60 jaar het maximumpensioen bereikt dat op grond van het Statuut is toegestaan (70 % van het laatste basissalaris). Klager ging eind 2002 echter pas met pensioen op de leeftijd van 61 jaar en 11 maanden. Hoewel hij het volgens het Statuut toegestane maximumpensioen ontvangt, zou hij zich in een betere financiële positie hebben bevonden indien slechts een deel van de pensioenrechten die hij in Duitsland en België had verworven, naar de communautaire regeling was overgeheveld.

1.2 Klager beweerde dat het Europees Parlement hem geen volledige en correcte informatie had verstrekt om hem in staat te stellen de betekenis te beoordelen van de overeenkomst die hij met betrekking tot de overdracht van zijn pensioenrechten had gesloten. Hij voerde aan dat hij, gezien het zeer gespecialiseerde karakter van het onderwerp, om de overdracht had verzocht, waarbij hij zijn vertrouwen volledig in de administratie stelde en de gevolgen niet kon beoordelen. Volgens klager vormde het ontbreken van volledige en correcte informatie nalatigheid of zelfs misbruik van bevoegdheid door het Parlement. Klager wees ook op een inconsistentie tussen twee documenten die het Parlement hem in 1999 en 2000 ter informatie had verstrekt.

1.3 In zijn advies stelde het Parlement dat het de geldende regels correct had toegepast en zich niet schuldig had gemaakt aan nalatigheid, fouten of misbruik van bevoegdheid. Het Parlement was van mening dat de plicht van de administratie om rekening te houden met de belangen van de ambtenaar werd beperkt door de noodzaak om de geldende regels in acht te nemen en benadrukte dat het Statuut het pensioen duidelijk beperkt tot maximaal 70 % van het laatste basissalaris. Zij wees erop dat in de tabel bij het voorstel tot overdracht van de Belgische pensioenrechten was aangegeven dat na deze overdracht het maximumbedrag van het pensioen (70 %) reeds op de leeftijd van 60 jaar zou worden bereikt. Volgens het Parlement kan moeilijk worden ontkend dat klager bij de voorbereiding van de documenten die nodig zijn voor de overdracht van zijn pensioenrechten noodzakelijkerwijs nauw contact had gehad met de betrokken diensten en om alle informatie had kunnen vragen die hij nodig had. Het Parlement gaf toe dat er een inconsistentie was tussen de twee documenten die in 1999 en 2000 aan klager waren verstrekt en voerde aan dat dit te wijten was aan een betreurenswaardige fout. Volgens het Parlement heeft deze fout echter geenszins afbreuk gedaan aan de juistheid van het besluit van het Parlement tot vaststelling van de pensioenrechten van klager, dat in december 2002 was vastgesteld en hem in januari 2003 was meegedeeld.

1.4 De Ombudsman is van mening dat twee inleidende opmerkingen moeten worden gemaakt. Ten eerste trachtte klager zich in zijn klacht te baseren op het arrest van het Gerecht van eerste aanleg in de zaak Kristensen (6). In zijn advies betwistte het Parlement de relevantie van deze zaak voor de onderhavige klacht en in zijn opmerkingen aanvaardde klager dat het genoemde arrest niet van toepassing is op zijn zaak. Ten tweede merkt de Ombudsman op dat artikel 77 van het Statuut bepaalt dat het maximumpensioen dat in het kader van de communautaire pensioenregeling kan worden toegekend, 70 % van het laatste basissalaris bedraagt. Aangezien dit het bedrag is dat in het besluit van het Parlement van 17 december 2002 aan klager is toegekend, is het duidelijk dat klager dit besluit niet als zodanig aanvecht, maar de voorafgaande overdracht van (een deel van) de pensioenrechten die hij in Duitsland en België had verworven.

1.5 Deze overplaatsingen worden geregeld in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII ("Pensioenregeling") bij het Statuut. De Ombudsman is het ermee eens dat de desbetreffende bepalingen en de wijze waarop zij ten uitvoer worden gelegd niet gemakkelijk te begrijpen zijn voor degenen die zich niet op dit gebied specialiseren. Het is daarom van belang dat de administratie de ambtenaar voldoende informatie verstrekt om hem in staat te stellen het belang en de gevolgen van een dergelijke overplaatsing te begrijpen. Er moet echter ook rekening worden gehouden met het feit dat een dergelijke overplaatsing alleen plaatsvindt met toestemming van de betrokken ambtenaar. Daarom kan van ambtenaren worden verwacht dat zij de administratie om nadere en meer specifieke informatie vragen, indien de beschikbare informatie niet voldoende is om alle kwesties op te helderen.

1.6 In het onderhavige geval merkt de Ombudsman op dat uit de tabel bij het voorstel tot overdracht van de Belgische pensioenrechten blijkt dat na deze overdracht het maximumbedrag van het pensioen (70 %) reeds op de leeftijd van 60 jaar zou worden bereikt. De relevante informatie gaat onmiddellijk vooraf aan de handtekeningen van de verantwoordelijke personen bij het Europees Parlement en van de klager zelf. Het feit dat het maximumbedrag van het pensioen dat in het kader van de communautaire pensioenregeling aan klager kon worden toegekend, 70 % van zijn laatste basissalaris bedroeg, is vastgelegd in artikel 77 van het Statuut. Dit werd ook vermeld in de twee informatiedocumenten die klager in 1999 en 2000 van het Parlement had ontvangen. Hoewel het betreurenswaardig is dat sommige van de andere cijfers in deze documenten enigszins uiteenliepen, blijft het een feit dat klager er geen twijfel over zou kunnen hebben dat hij geen pensioen van meer dan 70 % van zijn laatste basissalaris zou ontvangen, zelfs als hij na de leeftijd van 60 jaar zou blijven werken. De Ombudsman is van mening dat het Parlement in deze omstandigheden redelijkerwijs had kunnen verwachten dat klager zijn diensten om informatie en advies zou vragen alvorens in te stemmen met de overdracht van zijn nationale pensioenrechten indien hij twijfels of vragen had.

1.7 In zijn opmerkingen over het standpunt van het Parlement stelde klager dat er sprake was van een kennelijke procedurefout die de volledige overdracht van de Duitse pensioenrechten ongeldig maakte. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwees klager naar de brief aan de BfA (Bundesversicherungsanstalt für Angestellte, het Duitse pensioenbureau) van 4 juni 1996, waarin klager verklaarde in te stemmen met de overdracht van de Duitse pensioenrechten aan de communautaire regeling. Volgens klager was het desbetreffende vakje niet door hem aangevinkt, maar door de diensten van het Parlement. De Ombudsman merkt echter op dat klager de goede trouw van het Parlement niet in twijfel trekt en evenmin betwist dat hij de desbetreffende brief heeft ondertekend en ook een door het Parlement opgestelde nota heeft goedgekeurd en ondertekend waarin het tijdstip en het bedrag van de desbetreffende overschrijving zijn vermeld. Bovendien zou, zelfs indien het standpunt van klager dat de gehele overdracht nietig was, zou worden aanvaard, het waarschijnlijke gevolg zijn dat klager nog steeds zijn Duitse pensioen van het BfA zou kunnen vorderen.

1.8 In deze omstandigheden is de Ombudsman van mening dat er geen sprake lijkt te zijn van wanbeheer door het Europees Parlement. Het is dus niet nodig om de verdere onderzoeken uit te voeren die klager in zijn opmerkingen heeft voorgesteld, noch om in te gaan op de argumenten die klager naar voren heeft gebracht op basis van zijn bewering dat er sprake was van wanbeheer.

2 Conclusie

Op basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht lijkt er geen sprake te zijn geweest van wanbeheer door het Europees Parlement. De Ombudsman sluit daarom de zaak.

De voorzitter van het Europees Parlement zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.

Met vriendelijke groet,

 

P. Nikiforos DIAMANDOUROS


(1) Gevoegde zaken T-103/98, T-104/98, T-107/98, T-113/98 en T-118/98, Kristensen e.a./Raad, Jurispr. 1999, blz. I-A-215, II-1111.

(2) Loc. cit., punten 40-45.

(3) Overeenkomstig artikel 77 van het Statuut en artikel 2 van bijlage VIII bij het Statuut wordt het pensioen berekend op basis van het totale aantal door de ambtenaar verworven pensioenjaren, met een maximum van 35 jaar. Het maximale ouderdomspensioen bedraagt 70 % van het laatste basissalaris.

(4) Zie vorige voetnoot.

(5) Zie bijvoorbeeld gevoegde zaken T-33/89 en T-74/89, Blackman/Parlement, Jurispr. 1993, blz. II-249, punt 54.

(6) Gevoegde zaken T-103/98, T-104/98, T-107/98, T-113/98 en T-118/98, Kristensen e.a./Raad, Jurispr. 1999, blz. I-A-215, II-1111.

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!