FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 495/2003/ELB tegen de Europese Commissie

De klagers waren een echtpaar dat beiden als gedetacheerde nationale deskundigen bij de Commissie werkte. Hun klacht had betrekking op het recht van de echtgenote op toelagen. De Commissie heeft haar lagere verblijfsvergoedingen toegekend omdat haar veronderstelde woonplaats haar detacheringsplaats (Brussel) was. Volgens de klagers was haar plaats van aanwerving Parijs en had zij bijgevolg de volledige verblijfsvergoeding moeten ontvangen.

In haar advies heeft de Commissie uiteengezet dat, overeenkomstig artikel 20 van de beschikking van de Commissie van 30 april 2002 waarin dergelijke toelagen werden geregeld, de hoofdverblijfplaats van de echtgenoot Brussel was. De woonplaats van de echtgenote was dus ook Brussel en zij had alleen recht op de verlaagde toelagen.

Na vergelijking van de Franse en de Engelse versie van het besluit van de Commissie stelde de Ombudsman een minnelijke schikking voor. Hij stelde voor dat de Commissie zou kunnen overwegen de echtgenote i) de volledige dagvergoeding te betalen waarop zij volgens de Franse versie van artikel 17 recht leek te hebben, en ii) de aanvullende forfaitaire vergoeding waarop zij volgens zowel de Engelse als de Franse versie van artikel 18 recht leek te hebben.

De Commissie verwierp het voorstel. Zij was van mening dat de opsteller van het besluit de betaling van de hogere toelage wilde uitsluiten wanneer de deskundige was gedetacheerd naar een plaats waar zijn echtgenoot reeds was gevestigd. De Commissie gaf toe dat de Franse versie van de beschikking een vertaalfout bevatte, maar was van mening dat een dergelijke fout geen recht kon doen ontstaan en geen geval van wanbeheer vormde.

In februari 2004 heeft de Commissie een nieuwe beschikking vastgesteld waarbij zowel de Franse als de Engelse tekst werd gewijzigd om uitvoering te geven aan wat zij in de beschikking van 2002 had willen doen.

In december 2005 heeft de Ombudsman de verantwoordelijke commissaris een brief gestuurd met het verzoek hem persoonlijk te betrekken bij het zoeken naar een bevredigend resultaat van de klacht, waarin hij aangaf dat dit de vorm zou kunnen aannemen van een betaling ex gratie aan de klagers. Het antwoord van de commissaris was van mening dat de Commissie de toepasselijke regels correct had geïnterpreteerd en verwierp het voorstel van de Ombudsman.

De Ombudsman was van mening dat de Commissie oneerlijk had gehandeld door klagers in wezen te behandelen alsof het nieuwe besluit in plaats van het eerdere besluit op de relevante datum van kracht was. Dit was een geval van wanbeheer en de Ombudsman maakte een kritische opmerking. Bovendien betreurt hij het dat de Commissie geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om haar gehechtheid aan de beginselen van behoorlijk bestuur aan te tonen. De Ombudsman kondigde zijn voornemen aan om samen met de verantwoordelijke commissaris na te gaan hoe een cultuur van dienstverlening in het betrokken directoraat-generaal het best kan worden bevorderd.


Straatsburg, 13 december 2006

Geachte mevrouw P. en de heer D.,

Op 6 maart 2003 heeft u overeenkomstig Besluit C(2002)1559 van de Commissie van 30 april 2002 bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen de Commissie met betrekking tot de veronderstelde woonplaats van mevrouw P. als nationaal detacheringsdeskundige.

Op 27 maart 2003 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Commissie. De Commissie heeft op 30 juni 2003 advies uitgebracht. Ik heb het u toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 10 september 2003 hebt toegezonden. Op 20 november 2003 heb ik de Commissie om nadere informatie verzocht. De Commissie heeft haar aanvullende opmerkingen op 19 december 2003 toegezonden. Ik heb ze u toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 24 februari 2004 en 16 maart 2004 hebt toegezonden.

Op 26 oktober 2004 heb ik de voorzitter van de Commissie schriftelijk verzocht om een minnelijke schikking van uw klacht. De Commissie heeft haar antwoord op 6 januari 2005 toegezonden. Ik heb het u toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 21 februari 2005 hebt toegezonden.

Op 24 mei 2005 heb ik de Commissie om aanvullende informatie verzocht en u dienovereenkomstig op dezelfde datum in kennis gesteld. Op 8 juli 2005 heeft de Commissie op mijn verzoek geantwoord. Ik heb u het antwoord van de Commissie doen toekomen en u verzocht opmerkingen te maken, die u op 18 augustus 2005 hebt toegezonden.

Op 15 december 2005 heb ik commissaris Kallas over uw klacht geschreven. Het antwoord van commissaris Kallas is op 5 april 2006 ontvangen. Ik heb u verzocht opmerkingen te maken over dit antwoord, dat u op 22 juni 2006 hebt gedaan.

U hebt telefonisch contact opgenomen met mijn diensten op de volgende data: 18 juni 2003, 23 juli 2003, 4 november 2003, 15 maart 2004, 18 juni 2004, 24 januari 2005, 10 mei 2005, 15 juli 2005, 15 november 2005 en 24 mei 2006.

Op 29 juli 2004, 5 oktober 2004 en 13 februari 2006 heb ik u informatie gestuurd over de behandeling van uw klacht.

Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.


Het KLACHT

Volgens de klagers zijn de relevante feiten, samengevat, als volgt:

De klagers zijn gehuwd en werken beide als gedetacheerde nationale deskundigen bij het directoraat-generaal Energie en Vervoer van de Commissie ("DG Energie en Vervoer"), de heer D. sinds juni 2002 en mevrouw P. sinds juli 2002. Voor hun detachering werkten ze bij het Franse ministerie van Infrastructuur, Vervoer en Huisvesting in Parijs. Op 30 juli 2002 deelde de Commissie P. mee dat zij overeenkomstig besluit C(2002)1559 van de Commissie van 30 april 2002 betreffende de regeling die van toepassing is op nationale detacheringsdeskundigen bij de Commissie, slechts 25 % van de verblijfsvergoeding zou ontvangen omdat haar veronderstelde woonplaats Brussel was, aangezien haar echtgenoot reeds in Brussel woonde. Haar echtgenoot ontvangt de volledige verblijfsvergoeding en zijn woonplaats is Parijs.

De klagers hebben meermaals contact opgenomen met de Commissie om uitleg te krijgen. De Commissie heeft haar besluit gebaseerd op artikel 20, lid 3, onder b), van Besluit C(2002)1559, waarin (met vermelding van de Engelse versie) het volgende is bepaald: "[d]e veronderstelde woonplaats is de plaats van detachering (...) wanneer op het tijdstip van het verzoek van de Commissie om detachering de plaats van detachering de hoofdverblijfplaats is van de echtgenoot van de GND of van een van zijn kinderen ten laste."

In de Franse versie van het besluit bepaalt artikel 17, lid 1, het bedrag van de dagvergoedingen op basis van de afstand tussen de plaats van aanwerving en de plaats van detachering, en niet op basis van de afstand tussen de plaats van de veronderstelde verblijfplaats en de plaats van detachering (1). Aangezien P. ten tijde van het detacheringsverzoek van de Commissie te Parijs werkzaam was, diende zij derhalve de volledige verblijfsvergoeding te ontvangen overeenkomstig het op dat tijdstip aan haar toegezonden besluit.

Volgens de klagers was het onjuist om het begrip plaats van aanwerving te negeren of te identificeren met de plaats van veronderstelde verblijfplaats. De beschikking van de Commissie ten aanzien van mevrouw P. was niet in overeenstemming met beschikking C(2002)1559 van de Commissie van 30 april 2002.

De bepaling van artikel 20, lid 3, onder b), was niet van toepassing op niet-gehuwde paren of op een GND van wie de echtgenoot na het detacheringsverzoek naar Brussel komt. Bovendien gold het alleen voor de echtgenoot die als laatste was gedetacheerd en leidde het niet tot een gelijke vermindering voor beide echtgenoten. Ten slotte impliceerde het huwelijk geen gezamenlijk beheer. De kosten van de ontheemding van beide klagers mogen niet worden gedekt door de toelagen van slechts één van de echtgenoten.

Tot slot betreurden de klagers het gedrag van de Commissie, die hun geen gedetailleerde antwoorden heeft gegeven.

Samenvattend voerden de klagers aan dat de Commissie haar besluit van 30 april 2002, met name artikel 17, niet had nageleefd en dat zij, aangezien de plaats van aanwerving van mevrouw P. Parijs was, de volledige verblijfsvergoeding moest ontvangen. Bovendien voerden zij aan dat de beschikking van de Commissie van 30 april 2002 gehuwde paren discrimineerde.

Het onderzoek

Advies van de Commissie

Het standpunt van de Commissie over de klacht kan als volgt worden samengevat:

Artikel 17, lid 1, van het besluit van de Commissie van 30 april 2002 stelt het bedrag van de dagvergoedingen vast op basis van de afstand tussen de veronderstelde woonplaats en de plaats van detachering. Wanneer deze woonplaats zich op minder dan 150 km van de standplaats bevindt, wordt zij verlaagd tot 25 % van de totale toelagen.

Artikel 20, lid 1, bepaalt: "Voor de toepassing van deze regeling is de plaats waar de GND onmiddellijk voorafgaand aan de detachering zijn werkzaamheden voor de werkgever heeft verricht, de plaats waar hij geacht wordt zijn woonplaats te hebben."

In artikel 20, lid 3, onder b), van hetzelfde besluit is echter duidelijk bepaald dat "[d]e veronderstelde woonplaats [...] de plaats van detachering [is] wanneer de plaats van detachering de hoofdverblijfplaats is van de echtgenoot van de GND of van een van zijn kinderen ten laste.

Volgens de Commissie discrimineerden deze regels gehuwde paren niet. Zij waren namelijk naar analogie van toepassing op alle geformaliseerde partnerschappen die als zodanig zijn erkend in de relevante nationale wetgeving van de staat waartoe de GND behoorde.

De verblijfsvergoeding dient ter dekking van de kosten van levensonderhoud op de plaats van detachering (vestiging, huisvesting, openbare nutsvoorzieningen, enz.). De Commissie was van mening dat, in het geval van een echtpaar, bijna al deze kosten zijn gedekt door de volledige toelagen die worden toegekend aan een van de twee betrokken echtgenoten die reeds op de plaats van detachering woont, en dat een verblijfsvergoeding van 25 % derhalve volledig gerechtvaardigd is voor de andere echtgenoot.

Dit was precies het geval voor de klagers, die herhaaldelijk volledige informatie en volledige uitleg hebben ontvangen over de wijze waarop het besluit van de Commissie op hun persoonlijke situatie van toepassing is.

Opmerkingen van klagers

In hun opmerkingen maakten de klagers samenvattend de volgende opmerkingen:

Anders dan de Commissie in haar advies heeft opgemerkt, bepaalt artikel 17, lid 1, van de beschikking van 30 april 2002 de hoogte van de dagvergoedingen op basis van de afstand tussen de plaats van aanwerving en de plaats van detachering. Mevrouw P. werd gerekruteerd in Parijs, waar ze werkte. De klagers waren van mening dat het onjuist was om het begrip plaats van aanwerving te negeren of te identificeren met de veronderstelde verblijfplaats.

Volgens de klagers was deze bepaling, die alleen van toepassing was op gehuwde paren, discriminerend. Het betreft nationale detacheringsdeskundigen van wie de echtgenoten ten tijde van het detacheringsverzoek reeds in Brussel wonen, en niet de deskundigen die zich na het detacheringsverzoek bij hun echtgenoot voegen. De economische situatie van het echtpaar is in beide gevallen identiek. Het centrum van de belangstelling van beide klagers is Frankrijk en niet Brussel, waar zij slechts tijdelijk werken. De klagers hebben een parallel getrokken met de ontheemdingstoelage die ambtenaren en functionarissen van de Europese Commissie ontvangen. Deze uitkering wordt toegekend ongeacht de situatie van de echtgenoot. Bovendien is deze bepaling niet van toepassing op nationale deskundigen die reeds werkzaam zijn in ambassades en permanente vertegenwoordigingen in Brussel. Zij ontvangen een volledige uitkering, ongeacht de situatie van hun echtgenoot.

Het recht om te trouwen en een gezin te stichten zijn grondrechten die zijn opgenomen in het Handvest van de grondrechten. De uitoefening van deze rechten mag niet leiden tot een financiële sanctie voor een van de echtgenoten. De kosten in verband met een detachering mogen niet alleen worden gedekt door de toelagen van een echtgenoot die onder dezelfde voorwaarden is aangeworven.

Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Handvest van de grondrechten voorzien in het beginsel van gelijke behandeling.

Overeenkomstig artikel 18 van het besluit van 30 april 2002 maken de dagvergoedingen deel uit van het salaris. P. wordt geacht in categorie A te vallen, maar haar totale salaris is aanzienlijk lager dan het laagste salaris in categorie A. Op 7 oktober 2002 hebben de klagers verzocht dit verschil goed te maken, aangezien het ook voortvloeit uit het begrip "plaats van aanwerving". Zij kregen geen antwoord.

Nadere inlichtingen

Na zorgvuldige bestudering van het standpunt van de Commissie en de opmerkingen van de klagers bleek dat nader onderzoek noodzakelijk was. De Ombudsman verzocht de Commissie hem mee te delen of de bepalingen van het besluit van de Commissie van 30 april 2002, met name artikel 20, lid 3, onder b), van toepassing waren op de volgende gevallen:

  • niet-gehuwde paren, die beide GND's zijn;
  • GND's wier echtgenoten pas na indiening van het detacheringsverzoek in Brussel komen wonen;
  • GND's die zijn aangeworven in ambassades of permanente vertegenwoordigingen in Brussel.
Aanvullend antwoord van de Commissie

Het verdere antwoord van de Commissie kan als volgt worden samengevat:

De bepalingen van het besluit van de Commissie van 30 april 2002, met name artikel 20, lid 3, onder b), zijn ook van toepassing op alle niet-gehuwde paren wanneer hun partnerschap als zodanig wordt erkend door de relevante nationale wetgeving van de staat waartoe de GND behoort.

De bepalingen van het besluit van de Commissie kunnen alleen van toepassing zijn op GND's die bij de diensten van de Commissie zijn gedetacheerd. Indien de echtgeno(o)t(e) die in Brussel komt wonen een GND is, zijn de bepalingen op deze persoon van toepassing. Indien de echtgeno(o)t(e) die in Brussel komt wonen geen GND is, kunnen de bepalingen duidelijk niet op hem/haar worden toegepast.

Het besluit van de Commissie sluit GND's die zijn aangeworven in ambassades of permanente vertegenwoordigingen in Brussel uitdrukkelijk uit van de toepassing van deze regel.

De klagers verklaarden dat de door de Commissie betaalde vergoedingen deel uitmaakten van het salaris. Dit geldt niet voor GND's. Artikel 1, lid 2, van de regeling die van toepassing is op GND's bepaalt duidelijk: "De onder deze regeling vallende personen blijven gedurende de gehele duur van hun detachering in dienst van hun werkgever en blijven door deze werkgever worden betaald". Bijgevolg bestaat er geen contractuele relatie tussen de Commissie en GND’s. De tussen de Commissie en de werkgever van de GND overeengekomen betaling van verblijfsvergoedingen dient ter dekking van de kosten van levensonderhoud op de plaats van detachering.

Bovendien verklaarden de klagers dat zij op 7 oktober 2002 verzochten om toepassing van artikel 18 van het besluit van de Commissie betreffende GND's met betrekking tot de aanvullende forfaitaire vergoeding en dat aan dit verzoek geen gevolg was gegeven. Op 10 december 2002 heeft mevrouw P. een negatief antwoord ontvangen. Artikel 18, lid 1, van de regeling die van toepassing is op GND's bepaalt namelijk: "Wanneer de standplaats van de gedetacheerde nationale deskundige niet meer dan 150 km van de standplaats verwijderd is, ontvangt hij in voorkomend geval een aanvullende forfaitaire toelage die gelijk is aan het verschil tussen het brutojaarsalaris (exclusief gezinstoelagen) van zijn werkgever, vermeerderd met de door de Commissie betaalde verblijfsvergoedingen, en het basissalaris van een ambtenaar in salaristrap 1 van de rangen A8 of B5, afhankelijk van de categorie waarmee hij wordt gelijkgesteld ".

P. is gedetacheerd op grond van artikel 20, lid 3, onder b), waarin is bepaald dat de GND alleen recht heeft op de verlaagde toelagen, aangezien de veronderstelde woonplaats en de plaats van detachering dezelfde zijn. Bijgevolg is de in artikel 18, lid 1, eerste regel, bedoelde uitsluiting volledig van toepassing op het geval van mevrouw P., die geen recht heeft op de aanvullende forfaitaire vergoeding.

Verdere opmerkingen van klagers

Mevrouw P. heeft geantwoord op de uitnodiging van de Ombudsman om opmerkingen in te dienen, die aan de klagers is toegezonden. In hun verdere opmerkingen maken de klagers samenvattend de volgende punten aan de orde:

Ten eerste is de verlaging van de dagvergoedingen discriminerend. In het advies van de Commissie wordt erkend dat de verlaging van de dagvergoedingen niet voor alle paren op dezelfde manier geldt:

  • GND's die zijn aangeworven in ambassades of permanente vertegenwoordigingen in Brussel ontvangen de volledige verblijfsvergoeding, ongeacht de situatie van hun echtgenoot;
  • GND's ontvangen de volledige vergoeding als hun echtgenoot na het detacheringsverzoek naar Brussel komt en niet eerder, zoals het geval is met de klagers;
  • wat niet-gehuwde paren betreft, lijkt de verlaging van de toelage als het partnerschap door de lidstaat van de GND wordt erkend, niet egalitair.

Bovendien begrepen de klagers niet waarom de bepalingen van een besluit enerzijds de taken, rechten en plichten van GND’s konden beperken vanwege hun band met hun nationale overheid (die hun werkgever blijft) en anderzijds de verblijfsvergoedingen konden verlagen vanwege de burgerlijke staat van de GND en omdat zij van mening waren dat het centrum van belang de plaats van detachering is. De beroeps- en gezinsbelangen van mevrouw P. bevinden zich ondanks haar burgerlijke staat in Frankrijk; zij valt onder het Franse socialezekerheidsstelsel en betaalt belastingen en bezit onroerend goed in Frankrijk. Ten slotte bevat het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen geen soortgelijke bepaling. De ontheemdingstoelage wordt toegekend aan ambtenaren, ongeacht hun burgerlijke staat.

Ten tweede zijn sommige bepalingen van de beschikking van de Commissie niet in overeenstemming met het beginsel van gelijke behandeling. Anders dan de Commissie stelt, maken de verblijfsvergoedingen deel uit van het salaris, omdat bepaalde GND's overeenkomstig artikel 18 van bovengenoemd besluit een aanvullende vergoeding kunnen ontvangen wegens het lage niveau van hun nationale salaris. Het totale salaris (Frans salaris plus dagvergoedingen) dat P. ontvangt, is gelijk aan dat van een ambtenaar van categorie C. Deze aanvullende uitkering geldt niet voor haar omdat zij gehuwd is. Bovendien betekent de verlaging van de dagvergoedingen in het geval van de klagers een verlies van 100 000 EUR. Dit bedrag lijkt niet in verhouding te staan tot de besparingen op de verblijfkosten die de klagers hebben gemaakt omdat zij gehuwd zijn. Volgens klagers was het moeilijk uit te leggen waarom een GND de volledige verblijfsvergoedingen ontving die bedoeld waren om zijn/haar verblijfskosten te dekken, terwijl een andere GND in dezelfde situatie slechts 25 % van de vergoedingen ontving.

Ten derde heeft de Commissie, volgens de klagers, in het geval van mevrouw P. besloten om de plaats van aanwerving te identificeren met de plaats van veronderstelde verblijfplaats. De Commissie had geen opmerkingen gemaakt over het verschil tussen de Franse en de Engelse versie van beschikking C(2002)1559 van 30 april 2002. P. heeft nooit de in artikel 17, lid 1, van de beschikking van de Commissie bedoelde extra maandelijkse toelage ontvangen.

Ten slotte zijn de bepalingen van het besluit van de Commissie in strijd met het beginsel van gelijke kansen. Omdat mevrouw P. gehuwd is, moet haar persoonlijke situatie dezelfde zijn als die van haar man, die tijdelijk op een andere plaats zou kunnen werken.

De klagers hebben de Ombudsman de herziene Franse versie van het besluit van de Commissie van 27 februari 2004 (2) toegezonden, waarin de uitdrukking "plaats van aanwerving" wordt vervangen door "woonplaats".

De prestaties van de OMBUDSMAN om een vriendelijke oplossing te vinden

Na zorgvuldige bestudering van de standpunten van de Commissie en de opmerkingen van de klagers, was de Ombudsman niet van mening dat de Commissie adequaat had gereageerd op de beweringen en beweringen van de klagers.

Het voorstel voor een minnelijke schikking

Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van zijn Statuut heeft de Ombudsman de voorzitter van de Commissie derhalve schriftelijk verzocht een minnelijke schikking voor te stellen.

De Europese Ombudsman stelde voor dat de Commissie zou kunnen overwegen mevrouw P. te betalen:

  1. de volledige dagvergoeding waarop zij volgens de Franse versie van artikel 17 recht leek te hebben, en
  2. de aanvullende forfaitaire toelage waarop zij volgens zowel de Engelse als de Franse versie van artikel 18 recht leek te hebben.

Hij stelde ook voor dat de Commissie in haar antwoord op het voorstel rekening zou kunnen houden met de kwestie van de extra maandelijkse toelage uit hoofde van artikel 17, lid 1.

Dit voorstel was gebaseerd op de volgende voorlopige conclusies:

1. De Ombudsman merkte op dat de interpretatie van Besluit C(2002)1559 door de Commissie leek te zijn dat de in de artikelen 17 (de dagvergoedingen en de aanvullende maandelijkse toelage) en 18 (de aanvullende forfaitaire toelage) omschreven rechten werden beperkt door de bepalingen van artikel 20 betreffende de woonplaats.

2. De Ombudsman heeft de Franse en de Engelse versie van Besluit C(2002)1559 van de Commissie zorgvuldig geanalyseerd en vastgesteld dat er verschillen tussen deze versies bestonden.

De beschikking van de Commissie van 30 april 2002 (C(2002)1559) luidt als volgt:

Artikelen

Engelse versie

Franse versie

Hoofdstuk III - Vergoedingen en kosten

Chapitre III - indemnités et dépenses

Artikel 17

Verblijfsvergoedingen
1. De GND heeft gedurende de gehele duur van zijn detachering recht op een dagvergoeding. Indien de afstand tussen de veronderstelde woonplaats en de plaats van detachering 150 km of minder bedraagt, bedraagt de dagvergoeding 26,25 EUR; indien de afstand meer dan 150 km bedraagt, bedraagt de dagvergoeding 105 EUR.
Indien de GND uit geen enkele bron verhuiskosten heeft ontvangen, wordt een extra maandelijkse vergoeding betaald zoals aangegeven in onderstaande tabel:

Indemnités de séjour
1. L'END a droit, pour la durée de son détachement, à une indemnité de séjour journalière. Si la distance entre le lieu de recrutement et le lieu de détachement est égale ou inférieure à 150 km, l'indemnité est de 26,25 euro. Elle est de 105 euro si cette afstand est supérieure à 150 km.
Si l'END n'a bénéficié d'aucun remboursement de ses frais de déménagement, une indemnité supplémentaire est accordée conformément au tableau ci-dessous:

Afstand tussen de plaats van aanwerving en de plaats van detachering (km)

Bedrag in EUR

Afstand entre le lieu de recrutement et le lieu de détachement (km)

Montant en euro's

0-150

0

0-150

0

> 150

67.5

> 150

67.5

(...)

(...)

Artikel 18

Extra forfaitaire vergoeding
1. Tenzij de standplaats van de gedetacheerde nationale deskundige 150 km of minder van de standplaats verwijderd is, ontvangt hij in voorkomend geval een aanvullende forfaitaire toelage die gelijk is aan het verschil tussen het brutojaarsalaris (exclusief gezinstoelagen) van zijn werkgever, vermeerderd met de door de Commissie betaalde dagvergoedingen, en het basissalaris van een ambtenaar in salaristrap 1 van de rangen A8 of B5, afhankelijk van de categorie waarmee hij wordt gelijkgesteld. (...)

Indemnité forfaitaire supplémentaire
1. A moins que le lieu de recrutement de l'expert national détaché ne se trouve à une distance égale ou inférieure à 150 km du lieu de détachement, l'END perçoit, le cas échéant, une indemnité forfaitaire supplémentaire égale à la différence entre le salaire annuel brut versé par son employeur (moins les allocations familiales), majoré de l'indemnité de séjour versée par la Commission, et la rémunération de base d'un fonctionnaire de grade A8 ou B5, échelon 1, selon la catégorie à laquelle l'END est assimilé. (...)

Artikel 20

Woonplaats
1. Voor de toepassing van deze regeling wordt als woonplaats beschouwd de plaats waar de GND onmiddellijk voorafgaand aan de detachering zijn werkzaamheden voor de werkgever heeft verricht. De plaats van detachering is de plaats waar de dienst van de Commissie waar de GND is tewerkgesteld, is gevestigd. Beide plaatsen worden vermeld in de in artikel 1, lid 5, bedoelde briefwisseling.
2. (...)
3. De veronderstelde woonplaats is de plaats van detachering:
a) (...) b)
indien op het tijdstip van het detacheringsverzoek van de Commissie de plaats van detachering de hoofdverblijfplaats is van de echtgenoot van de GND of van een van zijn kinderen ten laste. (...)

Lieu de résidence
1.Aux fins du présent régime, est considéré comme lieu de résidence, le lieu où l'END exerçait ses fonctions pour son employeur immédiatement avant son détachement. Le lieu d'affectation est le lieu où est situé le service de la Commission auquel l'END est affecté. Ces lieux sont mentionnés dans l'échange de lettres visé à l'article 1, paragraaf 5.
2. (...)
3. Le lieu de résidence est censé être le lieu de détachement
a) (...)
b) si, au moment de la demande de détachement de la Commission, le lieu de détachement est le lieu de résidence principal du conjoint ou de l'enfant (des enfants) que l'END a à sa charge. (...)

In de Engelse versie is in artikel 20 van het besluit bepaald dat in bepaalde omschreven omstandigheden "de veronderstelde woonplaats de plaats van detachering is".

Wat de Engelse versie betreft, lijkt artikel 20 inderdaad het recht op dagvergoedingen te beperken, dat artikel 17 definieert in termen van de afstand tussen "de veronderstelde woonplaats" en "de plaats van detachering". De aanvullende maandelijkse toelage wordt echter niet beperkt.

In de Franse versie van artikel 17 worden de rechten echter gedefinieerd aan de hand van de afstand tussen de plaats van aanwerving ("lieu de recrutement" in de Franse versie) en de plaats van detachering. Artikel 20 lijkt dus niet zodanig te zijn geformuleerd dat de rechten uit hoofde van artikel 17 zouden kunnen worden beperkt.

3. De Ombudsman merkte ook op dat zowel de Franse als de Engelse versie van artikel 18 het recht uit hoofde van dat artikel definieerden in termen van de afstand tussen de plaats van aanwerving en de plaats van detachering. De Ombudsman was derhalve niet van mening dat artikel 20 zodanig was geformuleerd dat het recht op grond van artikel 18 kon worden beperkt, noch in de Engelse, noch in de Franse versie.

4. De Ombudsman heeft ook Besluit C(2004) 577 van de Commissie van 27 februari 2004 tot wijziging van Besluit C(2002) 1559 van de Commissie zorgvuldig geanalyseerd. De Ombudsman merkte op dat het nieuwe besluit consistent was in de Franse en de Engelse versie en dat artikel 20 van de nieuwe tekst de rechten op grond van zowel artikel 17 als artikel 18 duidelijk beperkte.

De beschikking van de Commissie van 27 februari 2004 (C(2004)577) luidt als volgt:

Artikelen

Engelse versie

Franse versie

Hoofdstuk III - Vergoedingen en kosten

Chapitre III - indemnités et dépenses

Artikel 17

Verblijfsvergoedingen
1. De GND heeft gedurende de gehele duur van zijn detachering recht op een dagvergoeding. Indien de afstand tussen de woonplaats als bepaald overeenkomstig artikel 20 en de standplaats 150 km of minder bedraagt, bedraagt de dagvergoeding 27,96 EUR; indien de afstand meer dan 150 km bedraagt, bedraagt de dagvergoeding 111,83 EUR.
Indien de GND uit geen enkele bron verhuiskosten heeft ontvangen, wordt een extra maandelijkse vergoeding betaald, zoals blijkt uit onderstaande tabel:

Indemnités de séjour
1. L'END a droit, pour la durée de son détachement, à une indemnité de séjour journalière. Si la distance entre le lieu de résidence déterminé conformément à l'article 20 et le lieu de détachement est égale ou inférieure à 150 km, l'indemnité est de 27,96 euro, si cette distance est supérieure à 150 km, elle est de 111,83 euro.
Si l'END n'a bénéficié d'aucun remboursement de ses frais de déménagement, une indemnité supplémentaire est accordée conformément au tableau ci-dessous:

Afstand tussen woonplaats en standplaats (km)

Bedrag in EUR

Afstand entre le lieu de résidence et le lieu de détachement (km)

Montant en euro's

0-150

0

0-150

0

> 150

71.89

> 150

71,89

(...)

(...)

Artikel 18


Behalve wanneer de GND zijn woonplaats op ten hoogste 150 km van de standplaats heeft, ontvangt hij in voorkomend geval een aanvullende forfaitaire vergoeding die gelijk is aan het verschil tussen het brutojaarsalaris, verminderd met de gezinstoelagen, dat door zijn werkgever wordt uitbetaald, vermeerderd met de door de Commissie betaalde verblijfsvergoedingen, en het basissalaris dat aan een ambtenaar in salaristrap 1 van de rangen A8 of B5 wordt uitbetaald, afhankelijk van de categorie waarmee hij wordt gelijkgesteld. (...)

Indemnité forfaitaire supplémentaire
1. A moins que le lieu de résidence de l'END ne se trouve à une distance égale ou inférieure à 150 km du lieu de détachement, l'END perçoit, le cas échéant, une indemnité forfaitaire supplémentaire égale à la différence entre le salaire annuel brut versé par son employeur (moins les allocations familiales), majoré de l'indemnité de séjour versée par la Commission, et la rémunération de base d'un fonctionnaire de grade A8 ou B5, échelon 1, selon la catégorie à laquelle l'END est assimilé. (...)

Artikel 20

Woonplaats
1. Voor de toepassing van deze regeling is de woonplaats de plaats waar de GND onmiddellijk voorafgaand aan de detachering zijn werkzaamheden voor de werkgever heeft verricht. De plaats van detachering is de plaats waar de dienst van de Commissie waar de GND is tewerkgesteld, is gevestigd. Beide plaatsen worden vermeld in de in artikel 1, lid 5, bedoelde briefwisseling.
2. (...)
3. De woonplaats wordt in de volgende gevallen als de plaats van detachering beschouwd:
a) (...) b)
indien op het tijdstip van het detacheringsverzoek van de Commissie de plaats van detachering de hoofdverblijfplaats is van de echtgenoot van de GND of van een van zijn kinderen ten laste; (...)

Lieu de résidence
1.Aux fins du présent régime, le lieu de résidence est le lieu où l'END a exercé ses fonctions pour son employeur immédiatement avant son détachement. Le lieu de détachement est le lieu où est situé le service de la Commission auquel l'END est affecté. Ces lieux sont mentionnés dans l'échange de lettres visé à l'article 1, paragraaf 5.
2. (...)
3. Le lieu de résidence est considéré comme étant le lieu de détachement dans les cas suivants
a) (...)
b) si, au moment de la demande de détachement de la Commission, le lieu de détachement est le lieu de résidence principal du conjoint ou des enfants que l'END a à sa charge. (...)

5. Hoewel de Ombudsman het nieuwe besluit erkende als bewijs van wat de Commissie in haar eerdere besluit wilde bereiken, was de Ombudsman er niet van overtuigd dat de Commissie het eerdere besluit mocht uitleggen om dat doel te bereiken wat mevrouw P. betreft. Het was duidelijk dat de nieuwe beschikking niet met terugwerkende kracht van toepassing kon zijn. De Ombudsman was van mening dat de Commissie geen overtuigende verklaring had gegeven waarom de Engelse versie van het eerdere besluit als gezaghebbender dan de Franse zou moeten worden beschouwd wat betreft het correcte beheer van het recht op dagvergoedingen uit hoofde van artikel 17. De Ombudsman was evenmin van mening dat de Commissie een overtuigende verklaring had gegeven waarom het recht van mevrouw P. op grond van artikel 18 moest worden verminderd met de formulering in artikel 20, die noch in de Franse noch in de Engelse versie relevant leek voor artikel 18.

Antwoord van de Commissie op het voorstel van de Ombudsman voor een minnelijke schikking

In antwoord op het voorstel van de Ombudsman heeft de Commissie de volgende punten naar voren gebracht:

De Commissie was van mening dat zij had gehandeld met volledige inachtneming van de bewoordingen en de ratio legis van de regels die van toepassing zijn op de bij de Commissie gedetacheerde nationale deskundigen, waarbij zij de consistentie in de uitvoering voor alle betrokken gedetacheerde deskundigen had gewaarborgd. Zij was derhalve van mening dat deze regels correct waren toegepast.

Wanneer een dergelijke situatie zich voordoet, moet immers de ratio legis van de betrokken regel in aanmerking worden genomen. Het gaat er niet om dat één taalversie ispso facto gezaghebbend is, of om te zien wat de meeste taalversies zeggen. Het gaat er veeleer om welke versie of versies de bedoeling van de auteur correct weergeven.

Een belangrijke overweging bij het bepalen van de bedoeling van de auteur is om de litigieuze bepaling te vergelijken met de vorige regel, om te zien of een wijziging de bedoeling was, en zo ja, welke wijziging. Er kan ook worden gekeken naar eventuele begeleidende documenten, waarin kan worden uitgelegd wat de bedoeling van de nieuwe bepaling was. In casu blijkt dat de bedoeling (die in de Engelse en de Duitse tekst correct tot uitdrukking is gebracht) was om de betaling van de hogere vergoeding uit te sluiten wanneer de deskundige werd gedetacheerd naar een plaats waar zijn echtgenoot reeds was gevestigd, aangezien in een dergelijk geval redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het feit dat hij naar een andere plaats wordt gestuurd, niet dezelfde kosten met zich meebrengt als de eerste verhuizing van een echtpaar naar die plaats. Hoewel de uitkering de vorm aanneemt van een hogere vergoeding in plaats van een eenmalige forfaitaire betaling als inrichtingsvergoeding, weerspiegelt de beperking de beperking die in het Statuut (en die door de rechterlijke instanties is bevestigd) met betrekking tot de inrichtingsvergoeding in de zin van bijlage VII bij dat Statuut is vastgesteld.

De fout in de Franse vertaling van de oorspronkelijke Engelse tekst die heeft geleid tot de verwijzing naar de plaats van aanwerving in de Franse versie van de beschikking van de Commissie van 2002 doet niets af aan deze conclusie.

Het is juist dat in de Franse versie van artikel 17, lid 1, de term "place of recruitment" ("lieu de recrutement") wordt gebruikt in plaats van de term "place of deemed residence" ("lieu de résidence"), waarnaar artikel 20 volgens de Engelse versie verwijst om de rechten uit hoofde van artikel 17 te beperken. De Duitse versie is echter in overeenstemming met de Engelse versie, waarin de term "place of residence" ("Wohnort") zowel in artikel 17 als in artikel 20 wordt gebruikt. Derhalve moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een vertaalfout in de Franse versie en dat de wetgever feitelijk de bedoeling had om het recht op dagvergoedingen op grond van artikel 17 te beperken.

Het feit dat de intentie niet correct werd uitgedrukt in het Frans (terwijl het in het Engels en in het Duits was) is jammer en betreurenswaardig, maar het kan geen wettelijk recht creëren. De Commissie is van mening dat er zelfs geen sprake is van een geval van wanbeheer - en zeker niet van een geval waarin de oplossing zou moeten zijn om de rechten te verlenen die de opsteller van de beschikking niet voornemens was te verlenen - en die (terecht) niet zijn toegekend aan anderen, die mogelijk ook op basis van de Franse tekst hebben gehandeld.

De Commissie heeft er ook op gewezen dat artikel 20, dat het recht uit hoofde van artikel 18 beperkt, ook de plaats van aanwerving vermeldt en geen vertaalproblemen oplevert. De eerste zin van artikel 20, lid 1, verwijst in het algemeen naar de "doelstellingen van deze regels". Het niet uitleggen en toepassen van artikel 20 in de context van het algemene besluit van de Commissie en in het bijzonder met betrekking tot de artikelen 17 en 18 zou dit artikel zijn volledige betekenis ontnemen. Dit punt blijft waar, zelfs als men alleen naar de Franse versie kijkt.

De Commissie betreurde de beschuldiging van wanbeheer door de Ombudsman en was niet in staat de door hem voorgestelde minnelijke schikking te aanvaarden, die een verreikend juridisch precedent zou scheppen. Iedere burger die van mening is dat hij door de Commissie onrechtmatig van een recht is beroofd, kan echter zijn wettelijke recht van beroep bij een rechtbank uitoefenen.

Met de vaststelling van beschikking C(2004) 577 op 27 februari 2004 heeft de Commissie de ongelukkige fout in de Franse versie die tot de klacht heeft geleid, reeds gecorrigeerd. De Commissie betreurde het dat het volledige belang van de fout pas werd gerealiseerd toen deze zaak aan de orde kwam.

Opmerkingen van klagers over het antwoord van de Commissie

De opmerkingen van de klagers (3) kunnen als volgt worden samengevat:

Ten eerste bedankten de klagers de Ombudsman voor zijn voorstel voor een minnelijke schikking. Zij handhaafden hun klacht en maakten de volgende opmerkingen.

Volgens hen lijkt de verwijzing van de Commissie naar het ratio legis-beginsel onjuist en lijkt het gebruik van dit beginsel elk administratief misbruik te rechtvaardigen. Het is begrijpelijk om naar dit beginsel te verwijzen wanneer de formulering van een tekst verwarrend is. In dit geval gaat de rechter op zoek naar de geest van de wet of de bedoeling van de auteur. In casu verwijst de auteur zelf naar het ratio legis-beginsel voor een tekst die duidelijk is en geen interpretatiemoeilijkheden oplevert. De klagers verzochten alleen om toepassing van de tekst die aan mevrouw P. werd meegedeeld toen zij bij de Commissie aankwam en die de verblijfsvergoedingen koppelt aan de afstand tussen de plaats van aanwerving en de plaats van detachering. In haar antwoord rechtvaardigt de Commissie een administratieve praktijk die erop gericht is de tekst te ontkennen en de geschreven tekst te verachten. Dit leidt tot willekeur. Wanneer een administratief besluit een recht zonder dubbelzinnigheid toekent, lijkt het misbruik om dit recht in te trekken omdat het besluit niet of niet langer de bedoeling van de auteur weerspiegelt.

Nadere inlichtingen

Na zorgvuldige bestudering van het antwoord van de Commissie op het voorstel voor een minnelijke schikking bleek dat nader onderzoek noodzakelijk was. De Ombudsman kon niet vaststellen welk deel van het antwoord van de Commissie beantwoordde aan zijn verzoek om rekening te houden met de kwestie van de extra maandelijkse toelage uit hoofde van artikel 17, lid 1. Daarom verzocht hij de Commissie haar standpunt over deze kwestie toe te lichten.

Aanvullend antwoord van de Commissie

In haar verdere antwoord heeft de Commissie de volgende punten naar voren gebracht:

De Commissie was van mening, dat in casu overeenkomstig artikel 20, lid 3, sub b, van het besluit van de Commissie de woonplaats en de standplaats van P. gelijk werden geacht, zodat de GND alleen recht had op de verlaagde vergoeding. In een dergelijk geval wordt in artikel 17, lid 1, van Beschikking C(2004) 577 van de Commissie, zoals gewijzigd bij de beschikking van de Commissie van 22 maart 2005 (4), bepaald dat "[w]anneer de afstand tussen de woonplaats zoals bepaald overeenkomstig artikel 20 en de plaats van detachering 150 km of minder bedraagt, de dagvergoeding 28, 16 EUR bedraagt (...)".

Artikel 17, tweede alinea, luidt als volgt: "[i]ndien de GND uit geen enkele bron verhuiskosten heeft ontvangen, wordt een extra maandelijkse toelage betaald, zoals blijkt uit onderstaande tabel: (....)". De aanvullende maandelijkse toelage die aan de klager wordt verstrekt, wordt in de eerste regel van bovengenoemde tabel als volgt vermeld: wanneer de afstand tussen de woonplaats en de standplaats minder dan 150 km bedraagt, bedraagt deze vergoeding 0 EUR.

Volgens artikel 20 zijn de dagvergoeding en de aanvullende maandelijkse toelage nauw met elkaar verbonden en zijn zij afhankelijk van de plaats van de veronderstelde woonplaats en de plaats van de detachering. Daarom kan de Commissie in dit specifieke geval juridisch gezien de extra maandelijkse toelage niet betalen.

De Commissie bleef bij haar standpunt dat zij had gehandeld met volledige inachtneming van de bewoordingen en de ratio legis van de Regeling inzake de detachering van nationale deskundigen bij de Commissie, waarbij zij de consistentie in de uitvoering voor alle betrokken gedetacheerde deskundigen had gewaarborgd. Zij was derhalve van mening dat deze regels correct waren toegepast. Gezien het bovenstaande kon de Commissie de door de Ombudsman voorgestelde minnelijke schikking niet aanvaarden.

Verdere opmerkingen van klagers

De opmerkingen van de klagers (5) over het verdere antwoord van de Commissie kunnen als volgt worden samengevat:

Zij merkten op dat de Commissie een standvastig standpunt handhaafde dat geen tekenen van openheid en geest van verzoening vertoonde. Zij bedankten de Ombudsman voor zijn steun. Zij verklaarden dat zijn voorstel voor een minnelijke schikking hun aanpak rechtvaardigde. Zij waren zeer teleurgesteld toen zij opmerkten dat dit voorstel waarschijnlijk geen resultaat zou hebben.

De klagers benadrukten dat het besluit van de Commissie op een verkeerde veronderstelling was gebaseerd. Zij stelden, dat P. in Parijs was aangeworven en dat zij derhalve overeenkomstig artikel 17 recht had op de volledige dagvergoeding en de aanvullende maandelijkse toelage. Zij merkten op dat het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer (DG Admin) onlangs heeft ingestemd met een herziening van de zaak van een Nederlandse GND wiens echtgenoot voor de Nederlandse permanente vertegenwoordiging in Brussel werkte. Zij ontving de volledige dagvergoedingen. Zij waren van mening dat P. zich in een soortgelijke situatie bevond. Ten tijde van haar detacheringsverzoek werkte haar echtgenoot voor een andere lidstaat of een internationale organisatie (de Commissie).

Zij waren van mening dat de duur van het geschil tussen hen en de Commissie, de herhaalde weigeringen van de Commissie en het betrokken bedrag de Commissie beletten haar standpunt te herzien.

De klagers gaven aan dat CLENAD (6) in overleg met DG Admin een werkgroep voor GND-paren had opgericht.

Zij herhaalden dat het discriminerend was om rekening te houden met de burgerlijke staat van een GND alvorens een toelage toe te kennen. Bovendien lijkt het beginsel van gelijke kansen moeilijk te verzoenen met discriminerend gedrag ten opzichte van echtgenoten. De aanwerving van mevrouw P. houdt geen verband met het feit dat zij getrouwd was. Ze vroegen zich af of mevrouw P. had moeten scheiden of alleenstaand had moeten blijven om dezelfde rechten te hebben als haar man.

De klagers benadrukten dat dit geschil tussen hen en DG Admin mevrouw P. er niet van heeft weerhouden bij DG Energie en Vervoer te werken, waar zij een zeer interessant en verrijkend werk heeft verricht.

Zij hoopten dat de Ombudsman zou blijven proberen een oplossing te vinden.

De opmerkingen zijn gekopieerd naar de Franse autoriteiten en de Commissie.

Brief van de Ombudsman aan commissaris Kallas

Op 15 december 2005 heeft de Ombudsman, in de geest van de nieuwe interne procedure van de Commissie voor de behandeling van de onderzoeken van de Ombudsman, die in november 2005 door de Commissie is vastgesteld (7), commissaris Kallas schriftelijk verzocht om zijn persoonlijke betrokkenheid bij het streven naar een bevredigend resultaat van de klacht.

In zijn brief wees de Ombudsman er eerst op dat de Commissie, door Besluit C(2002)1559 te vervangen, impliciet had erkend dat er sprake was van wanbeheer en maatregelen had genomen om het onderliggende systeemprobleem recht te zetten.

De Ombudsman merkte op dat de Commissie zich bij de afwijzing van zijn voorstel voor een minnelijke schikking had gebaseerd op haar standpunt over de wettelijke rechten van klagers. In dit verband vestigde de Ombudsman de aandacht van de commissaris op de relevantie van twee arresten van het Gerecht van eerste aanleg. In het eerste arrest werd geoordeeld dat de vaststelling van wanbeheer door de Ombudsman niet automatisch impliceert dat er sprake is van onrechtmatig gedrag dat door een rechtbank kan worden bestraft (8). In het tweede arrest werd geoordeeld dat het besluit van de Raad om een aanbeveling van de Ombudsman te aanvaarden, beperkt was tot dat specifieke geval (9).

De Ombudsman legde vervolgens uit dat klagers in de onderhavige zaak naar zijn mening redenen hebben om aan te nemen dat zij niet eerlijk zijn behandeld, omdat zij in wezen zijn behandeld alsof besluit C(2004) 577 op de relevante datum van kracht was, in plaats van het gebrekkige besluit C(2002) 1559. De Ombudsman suggereerde dat het in deze omstandigheden passend zou zijn dat de Commissie aanbiedt een betaling ex gratia aan de klagers te doen.

Ten slotte was de Ombudsman van mening dat de Commissie het standpunt dat zij tot nu toe heeft ingenomen, zou kunnen wijzigen om aan te tonen dat zij bereid is met de Ombudsman samen te werken.

Op 12 januari 2006 had de Ombudsman een ontmoeting met Siim Kallas, vicevoorzitter van de Commissie, waarin de commissaris verklaarde dat de zaak opnieuw door de Commissie zou worden onderzocht.

Het schriftelijke antwoord van commissaris Kallas

In zijn schriftelijk antwoord op de brief van de Ombudsman van 15 december 2005 verklaarde commissaris Kallas dat de door de Commissie gegeven interpretatie van haar besluiten over GND's in dit specifieke geval volledig correct was. Hij is van mening dat de bepalingen van het besluit van de Commissie over deze kwestie duidelijk zijn en dat de Commissie ze rechtmatig heeft toegepast. Hij betreurt de ongelukkige fout in de Franse vertaling van de oorspronkelijke Engelse tekst van het besluit, die inmiddels is gerectificeerd. Hij was echter niet van mening dat de fout een financiële compensatie rechtvaardigde. In deze omstandigheden betreurde hij het dat de Commissie het niet eens kon worden over het voorstel om de klagers een betaling ex gratia te doen.

Opmerkingen van klagers over het antwoord van commissaris Kallas

De klagers (10) waren teleurgesteld dat de Commissie haar standpunt handhaafde. Zij herinnerden aan een aantal beginselen die zij van essentieel belang achtten: de beginselen van dialoog, eerbiediging van de Europese Ombudsman, non-discriminatie, gelijke behandeling en behoorlijk bestuur. Zij gaven aan dat het contract van mevrouw P. met de Commissie eind juni 2006 zou aflopen. Zij verzochten de Ombudsman de procedure voort te zetten en herhaalden dat andere personen in dezelfde situatie een herziening van het oorspronkelijke besluit van de Commissie kregen.

BESLUIT

De klagers zijn een gehuwd echtpaar met de Franse nationaliteit dat beiden als gedetacheerd nationaal deskundige bij de Commissie werkzaam is. Hun klacht betreft het recht van echtgenote op toelagen op grond van beschikking C(2002)1559 van de Commissie van 30 april 2002.

1 Vermeende discriminatie

1.1 De klagers voerden aan dat bij Besluit C(2002)1559 van de Commissie gehuwde paren werden gediscrimineerd. Tot staving van hun bewering wezen zij erop dat artikel 20, lid 3, onder b), van het besluit, betreffende de veronderstelde woonplaats, niet van toepassing is op ongehuwde paren, GND’s wier echtgenoot na het detacheringsverzoek naar Brussel komt, noch op nationale deskundigen die eerder werkzaam waren in ambassades en permanente vertegenwoordigingen in Brussel. Bovendien is het alleen van toepassing op de echtgenoot die als laatste is gedetacheerd en leidt het niet tot een gelijke vermindering voor beide echtgenoten.

1.2 In haar advies was de Commissie van mening dat de relevante regels niet discriminerend waren voor gehuwde paren, aangezien zij naar analogie van toepassing waren op alle geformaliseerde partnerschappen die als zodanig werden erkend door de relevante nationale wetgeving van de staat waartoe de GND behoorde. Indien de echtgeno(o)t(e) die in Brussel komt wonen een GND is, zijn de bepalingen bovendien op deze persoon van toepassing. Indien de echtgenoot die in Brussel komt wonen geen GND is, kunnen de bepalingen niet worden toegepast. Ten slotte sluit het besluit van de Commissie GND's die zijn aangeworven in ambassades of permanente vertegenwoordigingen in Brussel, uitdrukkelijk uit van de toepassing van deze regel.

1.3 De Ombudsman herinnert aan artikel 21 van het Handvest van de grondrechten, waarin het volgende is bepaald: Elke discriminatie op grond van geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid is verboden. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie mogen vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is (11).

1.4 Wat artikel 20, lid 3, onder b), betreft, neemt de Ombudsman nota van de verklaring van de Commissie dat zij deze bepaling naar analogie toepast op alle geformaliseerde partnerschappen die als zodanig zijn erkend in de desbetreffende nationale wetgeving van de staat waartoe de GND behoort.

1.5 Wat betreft GND's die zijn aangeworven in ambassades of permanente vertegenwoordigingen in Brussel, merkt de Ombudsman op dat het besluit van de Commissie hen uitsluit van de toepassing van deze regel. De Ombudsman is van mening dat het redelijk is dat de Commissie van oordeel is dat GND's die zijn aangeworven in ambassades of permanente vertegenwoordigingen in Brussel zich in een andere situatie bevinden dan de klagers. De Ombudsman wijst er in dit verband op dat het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen een soortgelijke bepaling bevat in artikel 4 van bijlage VII, dat luidt als volgt: "De ontheemdingstoelage wordt (...) uitbetaald aan de ambtenaren (...). Voor de toepassing van deze bepaling wordt geen rekening gehouden met omstandigheden die voortvloeien uit werkzaamheden die voor een andere staat of voor een internationale organisatie zijn verricht (...)".

1.6 Wat betreft de situatie van mevrouw P. in vergelijking met die van haar echtgenoot, merkt de Ombudsman op dat zij onder vergelijkbare omstandigheden zijn aangeworven, met dien verstande dat de heer D. een maand voor mevrouw P. door de Commissie is aangeworven. Zo bepaalt artikel 10 van bijlage VII bij het Statuut, dat betrekking heeft op de dagvergoeding, vóór 1 mei 2004: "Wanneer echtgenoten die ambtenaar van de Europese Gemeenschappen zijn, beide recht hebben op de dagvergoeding, zijn de in de eerste twee kolommen vermelde tarieven alleen van toepassing op de persoon met het hoogste basissalaris. De in de twee andere kolommen vermelde tarieven zijn van toepassing op de andere persoon. (...) Wanneer echtgenoten die ambtenaar van de Europese Gemeenschappen zijn, beide recht hebben op de basisverblijfsvergoeding, geldt de onder b) bedoelde termijn voor de toekenning ervan voor de persoon met het hoogste basissalaris. De onder a) bedoelde termijn is van toepassing op de andere persoon." In het nieuwe statuut is een soortgelijke bepaling opgenomen. In deze omstandigheden is de Ombudsman van mening dat de Commissie in artikel 20, lid 3, onder b), van het besluit in kwestie terecht een soortgelijke benadering heeft gevolgd.

1.7 In het licht van het bovenstaande stelt de Ombudsman vast dat er met betrekking tot dit aspect van de klacht geen sprake is van wanbeheer.

2 De vordering dat de veronderstelde woonplaats Parijs moet zijn

2.1 De Commissie heeft mevrouw P. meegedeeld dat zij slechts 25 % van de dagvergoedingen zou ontvangen omdat haar veronderstelde woonplaats haar standplaats was, namelijk Brussel. De klagers voerden aan dat de Commissie haar besluit van 30 april 2002, met name artikel 17, niet in acht had genomen en voerden aan dat, aangezien de plaats van aanwerving van mevrouw P. Parijs was, zij de volledige verblijfsvergoeding moest ontvangen.

2.2 In haar advies wees de Commissie erop dat mevrouw P. was gedetacheerd op grond van artikel 20, lid 3, onder b), van Beschikking C(2002)1559 van de Commissie van 30 april 2002. Zij voegde daaraan toe dat de hoofdverblijfplaats van haar echtgenoot Brussel was en dat haar veronderstelde verblijfplaats dus ook Brussel was. Haar veronderstelde woonplaats en haar plaats van detachering waren dezelfde, zodat zij alleen recht had op de verlaagde toelagen.

2.3 Om de hierboven uiteengezette redenen deed de Ombudsman de Commissie een voorstel voor een minnelijke schikking waarin hij voorstelde dat de Commissie zou kunnen overwegen om mevrouw P. a) de volledige verblijfsvergoeding te betalen waarop zij volgens de Franse versie van artikel 17 recht leek te hebben en b) de aanvullende forfaitaire vergoeding waarop zij volgens zowel de Engelse als de Franse versie van artikel 18 recht leek te hebben. Hij stelt ook voor dat in het antwoord van de Commissie op het voorstel rekening wordt gehouden met de kwestie van de extra maandelijkse toelage uit hoofde van artikel 17, lid 1.

2.4 De Commissie verwierp het voorstel van de Ombudsman. Zij was van mening dat de opsteller van de beschikking (die in de Engelse en de Duitse tekst correct tot uitdrukking is gebracht) de betaling van de hogere toelage wilde uitsluiten wanneer de deskundige werd gedetacheerd naar een plaats waar zijn echtgenoot reeds was gevestigd. De Commissie gaf toe dat er sprake was van een vertaalfout in de Franse versie van het besluit, waarin werd verwezen naar de term "plaats van aanwerving" in plaats van "plaats van veronderstelde verblijfplaats ", maar was van mening dat dit geen wettelijk recht kon creëren en geen geval van wanbeheer vormde. Wat de extra maandelijkse toelage op grond van artikel 17, lid 1, betreft, was de Commissie, onder verwijzing naar Besluit C(2004)577 van de Commissie, zoals gewijzigd bij het besluit van de Commissie van 22 maart 2005 (12), van mening dat het aan klager toe te kennen bedrag nul was.

2.5 In december 2005 heeft de Ombudsman commissaris Kallas een brief gestuurd met het verzoek hem persoonlijk te betrekken bij het zoeken naar een bevredigend antwoord op de klacht. De Ombudsman stelde voor dat het passend zou zijn dat de Commissie aanbiedt om de klagers een betaling ex gratia te doen en was van mening dat de Commissie het standpunt dat zij tot dan toe had ingenomen, zou kunnen wijzigen om haar bereidheid tot samenwerking met de Ombudsman aan te tonen.

2.6 Het door de commissaris ondertekende antwoord was van mening dat de Commissie de toepasselijke regels correct had geïnterpreteerd en verwierp het voorstel van de Ombudsman om de klagers een betaling ex gratie te doen.

2.7 De Ombudsman is van mening dat de Commissie oneerlijk heeft gehandeld door klagers in wezen te behandelen alsof Besluit C(2004)577 in plaats van het gebrekkige Besluit C(2002)1559 op de relevante datum van kracht was. Dit is een geval van wanbeheer.

3 Conclusie

3.1 Op basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht moet de volgende kritische opmerking worden gemaakt:

De Commissie heeft oneerlijk gehandeld door de klagers in wezen te behandelen alsof beschikking C(2004)577 en niet beschikking C(2002)1559 met gebreken op de relevante datum van kracht was. Dit is een geval van wanbeheer.

3.2 De Ombudsman heeft de volgende stap in deze zaak zorgvuldig overwogen, rekening houdend met het feit dat de Commissie het onderliggende systemische probleem heeft aangepakt door het gebrekkige besluit te vervangen. Aangezien de Commissie niet alleen een voorstel voor een minnelijke schikking heeft afgewezen, maar ook een nieuw initiatief om de zaak op te lossen, persoonlijk gericht aan de verantwoordelijke commissaris, is de Ombudsman van mening dat een ontwerpaanbeveling zinloos zou zijn. Voorts is de Ombudsman van mening dat de waarschijnlijke gevolgen van het in casu vastgestelde wanbeheer niet ernstig genoeg zijn om een speciaal verslag aan het Europees Parlement te rechtvaardigen. De Ombudsman zal derhalve een kopie van dit besluit aan de Commissie toezenden en een korte samenvatting opnemen in het jaarverslag over 2006 dat aan het Europees Parlement zal worden voorgelegd. De Ombudsman sluit daarom de zaak.

3.3 De Ombudsman betreurt echter dat het DG Admin van de Commissie deze gelegenheid niet heeft aangegrepen om aan te tonen dat het zich inzet voor de beginselen van behoorlijk bestuur. De Ombudsman is daarom voornemens samen met de verantwoordelijke commissaris na te gaan hoe een cultuur van dienstverlening in het betrokken DG het best kan worden bevorderd.

3.4 Ook de voorzitter van de Commissie zal van dit besluit in kennis worden gesteld.

Met vriendelijke groet,

 

P. Nikiforos DIAMANDOUROS


(1) Artikel 17, lid 1, luidt in het Frans als volgt: "[l]'END a droit, pour la durée de son détachement, à une indemnité de séjour journalière. Si la distance entre le lieu de recrutement et le lieu de détachement est égale ou inférieure à 150 km, l'indemnité est de 26,25 euro. Elle est de 105 euro si cette afstand est supérieure à 150 km. (...)".

(2) Beschikking C(2004)577 van de Commissie van 27 februari 2004 tot wijziging van Beschikking C(2002)1559 van 30 april 2002, gewijzigd bij Beschikking C(2003)406 van 31 januari 2003 betreffende de regels die van toepassing zijn op nationale deskundigen die bij de Commissie zijn gedetacheerd.

(3) Mevrouw P. heeft geantwoord op het verzoek van de Ombudsman om opmerkingen in te dienen.

(4) Beschikking van de Commissie van 22 maart 2005 tot wijziging van Beschikking C(2004) 577 van de Commissie van 27 februari 2004 tot vaststelling van regels voor de detachering van nationale deskundigen bij de Commissie.

(5) Mevrouw P. heeft geantwoord op het verzoek van de Ombudsman om opmerkingen in te dienen.

(6) CLENAD staat voor het verbindingscomité voor nationale deskundigen, een vereniging van GND's.

(7) Mededeling van de Voorzitter in overleg met vicevoorzitter Wallström: Bevoegdheid om mededelingen aan de Europese Ombudsman vast te stellen en door te geven en ambtenaren te machtigen voor de Europese Ombudsman te verschijnen (SEC(2005)1227/4), 4 oktober 2005).

(8) Zaak T-219/02 en T-337/02, Lutz Herrera/Commissie, JurAmbt. blz. IA-319 en II-1407 ,, punt 101.

(9) Arrest van het Gerecht van 14 juli 2005, Vincenzo Le Voci/Raad, T-371/03, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 126.

(10) Mevrouw P. heeft geantwoord op het verzoek van de Ombudsman om opmerkingen in te dienen.

(11) Zaak C-174/89, Hoche GmbH/Bundesanstalt für Landwirtschaftliche Marktordnung, Jurispr. 1990, blz. I-02681.

(12) Beschikking van de Commissie van 22 maart 2005 tot wijziging van Beschikking C(2004) 577 van de Commissie van 27 februari 2004 tot vaststelling van regels voor de detachering van nationale deskundigen bij de Commissie.

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!