Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 73/2003/(BB)TN tegen de Europese Commissie
Besluiten
Zaak 73/2003/BB/TN - Geopend op Maandag | 10 februari 2003 - Besluit over Woensdag | 25 februari 2004
Straatsburg, 25 februari 2004
Geachte heer X,
Op 10 januari 2003 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen de Europese Commissie over de door de delegatie van de Commissie in Y toegepaste salarisschalen voor plaatselijke functionarissen.
Op 10 februari 2003 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Commissie. Op 21 februari 2003 heeft u aanvullende documenten ingediend, die op 4 maart 2003 aan de Commissie zijn toegezonden. De Commissie heeft op 8 april 2003 advies uitgebracht. Ik heb het u toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 27 mei 2003 hebt toegezonden.
Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.
Het KLACHT
Klager werkt voor de delegatie van de Europese Commissie in Y als lokaal agent. De klacht die in januari 2003 bij de Ombudsman is ingediend, heeft betrekking op de salarisschalen voor plaatselijke functionarissen die door de delegatie worden toegepast.
Volgens de klager zijn de relevante feiten, samengevat, als volgt:
Toen hij op 15 januari 2001 als plaatselijke functionaris bij de delegatie van de Commissie in Y werd aangesteld, ontdekte hij dat over de aanvangssalarissen van de Commissie niet kan worden onderhandeld. Ongeveer 3-4 maanden later werd hij zich bewust van het bestaan van twee verschillende salarisschalen voor de bezoldiging van lokale functionarissen bij de delegatie. Toen hij de zaak verder onderzocht, realiseerde hij zich dat hij en een andere lokale agent, die beide in 2001 in dienst waren, zich in een aanzienlijk lagere salarissituatie bevonden dan alle andere lokale agenten die werkzaamheden van dezelfde aard en met hetzelfde verantwoordelijkheidsniveau verrichtten. Dit heeft ertoe geleid dat hij zich niet kon aansluiten bij de pensioenregeling voor plaatselijke functionarissen, waarvoor een bijdrage van 5 % van de werknemer vereist is vanwege een gebrek aan financiële middelen.
Hij vroeg ter plaatse om zijn salaris in overeenstemming te brengen met de salarissen van de andere lokale agenten. Dit verzoek werd afgewezen. In 2002 bracht de nieuw verkozen personeelsvertegenwoordiger voor plaatselijke functionarissen de kwestie onder de aandacht van andere personeelsvertegenwoordigers over de hele wereld en informeerde hij ook de diensten van de Commissie in Brussel. Uiteindelijk heeft de bevoegde eenheid van de Commissie, RELEX K.5, het bestaan van twee verschillende salarisschalen voor plaatselijke functionarissen bij de delegatie in Y toegegeven. De Commissie heeft echter geen oplossing voor het probleem geboden.
Wat de ontvankelijkheid van zijn klacht bij de Ombudsman betreft, merkt klager op dat artikel 90 van het Statuut niet van toepassing is op plaatselijke functionarissen.
De klager voert in wezen aan dat:
i) Er worden verschillende schalen toegepast voor de beloning van plaatselijke functionarissen die gelijkwaardige taken uitvoeren bij de delegatie van de Commissie in Y; en
ii) Vanwege de inferieure salarissituatie kon hij zich niet aansluiten bij de Pensioenregeling voor lokale agenten.
Klager stelt:
i) Onmiddellijke toepassing van dezelfde salarisschaal die wordt gebruikt voor de bezoldiging van andere plaatselijke functionarissen van groep I;
ii) betaling met terugwerkende kracht vanaf 15 januari 2001 van het salarisverschil en alle daarmee verband houdende uitkeringen; en
iii) Volledige herbevestiging van zijn recht om met terugwerkende kracht vanaf begin 2001 bij te dragen aan het Pensioenfonds voor plaatselijke functionarissen van de Commissie, met een relevante bijdrage van de Commissie.
Het onderzoek
Advies van de CommissieIn haar advies maakte de Commissie de volgende opmerkingen:
Klager werd op 15 januari 2001 door de delegatie van de Commissie in Y aangeworven als plaatselijk functionaris in groep I. Zijn contract valt onder de kaderregeling betreffende de regeling die van toepassing is op plaatselijk personeel van de Commissie van de Europese Gemeenschappen dat in derde landen werkzaam is (hierna "FR" genoemd) en de bijzondere regeling die van toepassing is op plaatselijk personeel in Y.
Wat betreft de bewering van klager dat het Statuut niet van toepassing is op plaatselijke functionarissen, merkt de Commissie op dat artikel 22 van het FR voorziet in een recht van beroep dat vergelijkbaar is met dat van artikel 90 van het Statuut (1). Dezelfde bepaling is in de SCE vastgesteld. In de arbeidsovereenkomst tussen klager en de Commissie wordt uitdrukkelijk verwezen naar het FR en de SCE. Het is dus niet juist dat er voor plaatselijke functionarissen geen systeem bestaat dat gelijkwaardig is aan artikel 90 van het Statuut. De Commissie heeft geen formeel beroep ontvangen met inachtneming van de termijnen in het FR en de SCE.
Wat de beweringen van klager betreft, is het juist dat over de beginselen van indeling, en dus ook over de beloningsstructuur, niet kan worden onderhandeld. Het is ook correct dat er twee salarisschalen bestaan bij de delegatie in Y. De reden hiervoor is de volgende: De SCE voor Y bepaalt in artikel 17, lid 1, dat het salaris van een plaatselijke agent wordt vastgesteld en in plaatselijke valuta moet worden betaald. Wegens de zeer moeilijke economische omstandigheden in Y werd in 1994 besloten een referentieschaal in ecu vast te stellen, waarbij de maandelijkse betalingen van de salarissen in plaatselijke valuta werden omgerekend. In 1999 werd geconstateerd dat de toepassing van de referentieschaal in ECU de salarissen van het plaatselijke personeel kunstmatig ver boven de door de referentiewerkgevers op de lokale markt betaalde salarissen had gebracht. Daarom was het gerechtvaardigd terug te keren naar de door de SCE voorgeschreven salarissen in lokale valuta en de beginselen van salarisherziening van artikel 11 van het FR (2) toe te passen. Bovendien had de regering in Y een nieuwe valuta in het land ingevoerd en was het daardoor illegaal geworden om salarissen aan andere valuta's te koppelen.
Er zijn onderhandelingen gevoerd met het plaatselijke personeel en de vertegenwoordigers van het personeel van de delegatie. Uiteindelijk ondertekenden de plaatselijke functionarissen die reeds bij de delegatie in dienst waren, een addendum bij hun contracten, waarin zij akkoord gingen met de omrekening van hun salarissen van ECU in de plaatselijke valuta tegen een overeengekomen wisselkoers. Vervolgens werden de salarissen van deze lokale agenten "bevroren" tot het moment waarop ze zullen moeten worden herzien om ze in overeenstemming te brengen met de salarissen van de lokale markt. Tegelijkertijd werd een tweede salarisschaal vastgesteld overeenkomstig de beginselen van artikel 11 van het FR. Deze schaal geldt vanaf 1 september 1999 voor nieuw aangeworven personeel.
Het bestaan van de oude salarisschaal komt overeen met de noodzaak om verworven rechten te behouden voor de plaatselijke functionarissen die vóór 1 september 1999 in dienst waren. Nieuwe rekruten profiteren van de nieuwe schaal, die is ingevoerd in overeenstemming met het FR en de SCE. In beide regelingen is bepaald dat de salarissen van het plaatselijke personeel bij de delegatie volledig in overeenstemming moeten zijn met de salarissen die worden betaald door de beste referentiewerkgevers op de markt. Dit compromis met twee schalen werd voorgesteld door het lokale personeel en werd door het hoofdkantoor aanvaard.
In feite is de nieuwe schaal de normale schaal, die jaarlijks wordt herzien en momenteel wordt herzien voor 2002. Intussen is de oude salarisschaal nog steeds van toepassing op sommige individuele plaatselijke functionarissen op basis van hun eerder verworven rechten. Er is geen bewijs dat deze situatie niet in overeenstemming is met de lokale wetgeving.
Tot slot heeft de Commissie twee verklaringen afgelegd. Ten eerste heeft klager niet aangetoond dat de salarisschaal die sinds september 1999 voor plaatselijke functionarissen geldt, niet in overeenstemming is met de bepalingen van de plaatselijke wetgeving. Ten tweede is hem, anders dan klager stelt, nooit het recht ontzegd om bij te dragen aan het Pensioenfonds. In plaats daarvan besloot hij zich af te melden.
Opmerkingen van klagerWat de beroepsprocedure betreft, vraagt klager zich af hoe hij mogelijk binnen drie maanden beroep had kunnen instellen tegen een maatregel, aangezien de maatregel in september 1999 ten uitvoer is gelegd en hij pas in januari 2001 in dienst was. Bovendien heeft de Commissie hem nooit in kennis gesteld van het bestaan van twee salarisschalen.
Klager merkt voorts samenvattend op dat er al meer dan drie jaar twee salarisschalen bestaan voor posten met dezelfde functie bij de delegatie, met volledige kennis van het management. Er blijft dus sprake van loondiscriminatie en de Commissie heeft geen maatregelen genomen om deze te corrigeren.
Wat betreft de bewering van de Commissie dat er geen bewijs is dat de situatie niet in overeenstemming is met de lokale wetgeving, verwijst klager naar een uittreksel uit de lokale wetgeving waarin kort samengevat wordt gesteld dat gelijke arbeid gelijkelijk moet worden betaald, zonder onderscheid naar geslacht, nationaliteit of leeftijd. Volgens het lokale recht wordt hij dus zowel op grond van salaris als op grond van nationaliteit gediscrimineerd, aangezien verschillende onderdanen van Y bij de delegatie een voorkeursbehandeling krijgen.
Het is juist dat hij met tegenzin heeft afgezien van de pensioenregeling. Desalniettemin werd deze situatie veroorzaakt door zijn aanzienlijk lagere salarissituatie.
Klager maakt ook nog twee opmerkingen, die hij echter niet als kernpunten in zijn klacht beschouwt. Ten eerste stelt hij dat het beoordelingssysteem, met de regel dat twee jaar beroepservaring buiten het EU-systeem telt als één jaar bij de Commissie, grenst aan discriminatie. Ten tweede stelt hij dat de regels die een regelmatige herziening van de lokale salarissen op basis van jaarlijkse marktonderzoeken vereisen, bij de delegatie niet zijn nageleefd.
BESLUIT
1 Inleidende opmerkingen1.1 Klager is een plaatselijk functionaris bij de delegatie van de Commissie in Y. Met betrekking tot de criteria voor de ontvankelijkheid van een klacht die zijn vastgelegd in het Statuut van de Ombudsman en met name in artikel 2, lid 8, punt 3, wijst klager erop dat artikel 90 van het Statuut niet van toepassing is op plaatselijke functionarissen.
1.2 In haar advies merkt de Commissie op dat de regels die van toepassing zijn op plaatselijke functionarissen voorzien in een recht van beroep dat vergelijkbaar is met dat van artikel 90 van het Statuut en dat er geen formeel beroep is ingesteld met betrekking tot het onderwerp van de klacht. In zijn opmerkingen vraagt klager zich af hoe hij beroep had kunnen instellen tegen een in 1999 ten uitvoer gelegde maatregel, aangezien hij pas in 2001 in dienst was, temeer daar de Commissie hem nooit in kennis heeft gesteld van het bestaan van twee verschillende salarisschalen.
1.3 De Ombudsman neemt nota van de opmerking van de Commissie, maar begrijpt dat de Commissie de ontvankelijkheid van de onderhavige klacht niet betwist. Bovendien lijkt de bewering van klager dat er sprake is van discriminatie een kwestie van algemeen belang aan de orde te stellen. De Ombudsman acht het daarom passend de behandeling van de zaak voort te zetten.
1.4 De Ombudsman merkt ook op dat klager in zijn opmerkingen twee opmerkingen heeft gemaakt over het indelingssysteem van de Commissie en de herziening van de salarissen bij de delegatie, die kunnen worden geïnterpreteerd als nieuwe beschuldigingen tegen de Commissie. Aangezien klager deze opmerkingen echter niet als kernpunten van de klacht beschreef, worden zij niet behandeld in het kader van de onderhavige klacht. Klager zou kunnen overwegen een nieuwe klacht in te dienen bij de Ombudsman over deze kwesties, indien hij dat wenst.
2 Vermeende loondiscriminatie2.1 Klager beweert dat er twee verschillende schalen worden toegepast om lokale functionarissen te vergoeden die gelijkwaardige taken uitvoeren bij de delegatie van de Commissie in Y. De Ombudsman begrijpt dat klager in wezen beweert dat het bestaan van twee salarisschalen discriminatie vormt van degenen die voor hetzelfde werk minder loon ontvangen. Klager voert ook aan dat het bestaan van de twee salarisschalen in strijd is met de lokale wetgeving en dat hij ook wordt gediscrimineerd op grond van nationaliteit, aangezien verschillende onderdanen van Y bij de delegatie een voorkeursbehandeling krijgen.
2.2 De Commissie bevestigt het bestaan van twee salarisschalen voor lokale functionarissen bij de delegatie in Y. Zij legt uit dat, hoewel de toepasselijke regels bepalen dat de salarissen van lokale functionarissen in lokale valuta moeten worden betaald, in 1994, vanwege de zeer moeilijke economische omstandigheden die toen in Y heersten, is besloten een referentieschaal in ecu vast te stellen, met maandelijkse betalingen van salarissen omgerekend in lokale valuta. In 1999 werd geconstateerd dat de toepassing van de referentieschaal in ECU de salarissen van het plaatselijke personeel kunstmatig ver boven de salarissen van de referentiewerkgevers op de plaatselijke markt had gebracht. Bovendien had de invoering van een nieuwe valuta het illegaal gemaakt om salarissen aan andere valuta's te koppelen. Daarom was het gerechtvaardigd om terug te keren naar de salarissen die zijn vastgesteld in de lokale valuta, zoals voorgeschreven door de bijzondere regeling voor plaatselijk personeel (de SCE), en om de beginselen van salarisherzieningen toe te passen die zijn vastgelegd in de kaderregeling betreffende de regeling welke van toepassing is op plaatselijk personeel van de Commissie van de Europese Gemeenschappen dat in derde landen werkzaam is (het FR).
De lokale agenten stemden in met een omzetting van hun salarissen in lokale valuta en hun salarissen werden vervolgens "bevroren" om ze in overeenstemming te brengen met de salarissen van de lokale markt. Tegelijkertijd is overeenkomstig het FR en de SCE een tweede salarisschaal vastgesteld, die van toepassing is op personeel dat met ingang van 1 september 1999 is aangeworven.
Het bestaan van de oude salarisschaal komt overeen met de noodzaak om verworven rechten te behouden voor plaatselijke functionarissen die vóór 1 september 1999 in dienst waren. Nieuwe aanwervers profiteren van de nieuwe schaal, die de normale schaal is, en die jaarlijks is herzien, volgens de toepasselijke regels, om deze in overeenstemming te houden met de salarissen die worden betaald door de beste referentiewerkgevers op de markt. Klager heeft niet aangetoond dat de nieuwe salarisschaal niet in overeenstemming is met de lokale wetgeving.
2.3 De Ombudsman herinnert eraan dat volgens vaste rechtspraak het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld, tenzij een verschillende behandeling objectief gerechtvaardigd is (4). In casu heeft de Commissie niet betwist dat bij de delegatie in Y verschillende salarisschalen worden toegepast voor de bezoldiging van plaatselijke functionarissen die gelijkwaardige taken verrichten, hetgeen leidt tot een verschil in salaris voor plaatselijke functionarissen die taken van dezelfde aard en hetzelfde verantwoordelijkheidsniveau verrichten.
2.4 De Ombudsman merkt echter op dat het Hof heeft geoordeeld dat de communautaire wetgever het recht heeft om in de toekomst voor zijn personeel minder gunstige personeelsstatuten vast te stellen en dat overgangsmaatregelen ter bescherming van de rechten van personeel dat is aangeworven in het kader van een oude, gunstigere regeling, geen discriminatie inhouden van personeel dat is aangeworven in het kader van een nieuwe, minder gunstige regeling. Niettemin is het belangrijk erop toe te zien dat het verschil in behandeling tussen de twee categorieën objectief gerechtvaardigd is (5).
In dit verband merkt de Ombudsman op dat volgens de Commissie de doelstelling om twee naast elkaar bestaande salarisschalen te hebben, tweeledig is. De eerste doelstelling is de salarissen weer in overeenstemming te brengen met de lokale marktsalarissen, zoals vereist door het FR en de SCE. Het tweede doel is om te voldoen aan de wettelijke bepaling die het illegaal maakt om salarissen te koppelen aan vreemde valuta. Het lijkt erop dat, om deze doelstellingen te bereiken, tegelijkertijd met het behoud van verworven rechten van reeds in dienst genomen personeel, de salarissen onder de oude schaal werden omgezet in lokale valuta en tijdelijk werden "bevroren". Tegelijkertijd is een nieuwe salarisschaal ingevoerd, die van toepassing is op personeel dat na 1 september 1999 is aangeworven. De salarissen in de nieuwe schaal zijn vastgesteld in overeenstemming met het FR en de SCE en zijn vervolgens jaarlijks herzien.
De Ombudsman is van mening dat de uitleg van de Commissie, die door klager niet is weerlegd, een redelijke objectieve rechtvaardiging biedt voor het verschil in behandeling.
Met betrekking tot het argument van klager dat de situatie bij de delegatie in strijd is met de plaatselijke wetgeving, heeft de Ombudsman geen bewijs gevonden waaruit blijkt dat dit het geval zou zijn.
In het licht van het bovenstaande constateert de Ombudsman geen wanbeheer door de Commissie met betrekking tot dit aspect van de klacht.
3 Vermeend onvermogen om deel te nemen aan de pensioenregeling3.1 Klager beweert dat hij vanwege zijn inferieure salarissituatie niet kon toetreden tot de pensioenregeling voor plaatselijke functionarissen, waarvoor een bijdrage van 5 % van de werknemer vereist is.
3.2 De Commissie stelt dat klager nooit het recht is ontzegd om bij te dragen aan het pensioenfonds. In plaats daarvan besloot hij zich af te melden.
3.3 Op basis van de bevindingen van de Ombudsman in punt 2.4 hierboven lijkt de salarissituatie van klager niet het gevolg te zijn van wanbeheer door de Commissie. De Ombudsman is derhalve van mening dat de Commissie niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het feit dat klager van mening is dat hij niet over de financiële middelen beschikt om zich bij de pensioenregeling aan te sluiten. De Ombudsman constateert derhalve geen wanbeheer door de Commissie met betrekking tot dit aspect van de klacht.
4 Vorderingen van klagerGezien de bovenstaande bevindingen is de Ombudsman van oordeel dat de beweringen van klager niet kunnen worden gestaafd.
5 ConclusieOp basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht lijkt er geen sprake te zijn geweest van wanbeheer door de Commissie. De Ombudsman sluit daarom de zaak.
De voorzitter van de Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.
Met vriendelijke groet,
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
(1) "Een plaatselijk functionaris kan bij het tot het sluiten van aanstellingsovereenkomsten bevoegde gezag beroep instellen tegen een voor hem bezwarend besluit binnen drie maanden na de datum van bekendmaking van het besluit indien de maatregel van algemene strekking is, of binnen drie maanden na de datum van kennisgeving aan de betrokken plaatselijke functionaris, maar in geen geval later dan de datum waarop deze een dergelijke kennisgeving heeft ontvangen, raakt de maatregel een bepaalde persoon. /.../"
(2) Dit artikel voorziet in salarisherzieningen op basis van onder meer de salaristrend voor vergelijkbare functies op de lokale markt.
(3) Bij de Ombudsman kan geen klacht worden ingediend die betrekking heeft op de werkrelaties tussen de communautaire instellingen en organen en hun ambtenaren en andere personeelsleden, tenzij de betrokkene alle mogelijkheden voor het indienen van interne administratieve verzoeken en klachten, met name de in artikel 90, leden 1 en 2, van het Statuut bedoelde procedures, heeft uitgeput en de termijnen voor antwoorden van het aldus verzochte gezag zijn verstreken.
(4) Zie bijvoorbeeld zaak T-121/97, Richie Ryan tegen Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1998, blz. II-3885, punt 87.
(5) Zaak 28/74, Fabrizio Gillet tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1975, blz. 463, en zaak T-121/97, Richie Ryan tegen Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1998, blz. II-3885, punt 98.