Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 921/2001/ME tegen de Europese Commissie
Besluiten
Zaak 921/2001/ME - Geopend op Woensdag | 29 augustus 2001 - Besluit over Woensdag | 26 juni 2002
Geachte heer M.,
Op 20 juni 2001 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend over de invoer van kleurentelevisietoestellen uit Turkije in de EU, de toepassing van niet-preferentiële oorsprongsregels en antidumpingmaatregelen.
Op 29 augustus 2001 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Europese Commissie. Op 17 oktober 2001 heeft u mij nadere informatie gestuurd. De Commissie heeft op 14 december 2001 advies uitgebracht. Ik heb het u toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 11 februari 2002 hebt toegezonden. Op 30 april 2002 heb ik de Commissie om nadere informatie verzocht. De Commissie heeft op 3 juni 2002 een nieuw advies uitgebracht. Ik heb het u toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 17 juni 2002 hebt toegezonden.
Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.
Het KLACHT
Klager diende in juni 2001 namens producenten van Europese kleurentelevisies in samenwerking (POETIC) een klacht in bij de Europese Ombudsman. De zaak had betrekking op de invoer van kleurentelevisietoestellen (kleurentelevisietoestellen) uit Turkije, die zonder douaneformaliteiten in de EU werden ingevoerd, op basis van het vermoeden dat de televisietoestellen van oorsprong uit Turkije waren en op grond van de oorsprongsregels een preferentiële behandeling kregen.
Klager verwees naar een daarmee verband houdend arrest van het Gerecht van eerste aanleg (1), waarin de Commissie, toen zij uiteindelijk tot de bevinding kwam dat de kleuren-tv's niet van oorsprong waren uit Turkije, de lidstaten had opgedragen betaling van de douanerechten te vorderen van de ondernemingen die de televisieontvangers hadden ingevoerd. Bij definitieve beschikkingen verklaarde de Commissie dat de douanerechten moesten worden teruggevorderd en stelden de nationale autoriteiten de individuele ondernemingen daarvan vervolgens in kennis. De importeurs hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld bij het Gerecht van eerste aanleg, dat ze nietig heeft verklaard (2). Klager benadrukte dat het Gerecht van eerste aanleg de Commissie had bekritiseerd wegens het nalatige toezicht op de associatieovereenkomst (3), dat had bijgedragen tot de onregelmatigheden met betrekking tot de invoer van kleuren-tv's uit Turkije (4). Wat betreft de rechtspositie van de Commissie met betrekking tot de toepassing van de niet-preferentiële oorsprongsregels op Turkije, was klager het daar niet mee eens, maar verklaarde hij dat dit geen deel uitmaakte van de klacht bij de Ombudsman. De klager wees er ook op dat de producenten van televisieontvangers bij de Commissie een antidumpingklacht hadden ingediend tegen Turkse kleuren-tv's.
Tegen deze achtergrond verklaarde de klager dat de Commissie had aangekondigd dat zij bij de vaststelling van antidumpingmaatregelen rekening zou houden met de niet-preferentiële oorsprong. Volgens de klager houdt dit in dat de Commissie antidumpingrechten zal toepassen op producten die uit Turkije maar van oorsprong uit Maleisië, de Volksrepubliek China, de Republiek Korea, Singapore en Thailand worden uitgevoerd. Sinds 1995 zijn antidumpingrechten van toepassing op alle invoer uit deze landen. Desondanks had de Commissie geen antidumpingrechten geïnd op de via Turkije ingevoerde producten, die volgens de Commissie de oorsprong van de betrokken landen hadden. Dit had ertoe geleid dat de verschuldigde rechten niet waren geïnd en dat de Europese industrie niet naar behoren tegen dumping was beschermd. Dergelijk nalatig gedrag was volgens de klager wanbeheer. Uit de berekening van de klager bleek dat de Commissie daardoor had nagelaten een bedrag van 200 miljoen te innen, een bescherming die de Europese industrie geniet op grond van Verordening (EG) nr. 710/95 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op kleuren-tv's van oorsprong uit Maleisië, de Volksrepubliek China, de Republiek Korea, Singapore en Thailand (5).
Klager had de Commissie zonder succes benaderd met zijn standpunten.
Samengevat voerde klager aan dat de Commissie sinds 1995 geen antidumpingrechten had geïnd die volgens klager verschuldigd waren op uit Turkije ingevoerde producten. De klager verzocht om onmiddellijke maatregelen om de rechten met terugwerkende kracht te innen en om compensatie voor EU-producenten die te lijden hadden onder de dumpingprijzen.
Het onderzoek
De Ombudsman zond de klacht voor advies naar de Commissie met betrekking tot de kwestie van de niet-inning van antidumpingrechten. De Ombudsman begreep dat deze vraag losstond van de zaak die aan het Gerecht van eerste aanleg was voorgelegd, waarin de kwestie van de betaling van douanerechten door bepaalde ondernemingen aan de orde was. Wat voorts de vraag betreft of de niet-preferentiële oorsprongsregels op Turkije moeten worden toegepast, had klager verklaard dat deze vraag geen deel uitmaakte van de klacht.
Advies van de CommissieIn haar advies wees de Commissie er in eerste instantie op dat antidumpingonderzoeken onderworpen zijn aan specifieke regels die zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 384/96 (6) en in de WTO-overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de GATT. Deze onderzoeken worden gekenmerkt door strikte procedurele vereisten en uitgebreide rechten op informatie en participatie voor belanghebbenden, zoals de klager. De Commissie wees er ook op dat de klager beroep kan instellen bij het Gerecht van eerste aanleg.
Vervolgens heeft de Commissie de details van de in juni 2000 bij de Commissie ingediende antidumpingklacht van POETIC toegelicht. De antidumpingklacht was ingediend op grond van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 en de Commissie had vervolgens in het Publicatieblad een bericht bekendgemaakt tot inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van kleuren-tv's van oorsprong uit of uitgevoerd uit Turkije (7). Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. De Commissie verzamelde en controleerde alle informatie die zij voor haar onderzoek nodig achtte. Bij EG-producenten, Turkse exporteurs en importeurs in de Gemeenschap werden controlebezoeken afgelegd.
Bovendien werd in april 2000 op grond van artikel 11, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 384/96 een onderzoek geopend naar de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op kleuren-tv's uit Maleisië, de Volksrepubliek China, de Republiek Korea, Singapore en Thailand (8).
Wat de bevindingen van de Commissie ter zake betreft, heeft zij het volgende aangevoerd. In kleuren-tv's zijn vaak onderdelen en onderdelen verwerkt die van oorsprong zijn uit andere landen dan het land van vervaardiging of montage van het eindproduct, zodat kleuren-tv's kunnen worden beschouwd als van oorsprong uit een ander land dan het land van vervaardiging of montage. Overeenkomstig de vaste praktijk van de Gemeenschap en overeenkomstig artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 384/96 maakte het onderzoek naar de oorsprong van de uit Turkije uitgevoerde kleuren-tv's deel uit van het antidumpingonderzoek. De oorsprong werd onderzocht in het licht van artikel 22 van Verordening 2913/92/EEG (9), waarin is bepaald dat de niet-preferentiële oorsprongsregels van toepassing zijn op alle niet-preferentiële handelspolitieke instrumenten, zoals antidumping. Voorts zijn overeenkomstig artikel 39 en bijlage 11 van Verordening (EEG) nr. 2454/93/EEG (10) specifieke niet-preferentiële oorsprongsregels van toepassing op kleuren-tv's.
Uit het onderzoek van de Commissie is gebleken dat alle kleuren-tv's die in het onderzoektijdvak (1 juli 1999 tot en met 30 juni 2000) uit Turkije naar de Gemeenschap werden uitgevoerd, niet van Turkse oorsprong waren. De oorsprong was in plaats daarvan de onderzochte landen (Maleisië, de Volksrepubliek China, de Republiek Korea, Singapore en Thailand), andere niet-beoordeelde derde landen en de Gemeenschap. Vervolgens werd voorgesteld de procedure te beëindigen. Alle belanghebbenden, met inbegrip van de klager, ontvingen bij brief van 1 augustus 2001 mededeling van de definitieve bevindingen en werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken en te worden gehoord. De opmerkingen werden naar behoren in aanmerking genomen en de definitieve bevindingen werden dienovereenkomstig gewijzigd. Bij beschikking van 28 september 2001 (11) heeft de Commissie het onderzoek beëindigd. De Commissie concludeerde dat de uit Turkije uitgevoerde kleuren-tv's op basis van de 35 %-waarderegel niet van Turkse oorsprong waren en dat er geen antidumpingmaatregelen hoefden te worden ingesteld.
Wat de procedure van de zaak betreft, benadrukte de Commissie dat zij het recht van verweer van klager volledig eerbiedigde, aangezien klager tijdens de gehele procedure in de gelegenheid werd gesteld opmerkingen te maken over de belangrijkste feiten en overwegingen. Bovendien had de Commissie vóór de opening van het antidumpingonderzoek geen maatregelen kunnen nemen, aangezien zij niet beschikte over informatie over onregelmatigheden met betrekking tot de uit Turkije ingevoerde kleuren-tv’s. Bovendien heeft de Commissie reeds in 1995 de nodige maatregelen genomen om de inning van antidumpingrechten op producten van oorsprong uit andere derde landen die via Turkije worden ingevoerd, te waarborgen door de tekst van het geïntegreerde tarief van de Gemeenschap (Taric) te wijzigen. De Commissie vestigde ook de aandacht op het bestaan van een aanvullend mechanisme voor de controle op de oorsprong van producten waarop antidumpingmaatregelen van toepassing zijn in de Gemeenschap wanneer zij via Turkije worden uitgevoerd. Importeurs die een verzoek tot het in het vrije verkeer brengen van dergelijke producten willen indienen, zijn dus verplicht hun niet-preferentiële oorsprong aan te geven in de vorm van het enig document (ED)(12).
De Commissie heeft aangevoerd dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) na de bekendmaking van de bevindingen van het onderzoek en met name het feit dat sommige kleuren-tv's die uit Turkije worden uitgevoerd, van oorsprong zijn uit andere landen waarop reeds antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, overweegt een onderzoek naar deze kwestie in te stellen.
De Commissie concludeerde dat zij volledig in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving had gehandeld en dat er namens haar geen sprake was van wanbeheer.
Opmerkingen van klagerIn zijn opmerkingen handhaafde klager zijn klacht en verstrekte hij uitgebreide aanvullende informatie.
De klager merkte op dat het advies van de Commissie gericht was op het antidumpingonderzoek betreffende kleuren-tv's uit Turkije. Hij benadrukte dat hij niet voornemens was een klacht in te dienen over het optreden van specifieke diensten van de Commissie en dat de klacht geen betrekking had op het antidumpingonderzoek zelf, noch op de wijze waarop de Commissie in de loop van dat onderzoek had gehandeld. Klager benadrukte dat hij van plan was een klacht in te dienen over meer algemene kwesties, zoals de inconsistentie in de communautaire wetgeving, ongeschikte richtsnoeren voor procedures en ontoereikende reactie van de administratie op deze tekortkomingen om lacunes in de wetgeving en het douanebeheer te verhelpen, waardoor geen antidumpingrechten werden geïnd.
Volgens klager was de Commissie reeds in een vroeg stadium op de hoogte van onregelmatigheden bij de uitvoering van de associatieovereenkomst en was zij op de hoogte van het feit dat de onregelmatigheden bleven bestaan, maar had zij nagelaten dienovereenkomstig te handelen. De klager verstrekte samenvattend de volgende details. De Commissie verwijst zelf naar de onregelmatigheden in de verordening van oktober 1992 (13), maar de oorsprongsregels bestaan al sinds 1970 en reeds in 1987 en 1989 had de bedrijfstak de Commissie op de hoogte gebracht van onregelmatigheden bij de invoer uit Turkije. Het Gerecht had vastgesteld dat de Commissie in 1987, of uiterlijk bij een in oktober 1998 ingediende klacht, wist dat de bepalingen van de Associatieovereenkomst en het Aanvullend Protocol bij de uitvoer van kleuren-tv's uit Turkije niet in acht waren genomen (14). Het Gerecht had ook vastgesteld dat de Commissie er niet voor had gezorgd dat alle wetgeving onder de aandacht van de marktdeelnemers van de Gemeenschap werd gebracht wanneer zij de beschikkingen niet in het Publicatieblad bekendmaakte, en dat zij, ondanks het feit dat de Commissie over informatie beschikte die consequent het bestaan van problemen aangaf, traag reageerde (15). Bovendien had de Commissie tijdens een antidumpingonderzoek (16) in 1994 onregelmatigheden vastgesteld en zou zij vervolgens met de Turkse autoriteiten afspraken hebben gemaakt over de tenuitvoerlegging van het communautair douanewetboek, waardoor de situatie radicaal veranderde. Volgens klager wisten de Turkse autoriteiten echter niets van de onderzochte praktijken.
Eind 1995 ging de laatste fase van de douane-unie van start en volgens klager wist de Commissie dat Turkse exporteurs de oorsprong van kleuren-tv's niet hadden gemeld op grond van de niet-preferentiële oorsprongsregels van de Gemeenschap. Klager verwees naar de eigen verklaring van de Commissie in de procedure voor het Gerecht van eerste aanleg dat "een zorgvuldige handelaar twijfels zou moeten hebben over de geldigheid van de A.TR.1-certificaten". Tegen deze achtergrond was een loutere toevoeging aan het Taric duidelijk ontoereikend en de eigen verklaring van de Commissie over zorgvuldige handelaren was een duidelijke aanwijzing dat indien onregelmatigheden werden vastgesteld, enige actie van de Commissie kon worden verwacht.
Uit de klacht die POETIC in mei 2000 bij de Commissie indiende, bleek dat de invoer en het marktaandeel van de Turkse invoer aanzienlijk waren toegenomen, hetgeen in tegenspraak was met het standpunt van de Commissie van 1994 dat de situatie was verbeterd. De Commissie heeft haar onderzoek in juli 2000 geopend en had reeds in het najaar van datzelfde jaar kunnen vaststellen dat er sprake was van fraude. Desondanks heeft de Commissie geen actie ondernomen. Pas in maart 2001 heeft zij haar bevindingen kenbaar gemaakt, namelijk dat de uit Turkije uitgevoerde kleuren-tv's werden aangegeven als van Turkse oorsprong, terwijl een groot aantal van deze kleuren-tv's in feite niet van Turkse oorsprong kon zijn.
Wat de bevindingen van de Commissie betreft, benadrukte de klager dat de interpretatie van de Commissie was dat de niet-preferentiële oorsprongsregels van toepassing waren op de invoer uit Turkije. Dit was in tegenspraak met de standpunten van zowel de Turkse exporteurs, de Turkse regering, de importeurs in de Gemeenschap als de bedrijfstak van de Gemeenschap. Klager hield vast aan zijn standpunt dat de rechten sinds 1995 invorderbaar waren. De klager constateerde wanbeheer namens de Commissie omdat zij de situatie niet had opgehelderd, omdat de interne communicatie met DG Belastingen en douane-unie was mislukt, omdat de nationale douaneautoriteiten niet waren gewaarschuwd en omdat zij onjuiste conclusies had getrokken op basis van haar hoop in plaats van de realiteit.
Wat de betrokkenheid van OLAF betreft, gaf klager toe en waardeerde hij dat OLAF nu onderzoekt of er fraude heeft plaatsgevonden, maar benadrukte hij dat de Commissie vertraging heeft opgelopen bij de kennisgeving aan OLAF. Zij verklaarde dat de Commissie de uitkomst van haar bevindingen niet hoefde af te wachten voordat OLAF een onderzoek kon instellen. Een dergelijke vertraging was wanbeheer. Bovendien had de sector in september 2001 rechtstreeks verslag uitgebracht aan OLAF.
Klager concludeerde dat de klacht bij de Ombudsman was ingediend om te verduidelijken dat de Commissie verantwoordelijk is voor het nemen van maatregelen wanneer er sprake is van fraude en tegenstrijdigheid tussen wetgeving en praktijk.
Nadere inlichtingenNa zorgvuldige bestudering van het standpunt van de Commissie en de opmerkingen van klager bleek dat nader onderzoek noodzakelijk was. De Ombudsman verzocht de Commissie derhalve opmerkingen te maken over de opmerkingen, waarin klager de nadruk legde op vertraging namens de Commissie. De Ombudsman heeft de Commissie ook verzocht hem in kennis te stellen van eventuele recente maatregelen die de Commissie heeft genomen om de antidumpingrechten te innen, zoals de klager beweert. In het geval dat dergelijke maatregelen niet waren genomen, verzocht de Ombudsman de Commissie de redenen daarvoor op te geven.
Aanvullend advies van de CommissieTen eerste wees de Commissie erop dat klager niet langer namens POETIC handelde. Wat recente maatregelen betreft, deelde de Commissie de Ombudsman mee dat zij een nieuwe maatregel had ingevoerd in de Taric-databank die vanaf 1 januari 2002 van toepassing was. Deze maatregel informeert de douaneambtenaren in de lidstaten specifiek over alle producten waarop antidumpingmaatregelen van toepassing zijn wanneer zij uit Turkije worden ingevoerd. In dergelijke gevallen moeten de douaneambtenaren, zelfs wanneer geautomatiseerde inklaringssystemen worden gebruikt, bevestigen of de aangegeven oorsprong al dan niet wordt aanvaard, d.w.z. of er al dan niet antidumpingmaatregelen op deze invoer zijn toegepast.
Voorts werd op 25 januari 2002 een onderzoek geopend naar de beweringen van klager overeenkomstig artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1073/1999 (17) betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF). Dit onderzoek was momenteel aan de gang en de Commissie kon daarom geen verdere opmerkingen maken.
Wat de vermeende onnodige vertraging betreft, verwees de Commissie naar haar eerste advies, waarin zij aangaf dat zij reeds in detail had uitgelegd dat zij niet beschikte over onderbouwde informatie over vermeende valse verklaringen van de oorsprong van kleuren-tv’s die uit Turkije waren ingevoerd voordat de klacht aan haar was toegezonden. De Commissie was van oordeel dat zij had gereageerd op de bevindingen dat de rechten op de invoer van kleuren-tv's uit Turkije mogelijk niet waren geïnd.
Verdere opmerkingen van klagerIn zijn opmerkingen verklaarde klager in de eerste plaats dat het voor het onderzoek van de Ombudsman irrelevant was of hij al dan niet namens POETIC handelde. De klager benadrukte dat de klacht betrekking had op de vraag of de Commissie, na tijdens een antidumpingonderzoek te hebben vastgesteld dat de bestaande antidumpingrechten die van toepassing zijn op kleuren-tv's uit Turkije maar van oorsprong zijn uit landen waarop antidumpingrechten van toepassing zijn, gedurende vijf jaar niet zijn geïnd, kan zwijgen over de illegale situatie en de rechten niet kan innen. De verzameling had onmiddellijk na de bevindingen en eventueel met terugwerkende kracht moeten plaatsvinden. Klager betwijfelde of de Commissie over de organisatie beschikte om met een dergelijke situatie om te gaan.
Klager verklaarde dat het belangrijkste punt van de klacht was dat de Commissie, toen zij ontdekte dat de rechten niet waren geïnd, niet onmiddellijk optrad om de situatie te herstellen. Na te hebben vastgesteld dat de voetnoot bij het Taric niet voldoende was, werden bovendien geen administratieve correcties toegepast, die nadelig waren voor zowel de financiële middelen van de Gemeenschap als de Europese industrie.
Klager benadrukte bovendien dat hij de maatregelen die na de klacht bij de Commissie zijn genomen, op prijs stelde, maar dat zij de oorzaak van het wanbeheer niet wegnemen. De klacht had geen betrekking op de handelingen van de Commissie na de indiening van de klacht, die snel waren, maar op het feit dat de Commissie niet eerder had gehandeld toen zij een ondoeltreffend beheer had vastgesteld. Klager verklaarde dat er binnen de organisatie van de Commissie aanpassingen nodig zijn met betrekking tot inbreuken op het Gemeenschapsrecht, maar tot nu toe leek de Commissie niet te streven naar wijzigingen.
BESLUIT
1 Niet-inning van antidumpingrechten1.1 De klacht had betrekking op de invoer van kleurentelevisietoestellen (CTV's) uit Turkije, die in de EU werden ingevoerd. In zijn klacht voerde klager aan dat de Commissie sinds 1995 geen antidumpingrechten had geïnd die volgens klager verschuldigd waren op uit Turkije ingevoerde producten. De klager verzocht om onmiddellijke maatregelen om de rechten met terugwerkende kracht te innen en om compensatie voor EU-producenten die te lijden hadden onder de dumpingprijzen. In zijn opmerkingen benadrukte klager dat de klacht geen betrekking had op het antidumpingonderzoek van de Commissie zelf, maar op meer algemene kwesties zoals de inconsistentie in de communautaire wetgeving, ongeschikte richtsnoeren voor procedures en ontoereikende reactie van de administratie op deze tekortkomingen om lacunes in de wetgeving en het douanebeheer te verhelpen, waardoor geen antidumpingrechten werden geïnd. Klager verklaarde ook dat de Commissie in een vroeg stadium op de hoogte was van onregelmatigheden, maar niet dienovereenkomstig had gehandeld.
1.2 De Commissie heeft de details en procedures uiteengezet van de antidumpingklacht die POETIC in juni 2000 bij haar heeft ingediend. De Commissie had dit onderzoek bij besluit van 28 september 2001 beëindigd en geconcludeerd dat de uit Turkije uitgevoerde kleuren-tv's niet van Turkse oorsprong waren en dat er geen antidumpingmaatregelen konden worden ingesteld. De Commissie benadrukte dat zij het recht van verweer van klager volledig had geëerbiedigd. Zij verklaarde dat zij vóór de opening van het antidumpingonderzoek geen maatregelen had kunnen nemen, aangezien zij niet beschikte over informatie over onregelmatigheden met betrekking tot de uit Turkije ingevoerde kleuren-tv’s. Voorts heeft zij in 1995 de nodige maatregelen genomen om de inning van antidumpingrechten op producten van oorsprong uit andere derde landen die via Turkije worden ingevoerd, te waarborgen door de tekst van het geïntegreerde tarief van de Gemeenschap (Taric) te wijzigen. De Commissie concludeerde dat zij volledig in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving had gehandeld. Na verder onderzoek verklaarde de Commissie dat OLAF op 25 januari 2002 een onderzoek had geopend naar het feit dat sommige kleuren-tv's die uit Turkije werden uitgevoerd, van oorsprong waren uit andere landen waarop reeds antidumpingmaatregelen van toepassing waren. Dit onderzoek was nog in behandeling.
1.3 Wat de bewering betreft dat geen antidumpingrechten zouden zijn geïnd, moet worden opgemerkt dat uit het onderzoek van de Commissie is gebleken dat de kleuren-tv's die uit Turkije worden uitgevoerd inderdaad van oorsprong zijn uit andere landen. Sommige van deze landen waren al onderworpen aan antidumpingmaatregelen. Op grond van de bevindingen van de Commissie heeft zij de zaak en de kwestie van mogelijke fraude gemeld bij het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF). De Ombudsman merkt op dat er nog geen antidumpingrechten zijn geïnd. Het lijkt erop dat de Commissie de bevindingen van haar onderzoek naar de antidumpingklacht niet toereikend achtte voor de onmiddellijke inning van de antidumpingrechten. In plaats daarvan heeft het ervoor gekozen om de zaak te melden aan OLAF, dat sinds januari 2002 de zaak onderzoekt. Aan het verzoek van klager om onmiddellijke maatregelen om de rechten met terugwerkende kracht en compensatie voor EU-producenten te innen, is derhalve niet voldaan. Er zij echter op gewezen dat het aan de Commissie is om te beslissen welke passende maatregelen moeten worden genomen om eventuele rechten te innen. Het is ook aan de Commissie om te beslissen over passende maatregelen naar aanleiding van haar bevindingen in het antidumpingonderzoek. Het feit dat de Commissie ervoor heeft gekozen om verslag uit te brengen aan OLAF voor verdere maatregelen lijkt niet onredelijk. Het onderzoek van de Ombudsman heeft derhalve geen wanbeheer met betrekking tot dit aspect van de klacht aan het licht gebracht.
1.4 Met betrekking tot de vraag of de Commissie tijdig had gehandeld nadat zij op de hoogte was van de onregelmatigheden, merkt de Ombudsman op dat het Gerecht van eerste aanleg deze kwestie reeds uitvoerig heeft behandeld in de zaak Kaufring (18). Het Hof beklemtoonde daarbij, dat de Commissie de verplichting had toe te zien op de juiste toepassing van de Associatieovereenkomst en het Aanvullend Protocol, en stelde vervolgens vast, dat de Commissie traag had gereageerd en dat zij ernstig tekort was geschoten bij het toezicht op de uitvoering van de Overeenkomst en het Protocol. De bevindingen van de Rekenkamer worden dan ook naar behoren in aanmerking genomen.
1.5 In zijn opmerkingen gaf klager verder aan voornemens te zijn een klacht in te dienen over de inconsistentie in de communautaire wetgeving, ongeschikte richtsnoeren voor procedures en ontoereikende reactie van de administratie op deze tekortkomingen om lacunes in de wetgeving en het douanebeheer te verhelpen. Met betrekking tot deze kwestie wijst de Ombudsman op het volgende. Het mandaat van de Ombudsman heeft alleen betrekking op gevallen van wanbeheer (19), maar niet op de verdiensten van de communautaire wetgeving. Er is sprake van wanbeheer wanneer een overheidsinstantie niet handelt overeenkomstig een voor haar bindende regel of beginsel (20). De Ombudsman kan derhalve geen maatregelen nemen in geval van tekortkomingen in de communautaire wetgeving.
1.6 Wat de verdiensten van de communautaire wetgeving betreft, wenst de Ombudsman de aandacht van klager te vestigen op de mogelijkheid om een verzoekschrift in te dienen bij het Europees Parlement (Europees Parlement, afdeling Activiteiten van de leden, L-2929 Luxemburg).
2 ConclusieOp basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht lijkt er geen sprake te zijn geweest van wanbeheer door de Commissie. De Ombudsman sluit daarom de zaak.
De voorzitter van de Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.
Met vriendelijke groet,
Jacob SÖDERMAN
(1) Gevoegde zaken T-186/97, T-187/97, T-190/97 tot en met T-192/97, T-210/97, T-211/97, T-216/97, T-217/97, T-218/97, T-279/97, T-280/97, T-293/97 en T-147/99, Kaufring e.a. tegen Europese Commissie, Jurispr. 2001, blz. II-1337.
(2) De beschikkingen werden nietig verklaard omdat het recht van verweer niet was geëerbiedigd en artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 en artikel 239 van het douanewetboek waren geschonden.
(3) Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije. Goedgekeurd bij Besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1977, L 361/29).
(4) Gevoegde zaken T-186/97 enz., loc.cit., punt 273.
(5) Verordening (EG) nr. 710/95 van de Raad van 27 maart 1995 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op kleuren-tv's van oorsprong uit Maleisië, de Volksrepubliek China, de Republiek Korea, Singapore en Thailand en tot definitieve inning van het voorlopige recht (PB L 73, blz. 3).
(6) Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 56 van 1.12.1996, blz. 1).
(7) PB C 202 van 20.6.2000, blz. 4.
(8) PB C 94/2 van 2000.
(9) Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302 van 1.10.1992, blz. 1).
(10) Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, PB L 253/1.
(11) PB 2001, L 272/37.
(12) Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije van 22 december 1995 betreffende de tenuitvoerlegging van de slotfase van de douane-unie (zie artikel 47), PB 1996, L 35/1.
(13) Zie voetnoot 9.
(14) Gevoegde zaken T-186/97 e.a., t.a.p., punt 264.
(15) Gevoegde zaken T-186/97 e.a., t.a.p., punten 262-263.
(16) Verordening (EG) nr. 2376/94 van de Commissie van 27 september 1994 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op kleuren-tv's van oorsprong uit Maleisië, de Volksrepubliek China, de Republiek Korea, Singapore en Thailand (PB L 255/50).
(17) Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), PB L 136, blz. 1.
(18) Gevoegde zaken T-186/97 enz., loc.cit.. Zie met name de punten 257-273.
(19) Zie artikel 195 van het EG-Verdrag en artikel 2, lid 2, van het Statuut van de Ombudsman (Besluit 94/262 van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese Ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn taken, PB L 113 van 9.6.1994, blz. 15).
(20) Zie: De Europese Ombudsman, Jaarverslag 1997, punt 2.2.1.