FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Europese Ombudsman Ontwerpaanbeveling aan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) in klacht 3446/2004/GG

(Gemaakt overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het Statuut van de Europese Ombudsman (1))

Het KLACHT

Achtergrond

Klager, een Duitse journalist, was vroeger de Brusselse correspondent van de Stern, een Duits weekblad. Op 7 maart 2002 deed de krant verslag van een aantal beschuldigingen over vermeende onregelmatigheden die waren geuit door een EU-ambtenaar, de heer Paul van Buitenen, en van het onderzoek van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) naar deze beschuldigingen. Het artikel was gebaseerd op het verslag van de heer van Buitenen en een vertrouwelijk OLAF-document dat de krant had verkregen. Volgens klager had geen enkele andere krant tegen die tijd kopieën van deze documenten verkregen.

Op 27 maart 2002 publiceerde OLAF een persbericht waarin het erop wees dat „een journalist” een aantal documenten had verkregen met betrekking tot zijn onderzoek naar de door Van Buitenen aan de orde gestelde punten en dat OLAF daarom had besloten een intern onderzoek in te stellen naar de vermoedelijke openbaarmaking van vertrouwelijke gegevens. Volgens het persbericht zou dit interne onderzoek ook betrekking hebben op de bewering dat de relevante documenten zijn verkregen “door betaling van een ambtenaar”. In de editie van 4 april 2002 citeerde de krant European Voice een woordvoerder van OLAF die zei dat OLAF "op het eerste gezicht het bewijs had gekregen dat er mogelijk een betaling heeft plaatsgevonden".

Klager en zijn krant waren van mening dat, hoewel er in het persbericht van OLAF geen naam was vermeld, de daarin vervatte beschuldiging van omkoping moest worden begrepen als gericht tegen hen. Volgens klager was deze beschuldiging ongegrond.

Klacht 1840/2002/GG

In oktober 2002 wendde klager zich tot de Ombudsman (klacht 1840/2002/GG).

De Ombudsman was van mening dat het desbetreffende persbericht moest worden opgevat als een verwijzing naar klager en dat OLAF geen enkel bewijs had aangedragen ter ondersteuning van de beschuldiging die het daarin had geuit. Hij richtte daarom een ontwerpaanbeveling tot OLAF, op grond waarvan OLAF zou moeten overwegen de beschuldigingen van omkoping in te trekken die waren gepubliceerd en die waarschijnlijk zouden worden opgevat als gericht tegen de klager.

In zijn omstandig advies deelde OLAF de Ombudsman mee dat het de ontwerpaanbeveling had aanvaard en publiceerde het op 30 september 2003 een nieuw persbericht. Dit persbericht bevatte echter de volgende formulering: “De onderzoeken van OLAF zijn nog niet afgerond, maar OLAF heeft tot op heden geen bewijs verkregen dat een dergelijke betaling is verricht.”

De Ombudsman was van mening dat OLAF zijn ontwerpaanbeveling dus niet naar behoren had uitgevoerd. In zijn besluit tot afsluiting van de zaak maakte hij de volgende kritische opmerking: "Door aantijgingen van omkoping te doen zonder een feitelijke basis die zowel toereikend als beschikbaar is voor publieke controle, is OLAF verder gegaan dan wat in verhouding staat tot het doel dat met zijn optreden wordt nagestreefd. Dit is een geval van wanbeheer."

Latere ontwikkelingen

In haar uitgave van 9/10 juni 2004 publiceerde de Süddeutsche Zeitung een artikel over de zaak van klager onder de titel "Much too thin - The T. case ('Stern'"): Een afgrond van het falen van een kantoor. De hoofdinhoud van dit artikel kan als volgt worden samengevat: Volgens de auteur was het algemene beeld dat van een afgrond van dilettantisme van de kant van de autoriteiten en een schoolvoorbeeld van de gevolgen van journalisten die gruwelijk zijn. De heer G., voormalig woordvoerder van een lid van de Commissie, had de woordvoerder van OLAF op 22 maart 2002 meegedeeld dat hij ervan in kennis was gesteld dat klager vertrouwelijke documenten van een ambtenaar van OLAF had verkregen in ruil voor een bezoldiging van 8 000 EUR (of DM). Nadat OLAF hem had gevraagd zijn verhaal te verifiëren, had de heer G. vervolgens de heer K. van de Stern genoemd als bron die had bevestigd dat de Stern kon betalen voor informatie zoals in het geval van klager. De heer K. ontkent ten stelligste dat hij de afgelopen jaren met de heer G. heeft gesproken. De heer G. bevestigde dit naderhand en vertelde de Süddeutsche Zeitung dat het desbetreffende gesprek niet "echt concreet" was geweest. Hij vertelde de krant ook dat hij de heer K. niet had benaderd met betrekking tot de onderhavige zaak, maar eerder vroeg of het "nog steeds gebruikelijk" was dat Stern-journalisten voor informatie betaalden.

Op 9 juni 2004 publiceerde de EUobserver een artikel over de zaak waarin hij de hoofdinhoud van bovengenoemd artikel samenvatte. De EUobserver concludeerde dat de adjunct-woordvoerder van OLAF haar had meegedeeld dat hij op het eerste gezicht geen reden zag voor een disclaimer met betrekking tot het in de Süddeutsche Zeitung gepubliceerde artikel.

In zijn persoverzicht van juni 2004, dat beschikbaar werd gesteld op zijn website, verwees OLAF naar de twee artikelen die werden gepubliceerd door de Süddeutsche Zeitung en de EUobserver. Volgens deze tekst bleek uit het artikel in de Süddeutsche Zeitung dat een journalist en voormalig woordvoerder van een lid van de Commissie de woordvoerder van OLAF in 2002 had meegedeeld dat hij door een collega was geïnformeerd dat klager mogelijk voor de betrokken informatie had betaald. In de tekst van OLAF stond verder dat deze voormalige woordvoerder van de Europese Commissie volgens het door de EUobserver gepubliceerde artikel had bevestigd dat klager 8 000 DM (of EUR) had betaald en een personeelslid van Stern als zijn bron had genoemd. In de tekst van OLAF werd ook vermeld dat de EUobserver had gemeld dat de adjunct-woordvoerder van OLAF haar had meegedeeld dat er op het eerste gezicht geen reden was voor een disclaimer met betrekking tot het in de Süddeutsche Zeitung gepubliceerde artikel.

Op 1 september 2004 schreef klager een brief aan OLAF om OLAF te vragen zijn onjuiste en misleidende verklaringen in dit personderzoek en in een document waarnaar in een van de persberichten van OLAF wordt verwezen, te corrigeren. Klager bekritiseerde met name dat de tekst van OLAF de indruk wekte dat het een onbetwist en bevestigd feit was dat hij op basis van informatie van een collega bij de Stern was beschuldigd van het betalen van een ambtenaar. Volgens klager was in het artikel in de Süddeutsche Zeitung echter niet vermeld dat de heer K. de bron was geweest voor de verklaring dat de Stern DM of 8 000 EUR aan iemand had betaald. Hij wees er verder op dat in dit artikel duidelijk was vermeld dat deze collega had ontkend met de heer G. te hebben gesproken. Volgens klager had OLAF dus nagelaten feiten te vermelden die essentieel waren voor het begrip van het in de Süddeutsche Zeitung gepubliceerde artikel.

Klager voegde daaraan toe dat de tekst van OLAF terecht de verklaring van de EUobserver had aangehaald dat de adjunct-perswoordvoerder van OLAF geen reden zag voor een disclaimer met betrekking tot het artikel in de Süddeutsche Zeitung. Volgens klager was deze passage echter misleidend zolang de lezers van de website er niet van op de hoogte werden gebracht dat dit artikel een vernietigende beoordeling van het werk van OLAF bevatte en melding had gemaakt van onjuiste verklaringen van OLAF. Klager wees erop dat de EUobserver correct over dit artikel had gerapporteerd, maar dat de tekst van OLAF het op een verkeerde en misleidende manier had weergegeven.

In zijn antwoord van 21 september 2004 deelde de directeur-generaal van OLAF klager mee dat de desbetreffende passage in zijn persanalyse was gewijzigd in het licht van de opmerkingen die hij had gemaakt.

De herziene tekst van deze persanalyse voor juni 2004 luidt nu als volgt:

"1. OLAF-onderzoek naar mogelijk wangedrag door een EU-ambtenaar die van corruptie wordt verdacht en/of vertrouwelijke informatie over lopende onderzoeken aan het licht heeft gebracht

In juni werden enkele kritische artikelen gepubliceerd over een OLAF-onderzoek naar mogelijk wangedrag door een EU-ambtenaar die verdacht wordt van corruptie. Zo meldde EUobserver op 2 juni dat de correspondent van Stern in Brussel "een zaak tegen de Europese Commissie had aangespannen bij het Hof van eerste aanleg met het verzoek om een schadevergoeding van 250.000 euro en om nietigverklaring van de zaak tegen hem" (bijlage 1). (...)

Dezelfde online dienst rapporteerde over een artikel gepubliceerd in Suddeutsche Zeitung op 9 juni onder de kop: "Veel te dun – De zaak T. ("Stern"): An Abyss of an Office’s Failure” (bijlage 2), waarin staat dat “vóór de eerste publieke beschuldiging van omkoping in een persbericht van OLAF werd geuit”, een journalist en voormalig woordvoerder van de Europese Commissie “de woordvoerder van OLAF in 2002 had ontmoet en had vermeld dat hij van een collega had gehoord dat de correspondent van Stern mogelijk voor de informatie had betaald”. Volgens het artikel had deze voormalige woordvoerder van de Europese Commissie "de beweringen dat de correspondent van Stern 8000 mark of euro had betaald, bevestigd en vermeldt hij een lid van het strenge personeel als zijn bron".

Met betrekking tot het Suddeutsche artikel meldt EUobserver dat "de adjunct-woordvoerder van OLAF hen had verteld dat er op het eerste gezicht geen reden was voor een disclaimer".

(...)"

De onderhavige grief

In zijn in november 2004 bij de Ombudsman ingediende klacht beweerde klager dat bovengenoemde tekst nog steeds misleidend was.

Klager voerde aan dat OLAF, door de relevante artikelen van de Süddeutsche Zeitung en de EUobserver te citeren op een wijze die de betekenis ervan verdraaide en die tendentieus was, had nagelaten zich objectief en onpartijdig te gedragen, zoals vereist door artikel 11 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen.

Klager voerde aan dat OLAF zijn misleidende tekst onmiddellijk moest intrekken of corrigeren.


Het onderzoek

Advies van OLAF

In zijn advies maakte OLAF de volgende opmerkingen:

De persanalyse van OLAF was bedoeld om een samenvatting te geven van de persartikelen die elke maand over OLAF werden gepubliceerd. Het werd opgesteld in een gedrukte versie, met bijlagen met de volledige versie van de genoemde artikelen, die werd verstrekt aan het Comité van toezicht van OLAF en de secretaris van het Comité begrotingscontrole van het Parlement en die binnen OLAF werd verspreid. Omwille van de transparantie is de analyse ook openbaar gemaakt op de internetsite van OLAF.

In de door klager aangevochten paragraaf stond het volgende vermeld toen deze oorspronkelijk op de website werd geplaatst:

"[De EUobserver] bracht verslag uit over een artikel dat op 9 juni in de Süddeutsche Zeitung werd gepubliceerd (bijlage 2), volgens hetwelk "vóórdat de eerste publieke beschuldiging van omkoping in een persbericht van OLAF werd geuit", een journalist en voormalig woordvoerder van de Europese Commissie "in 2002 de woordvoerder van OLAF had ontmoet en vermeldde dat hij van een collega had gehoord dat de correspondent van Stern mogelijk voor de informatie had betaald". Volgens het artikel had deze voormalige woordvoerder van de Europese Commissie "de beschuldigingen bevestigd dat de correspondent van Stern 8000 mark of euro had betaald en vermeldt hij een lid van het achterstevenpersoneel als zijn bron".

Op 1 september 2004 had klager OLAF schriftelijk in kennis gesteld van soortgelijke bezwaren als die welke hij in zijn onderhavige klacht bij de Ombudsman had geuit. Op 21 september 2004 had OLAF hem meegedeeld dat het de persanalyse van juni 2004 naar aanleiding van zijn bezorgdheid had gewijzigd. Met name de kop van het artikel in de Süddeutsche Zeitung was toegevoegd.

Klager voerde aan dat de verklaring in de persanalyse van juni 2004 betreffende de artikelen in de Süddeutsche Zeitung en de EUobserver de inhoud van deze artikelen "grof vervalst en verdraait", omdat deze de indruk wekt dat "het een onbetwist feit is dat ik op basis van informatie van een collega bij Stern ervan wordt beschuldigd een ambtenaar te hebben betaald." Klager voerde aan dat OLAF geen citaten van de heer G. had opgenomen die zijn eerdere verklaringen in twijfel zouden trekken.

De aangehaalde verklaringen bevatten echter geen dergelijke verklaring. Integendeel, met de toevoeging van de rubriek na ontvangst van de brief van klager van 1 september 2004 was het duidelijk dat de Süddeutsche Zeitung en de EUobserver-artikelen kritiek hadden op OLAF, aangezien zij suggereerden dat het bewijsmateriaal tegen klager "veel te dun" was. (Deze drie woorden waren in feite een citaat van de heer G.) Bovendien was het, gezien in de context van dit deel van de persanalyse in zijn geheel, duidelijk dat deze artikelen in wezen kritiek hadden op OLAF. De gepresenteerde samenvatting kan dus niet worden gelezen als een grove vervalsing en verdraaiing van de relevante artikelen.

OLAF was niet bereid dit lid te wijzigen met alle details die klager had gevraagd op te nemen, aangezien het niet het doel van de persanalyse was om een uitputtende beschrijving te geven van wat elk artikel bevatte. Het doel ervan was veeleer om een kort overzicht te geven van de belangrijkste berichtgeving in de pers van OLAF voor de maand, samen met enkele hoogtepunten van wat die artikelen rapporteren.

Op basis van bovenstaande overwegingen voerde OLAF aan dat het in zijn persanalyse een getrouwe samenvatting van de relevante persartikelen had gepresenteerd.

Opmerkingen van klager

In zijn opmerkingen handhaafde klager zijn klacht. Hij wees erop dat G. in een verklaring op erewoord van 6 augustus 2004 (waarvan klager een kopie bij de Ombudsman had ingediend) had verklaard dat hij de Süddeutsche Zeitung had meegedeeld dat hij K. niet had benaderd met betrekking tot de onderhavige zaak, maar in algemene termen had gevraagd of het nog steeds gebruikelijk was om voor informatie te betalen. G. had daaraan toegevoegd dat hij door de Süddeutsche Zeitung was geciteerd in haar artikel van 9 juni 2004. Volgens klager waren de verklaringen in deze beëdigde verklaring bekend bij OLAF.

Klager voerde verder aan dat OLAF duidelijk onjuiste verklaringen had afgelegd in zijn "achtergrond"-document bij een persbericht (betreffende klacht 2485/2004/GG) dat het op 11 maart 2005 had gepubliceerd. In dit document had OLAF verklaard dat klager zijn zaak tegen de heer G. voor Duitse rechtbanken had verloren omdat de heer G. zijn verklaringen had afgelegd waarin klager werd belast in het kader van een uitwisseling van informatie "binnen een overheidsinstantie". Klager was van mening dat dit onjuist was, aangezien de heer G. naar zijn mening alleen aan een veroordeling was ontsnapt vanwege de immuniteit die hij als voormalig ambtenaar van de EU genoot.

BESLUIT

1 Inleidende opmerkingen

1.1 In zijn in november 2004 ingediende klacht maakte klager, een Duitse journalist, bezwaar tegen de inhoud van de persanalyse voor juni 2004, die door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) was opgesteld en op de website van OLAF was gepubliceerd. De klager was van mening dat de desbetreffende tekst misleidend was.

1.2 De Ombudsman heeft de klacht voor advies naar OLAF gestuurd. In zijn opmerkingen over het standpunt van OLAF heeft klager nog een bewering gedaan dat OLAF in zijn "achtergronddocument" onjuiste verklaringen had afgelegd in een persbericht dat hij op 11 maart 2005 had gepubliceerd.

1.3 Artikel 2, lid 4, van het Statuut van de Europese Ombudsman bepaalt dat een klacht bij de Ombudsman moet worden voorafgegaan door passende administratieve stappen bij de betrokken instellingen en organen. Aangezien klager met betrekking tot zijn tweede bewering geen dergelijke stappen lijkt te hebben ondernomen bij OLAF, is de Ombudsman momenteel niet in staat deze bewering te behandelen. Klager blijft vrij om een nieuwe klacht in te dienen met betrekking tot deze bewering nadat hij de passende voorafgaande stappen bij OLAF heeft ondernomen.

2 Vermeend misleidende of tendentieuze verklaringen van OLAF in zijn persanalyse voor juni 2004

2.1 In haar uitgave van 9/10 juni 2004 heeft de Süddeutsche Zeitung een artikel gepubliceerd over het geschil van klager met OLAF (2). Op 9 juni 2004 publiceerde de EUobserver een artikel waarin hij de hoofdinhoud van bovengenoemd artikel samenvatte. In zijn persoverzicht van juni 2004, dat beschikbaar werd gesteld op zijn website, verwees OLAF naar de twee artikelen die werden gepubliceerd door de Süddeutsche Zeitung en de EUobserver. Nadat klager bij brief van 1 september 2004 bezwaar had gemaakt tegen deze tekst, heeft OLAF hem bij brief van 21 september 2004 meegedeeld dat de tekst was gewijzigd.

Het relevante deel van de gewijzigde tekst van het persoverzicht van OLAF voor juni 2004 luidt als volgt:

"1. OLAF-onderzoek naar mogelijk wangedrag door een EU-ambtenaar die van corruptie wordt verdacht en/of vertrouwelijke informatie over lopende onderzoeken aan het licht heeft gebracht

In juni werden enkele kritische artikelen gepubliceerd over een OLAF-onderzoek naar mogelijk wangedrag door een EU-ambtenaar die verdacht wordt van corruptie. Zo meldde de Brusselse correspondent van Stern op 2 juni dat hij "een zaak tegen de Europese Commissie had aangespannen bij het Hof van eerste aanleg met het verzoek om een schadevergoeding van 250.000 euro en om nietigverklaring van de zaak tegen hem" (bijlage 1). (...).

Dezelfde online dienst rapporteerde over een artikel gepubliceerd in Suddeutsche Zeitung op 9 juni onder de kop: "Veel te dun – De zaak T. ("Stern"): An Abyss of an Office’s Failure” (bijlage 2), waarin staat dat “vóór de eerste publieke beschuldiging van omkoping in een persbericht van OLAF werd geuit”, een journalist en voormalig woordvoerder van de Europese Commissie “de woordvoerder van OLAF in 2002 had ontmoet en had vermeld dat hij van een collega had gehoord dat de correspondent van Stern mogelijk voor de informatie had betaald”. Volgens het artikel had deze voormalige woordvoerder van de Europese Commissie "de beschuldigingen bevestigd dat de correspondent van Stern 8000 mark of euro had betaald en vermeldt hij een lid van het personeel van de achtersteven als zijn bron".

Met betrekking tot het Suddeutsche artikel meldt EUobserver dat "de adjunct-woordvoerder van OLAF hen had verteld dat er op het eerste gezicht geen reden was voor een disclaimer".

(...)".

2.2 In zijn klacht bij de Ombudsman beweerde klager dat bovengenoemde tekst nog steeds misleidend was. Klager bekritiseerde met name dat de tekst van OLAF de indruk wekte dat het een onbetwist en bevestigd feit was dat hij op basis van informatie van een collega bij de Stern was beschuldigd van het betalen van een ambtenaar. Volgens klager was dit echter niet wat het artikel had gezegd. Klager voerde aan dat OLAF, door de relevante artikelen van de Süddeutsche Zeitung en de EUobserver te citeren op een wijze die de betekenis ervan verdraaide en die tendentieus was, had nagelaten zich objectief en onpartijdig te gedragen, zoals artikel 11 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen voorschrijft. Hij stelde dat OLAF zijn misleidende tekst onmiddellijk moet intrekken of corrigeren.

2.3 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de onderhavige zaak geen betrekking heeft op de vraag of de beschuldigingen die G. tegen klager heeft geuit (of kan hebben geuit) gegrond zijn. De onderhavige klacht heeft uitsluitend betrekking op de vraag of OLAF misleidende informatie heeft verstrekt over twee artikelen die in juni 2004 in zijn persanalyse voor juni 2004 zijn gepubliceerd.

2.4 OLAF heeft in zijn advies uitgelegd dat zijn persanalyse bedoeld is om maandelijks een samenvatting van de gepubliceerde persartikelen over OLAF te presenteren. Volgens OLAF wordt deze persanalyse opgesteld in een gedrukte versie, met bijlagen met de volledige versie van de genoemde artikelen, die wordt verstrekt aan het Comité van toezicht van OLAF en de secretaris van de Commissie begrotingscontrole van het Parlement en die binnen OLAF wordt verspreid. OLAF voegde daaraan toe dat de analyse in het belang van de transparantie ook voor het publiek beschikbaar wordt gesteld op de internetsite van OLAF.

2.5 De Ombudsman is van mening dat het een goede administratieve praktijk is om ervoor te zorgen dat de door de EU-instellingen en -organen verstrekte informatie correct en niet misleidend is en om eventuele fouten snel te corrigeren.

2.6 Volgens de Ombudsman bevat het desbetreffende deel van de persanalyse van OLAF voor juni 2004, zoals herzien naar aanleiding van de presentaties die klager aan OLAF heeft gegeven, de volgende twee verklaringen: (1) Volgens het in de Süddeutsche Zeitung gepubliceerde artikel had een journalist en voormalig woordvoerder van de Europese Commissie in 2002 een ontmoeting gehad met de woordvoerder van OLAF en vermeldde hij dat hij van een collega had gehoord dat klager mogelijk had betaald voor de vertrouwelijke informatie die hij had verkregen; (2) Volgens hetzelfde artikel had deze voormalige woordvoerder van de Commissie "de beschuldigingen bevestigd dat de correspondent van Stern 8000 mark of euro had betaald en vermeldt hij een lid van het achterstevenpersoneel als zijn bron".

2.7 De Ombudsman is van mening dat de eerste van deze twee verklaringen in wezen juist is. Het is waar dat het artikel in de Süddeutsche Zeitung ook vermeldt dat de persoon (de heer K.) die de heer G. (de "journalist en voormalig woordvoerder van de Europese Commissie") uiteindelijk als zijn bron had genoemd, ontkende met de heer G. te hebben gesproken. De Ombudsman is echter van mening dat dit feit geen invloed heeft op de juistheid van de bovengenoemde verklaring in de persanalyse van OLAF. De verklaring van de heer K. doet wellicht twijfels rijzen over de waarde van de verklaring die de heer G. in 2002 aan de perswoordvoerder van OLAF heeft afgelegd, maar zij doet niets af aan het feit dat deze verklaring is afgelegd.

2.8 Wat de tweede van bovengenoemde verklaringen betreft, impliceert de tekst van OLAF duidelijk dat de heer G. zijn beschuldigingen tegen klager heeft bevestigd (of bevestigd, zoals OLAF het uitdrukte) nadat hij door de krant was ondervraagd. De Ombudsman merkt echter op dat dit duidelijk niet was wat in het artikel stond. Volgens het door de Süddeutsche Zeitung gepubliceerde artikel had de heer G., toen hij werd geconfronteerd met de verklaring van de heer K., toegegeven dat het desbetreffende gesprek niet "echt concreet" was geweest. Nog steeds volgens dit artikel had de heer G. de krant ook verteld dat hij de heer K. niet had benaderd met betrekking tot de onderhavige zaak, maar eerder had gevraagd of het "nog steeds gebruikelijk" was dat journalisten bij de Stern voor informatie betaalden. Het is dus duidelijk dat, in tegenstelling tot de persanalyse van OLAF, uit het artikel in de Süddeutsche Zeitung niet blijkt dat G. "de beweringen bevestigde dat de correspondent van Stern 8000 mark of euro had betaald en een streng personeelslid als bron noemt"(3). In deze omstandigheden moet het relevante deel van de persanalyse van OLAF inderdaad als misleidend worden beschouwd. Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat de huidige versie van de tekst van OLAF de titel van het in de Süddeutsche Zeitung gepubliceerde artikel vermeldt, waaruit blijkt dat de auteur ervan zeer kritisch was over het gedrag van OLAF. De Ombudsman is van mening dat bijna niemand die de tweede van de bovengenoemde verklaringen heeft gelezen, zal vermoeden dat de titel van dit artikel de heer G. zelf citeert, die volgens het artikel de krant vertelde dat de informatie die hij aan OLAF had verstrekt naar zijn mening "veel te dun" was om een onderzoek in te stellen.

2.9 In de persanalyse van juni 2004 wordt bovengenoemd deel gevolgd door een paragraaf die als volgt luidt: "Met betrekking tot het Suddeutsche artikel meldt EUobserver dat "de adjunct-woordvoerder van OLAF hen had verteld dat er op het eerste gezicht geen reden was voor een disclaimer". Er zij op gewezen dat het artikel in de EUobserver meldde wat er in het artikel in de Süddeutsche Zeitung was geschreven, namelijk dat de heer G. had toegegeven dat hij niet "zeer concreet" met de heer K. had gesproken en dat hij alleen had gevraagd of het personeel van Stern in het algemeen nog steeds gebruikmaakte van de praktijk van het betalen voor informatie. De Ombudsman is van mening dat het weglaten van deze informatie de betekenis verstoort van de verklaring dat de plaatsvervangend woordvoerder van OLAF het niet nodig achtte te reageren op het artikel in de Süddeutsche Zeitung. Bij gebrek aan correcte informatie over de relevante inhoud van de artikelen die in de twee kranten zijn gepubliceerd, moet deze verklaring in de persanalyse van OLAF voor juni 2004 dus ook als misleidend worden beschouwd.

3 Conclusie

Op basis van zijn onderzoek naar de onderhavige klacht concludeert de Ombudsman dat OLAF inderdaad, zoals klager beweerde, misleidende informatie bleef verstrekken in zijn persanalyse voor juni 2004. Dit is een geval van wanbeheer.

Gezien het bovenstaande doet de Ombudsman overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het Statuut van de Ombudsman de volgende ontwerpaanbeveling aan OLAF:

De ontwerpaanbeveling

OLAF moet de informatie over de twee door de Süddeutsche Zeitung en de EUobserver gepubliceerde artikelen die in zijn persanalyse voor juni 2004 is opgenomen, herzien en corrigeren.

OLAF en de klager zullen van deze ontwerpaanbeveling in kennis worden gesteld. Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van het statuut van de Ombudsman brengt OLAF uiterlijk op 31 augustus 2005 een uitvoerig gemotiveerd advies uit. Het omstandig advies zou kunnen bestaan uit de aanvaarding van het besluit van de Ombudsman en een beschrijving van de maatregelen die zijn genomen om de ontwerpaanbeveling uit te voeren.

Straatsburg, 31 mei 2005

 

P. Nikiforos DIAMANDOUROS


(1) Besluit 94/262 van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese Ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn taken (PB L 113, blz. 15).

(2) De achtergrond van dit geschil wordt uitvoerig uiteengezet in het speciaal verslag dat de Ombudsman op 12 mei 2005 aan het Europees Parlement heeft gericht in zaak 2485/2004/GG. Het speciaal verslag is beschikbaar op de website van de Ombudsman (http://www.ombudsman.europa.eu).

(3) Aangezien het bovenstaande resultaat reeds voortvloeit uit de interpretatie van het artikel zelf, hoeft geen rekening te worden gehouden met de beëdigde verklaring van de heer G. die klager bij zijn opmerkingen over het advies van OLAF heeft ingediend (wat deze interpretatie in elk geval zou bevestigen).

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!