Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
Huidige taal:
- NL Nederlands
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 121/97/VK tegen de Europese Commissie
Besluiten
Zaak 121/97/VK - Geopend op Dinsdag | 13 mei 1997 - Besluit over Woensdag | 07 oktober 1998
Straatsburg, 7 oktober 1998
Geachte heer B.,
Op 4 februari, 6 maart en 21 april 1997 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen de Europese Commissie. U beweerde dat de Commissie er niet voor had gezorgd dat de Duitse autoriteiten zich hielden aan Richtlijn 91/670 van de Raad van 16 december 1991 inzake de wederzijdse aanvaarding van persoonlijke vergunningen voor de uitoefening van functies in de burgerluchtvaart (1). U beweerde ook dat de Commissie niet had gehandeld in overeenstemming met haar eigen verplichtingen uit hoofde van de richtlijn.
Op 13 mei 1997 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Europese Commissie. De Commissie heeft haar advies op 29 augustus 1997 toegezonden en ik heb u op 8 oktober 1997 uitgenodigd om opmerkingen te maken.
Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan. Mijn excuses voor de tijd die het heeft gekost om uw klacht te behandelen.
Om misverstanden te voorkomen, is het belangrijk eraan te herinneren dat het EG-Verdrag de Europese Ombudsman de bevoegdheid verleent om alleen bij het optreden van de communautaire instellingen en organen onderzoek te doen naar mogelijke gevallen van wanbeheer. Het statuut van de Europese Ombudsman bepaalt uitdrukkelijk dat tegen geen enkel optreden van een andere autoriteit of persoon een klacht bij de Ombudsman kan worden ingediend.
Het onderzoek van de Ombudsman naar uw klacht had derhalve tot doel na te gaan of er sprake was van wanbeheer bij de activiteiten van de Europese Commissie.
Het KLACHT
Het lijkt erop dat u de Duitse autoriteiten om erkenning van uw Oostenrijkse vergunning voor beroepshelikopter hebt gevraagd. De Duitse autoriteiten waren van mening dat uw rijbewijs niet gelijkwaardig was aan een Duits rijbewijs en zouden daarom geen erkenning verlenen tenzij u aan aanvullende voorwaarden voldeed. Aangezien u dit discriminerend vond, was u niet bereid aan deze voorwaarden te voldoen.
U hebt vervolgens een klacht ingediend bij de Commissie in Brussel en de vertegenwoordiging van de Commissie in Bonn. Daarna is er een briefwisseling geweest tussen u en de bevoegde diensten van de Commissie. Het bleek dat de Commissie het niet eens was met uw standpunt.
Tegen deze achtergrond heeft u de klacht ingediend bij de Europese Ombudsman. U heeft aangevoerd dat de volgende gevallen van wanbeheer zijn:
- De Commissie heeft richtlijn 91/670 niet nageleefd door geen vergelijking te maken tussen de eisen die in elke lidstaat gelden voor de afgifte van helikoptervergunningen, zoals bepaald in artikel 4 van de richtlijn;
- De Commissie heeft er niet voor gezorgd dat de Duitse autoriteiten geen discriminerende voorwaarden stellen voor de erkenning van Oostenrijkse helikoptervergunningen;
- De Commissie heeft verzuimd het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de volledige wederzijdse erkenning van vergunningen op te stellen, waarin de overwegingen van de richtlijn voorzien;
- De Commissie heeft geen antwoord gegeven op een brief die u op 9 september 1996 aan de heer Probst van directoraat-generaal VII van de Commissie hebt gericht.
Het onderzoek
In
haar advies heeft de Commissie in wezen het volgende verklaard:
Wat uw eerste klacht betreft, is het waar dat de Commissie met betrekking tot helikoptervergunningen nog geen vergelijking heeft gemaakt van de in elke lidstaat geldende eisen voor de afgifte van vergunningen, die volgens artikel 4, lid 1, van de richtlijn vóór 1 januari 1992 hadden moeten zijn gemaakt. Het niet verstrekken van de vergelijking heeft echter geen invloed op uw individuele situatie.
De Commissie is door de Duitse autoriteiten naar behoren geïnformeerd over de aanvullende voorwaarden die zij hebben vastgesteld voor de erkenning van Oostenrijkse helikoptervergunningen. Na rijp beraad heeft de Commissie deze aanvaard. U bent hiervan op de hoogte gesteld.
Wat uw derde grief betreft, baseert de Commissie zich voor haar voorstel op technische werkzaamheden die worden uitgevoerd door een orgaan, de Joint Aviation Authority, een geassocieerd orgaan van de Europese Burgerluchtvaartconferentie. Het is pas onlangs dat deze autoriteit haar werkzaamheden met betrekking tot helikoptervergunningen heeft afgerond, die de Commissie te zijner tijd zal onderzoeken met het oog op de opstelling van haar voorstel voor een besluit van de Raad.
Wat uw brief van 9 september 1996 betreft, is de Commissie van mening dat een faxbericht van de vertegenwoordiging van Bonn van 7 november 1996 een antwoord overbodig maakte.
Uw opmerkingen
In uw opmerkingen heeft u uw klacht gehandhaafd.
BESLUIT
1. Wat uw eerste klacht betreft, is in artikel 4, lid 1, van de richtlijn bepaald dat de Commissie "vóór 1 januari 1992 een vergelijking [maakt] van de in elke lidstaat geldende eisen voor de afgifte van vergunningen voor dezelfde functies en deze aan alle lidstaten toezendt". De Commissie heeft toegegeven dat zij een dergelijke vergelijking nog niet heeft gemaakt voor helikoptervergunningen. Het behoort tot de bevoegdheid van de Commissie om een wijziging van de richtlijn voor te stellen indien deze niet aan de in de richtlijn vastgestelde uiterste termijn kan voldoen. De beginselen van behoorlijk bestuur vereisen dat de Commissie de regels en beginselen naleeft die voor haar bindend zijn. Aangezien de Commissie artikel 4, lid 1, met betrekking tot helikoptervergunningen niet heeft nageleefd, heeft zij niet aan die eis voldaan.
2. Wat betreft de beoordeling door de Commissie van de aanvullende voorwaarden die door de Duitse autoriteiten zijn vastgesteld voor de erkenning van Oostenrijkse helikoptervergunningen, zijn er geen elementen die erop wijzen dat deze beoordeling onjuist zou moeten zijn.
3. Wat uw derde grief betreft, staat in de laatste overweging van de richtlijn dat de Commissie, met het oog op de volledige wederzijdse erkenning van vergunningen, vóór 1 juli 1992 een voorstel bij de Raad moet indienen. De Commissie heeft erkend dat zij een dergelijk voorstel nog niet heeft ingediend. Het behoort tot de bevoegdheid van de Commissie om een wijziging van de richtlijn voor te stellen indien deze niet aan de in de richtlijn aangegeven uiterste termijn kan voldoen. De beginselen van behoorlijk bestuur vereisen dat de Commissie zich houdt aan duidelijke, ondubbelzinnige en publiekelijk afgelegde verklaringen over het tijdstip waarop wetgevingsvoorstellen moeten worden ingediend. Aangezien de Commissie nog niet in overeenstemming met die overweging heeft gehandeld, heeft zij niet aan dat vereiste voldaan.
4. Wat uw vierde grief betreft, zij erop gewezen dat het faxbericht van de vertegenwoordiging van Bonn van 7 november 1996, dat de Commissie beschouwt als een antwoord op uw brief van 9 september 1996, niet naar uw brief verwijst. De inhoud van de fax lijkt geen antwoord te geven op de belangrijke vragen die in uw brief worden gesteld. Integendeel, de fax eindigt met de mededeling dat de vertegenwoordiging contact zal opnemen met de diensten van de Commissie in Brussel, zodat zij zich tot u kunnen richten. De beginselen van behoorlijk bestuur vereisen dat de Commissie antwoordt op aan haar gerichte brieven. Aangezien de Commissie niet heeft geantwoord op uw brief van 9 september 1996, heeft zij niet aan deze eis voldaan.
Conclusie Op
basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht lijkt het noodzakelijk de volgende kritische opmerkingen te maken:
- i) De beginselen van behoorlijk bestuur vereisen dat de Commissie zich houdt aan de regels en beginselen die haar binden. Aangezien de Commissie met betrekking tot helikoptervergunningen nog niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 4, lid 1, van richtlijn 91/670, heeft zij niet aan deze verplichting voldaan.
- ii) De beginselen van behoorlijk bestuur vereisen dat de Commissie zich houdt aan duidelijke, ondubbelzinnige en publiekelijk afgelegde verklaringen over het tijdstip waarop wetgevingsvoorstellen moeten worden ingediend. Aangezien de Commissie het in de laatste overweging van richtlijn 91/670 bedoelde voorstel nog niet vóór 1 juli 1992 heeft ingediend, heeft zij niet aan dit vereiste voldaan.
- iii) De beginselen van behoorlijk bestuur vereisen dat de Commissie antwoordt op een aan haar gerichte brief. Aangezien de Commissie niet heeft geantwoord op uw brief van 6 september 1996, heeft zij niet aan deze voorwaarde voldaan.
Aangezien deze aspecten van de zaak betrekking hebben op procedures in verband met specifieke gebeurtenissen in het verleden, is het niet passend te streven naar een minnelijke schikking van de zaak. De Ombudsman heeft daarom besloten de zaak te sluiten.
Met vriendelijke groet
Jacob Söderman
cc:
Jacques Santer, voorzitter van de Europese Commissie
Jean-Claude Eeckhout, secretariaat-generaal van de Europese Commissie
(1) PB 1991, L 373/21.