Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van zijn onderzoek naar klacht 1551/2007/(BM)JMA tegen de Europese Commissie
Besluiten
Zaak 1551/2007/(BM)JMA - Geopend op Maandag | 30 juli 2007 - Besluit over Donderdag | 11 december 2008
DE TERUGGROND NAAR HET KLACHT
1. De klager is een vertegenwoordiger van X, een brancheorganisatie die handelde namens een van haar leden, de onderneming Y. Beiden zijn gevestigd in land A. Volgens de door de klager verstrekte informatie produceert, verkoopt en exporteert Y eieren voor zowel menselijke consumptie als de vervaardiging van levensmiddelen. In september 2005 werd een familie uit land B ziek van salmonella. Zij voerden aan dat dit te wijten was aan hun consumptie van mayonaise, die was vervaardigd door een lokale producent met eieren van Y. Daaropvolgende onderzoeken werden geopend door zowel de voedselveiligheidsautoriteiten van A als B. Naar aanleiding van deze onderzoeken werden de productie en uitvoer van producten van Y opgeschort. Op 26 september 2005 heeft de Autoriteit voor voedselveiligheid van A echter geconcludeerd dat de oorsprong van de uitbraak niet afkomstig was van Y. Deze onderneming heeft zelf ook een aantal controles uitgevoerd, wat tot dezelfde conclusie heeft geleid. In oktober 2005 heeft zich in B een soortgelijk incident voorgedaan en als gevolg daarvan is door de autoriteiten van zowel A als B een nieuw gezondheidswaarschuwingssysteem ingevoerd. Eind oktober verklaarden de autoriteiten van A dat de gezondheidsvoorschriften van Y toereikend waren en dat er geen gezondheidsgerelateerde problemen met de producten leken te zijn. De autoriteiten van A hebben vervolgens contact opgenomen met hun tegenhangers in B en hun een aantal wetenschappelijke analyses toegezonden waaruit bleek dat de producten van Y geen bedreiging vormden voor de menselijke gezondheid. Niettegenstaande die informatie werd de gezondheidswaarschuwing voor zijn producten niet opgeheven in B.
2. Op 25 januari 2006 heeft X bij de Europese Commissie twee klachten ingediend, volgens welke de wijze waarop de autoriteiten van zowel A als B de vermeende gezondheidsklachten tegen Y hadden behandeld, onjuist was. Op 4 december 2006 hebben de diensten van de Commissie klager meegedeeld dat zij niet voornemens waren een inbreukprocedure in te leiden in verband met de zaken, en hebben zij voorgesteld deze te sluiten.
Het onderwerp van het onderzoek
3. Gezien het standpunt van de Commissie diende klager op 25 mei 2007 een klacht in bij de Ombudsman, met het argument dat de Commissie zijn twee klachten niet naar behoren had behandeld en de situatie niet op bevredigende wijze had onderzocht. Evenzo verklaarde klager dat de Commissie ongepaste druk had uitgeoefend op de verantwoordelijke autoriteiten van A om te voorkomen dat zij in de zaak zouden ingrijpen.
4. In zijn klacht bij de Ombudsman diende klager de volgende bewering en bewering in:
Bewering:
De Commissie had zijn klachten niet naar behoren behandeld.
Ter ondersteuning van deze bewering voerde de klager aan dat de Commissie:
a) geen rekening heeft gehouden met de door X overgelegde documenten, met name die betreffende de naleving door Y van de desbetreffende sanitaire normen in punt A;
b) geen contact heeft opgenomen met de autoriteiten van B;
c) de klager niet tijdig in kennis heeft gesteld van de voortgang van de zaak;
d) niet heeft verzocht om tussenkomst van de diensten die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 178/2002 inzake voedselveiligheid; en
e) heeft voorkomen dat de Autoriteit voor voedselveiligheid in A ingrijpt in de zaak.
Aanvraag:
De Commissie moet haar standpunt over zijn klachten heroverwegen.
Het onderzoek
5. Bij brief van 30 juli 2007 heeft de Ombudsman een onderzoek ingesteld naar de bewering en het argument van klager en de Commissie verzocht om uiterlijk op 30 november 2007 een advies in te dienen. De Commissie heeft op 11 december 2007 een advies in het Engels uitgebracht. Op 21 december 2007 is een vertaling in de taal van A toegezonden aan klager, die op 19 februari 2008 zijn opmerkingen over het advies van de Commissie heeft ingediend.
De analyse en conclusies van de OMBUDSMAN
A. Vermeende onjuiste behandeling van de klachten 2006/4171 en 2006/4172 door de Commissie
Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten
6. In haar antwoord van 11 december 2007 oordeelde de Commissie dat de klachtendossiers in kwestie naar behoren werden behandeld en dat klager regelmatig op de hoogte werd gehouden van haar onderzoek.
7. De Commissie verwees naar haar formele behandeling van de klachten van X en haar contacten met klager. Op 16 januari 2006 werden de eerste klachten toegezonden aan het directoraat-generaal Ondernemingen (DG ENTR), dat ze vervolgens op 31 januari 2006 doorstuurde naar het directoraat-generaal Landbouw (DG AGRI) en, ten slotte, in maart 2006 naar het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming (DG SANCO). De klachten zijn op 10 februari 2006 geregistreerd. Op 17 februari 2006 heeft DG AGRI klager in kennis gesteld van de overdracht van zijn klachten aan DG ENTR. Naar aanleiding van het verzoek van klager aan DG SANCO vond op 14 maart 2006 een vergadering plaats. De Commissie heeft bij haar advies kopieën gevoegd van al haar contacten met klager.
8. Op 4 december 2006 heeft DG SANCO klager meegedeeld dat, aangezien het niet mogelijk was een inbreuk op het EU-recht aan te tonen, zijn diensten de Commissie zouden voorstellen de twee klachten af te sluiten. Hij kreeg een standaardtermijn van vier weken om nieuwe informatie te verstrekken waaruit bleek dat er daadwerkelijk sprake was van een inbreuk op het Unierecht. Bij brief van 19 december 2006, die op 8 januari 2007 werd bevestigd, diende klager binnen de aangegeven termijn nieuw bewijsmateriaal in. Bijgevolg werd het inbreukdossier niet afgesloten, zodat er tijd was om de nieuwe elementen te onderzoeken. In juli 2007, na een beoordeling van de nieuwe elementen, werd klager er echter van in kennis gesteld dat de diensten van de Commissie zouden voorstellen het dossier te sluiten.
9. Wat de grond van de zaak betreft, heeft de Commissie eerst de feiten en de rechtsopvatting van haar diensten beschreven. Zij heeft uiteengezet dat B de invoer van eieren uit A eind 2005 heeft geweigerd wegens verschillende gevallen van salmonellavergiftiging die volgens de autoriteiten van B waren veroorzaakt door een specifieke partij eieren van oorsprong uit Y. Bijgevolg hebben de autoriteiten van B een systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders (RASFF) opgezet. Y nam vervolgens contact op met X, die bij de Commissie een klacht had ingediend tegen de autoriteiten van zowel A als B. X voerde aan dat, aangezien deze specifieke sector nog niet op communautair niveau is geharmoniseerd, B verplicht was eieren te aanvaarden die voldeden aan de relevante wetgeving in A. X maakte bezwaar tegen het feit dat de autoriteiten van A de vorderingen van haar lid tegen de autoriteiten van B niet hadden ondersteund.
10. De Commissie merkte op dat B, volgens de bij de brief van de klager van 17 mei 2006 gevoegde documenten, de eiproducenten in A verzocht dezelfde procedures tegen salmonella toe te passen als die welke in B voor de nationale productie van kracht waren. B voerde aan dat er geen wetenschappelijk bewijs was dat de maatregelen die momenteel door de producent in A worden toegepast, doeltreffend waren voor de bescherming van de volksgezondheid. Uit de enige uitgebreide wetenschappelijke studie van de EU over deze kwestie bleek dat een zeer klein percentage van de bedrijven in B door de ziekte was getroffen, terwijl dit percentage in A meer dan tien keer hoger was. De Commissie benadrukte dat B, aangezien dit gebied nog niet op communautair niveau is geharmoniseerd, had besloten gebruik te maken van het voorzorgsbeginsel van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 178/2002 [1] en artikel 30 van het EG-Verdrag, waarin uitzonderingen op het beginsel van het vrije verkeer van goederen zijn opgenomen. Het standpunt van de autoriteiten in zaak B werd door de Commissie niet betwist, aangezien het was gebaseerd op wat de Commissie als een passende risicobeoordeling beschouwde. De Commissie heeft dit standpunt in haar brief van 18 juli 2007 aan klager meegedeeld.
11. De Commissie heeft voorts uitgelegd dat de toepasselijke communautaire wetgeving in dit geval Verordening (EG) nr. 2160/2003 inzake de bestrijding van salmonella en soortgelijke agentia [2] is. De verordening voert stapsgewijze salmonellabestrijdingsprogramma’s in, waarin een aantal maatregelen voor de monitoring van eieren zijn vastgesteld. Deze maatregelen zullen echter pas in december 2009 in werking treden. Tot die datum mogen de lidstaten nationale maatregelen toepassen. De Commissie was van mening dat zij, gelet op de juridische situatie en de feiten van de zaak, het standpunt van de regering van B niet mocht betwisten. Zij merkte voorts op dat de Autoriteit voor voedselveiligheid in A noch het besluit noch het optreden van de autoriteiten van B in twijfel had getrokken.
12. Met betrekking tot elk van de door klager aangevoerde argumenten antwoordde de Commissie als volgt.
(a) Alle door X ingediende documenten werden door haar diensten erkend en zorgvuldig beoordeeld.
b) Zij heeft voortdurend contact gehad met de autoriteiten van de betrokken lidstaten. In dit specifieke geval was het standpunt van de autoriteiten in B bekend bij de diensten van de Commissie, als gevolg van de brief die deze autoriteiten klager op 12 april 2006 hadden gestuurd. Daarnaast onderhield DG SANCO frequente contacten met de nationale autoriteiten van de twee betrokken lidstaten in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de gezondheid en andere werkgroepen.
c) Zij had gehandeld in overeenstemming met de toepasselijke regels, met name de code van goed administratief gedrag [3] en de mededeling van de Commissie over de betrekkingen met de klager met betrekking tot inbreuken op het Gemeenschapsrecht [4]. Zij was niet verplicht de klager in detail te informeren over elke afzonderlijke actie die in het kader van het lopende onderzoek werd ondernomen. Volgens de bovengenoemde regels is zij alleen verplicht de klager in kennis te stellen van de genomen besluiten.
d) De autoriteiten in A steunden de vorderingen van klager tegen B niet; zij werkten samen met zowel de autoriteiten van B als de diensten van de Commissie in het kader van de lopende RASSF-waarschuwing, zoals vereist door de desbetreffende wetgeving. De Commissie heeft ook ontkend dat zij de autoriteiten van A had belet om in te grijpen. Klager had de Commissie inderdaad ingelicht over de aard van de bilaterale bijeenkomsten tussen de nationale autoriteiten van de twee betrokken lidstaten. In geen enkel stadium heeft de Commissie tijdens deze besprekingen geïntervenieerd.
13. De Commissie legde ook uit dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) in deze zaak niet had kunnen optreden, aangezien de rol van de EFSA, zoals beschreven in Verordening (EG) nr. 178/2002, erin bestaat de communautaire instellingen en de lidstaten wetenschappelijk advies en ondersteuning te verstrekken op gebieden die van invloed zijn op de veiligheid van levensmiddelen en diervoeders, en bij te dragen tot een hoog niveau van bescherming van het leven en de gezondheid van de mens in het kader van de werking van de interne markt. De Commissie is van mening dat er, rekening houdend met de beschikbare informatie van de twee betrokken lidstaten, geen reden was om de EFSA om verdere wetenschappelijke gegevens te verzoeken. De basisstudie over de prevalentie van salmonella die de EFSA tussen 2004 en 2006 heeft uitgevoerd en waarover DG SANCO ten tijde van het onderzoek van de klachten beschikte, werd derhalve geacht voldoende informatie te verschaffen.
14. De Commissie benadrukte dat haar diensten bij de behandeling van de twee door X ingediende klachten de code van goed administratief gedrag in acht hebben genomen. Volgens de Commissie betwistte klager de gegrondheid van zijn besluit om geen inbreukprocedure tegen de twee lidstaten in te leiden. Zoals de gemeenschapsrechter heeft erkend, valt een dergelijke beslissing onder zijn discretionaire bevoegdheid. De Commissie voerde aan dat zij in de twee klachten duidelijk de redenen heeft uiteengezet op grond waarvan zij heeft besloten geen inbreukprocedure in te leiden.
15. In zijn opmerkingen over het standpunt van de Commissie herhaalde klager zijn beweringen. Hij was van mening dat de diensten van de Commissie, door de autoriteiten van B niet te vragen te bevestigen hoe zij tot hun conclusies met betrekking tot Y zijn gekomen, niet de nodige zorgvuldigheid hebben betracht.
Beoordeling door de Ombudsman
16. De Ombudsman merkt op dat de Commissie krachtens artikel 211 van het EG-Verdrag, in haar rol van "hoedster van het Verdrag", ervoor moet zorgen dat het Gemeenschapsrecht wordt toegepast.
17. Bij de uitvoering van haar taak onderzoekt de Commissie mogelijke inbreuken op het Gemeenschapsrecht, die voornamelijk het gevolg zijn van klachten van burgers. Indien de Commissie naar aanleiding van haar onderzoek van mening is dat een lidstaat de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, verleent artikel 226 van het EG-Verdrag hem de bevoegdheid een inbreukprocedure tegen de verantwoordelijke lidstaat in te leiden en zich uiteindelijk tot het Hof van Justitie van de Europese Unie te wenden.
18. De procedures die de Commissie bij de behandeling van klachten moet volgen en de informatie die aan klagers moet worden verstrekt, zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Europese Ombudsman over de betrekkingen met de klager in verband met inbreuken op het Gemeenschapsrecht [5] ("de mededeling"). De bijlage bij de mededeling bevat de belangrijkste verplichtingen die de Commissie formeel en procedureel in acht moet nemen bij de behandeling van klachten, met name wat betreft de registratie van klachten (punt 3)[6], de ontvangstbevestiging (punt 4)[7], de communicatie met klagers (punt 7)[8], de termijn voor het onderzoeken van klachten (punt 8)[9], en de afsluiting van de zaak (punt 10)[10].
19. Om te beoordelen of de Commissie de door de klager ingediende klachten al dan niet naar behoren heeft behandeld, zal de Ombudsman eerst nagaan of de door de instelling in haar onderzoeken gevolgde procedure in overeenstemming met de bovenstaande bepalingen is uitgevoerd, en ten tweede of de motivering ter ondersteuning van haar besluit om de zaken af te sluiten toereikend was.
20. Op basis van de beschikbare informatie merkt de Ombudsman op dat de Commissie op 10 februari 2006 de ontvangst heeft bevestigd van de brief van klager van 16 januari 2006, waarin hij verwees naar bepaalde praktijken van de autoriteiten van zowel A als B, en beweerde dat deze in strijd waren met het EU-recht. De diensten van de Commissie hebben de brief als twee afzonderlijke klachten geregistreerd, onder de nummers 2006/4171 en 2006/4172. De Ombudsman stelt derhalve vast dat de Commissie de correspondentie van klager als twee klachten heeft geregistreerd en kort daarna de ontvangst ervan heeft bevestigd, overeenkomstig de criteria van de punten 3 en 4 van de bijlage bij de mededeling.
21. Wat de aan klager verstrekte informatie betreft, merkt de Ombudsman op dat de Commissie klager heeft ontmoet en veelvuldig contact met hem heeft gehad, via telefoon, e-mail en brief. Uit deze uitwisselingen blijkt voorts dat de diensten van de Commissie tijdig op zijn correspondentie hebben geantwoord.
22. Bovendien hebben de diensten van de Commissie klager na elk besluit van de Commissie in kennis gesteld van elk van de maatregelen die naar aanleiding van zijn klachten zijn genomen. In dit verband heeft de Commissie gehandeld overeenkomstig de criteria van punt 7 van de bijlage bij de mededeling.
23. Met betrekking tot de tijd die de Commissie nodig had om tot een conclusie over de gegrondheid van de zaak te komen, merkt de Ombudsman op dat de diensten van de Commissie na het uitvoeren van een onderzoek ter zake, dat een aantal uitwisselingen met de autoriteiten van A en B omvatte, hebben geconcludeerd dat er geen sprake was van schending van het EU-recht. Op 4 december 2006 heeft de Commissie klager in kennis gesteld van haar voornemen de zaak te sluiten. Dit standpunt werd op 18 juli 2007 bevestigd, nadat de Commissie de nieuwe opmerkingen van klager had onderzocht. Beide brieven bevatten een toelichting op de gronden waarop de Commissie van mening was dat de zaak moest worden afgesloten. Samengevat was de Commissie van mening dat noch A, noch B het Unierecht had geschonden.
24. De Ombudsman stelt vast dat de Commissie, nadat zij haar onderzoek van de klacht had afgerond, klager in kennis heeft gesteld van de redenen voor haar standpunt en hem in de gelegenheid heeft gesteld binnen een jaar na de datum van registratie van klagers zijn opmerkingen in te dienen. In dit verband heeft de Commissie gehandeld in overeenstemming met de criteria van de punten 8 en 10 van de bijlage bij de mededeling.
25. Wat het standpunt van de Commissie ten aanzien van de inhoud van de klachten betreft, merkt de Ombudsman op dat de instelling haar redenering voor het afsluiten van deze klachten heeft beschreven in haar brieven aan klager van 4 december 2006 en 18 juli 2007. In deze brieven legde de Commissie uit dat B, bij gebreke van geharmoniseerde EU-wetgeving ter zake, op passende wijze gebruik had gemaakt van de uitzondering op het vrije verkeer van goederen, die gebaseerd is op de bescherming van de menselijke gezondheid zoals vastgelegd in artikel 30 van het EG-Verdrag.
26. De Ombudsman heeft de interpretatie van de Commissie van de voor de zaak relevante wettelijke bepalingen, namelijk Verordening (EG) nr. 2160/2003 [11] en de artikelen 28 en 30 van het EG-Verdrag, zoals uitgelegd door de communautaire rechtbanken, zorgvuldig onderzocht.
27. Verordening (EG) nr. 2160/2003 heeft tot doel op EU-niveau het soort controles te harmoniseren dat de lidstaten kunnen toepassen om de gezondheidsrisico's van salmonella te beperken. Overeenkomstig artikel 4 heeft de verordening tot doel een reeks communautaire doelstellingen vast te stellen om ervoor te zorgen dat passende en doeltreffende maatregelen worden genomen om salmonella en andere zoönoseverwekkers op te sporen en te bestrijden. Om dit doel te bereiken, moeten de lidstaten op grond van artikel 5 voor elke zoönose en elk zoönoseverwekker nationale bestrijdingsprogramma's ontwikkelen. Overeenkomstig deel D van bijlage II , zullen de communautaire doelstellingen voor de bestrijding van koppels legkippen echter pas in december 2009 worden toegepast, namelijk 72 maanden na de inwerkingtreding van de verordening (december 2003)[12].
28. De Commissie heeft dus terecht geconcludeerd dat de relevante bepalingen van de verordening niet van toepassing waren op de situatie waarbij Y betrokken was.
29. Bij gebreke van specifieke EU-wetgeving die dit gebied had kunnen harmoniseren, moeten de algemene criteria voor het vrije verkeer van goederen van de artikelen 28 en 30 van het EG-Verdrag, zoals uitgelegd door de communautaire rechterlijke instanties, op deze zaak van toepassing zijn. Hoewel het beginsel van het vrije verkeer van goederen de nationale autoriteiten verbiedt kwantitatieve invoerbeperkingen of maatregelen van gelijke werking op te leggen (artikel 28), kunnen de lidstaten dit bij wijze van uitzondering doen om redenen zoals onder meer de bescherming van de gezondheid en het leven van personen. Dergelijke maatregelen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de handel vormen (artikel 30). Overeenkomstig de rechtspraak van de communautaire rechterlijke instanties moet bij de toepassing van deze uitzondering het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen, volgens hetwelk de betrokken maatregel niet verder mag gaan dan nodig is, evenredig moet zijn aan het nagestreefde doel en het handelsverkeer het minst mag beperken [13].
30. Zoals vermeld in de brieven van de Commissie aan klager van 4 december 2006 en 18 juli 2007, hebben de autoriteiten van B de Commissie meegedeeld dat hun acties tegen Y gebaseerd waren op de uitzondering van artikel 30 van het EG-Verdrag betreffende de bescherming van de gezondheid en het leven van personen. Zoals de communautaire rechterlijke instanties hebben erkend, staat het bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Unie aan de lidstaten om te beslissen over het niveau van bescherming van de volksgezondheid dat zij passend achten, rekening houdend met de mogelijke nadelige gevolgen en de beschikbare wetenschappelijke gegevens [14]. De Commissie heeft besloten het standpunt van de autoriteiten van B niet te betwisten omdat het op een passende risicobeoordeling leek te zijn gebaseerd en derhalve in overeenstemming was met het voorzorgsbeginsel [15]. In dit verband heeft de Commissie bij haar besluit om de zaak niet voort te zetten rekening gehouden met het feit dat de autoriteiten van B hun standpunt hadden verdedigd op basis van de bevindingen van een relevante wetenschappelijke studie over de verspreiding van salmonella in de EU, waaruit bleek dat een minimumpercentage bedrijven in B door de ziekte was getroffen, terwijl dat percentage in A aanzienlijk hoger was.
31. Klager voerde aan dat hij de Commissie informatie had toegezonden waaruit bleek dat Y voldeed aan de in A geldende sanitaire voorschriften. De Ombudsman heeft echter geen informatie ontvangen om aan te tonen dat inderdaad aan de door B vereiste normen was voldaan, wat impliceert dat de door de autoriteiten van B opgelegde uitvoerbeperkingen hadden moeten worden opgeheven. Gezien de situatie concludeert de Ombudsman dat het juridische standpunt van de Commissie in deze zaak redelijk is.
32. Klager voerde een aantal aanvullende argumenten aan om de wijze waarop de Commissie zijn klachten heeft behandeld, ter discussie te stellen. Hij voerde met name aan dat de Commissie niet om de tussenkomst van de EFSA heeft verzocht en de voor voedselveiligheid verantwoordelijke autoriteiten van A heeft belet in de zaak tussenbeide te komen.
33. Na deze argumenten te hebben onderzocht, is de Ombudsman van oordeel dat klager geen bewijsmateriaal heeft verstrekt om zijn argumenten te staven. De rol van de EFSA ligt niet in het risicobeheer, maar in de risicobeoordeling. Overeenkomstig artikel 22 van Verordening (EG) nr. 178/2002 moet de EFSA namelijk wetenschappelijk advies en wetenschappelijke en technische ondersteuning verstrekken voor de wetgeving en het beleid van de Gemeenschap op alle gebieden die direct of indirect van invloed zijn op de veiligheid van levensmiddelen en diervoeders. Bijgevolg lijkt EFSA niet bevoegd te zijn om in te grijpen bij de behandeling van individuele voedselgerelateerde problemen, zoals in het geval van Y.
34. Op grond van artikel 30, lid 4, van Verordening (EG) nr. 178/2002 kan de EFSA haar standpunt kenbaar maken wanneer de wetenschappelijke adviezen over een bepaalde wetenschappelijke kwestie in abstracto uiteenlopen. De Ombudsman wijst erop dat hij geen informatie heeft ontvangen waaruit blijkt dat dergelijke uiteenlopende standpunten met betrekking tot deze kwestie zijn ontstaan. Overeenkomstig artikel 60 van Verordening (EG) nr. 178/2002 had de EFSA zelfs om een wetenschappelijk advies kunnen worden verzocht indien de autoriteiten van A bij de Commissie een klacht hadden ingediend over de door B . genomen maatregelen. Een dergelijke klacht is niet ingediend.
35. In de loop van zijn onderzoek heeft de Ombudsman geen informatie ontvangen waaruit zou blijken dat de Commissie druk heeft uitgeoefend op de verantwoordelijke autoriteiten van A om te voorkomen dat zij in de zaak waarbij Y betrokken was, tussenbeide zouden komen of een klacht zouden indienen bij haar diensten.
36. Gezien de bovenstaande bevindingen lijkt de redenering van de Commissie ter ondersteuning van haar besluit om geen inbreukprocedure tegen A of B in te leiden, redelijk. De Ombudsman is derhalve van mening dat de Commissie binnen haar wettelijke bevoegdheid heeft gehandeld toen zij besloot de zaak te sluiten.
37. De Ombudsman concludeert derhalve dat er geen sprake is van wanbeheer met betrekking tot dit aspect van de zaak.
B. De Commissie verzoeken haar beschikking in de zaken 2006/4171 en 2006/4172 te heroverwegen
Aan de Ombudsman voorgelegde argumenten
38. Klager verzocht de Commissie haar standpunt ten aanzien van zijn klachten te heroverwegen.
Beoordeling door de Ombudsman
39. Gezien de bovenstaande bevindingen, met name de conclusies in punt 36, volgens welke de Commissie binnen haar wettelijke bevoegdheid heeft gehandeld toen zij besloot de klachten af te sluiten, is de Ombudsman van mening dat de bewering van klager niet kan worden gestaafd.
C. Conclusies
Op basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht heeft de Commissie geen wanbeheer gepleegd. De Ombudsman sluit daarom de zaak.
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
Gedaan te Straatsburg, 11 december 2008.
[1] Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden; PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1-24.
[2] Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers; PB L 325 van 12.12.2003, blz. 1-15.
[3] http://ec.europa.eu/civil_society/code/_docs/code_en.pdf
[4] Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Europese ombudsman over de betrekkingen met de klager in verband met inbreuken op het Gemeenschapsrecht; COM/2002/0141 definitief; PB 244 , 10/10/2002, blz. 5.
[5] PB C 244, blz. 5.
[6] "Elke correspondentie die als klacht kan worden onderzocht, wordt geregistreerd in het centrale register van klachten dat door het secretariaat-generaal van de Commissie wordt bijgehouden."
[7] " Correspondentie die als klacht is geregistreerd, wordt binnen een maand na de datum van verzending van de eerste ontvangstbevestiging door het Secretariaat-Generaal opnieuw bevestigd."
[8] "De diensten van de Commissie nemen na elk besluit van de Commissie (ingebrekestelling, met redenen omkleed advies, verwijzing naar het Hof of afsluiting van de zaak) schriftelijk contact op met de klagers over de maatregelen die zij naar aanleiding van hun klacht hebben genomen."
[9] "In de regel onderzoeken de diensten van de Commissie klachten met het oog op een besluit om een aanmaning te sturen of de zaak te sluiten binnen een jaar na de datum van registratie van de klacht door het secretariaat-generaal ‑."
[10] "Tenzij er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die dringende maatregelen vereisen, stelt een dienst van de Commissie, wanneer hij voornemens is voor te stellen geen verdere maatregelen te nemen naar aanleiding van een klacht, de klager daarvan vooraf in kennis in een brief waarin hij uiteenzet op welke gronden hij voorstelt de zaak te sluiten en de klager verzoekt binnen een termijn van vier weken zijn opmerkingen kenbaar te maken."
[11] Zie voetnoot 2.
[12] Artikel 18 van Verordening (EG) nr. 2160/2003.
[13] Zaak 174/82 Officier van Justitie tegen Sandoz BV, Jurispr. 1983, blz. 2445, blz. 18-19.
[14] Zie zaak 174/82 hierboven; Zaak 42/90, Bellon, Jurispr. 2003, blz. I-04863, en zaak C-192/01, Commissie/Denemarken, Jurispr. 2003, blz. I-9693.
[15] Zie artikel 7 van Verordening (EG) nr. 178/2002 [zie voetnoot 1]:
Voorzorgsbeginsel
1. In specifieke omstandigheden waarin na een beoordeling van de beschikbare informatie de mogelijkheid van schadelijke effecten op de gezondheid wordt vastgesteld, maar de wetenschappelijke onzekerheid blijft bestaan, kunnen voorlopige risicobeheersmaatregelen worden vastgesteld die nodig zijn om het in de Gemeenschap gekozen hoge niveau van gezondheidsbescherming te waarborgen, in afwachting van nadere wetenschappelijke informatie voor een uitgebreidere risicobeoordeling.
2. De op grond van lid 1 vastgestelde maatregelen zijn evenredig en beperken het handelsverkeer niet meer dan nodig is om het in de Gemeenschap gekozen hoge niveau van gezondheidsbescherming te bereiken, rekening houdend met de technische en economische haalbaarheid en andere factoren die ter zake als legitiem worden beschouwd. De maatregelen worden binnen een redelijke termijn geëvalueerd, afhankelijk van de aard van het vastgestelde risico voor het leven of de gezondheid en het soort wetenschappelijke informatie dat nodig is om de wetenschappelijke onzekerheid te verduidelijken en een uitgebreidere risicobeoordeling uit te voeren.