FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 2486/2006/(WP)BEH tegen de Europese Commissie


Straatsburg, 28 januari 2008

Geachte heer S.,

Op 18 juni 2006 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen de Europese Commissie over de behandeling door de Commissie van uw opmerkingen met betrekking tot de "Bauernmarktscheune Stadtsteinach".

Op 18 september 2006 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Commissie. Ik heb u dienovereenkomstig bij brief van dezelfde datum meegedeeld, waarin ik ook heb uitgelegd dat de kwesties die aan de orde zijn gesteld in uw ongedateerde brieven die ik respectievelijk op 4 en 9 augustus heb ontvangen, niet onder mijn mandaat vielen.

Op 4 en 11 september 2006 heeft u mij verzocht uw verzoekschrift tot wijziging van het Duitse wetboek van strafvordering te steunen. Bij brief van 30 september 2006 heeft u mij verzocht uw verzoekschrift tot wijziging van het Duitse wetboek van burgerlijke rechtsvordering te steunen. Op 29 november 2006 heb ik u meegedeeld dat ik niet het recht had om invloed uit te oefenen op de activiteiten van de nationale en Europese wetgevers.

De Commissie heeft op 31 januari 2007 advies uitgebracht. Ik heb het u toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 24 februari 2007 hebt toegezonden.

Op 3, 12 en 17 februari 2007 herhaalde u bepaalde aantijgingen, verzocht u om de inleiding van een nieuwe klachtenprocedure met betrekking tot bepaalde aspecten van uw zaak en stuurde u ondersteunend materiaal.

Bij brieven van 7 en 28 maart en 24 april 2007 heeft u een aantal geannoteerde artikelen en documenten ingediend. Op 31 mei, 21 juni en 2 juli heeft u nadere informatie over uw zaak verstrekt.

Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.

Om misverstanden te voorkomen, is het belangrijk eraan te herinneren dat het EG-Verdrag de Europese Ombudsman de bevoegdheid verleent om alleen bij het optreden van de communautaire instellingen en organen onderzoek te doen naar mogelijke gevallen van wanbeheer. Het statuut van de Europese Ombudsman bepaalt uitdrukkelijk dat tegen geen enkel optreden van een andere autoriteit of persoon een klacht bij de Ombudsman kan worden ingediend.

Het onderzoek van de Ombudsman naar uw klacht had derhalve tot doel na te gaan of er sprake was van wanbeheer bij de activiteiten van de Commissie.


Het KLACHT

De relevante feiten

De klacht heeft betrekking op de exploitatie en financiering van een onroerend goed dat voor gastronomische doeleinden wordt gebruikt, de "Bauernmarktscheune Stadtsteinach" ("de Bauernmarktscheune"), in Stadtsteinach (Noord-Beieren).

Klager, een Duitse onderdaan, had blijkbaar een voormalig industrieel eigendom in Stadtsteinach gekocht dat hij voor gastronomische doeleinden wilde gebruiken. Als gevolg van naar verluidt buitensporige eisen die door de bevoegde autoriteiten zijn opgelegd, lijkt hij failliet te zijn gegaan. In een aantal communicaties met de diensten van de Europese Commissie had klager de aandacht gevestigd op de naar verluidt slechte hygiënische omstandigheden in de "Bauernmarktscheune Stadtsteinach", een andere gastronomische accommodatie, en op de vermeende onjuiste toewijzing van communautaire middelen met betrekking tot deze accommodatie.

Bij brief van 27 maart 2003 vestigde klager de aandacht van de Commissie op een vermeende subsidiefraude die volgens hem was gepleegd door de installatie van nieuwe toiletten voor 100 000 Duitse marken in de Bauernmarktscheune. In een brief van 7 april 2003 aan de Commissie (1) wees klager er voorts op dat in de Bauernmarktscheune pesticiden ter waarde van 29 000 EUR waren toegepast, die volgens klager een oude schuur in ruïneuze staat was als gevolg van meeldauw, wormen en verval. Klager legde uit dat, ondanks de slechte staat van de schuur, bereid voedsel in de Bauernmarktscheune werd verkocht. Krantenartikelen over de toepassing van pesticiden in de Bauernmarktscheune en de over het algemeen slechte toestand van de Bauernmarktscheune werden ook onder de aandacht van de Commissie gebracht. Klager betreurde de ongelijke behandeling van enerzijds ondernemers die tot hun economische dood aan strenge eisen zouden moeten voldoen, en anderzijds "zwarte gastronomie", die zonder enige eisen functioneerde. Klager insinueerde dat de toepassing van pesticiden mogelijk was gemaakt door middel van door fraude verkregen communautaire financiering.

Op 27 mei 2003 heeft het directoraat-generaal (DG) Gezondheid en consumentenbescherming van de Commissie de klager een brief gestuurd met de modaliteiten van de inbreukprocedure (artikel 226 van het EG-Verdrag). In dezelfde brief werd klager verzocht te verduidelijken welke bepalingen van het gemeenschapsrecht volgens hem waren geschonden en welke feiten tot deze beoordeling hadden geleid. Wat de vermeende fraude met communautaire middelen betreft, is het DG Gezondheid en consumentenbescherming ervan uitgegaan dat het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) in het geding is. Daarom werd een kopie van de brief van klager aan DG Landbouw toegezonden.

Op 2 februari 2004 heeft klager een brief gericht aan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF). Onder verwijzing naar twee bijgevoegde krantenartikelen waarin melding werd gemaakt van de toepassing van pesticiden in en de slechte staat van de Bauernmarktscheune, legde klager uit dat de heer S., een voormalig burgemeester van Stadtsteinach, nu belast met het Landratsamt Kulmbach, beschuldigingen had geuit tegen de Europese Unie en een energiecentrum in Kalamata (Griekenland). Naar aanleiding van deze beschuldigingen moesten de autoriteiten van Kalamata 35 700 EUR terugbetalen aan de EU en het Landratsamt, wat klager als oneerlijk beschouwde. Klager wees erop dat dezelfde heer S. 100 000 Duitse marken aan EU-middelen had verkregen door fraude voor gebruik op de Bauernmarktscheune, die in een ruïneuze staat verkeerde. Bestrijdingsmiddelen moesten worden toegepast, terwijl bereid voedsel daar nog steeds werd verkocht. Onder verwijzing naar zijn eerdere contacten met de Commissie was klager van mening dat de zaken daar niet correct werden afgehandeld en wees hij op mogelijke verschillen in bevoegdheden binnen de Commissie. In het licht van een vermeend epidemiegevaar op de Bauernmarktscheune vorderde hij dat S. 35 700 EUR aan Kalamata en 100 000 Duitse marken aan de Europese Unie zou terugbetalen. Bovendien zou de heer S. verplicht moeten worden de Bauernmarktscheune te sluiten.

Op 7 februari 2004 stuurde klager een aanvullende brief aan OLAF. Opnieuw verwees hij naar verschillende krantenartikelen en herhaalde hij zijn verzoek aan S. om bepaalde bedragen in verband met de Bauernmarktscheune terug te betalen. Hij stelde ook de kwestie van ongelijke behandeling aan de orde, die eerder in zijn correspondentie met de Commissie aan de orde was gesteld, en vestigde de aandacht op het gevaar van epidemieën wanneer voedsel werd bereid in een schuur waar pesticiden waren toegepast.

Bij brief van 10 maart 2004 deelde OLAF klager mee dat er onvoldoende aanwijzingen waren voor vermoedelijke fraude. Bijgevolg zou geen onderzoek worden ingesteld.

Op 13 mei 2004 zond DG Gezondheid en consumentenbescherming klager een nieuwe brief waarin het verklaarde dat het van DG Landbouw een kopie van de brief van klager van 2 februari 2004 aan OLAF had ontvangen en van mening was dat deze aanvullende opmerkingen bevatte over de hygiënische omstandigheden in de Bauernmarktscheune. DG Gezondheid en consumentenbescherming betreurde de vertraging bij het beantwoorden van deze aanvullende opmerkingen en wees erop dat de brief van klager nog steeds onvoldoende aanvullende informatie bevatte om te kunnen onderzoeken of de klacht op het Gemeenschapsrecht kon worden gebaseerd. Indien het Gemeenschapsrecht geen grondslag bood, kon de Commissie geen inbreukprocedure inleiden. DG Gezondheid en consumentenbescherming informeerde klager ook over de werkzaamheden van het Voedsel- en Veterinair Bureau (VVB) van de Commissie, dat tot doel had te zorgen voor doeltreffende controlesystemen en de naleving van de communautaire normen te evalueren. Ten slotte informeerde zij klager over een link naar een website waar de resultaten van een recent inspectiebezoek van het VVB aan twee Duitse deelstaten konden worden gevonden.

Klager zond op 26, 27 en 31 mei 2004 verdere brieven aan DG Gezondheid en consumentenbescherming. Daarin wees hij in wezen op bijgevoegde krantenartikelen over de toepassing van pesticiden en de slechte staat van de Bauernmarktscheune. Opnieuw verwees hij naar voedsel dat in slechte hygiënische omstandigheden werd bereid en herhaalde hij zijn beschuldigingen van fraude. Hij wees erop dat het bewijs voor fraude flagrant was, gezien de verschillende gepubliceerde krantenartikelen. Bovendien heeft hij het vermoeden geuit dat de directeur van OLAF, een Duits onderdaan, een stopzetting van de behandeling van klachten uit Duitsland had bevolen. Klager voegde ook krantenartikelen bij over bepaalde vermeende disfunctionaliteiten bij OLAF en stuurde nieuwe informatie over "foltering in het huidige Duitsland".

Bij brief van 18 juni 2004 heeft DG Gezondheid en consumentenbescherming klager in kennis gesteld van zijn besluit om de correspondentie met hem over deze kwestie stop te zetten, aangezien er geen nieuwe elementen aan het licht waren gekomen die het mogelijk zouden maken een inbreukprocedure in te leiden.

Bij brief van 25 november 2004 deelde DG Landbouw klager mee dat het, na aanvullend overleg met de Beierse autoriteiten, niet voornemens was de Commissie voor te stellen een inbreukprocedure tegen zijn klacht in te leiden. In de motivering van haar besluit heeft zij erop gewezen dat bouwvoorschriften niet onder de bevoegdheid van de Europese Unie vallen. Ook de plattelandsontwikkelingsprojecten stonden onder toezicht van de lidstaten. In een individueel geval, zoals het onderhavige, kan niet worden gesuggereerd dat de Duitse autoriteiten onvoldoende toezicht houden op door de Gemeenschap gefinancierde projecten, hetgeen het inleiden van een inbreukprocedure zou kunnen rechtvaardigen.

Klacht 2486/2006/(WP)BEH

Op 18 juni 2006 diende klager een klacht in bij de Europese Ombudsman (2486/2006/(WP)BEH). Klager voerde in wezen aan dat DG Gezondheid en consumentenbescherming, DG Landbouw en OLAF zijn opmerkingen over de Bauernmarktscheune niet naar behoren hadden behandeld. Hij stelde dat de door hem aan de orde gestelde kwestie nader moest worden onderzocht.

Klager heeft kopieën bijgevoegd van zijn briefwisseling met de Commissie en OLAF.

Bij brief van 18 september 2006 deelde de Ombudsman klager mee dat hij de klacht niet kon behandelen voor zover deze betrekking had op OLAF, aangezien dit deel van de klacht buiten de in artikel 2, lid 4, van het Statuut van de Europese Ombudsman vastgestelde termijn van twee jaar viel. In dezelfde brief werd klager ervan in kennis gesteld dat de Ombudsman een onderzoek was begonnen naar a) de bewering van klager tegen het DG Gezondheid en consumentenbescherming en het DG Landbouw van de Commissie, en b) zijn bewering.

In dezelfde brief werd klager ervan in kennis gesteld dat zijn ongedateerde opmerkingen die de Ombudsman op 4 en 9 augustus 2006 had ontvangen, niet binnen het mandaat van de Ombudsman vielen, aangezien zij geen verband hielden met handelingen van een communautaire instelling of communautair orgaan. Deze opmerkingen hadden betrekking op a) de vermeende gedwongen verkoop van zijn onderneming, b) de vermeende weigering van toegang tot documenten met betrekking tot bepaalde gerechtelijke procedures in Duitsland en c) vermeende foltering door de Duitse autoriteiten.

Samen met d) de vermeende verontreiniging van het perceel waarop de fabriek van de klager zich bevond, waren deze beweringen het voorwerp geweest van klacht 3813/2005/AE. Aangezien deze klacht gericht was tegen een Duitse rechter en de Duitse nationale autoriteiten, werd zij bij brief van 16 januari 2006 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 2, lid 1, van het Statuut van de Europese Ombudsman.

Klager zond verdere opmerkingen door over de genoemde aspecten van klacht 3813/2005/AE in samenhang met een verzoek om steun van de Ombudsman voor het verzoekschrift van klager tot wijziging van het Duitse wetboek van strafvordering. Deze opmerkingen zijn op 4 en 11 september 2006 bij de Ombudsman ingediend.

Naar aanleiding van zijn verdere verzoek van 30 september 2006 om steun van de Ombudsman voor zijn verzoekschrift tot wijziging van het Duitse wetboek van burgerlijke rechtsvordering, werd klager op 29 november 2006 meegedeeld dat de Ombudsman niet het recht had om in te grijpen in of te proberen invloed uit te oefenen op de wetgevingsactiviteiten van de nationale en Europese wetgevers.

Het onderzoek

Advies van de Commissie

In haar advies merkte de Commissie op dat de klacht van klager bij de Commissie betrekking had op het misbruik van landbouwmiddelen bij de renovatie van de Bauernmarktscheune en op de slechte hygiënische omstandigheden in dit gebouw. Het viel daarom onder de bevoegdheid van OLAF, DG Landbouw en DG Gezondheid en consumentenbescherming. Vervolgens heeft de Commissie een gedetailleerde opsomming gegeven van de correspondentie van klager met DG Gezondheid en consumentenbescherming en DG Landbouw en van de verschillende antwoorden van de diensten van de Commissie.

Wat zijn correspondentie met DG Landbouw betreft, had klager onvoldoende informatie verstrekt aan de hand waarvan de diensten van de Commissie hadden kunnen vaststellen of er al dan niet sprake was van een schending van het Gemeenschapsrecht. In mei 2003 heeft DG Landbouw de Duitse autoriteiten om informatie verzocht en een gedetailleerd antwoord ontvangen waarin de aard van het renovatieproject, het doel ervan en de rechtvaardiging van de uitgegeven bedragen werden toegelicht. Concluderend merkte de Commissie op dat het dossier de nodige aandacht had gekregen. Tegelijkertijd verontschuldigde de Commissie zich voor de vertragingen die zich hadden voorgedaan bij het beantwoorden van sommige brieven van klager of bij de behandeling van het dossier.

Brieven van klager van 3, 12 en 17 februari 2007

In zijn brief van 3 februari 2007 herhaalde klager zijn grieven en verzocht hij om de inleiding van een nieuwe klachtenprocedure betreffende de weigering van toegang tot documenten met betrekking tot de verontreiniging van zijn fabriek. Bij brief van 12 februari 2007 heeft klager de Ombudsman "verder bewijsmateriaal" toegezonden over een vermeende "samenzwering inzake verontreiniging en foltering" die hij aan verschillende eenheden van de Commissie had toegezonden. Op 17 februari 2007 zond klager aan de Ombudsman krantenknipsels over het gedrag van een voormalige burgemeester van Stadtsteinach.

Opmerkingen van klager

In zijn opmerkingen wees klager erop dat zijn klacht niet bedoeld was als een daad van wraak, maar veeleer bedoeld was om de Commissie in kennis te stellen van de schandalige omstandigheden met betrekking tot het "verontreinigde voorwerp", waarover door de verantwoordelijken moedig artikelen waren gepubliceerd. Het enige feit dat hij niet kon bewijzen, wat echter wel bekend was bij lokale insiders, was dat de verantwoordelijken zich hadden opgeschept over het feit dat ze de EU hadden "gemolken" door financiering te ontvangen voor een vervuilde ruïne.

Klager bekritiseerde het feit dat hij niet in kennis was gesteld van de publicatie van een verslag over een inspectiebezoek van het VVB dat DG Gezondheid en consumentenbescherming in zijn brief van 13 mei 2004 had genoemd.

In haar advies was de Commissie van mening dat de brief van klager aan DG Gezondheid en consumentenbescherming van 2 februari 2004 niet de gevraagde aanvullende informatie bevatte. Klager stelde de vraag wat nog meer van hem kon worden verwacht, aangezien hij al relevante krantenknipsels had gestuurd met informatie over de dramatische toestand van de Bauernmarktscheune, de toepassing van pesticiden en verklaringen van degenen die de schuur in die zin runden. Hij achtte het standpunt van OLAF ten aanzien van het bestaan van onvoldoende bewijsmateriaal bijzonder ernstig.

Tot slot wees hij erop dat hij bezorgd was over de ongelijke behandeling van zakenlieden in dezelfde gemeente. Als de Commissie en de Ombudsman niet geïnteresseerd waren in deze kwestie en de EU te veel geld had om toe te wijzen aan de renovatie van een verontreinigde structuur en geen interesse had in onderzoeken naar zijn eigen verontreinigde eigendom, bleef de enige hoop van klager het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Naast zijn opmerkingen stuurde klager geannoteerde artikelen uit kranten en juridische tijdschriften, die blijkbaar naar bepaalde Duitse politici waren gestuurd, en voegde hij ook een kopie van zijn klacht bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Brieven van klager van 7 en 28 maart en 24 april 2007

Bij brieven van 7 en 28 maart en 24 april 2007 zond klager verdere geannoteerde artikelen en documenten met betrekking tot gerechtelijke procedures waarbij hij betrokken was. Deze artikelen hadden onder meer betrekking op de rechtskracht van arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Duitsland, door de EU gefinancierde projecten, de tenlastelegging van een voormalige Amerikaanse minister van Defensie door Duitse rechtbanken, toegang tot documenten en de suprematie van het Gemeenschapsrecht.

Brief van klager van 31 mei 2007

Bij brief van 31 mei 2007 zond klager een lijst van gerechtelijke en administratieve documenten met betrekking tot procedures voor Duitse rechtbanken, die naar verluidt waren verdwenen. Hij betreurde het dat de Ombudsman zijn verzoek om hulp met betrekking tot zijn beschuldigingen van foltering en besmetting volledig had genegeerd.

Brieven van klager van 21 juni en 2 juli 2007

Bij brief van 21 juni 2007 zond klager de Ombudsman een kopie van zijn brief aan de voorzitter van het "Mensenrechtencomité" van de Duitse Bondsdag, waarin hij, onder verwijzing naar zijn voortdurende grieven en twee verklaringen van de president, beweerde dat Duitse rechters en openbare aanklagers logen, fraude pleegden, vervalsten, verduisteren, bedreigen, justitie verdraaien en marteling gelasten. Tegelijkertijd beweerde klager oneerlijkheid van de president, die de noodzaak van een betere uitvoering van de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens had benadrukt. In een brief van 2 juli 2007 vroeg klager waarom de Ombudsman jarenlang passief was gebleven met betrekking tot zijn beschuldigingen van foltering.

BESLUIT

1 Inleidende opmerkingen

1.1 De klacht heeft betrekking op de aankoop door klager in 1985 van een oude papierfabriek in Stadtsteinach (Beieren). In klacht 3813/2005/AE had klager geklaagd over de verkoop van zijn fabriek bij gerechtelijk bevel, de verontreiniging van het perceel waar zijn fabriek zich bevond, foltering in handen van de Duitse autoriteiten en de weigering van toegang tot documenten betreffende strafprocedures en de verontreiniging van het stuk grond. Bij brief van 16 januari 2006 werd klager ervan in kennis gesteld dat de Ombudsman zijn klacht niet mocht behandelen omdat deze geen verband hield met een handeling van een communautaire instelling of communautair orgaan.

1.2 Deze klacht betreft het vermeende verzuim van de Commissie en het Europees Bureau voor fraudebestrijding ("OLAF") om de argumenten van klager met betrekking tot de "Bauernmarktscheune Stadtsteinach" ("de Bauernmarktscheune"), een onroerend goed dat voor gastronomische doeleinden wordt gebruikt, naar behoren te behandelen. In zijn correspondentie met de Commissie en OLAF voerde klager met name aan dat de financiering van de Bauernmarktscheune door fraude was verkregen. Bovendien waren volgens de klager de hygiënische omstandigheden in de Bauernmarktscheune en de controle door de lidstaten ontoereikend.

1.3 Tegen deze achtergrond voerde klager aan dat OLAF en de directoraten-generaal (DG) Gezondheid en consumentenbescherming en Landbouw van de Commissie zijn opmerkingen over de Bauernmarktscheune niet naar behoren hadden behandeld. Hij stelde dat de kwestie die hij aan de orde had gesteld nader moest worden onderzocht. Aangezien klager geen klacht bij de Ombudsman had ingediend binnen twee jaar na de datum waarop hij het laatste antwoord van OLAF had ontvangen, werd de bewering van klager tegen OLAF niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 2, lid 4, van het Statuut van de Europese Ombudsman. Daarom heeft de Ombudsman de Commissie om advies gevraagd over de bewering van klager die alleen betrekking had op de acties van de twee betrokken DG's.

1.4 In de loop van het onderzoek heeft klager een aantal nieuwe aantijgingen ingediend. Meer in het bijzonder klaagde hij over (1) foltering in de handen van de Duitse autoriteiten; 2) verontreiniging van zijn eigendom die niet was onderzocht; en 3) weigering van toegang tot bepaalde documenten die kennelijk in het bezit zijn van Duitse rechtbanken en autoriteiten. Voorts voerde hij aan dat (4) hij niet op de hoogte was gebracht van de publicatie van een verslag van het Voedsel- en Veterinair Bureau (VVB) van de Commissie, waarnaar DG Gezondheid en consumentenbescherming in zijn correspondentie verwijst, en dat (5) het standpunt van OLAF ten aanzien van het bestaan van onvoldoende bewijs met betrekking tot fraude bijzonder ernstig was.

1.5 De aanvullende aantijgingen (1) tot (3) zijn gericht tegen nationale autoriteiten of rechtbanken. Aangezien zij niet gericht zijn tegen een communautaire instelling of een communautair orgaan, zijn zij niet-ontvankelijk op grond van artikel 2, lid 1, van het Statuut van de Europese Ombudsman en zijn zij dienovereenkomstig behandeld in het kader van klacht 3813/2005/AE. De Ombudsman begrijpt dat de bewering van klager (4) gericht is tegen de Commissie, die klager een link heeft verstrekt naar een website waarop het genoemde verslag wordt weergegeven, maar hem blijkbaar geen papieren exemplaar van het verslag ter beschikking heeft gesteld. Tegelijkertijd merkt de Ombudsman op dat artikel 2, lid 4, van het Statuut van de Europese Ombudsman klagers verplicht vooraf passende administratieve stappen te ondernemen bij de betrokken instelling. Voor zover de Ombudsman uit het hem voorgelegde bewijsmateriaal kan opmaken, heeft klager de genoemde bewering nog niet bij de Commissie ingediend. Indien de klager deze kwestie wenst voort te zetten, staat het hem vrij een nieuwe klacht in te dienen bij de Ombudsman nadat hij de nodige voorafgaande administratieve stappen bij de Commissie heeft ondernomen. Wat de bewering (5) betreft, vestigt de Ombudsman de aandacht op het feit dat deze buiten de termijn van twee jaar valt, aangezien klager geen klacht bij de Ombudsman had ingediend binnen twee jaar na de datum waarop hij het laatste antwoord van OLAF had ontvangen. Sindsdien heeft OLAF geen nieuw standpunt ingenomen over de zaak van klager. Om deze redenen zal geen van de nieuwe aantijgingen van klager in dit besluit worden behandeld.

2 Vermeend verzuim om de opmerkingen van klager naar behoren te behandelen en aan te voeren dat de door klager aan de orde gestelde kwestie nader moet worden onderzocht

2.1 Begin 2003 heeft klager de Commissie benaderd en erop gewezen dat de communautaire financiering door fraude was verkregen en vervolgens werd besteed aan de installatie van nieuwe toiletten voor 100 000 Duitse marken in de Bauernmarktscheune, een schuur die regelmatig voor gastronomische doeleinden wordt gebruikt. Daarnaast legde hij uit dat in de Bauernmarktscheune pesticiden ter waarde van 29 000 EUR waren toegepast. Volgens klager werd in de Bauernmarktscheune voedsel geserveerd ondanks de slechte toestand en de aanwezigheid van meeldauw, wormen en verval.

2.2 In zijn antwoord verklaarde DG Gezondheid en consumentenbescherming dat het, op basis van de door klager verstrekte informatie, niet in staat was na te gaan welke bepalingen van het Gemeenschapsrecht volgens klager in welke feitelijke omstandigheden waren geschonden, en vroeg het derhalve om opheldering. Ervan uitgaande dat de vermeende fraude verband hield met het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw ("EOGFL"), heeft DG Gezondheid en consumentenbescherming een kopie van de brief van klager aan DG Landbouw toegezonden.

2.3 Na ontvangst van een kopie van de brief van klager aan OLAF, waarin hij in wezen zijn klacht had herhaald dat 100 000 Duitse merken door fraude waren verkregen, was DG Gezondheid en consumentenbescherming van mening dat het nog steeds niet mogelijk was te onderzoeken of de klacht enige grondslag kon hebben in het Gemeenschapsrecht. Nadat DG Gezondheid en consumentenbescherming verdere brieven met bijgevoegde krantenartikelen over de inhoud van de aantijgingen van klager had ontvangen, besloot het de correspondentie met klager stop te zetten, aangezien er geen nieuwe elementen naar voren waren gekomen.

2.4 In november 2004 heeft DG Landbouw, na overleg met de Duitse regering, klager meegedeeld dat bouwvoorschriften en het toezicht op projecten voor plattelandsontwikkeling onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen. Aangezien in een individueel geval niet werd gesuggereerd dat de Duitse autoriteiten onvoldoende toezicht zouden uitoefenen, stelde zij klager in kennis van haar voornemen om de Commissie niet voor te stellen een inbreukprocedure tegen Duitsland in te leiden.

2.5 In zijn klacht bij de Ombudsman beweerde klager onder meer dat OLAF, DG Gezondheid en consumentenbescherming en DG Landbouw zijn opmerkingen over de Bauernmarktscheune niet naar behoren hadden behandeld.

2.6 Naar haar mening heeft de Commissie, na de brieven van klager en de verschillende antwoorden van haar diensten in detail te hebben opgesomd, aangevoerd dat het dossier op passende wijze was behandeld. Tegelijkertijd verontschuldigde de Commissie zich voor vertragingen bij de beantwoording van sommige brieven van klager of bij de behandeling van het dossier.

2.7 In zijn opmerkingen wees klager op de vele krantenknipsels die hij had gestuurd ter ondersteuning van verschillende aspecten van zijn beweringen, zoals de dramatische toestand van de Bauernmarktscheune, het gebruik van pesticiden en verklaringen van degenen die de schuur in dezelfde zin runden, en vroeg hij wat nog meer van hem kon worden verwacht voordat de Commissie actie zou ondernemen. Hij uitte ook zijn bezorgdheid over wat hij als ongelijke behandeling tussen zakenlieden beschouwde.

2.8 De Ombudsman merkt om te beginnen op dat het wezenlijke aspect van de bewering van klager dat de Commissie zijn opmerkingen niet naar behoren heeft behandeld, betrekking heeft op de besluiten van respectievelijk DG Landbouw en DG Gezondheid en consumentenbescherming om de Commissie niet voor te stellen een inbreukprocedure in te leiden in het licht van vermeende fraude, vermeende ontoereikende hygiënische omstandigheden in de Bauernmarktscheune en vermeende ontoereikende controle door de betrokken lidstaat. Klager heeft daarentegen in zijn klacht geen procedurele aspecten aan de orde gesteld, zoals bepaalde vertragingen bij de behandeling van zijn klacht door de Commissie. De Commissie werd derhalve niet verzocht opmerkingen te maken over procedurele aspecten. De Ombudsman zal de procedurele aspecten van dit besluit derhalve niet onderzoeken. Hij merkt in ieder geval op dat de Commissie haar excuses heeft aangeboden voor de vertragingen bij de beantwoording van bepaalde brieven of de behandeling van de klacht.

2.9 Klachten van burgers vormen een van de belangrijkste informatiemiddelen over mogelijke inbreuken op het Gemeenschapsrecht, omdat zij de Commissie in staat stellen de rol te vervullen die haar in artikel 211 van het EG-Verdrag is toebedeeld, namelijk die van "hoedster" van het Verdrag. Het is een goede administratieve praktijk om dergelijke klachten over inbreuken zo zorgvuldig mogelijk te behandelen.

2.10 In het onderhavige geval heeft het DG Gezondheid en consumentenbescherming klager op 27 april 2003 meegedeeld dat de door hem aangevoerde omstandigheden van de vermeende schending van het gemeenschapsrecht niet duidelijk waren. Klager werd derhalve verzocht aan te geven welke bepalingen van het Gemeenschapsrecht volgens hem door de Duitse autoriteiten waren geschonden en onder welke feitelijke omstandigheden. Klager voegde bij de brief van de Commissie een handgeschreven nota met betrekking tot deze passage van de brief van de Commissie toe, waarin hij uitlegde dat hij twee keer relevante krantenartikelen had gestuurd. Klager had namelijk herhaaldelijk relevante krantenartikelen bij zijn brieven aan de Commissie gevoegd.

2.11 In de door klager ingediende krantenartikelen werd melding gemaakt van de desolate toestand van de Bauernmarktscheune. Volgens één artikel (Bayerische Rundschau, 26 maart 2003) was 29 000 EUR besteed aan pesticiden die in de Bauernmarktscheune werden toegepast. In een ander artikel (Frankenpost, 26 maart 2003) werd gemeld dat de Bauernmarktscheune ongeveer tien jaar geleden door de stad Stadtsteinach voor ongeveer 70 000 EUR was gerenoveerd. Volgens hetzelfde artikel had de stad een openbaar toilet gebouwd voor 40 000 EUR. In hetzelfde artikel werd ook vermeld dat 29 000 EUR aan pesticiden was besteed. Een ander artikel bevatte een algemene beschrijving van de desolate staat van het gebouw (Bayerische Rundschau, 28 maart 2003).

2.12 In verdere brieven die bedoeld waren om de hygiënische omstandigheden in de Bauernmarktscheune nader toe te lichten, verwees klager hoofdzakelijk naar bijgevoegde advertenties in kranten, met uitnodigingen voor beurzen op de Bauernmarktscheune en gedetailleerde informatie over het aangeboden voedsel.

2.13 De Ombudsman merkt op dat klager zich uitvoerig heeft gebaseerd op krantenartikelen die volgens hem het bewijs vormden van zijn beweringen over het misbruik van landbouwfondsen bij de renovatie van de Bauernmarktscheune en over de slechte hygiënische omstandigheden in het gebouw. De Ombudsman is echter van oordeel dat de inhoud van de desbetreffende artikelen de beweringen van klager niet voldoende bevestigt. Hoewel in twee van de artikelen melding wordt gemaakt van de toepassing van pesticiden ter waarde van 29 000 EUR, zijn er geen aanwijzingen voor fraude ten nadele van de begroting van de EU. Hetzelfde geldt voor de uitgaven voor de renovatie van de Bauernmarktscheune. Bovendien lijken de in een van de artikelen gerapporteerde bedragen te verschillen van de door de klager aangegeven bedragen. Zelfs al zou men ervan uitgaan dat krantenartikelen op zich als bewijs voor de feiten moeten worden beschouwd, dan nog zouden zij in elk geval de beweringen van klager in de onderhavige zaak niet voldoende kunnen bevestigen.

2.14 Bovendien moet de Ombudsman rekening houden met de aanzienlijke inspanningen van DG Gezondheid en consumentenbescherming in verband met de klacht. Zo werd klager door het genoemde DG op de hoogte gebracht van de modaliteiten van de procedure wegens schending van het Gemeenschapsrecht en werd hij tweemaal verzocht zijn beweringen nader toe te lichten. Daarnaast heeft DG Gezondheid en consumentenbescherming de aandacht van klager gevestigd op het werk van het VVB en op een recent rapport dat het heeft gepubliceerd. Zij heeft ook details verstrekt over de wijze waarop toegang kan worden verkregen tot dit verslag. Aangezien het EOGFL in het geding kan zijn, heeft zij de brief van klager aan DG Landbouw doorgezonden. Nadat DG Gezondheid en consumentenbescherming een kopie van de brief van klager aan OLAF had ontvangen, evalueerde het de daarin vervatte informatie en stelde het klager in kennis van zijn standpunt.

2.15 Tegen deze achtergrond is de Ombudsman van mening dat DG Gezondheid en consumentenbescherming de opmerkingen van klager naar behoren heeft behandeld en voldoende stappen heeft ondernomen om de inhoud ervan te onderzoeken. Met name het besluit van DG Gezondheid en consumentenbescherming om de Commissie niet voor te stellen een inbreukprocedure in te leiden in het licht van onbewezen beschuldigingen, lijkt niet onredelijk.

2.16 Wat de behandeling van de klacht door DG Landbouw betreft, kan de Ombudsman niet nalaten kennis te nemen van het feit dat DG Landbouw gevolg heeft gegeven aan de brief van klager van 27 maart 2003 door de Duitse autoriteiten om nadere informatie te verzoeken. Nadat DG Landbouw een gedetailleerd antwoord van de Duitse regering had ontvangen, stelde het de klager in zijn brief van 25 november 2004 in kennis van zijn standpunt. DG Landbouw legde uit dat de handhaving van bouwvoorschriften niet onder de bevoegdheid van de EU viel en dat een individueel geval, zoals het onderhavige, niet kon wijzen op onvoldoende toezicht door de Duitse autoriteiten op door de Gemeenschap gefinancierde projecten, en legde uit dat het van plan was de Commissie voor te stellen de zaak af te sluiten. Tegelijkertijd verzocht zij klager binnen een maand na ontvangst van de brief van DG Landbouw eventuele nieuwe informatie in te dienen. Klager heeft binnen deze termijn geen verdere documenten ingediend.

2.17 In het licht van de genomen maatregelen is de Ombudsman ervan overtuigd dat DG Landbouw de argumenten van klager volledig in overweging heeft genomen. Zij heeft met name de bevoegde Duitse autoriteiten geraadpleegd en de klager uitvoerig de feitelijke en juridische overwegingen uiteengezet die tot haar conclusie hebben geleid.

2.18 Tegen deze achtergrond is de Ombudsman van mening dat DG Landbouw de opmerkingen van klager naar behoren heeft behandeld. Zij heeft met name gevolg gegeven aan de opmerkingen van klager door contact op te nemen met de Duitse regering en om opheldering te vragen met betrekking tot de Bauernmarktscheune. Bovendien heeft zij voldoende uiteengezet waarom zij niet voornemens was de Commissie voor te stellen een inbreukprocedure in te leiden. Ten slotte lijken de aangevoerde redenen niet onredelijk.

2.19 Gezien het bovenstaande is de Ombudsman van mening dat er geen sprake lijkt te zijn geweest van wanbeheer door de Commissie.

2.20 Aangezien de bewering van klager niet kan worden gestaafd, kan de bewering van klager dat de Commissie zijn bewering verder moet onderzoeken, niet slagen.

3 Conclusie

Op basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht lijkt er geen sprake te zijn geweest van wanbeheer door de Commissie. De Ombudsman sluit daarom de zaak.

De voorzitter van de Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.

Met vriendelijke groet,

 

P. Nikiforos DIAMANDOUROS


(1) In feite was de afzender van de brief een "Verein zur Bekämpfung von Existenz- und Arbeitsplatz-Vernichtungs-Methoden und zur Bekämpfung von Willkür/Amtsmißbrauch u. Vetternwirtschaft in oberfränkischer Justiz/Behörden/Politik e.V.". Volgens het gebruikte papier diende klager als secretaris.

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!