FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 1865/2005/PB tegen het Europees Parlement


Straatsburg, 13 november 2006

Geachte heer X,

Op 12 mei 2005 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend over het vermeende verzuim van het Europees Parlement om op een brief te antwoorden.

Op 21 juni 2005 heb ik de klacht doorgestuurd naar de Voorzitter van het Parlement. Het Parlement heeft zijn advies uitgebracht, dat vertraging heeft opgelopen als gevolg van een registratieprobleem. Op 1 december 2005 ontving ik de vertaling van het advies van het Parlement op 10 januari 2006. Vervolgens heb ik u het advies toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 1 februari 2006 hebt toegezonden.

Naast de hierboven vermelde correspondentie heeft u op 3 juni 2005, 6 juli 2005, 22 juli 2005, 8 maart 2006 en 9 juli 2006 schriftelijke mededelingen gestuurd.

Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.


Het KLACHT

De op 12 mei 2005 door een Duits staatsburger ingediende klacht betrof kort samengevat de volgende feiten:

Op 24 augustus 2004 had klager een brief geschreven aan een Duitse mensenrechtenorganisatie over vermeende schendingen van de mensenrechten. De vermeende schendingen hadden betrekking op een Duitse rechterlijke beslissing volgens welke klager geen recht had op teruggave van in de voormalige Duitse Democratische Republiek gelegen goederen.

In zijn brief had klager gevraagd of het zinvol zou zijn als de organisatie zijn brief zou doorgeven aan de "commissie voor de vrijheden en rechten van de burgers, justitie en binnenlandse zaken" ("Ausschuss für Freiheiten und Rechte der Bürger, Justiz und innere Angelegenheiten"), gericht aan "de voorzitter Jorge Salvador Hernandez MOLLAR" (een lid van het Europees Parlement, nu voormalig lid).

Op 14 september 2004 had de organisatie de brief van klager gestuurd naar:

"Ausschuss für Freiheiten und Rechte der Bürger, Justiz und innere Angelegenheiten
M. Jorge Salvador Hernandes Mollar
Rue Wiertz/Wiertzstraat 60
B - 1047 BRUXELLES/BRUSSELS"

In zijn klacht bij de Ombudsman beweerde klager dat hij geen antwoord had ontvangen op zijn brief van 24 augustus 2004 die een Duitse mensenrechtenorganisatie op 14 september 2004 namens hem aan het Parlement had gezonden.

Klager stelde dat hij een antwoord op zijn brief moest ontvangen.

Het onderzoek

Advies van het Parlement

In zijn advies, dat vertraging heeft opgelopen als gevolg van een registratiefout van zijn diensten, maakte het Parlement de volgende opmerkingen:

Uit onderzoek bij het secretariaat-generaal van het Parlement was gebleken dat de brief die in 2004 namens klager aan de heer Hernandez Mollar was gericht, niet was geregistreerd in het computersysteem met verwijzingen naar binnenkomende posten. Het is waarschijnlijk dat de brief de geadresseerde nooit heeft bereikt. De reden hiervoor zou kunnen zijn dat de heer Mollar na nieuwe verkiezingen geen lid meer was van het Europees Parlement op het moment dat de brief waarschijnlijk niet zou zijn aangekomen, waardoor officiële post niet langer aan de heer Mollar kon worden doorgegeven.

Het Parlement betreurt ten zeerste dat het bovengenoemde technische probleem het Parlement heeft belet te reageren op de brief die namens klager is verzonden. Intussen had het Parlement klager echter een antwoord gestuurd, waarvan het een kopie bijvoegde.

In de bovengenoemde antwoordbrief van 14 december 2005 aan klager betreurde het Parlement oprecht dat klager geen antwoord op zijn brief had ontvangen. Zij heeft de hierboven gegeven toelichting verstrekt. Vervolgens heeft het Parlement de inhoud van de brief behandeld en in de eerste plaats verklaard dat iedere burger van de Unie de mogelijkheid heeft een verzoekschrift tot het Parlement te richten en heeft het de aard van deze mogelijkheid in detail beschreven. Voorts verklaarde het Parlement dat het duidelijk is dat de brief van klager aan de Commissie verzoekschriften van het Parlement had moeten worden gericht. Het Parlement voegde er echter aan toe dat het twijfelachtig was of de Commissie verzoekschriften klager zou kunnen helpen met betrekking tot zijn restitutieverzoek in Duitsland, omdat zijn grieven betrekking hadden op een kwestie (teruggave van eigendom) die niet onder de bevoegdheid van de Europese Unie valt. Het Parlement verklaarde echter dat klager niettemin een verzoekschrift kon indienen en verstrekte hem het juiste postadres en een verwijzing naar de relevante online-informatie over de indiening van verzoekschriften.

Opmerkingen van klager

In zijn opmerkingen van 1 februari 2006 en in latere brieven van 8 maart en 9 juli 2006 heeft klager verschillende opmerkingen gemaakt over zijn grieven met betrekking tot zijn restitutieverzoek in Duitsland. Hij verwees naar verschillende mensenrechtenbeginselen, vergeleek zijn zaak met een Duitse rechtszaak over schoolleerkrachten die sluiers dragen en benadrukte dat hij hierover geen contact wenste op te nemen met Duitse autoriteiten. Hij eiste dat de "Mensenrechtencommissie" in zijn zaak actie zou ondernemen tegen Duitsland. Hij betwistte ook de verklaring van het Parlement dat de kwestie niet onder de bevoegdheid van de Europese Unie viel en verklaarde dat als de grondrechten op nationaal niveau niet worden geëerbiedigd, het recht van de Europese Unie van toepassing wordt. Klager leek een verzoekschrift tot het Parlement te willen richten en stelde voor dat de Ombudsman zijn dossier aan het Parlement zou kunnen doorgeven.

BESLUIT

1 Vermeend verzuim om te antwoorden

1.1 Op 24 augustus 2004 had klager, een Duits staatsburger, een brief geschreven aan een Duitse mensenrechtenorganisatie over vermeende schendingen van de mensenrechten. De vermeende schendingen hadden betrekking op een Duitse rechterlijke beslissing volgens welke klager geen recht had op teruggave van in de voormalige Duitse Democratische Republiek gelegen goederen. In zijn brief had hij gevraagd of het zinvol zou zijn als de organisatie zijn brief zou doorgeven aan de "commissie voor de vrijheden en rechten van de burgers, justitie en binnenlandse zaken" ("Ausschuss für Freiheiten und Rechte der Bürger, Justiz und innere Angelegenheiten"), gericht aan "de voorzitter Jorge Salvador Hernandez MOLLAR" (een lid van het Europees Parlement, nu voormalig lid). Op 14 september 2004 had de organisatie de brief van klager gestuurd naar:

"Ausschuss für Freiheiten und Rechte der Bürger, Justiz und innere Angelegenheiten
M. Jorge Salvador Hernandes Mollar
Rue Wiertz/Wiertzstraat 60
B - 1047 BRUXELLES/BRUSSELS"

In zijn klacht bij de Europese Ombudsman beweerde klager dat hij geen antwoord had ontvangen op zijn brief van 24 augustus 2004 die de betrokken Duitse mensenrechtenorganisatie op 14 september 2004 namens hem aan het Parlement had gezonden. Klager stelde dat hij een antwoord op zijn brief moest ontvangen.

1.2 In zijn advies, dat vertraging heeft opgelopen als gevolg van een registratiefout van zijn diensten, heeft het Parlement de volgende opmerkingen gemaakt: Uit onderzoek bij het secretariaat-generaal van het Parlement was gebleken dat de brief die in 2004 namens klager aan de heer Hernandez Mollar was toegezonden, niet was geregistreerd in het computersysteem met verwijzingen naar binnenkomende posten. Waarschijnlijk heeft de brief de geadresseerde nooit bereikt. De reden hiervoor zou kunnen zijn dat de heer Mollar na nieuwe verkiezingen niet langer lid van het Europees Parlement was op het moment dat de brief waarschijnlijk zou zijn aangekomen, waardoor officiële post niet langer aan de heer Mollar kon worden doorgegeven. Het Parlement betreurt ten zeerste dat het bovengenoemde technische probleem het Parlement heeft belet te reageren op de brief die namens klager is verzonden. Intussen had het Parlement klager echter een antwoord gestuurd, waarvan het een kopie bijvoegde. In de antwoordbrief van 14 december 2005 aan klager betreurde het Parlement ten zeerste dat klager geen antwoord op zijn brief had ontvangen. Zij heeft de hierboven gegeven toelichtingen verstrekt. Het Parlement heeft vervolgens de inhoud van de brief behandeld en in de eerste plaats verklaard dat elke burger van de Unie de mogelijkheid heeft om een verzoekschrift tot het Parlement te richten, en heeft de aard van deze mogelijkheid in detail beschreven. Het Parlement verklaarde ook dat het duidelijk is dat de brief van klager aan de Commissie verzoekschriften van het Parlement had moeten worden gericht. Het Parlement voegde er echter aan toe dat het twijfelachtig was of de Commissie verzoekschriften klager zou kunnen helpen met betrekking tot zijn restitutieverzoek in Duitsland. Het Parlement legt uit dat dit te wijten is aan het feit dat zijn grieven betrekking hadden op een kwestie die niet onder de bevoegdheid van de Europese Unie valt. Het Parlement verklaarde echter dat klager niettemin vrij was om een verzoekschrift in te dienen. Het verstrekte hem het juiste postadres en een verwijzing naar de relevante online-informatie over de indiening van verzoekschriften bij het Parlement.

1.3 In zijn opmerkingen van 1 februari 2006 en in latere brieven van 8 maart en 9 juli 2006 heeft klager verschillende opmerkingen gemaakt over zijn grieven met betrekking tot zijn restitutieverzoek in Duitsland. Hij verwees naar verschillende mensenrechtenbeginselen, vergeleek zijn zaak met een Duitse rechtszaak over schoolleerkrachten die sluiers dragen en benadrukte dat hij hierover geen contact wenste op te nemen met Duitse autoriteiten. Hij eiste dat de "Mensenrechtencommissie" in zijn zaak actie zou ondernemen tegen Duitsland. Hij betwistte ook de verklaring van het Parlement dat de kwestie niet onder de bevoegdheid van de Europese Unie viel en verklaarde dat als de grondrechten op nationaal niveau niet worden geëerbiedigd, het recht van de Europese Unie van toepassing wordt. Klager leek een verzoekschrift tot het Parlement te willen richten en stelde voor dat de Ombudsman daartoe zijn dossier aan het Parlement zou kunnen doorgeven.

1.4 De Ombudsman merkt om te beginnen op dat het Parlement na de inleiding van dit onderzoek heeft geantwoord op de brief van klager en hem met name heeft meegedeeld dat de in zijn brief geuite grieven geen betrekking hebben op een kwestie die onder de bevoegdheid van de Europese Unie valt. Zij verklaarde echter dat klager niettemin vrij was om een verzoekschrift in te dienen. Het verstrekte hem het juiste postadres en een verwijzing naar de relevante online-informatie over de indiening van verzoekschriften. Het Parlement verklaarde het uitblijven van een antwoord ten zeerste te betreuren. Het Parlement heeft derhalve gehoor gegeven aan het verzoek van klager om een antwoord op de brief die hem op 14 september 2004 was toegezonden. In zijn opmerkingen heeft klager de kwestie van het uitblijven van een antwoord van het Parlement niet specifiek uitgewerkt of anderszins becommentarieerd.

In deze omstandigheden is de Ombudsman van oordeel dat het Parlement in het kader van dit onderzoek passende maatregelen heeft genomen naar aanleiding van de bewering van klager en de daarmee verband houdende bewering dat hij niet heeft geantwoord op bovengenoemde brief van 14 september 2004. Derhalve is een verder onderzoek van de voor onderzoek in aanmerking genomen kwestie niet gerechtvaardigd.

1.5 Met betrekking tot de door klager in zijn opmerkingen aan de orde gestelde kwesties merkt de Ombudsman het volgende op: In de eerste plaats heeft klager een nieuwe bewering ingediend, namelijk dat het Parlement ten onrechte heeft geconcludeerd dat de kwestie van de teruggave van goederen waarnaar klager verwijst, buiten de bevoegdheid van de Europese Unie valt. Hij heeft betoogd, zoals hierboven is opgemerkt, dat aangezien het om grondrechten gaat, het recht van de Europese Unie van toepassing wordt zodra dergelijke rechten op nationaal niveau niet worden geëerbiedigd. In dit verband wijst de Ombudsman erop dat het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Statuut van de Europese Ombudsman precieze voorwaarden stellen aan de ontvankelijkheid van een klacht. De Ombudsman kan alleen een onderzoek instellen als aan deze voorwaarden is voldaan. Een van deze voorwaarden is artikel 195 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat als volgt luidt:

"Overeenkomstig zijn taken verricht de Europese Ombudsman onderzoeken die hij gegrond acht (...)".

Na een zorgvuldig onderzoek van de kwestie is de Ombudsman tot de conclusie gekomen dat de door klager verstrekte informatie en argumenten onvoldoende redenen bieden om het onderhavige onderzoek uit te breiden tot de nieuwe bewering van klager, omdat zij niet suggereren dat de conclusie van het Parlement over deze kwestie onjuist is. Met name met betrekking tot het bovengenoemde argument van klager wijst de Ombudsman erop dat het recht van de Europese Unie niet automatisch van toepassing wordt wanneer de grondrechten niet of onvoldoende worden beschermd op nationaal niveau. De grondrechten maken deel uit van de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht en zijn bindend voor de lidstaten wanneer zij het Gemeenschapsrecht toepassen. In de onderhavige zaak heeft klager geen informatie verstrekt waaruit blijkt dat de kwestie van de teruggave van goederen waarnaar hij verwijst, binnen de werkingssfeer van het Gemeenschapsrecht valt.

Niettegenstaande zijn conclusie over het bovenstaande deelde het Parlement klager mee dat hij vrij was om gebruik te maken van zijn recht om een verzoekschrift in te dienen op grond van artikel 194 van het EG-Verdrag, met vermelding van de relevante informatie over de uitoefening van dat recht (1). Klager leek in feite een verzoekschrift tot het Parlement te willen richten en stelde voor dat de Ombudsman daartoe zijn dossier aan het Parlement zou kunnen doorgeven. De Ombudsman wijst er echter op dat overdrachten van verzoekschriften aan het Parlement door de Ombudsman normaal gesproken alleen plaatsvinden in gevallen waarin de betrokken kwesties worden geacht onder de bevoegdheid van de Europese Unie te vallen. Rekening houdend met de bovenstaande opmerkingen en de informatie die het Parlement aan klager heeft verstrekt, is de Ombudsman van mening dat het in dit geval niet gerechtvaardigd zou zijn het dossier van klager aan het Parlement over te dragen om als verzoekschrift te worden behandeld.

Met betrekking tot de bewering van klager dat de "Mensenrechtencommissie" in zijn geval actie zou moeten ondernemen tegen Duitsland, begrijpt de Ombudsman dat klager verwijst naar de Europese Commissie voor de rechten van de mens van de Raad van Europa, een internationale organisatie die verschilt van de Europese Unie. De Ombudsman wijst er in de eerste plaats op dat de Europese Commissie voor de rechten van de mens in 1998 is opgeheven en in de tweede plaats dat klager een daartoe strekkend verzoek kan indienen bij het Europees Hof voor de rechten van de mens, dat deel uitmaakt van de Raad van Europa. Indien de klager een dergelijke stap wenst te zetten, staat het hem vrij rechtstreeks bij die rechtbank een verzoek in te dienen. Informatie over deze mogelijkheid is bij deze beschikkingsbrief aan klager gevoegd.

2 Conclusie

Klager beweerde dat het Parlement had nagelaten te antwoorden op een brief die het op 14 september 2004 namens hem had ontvangen en verzocht het Parlement te antwoorden. In het kader van het onderzoek van de Ombudsman heeft het Parlement op 14 december 2005 op de brief in kwestie geantwoord. In deze omstandigheden is de Ombudsman van oordeel dat het Parlement in het kader van dit onderzoek passende maatregelen heeft genomen naar aanleiding van de bewering (en daarmee verband houdende bewering) van klager dat hij niet heeft geantwoord op bovengenoemde brief van 14 september 2004. Derhalve is een verder onderzoek van de voor onderzoek in aanmerking genomen kwestie niet gerechtvaardigd.

De Voorzitter van het Parlement zal eveneens van dit besluit in kennis worden gesteld.

Met vriendelijke groet,

 

P. Nikiforos DIAMANDOUROS


(1) Artikel 194 van het EG-Verdrag: "Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft het recht om individueel of tezamen met andere burgers of personen een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten over een onderwerp dat tot de werkterreinen van de Gemeenschap behoort en dat hem of haar rechtstreeks aangaat."

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!