Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 1253/2005/GG tegen de Europese Commissie
Besluiten
Zaak 1253/2005/GG - Geopend op Woensdag | 04 mei 2005 - Besluit over Dinsdag | 17 januari 2006
Straatsburg, 17 januari 2006
Geachte heer X.,
Op 21 maart 2005 heeft u namens uw cliënt, IPK International - World Tourism Marketing Consultants GmbH, bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen de Europese Commissie. Deze klacht betrof financiële steun die de Commissie op 4 augustus 1992 had besloten toe te kennen aan een project betreffende de oprichting van een databank over ecologisch toerisme in Europa en meer in het bijzonder de behandeling van deze kwestie door de Commissie na het eindarrest van het Hof van Justitie in de zaken C-199/01 P en C-200/01 P van 29 april 2004.
Op 4 mei 2005 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Europese Commissie, met het verzoek haar advies uiterlijk op 31 juli 2005 in te dienen.
Op 5 augustus 2005 heeft de Commissie om een verlenging van de termijn verzocht. In mijn antwoord van 31 augustus 2005 heb ik een verlenging tot 15 september 2005 toegestaan. U werd dienovereenkomstig op dezelfde dag geïnformeerd.
De Commissie heeft op 14 november 2005 advies uitgebracht. Ik heb het u op 15 november 2005 doen toekomen met een uitnodiging om, indien u dat wenst, opmerkingen te maken.
Naar aanleiding van een telefoongesprek met mijn bureau op 6 december 2005 heeft u mijn diensten meegedeeld dat u niet van plan was opmerkingen te maken en dat u verwachtte dat mijn besluit tot afsluiting van het onderzoek zou worden genomen.
Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.
Het KLACHT
Deze klacht werd ingediend door een Duitse onderneming, IPK International - World Tourism Marketing Consultants GmbH ("IPK").
De relevante feiten tot het einde van de gerechtelijke procedureDe relevante feiten zijn uiteengezet in het arrest van het Hof van Justitie van 29 april 2004 in de gevoegde zaken C-199/01 P en C-200/01 P IPK München GmbH/Commissie (1) (betreffende hogere voorzieningen van zowel de klager als de Commissie):
"De feiten3 (...)
4 Op 26 februari 1992 publiceerde de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen een oproep tot het indienen van voorstellen ter ondersteuning van projecten op het gebied van toerisme en milieu (PB 1992, C 51, blz. 15).
5 Op 22 april 1992 diende IPK, een op het gebied van toerisme actieve onderneming, bij de Commissie een voorstel in betreffende de oprichting van een databank over ecologisch toerisme in Europa (hierna: „voorstel”). Deze databank zou „Ecodata” worden genoemd (hierna: „project”). In het voorstel, waarin werd gesteld dat het project zeven fasen omvatte, werd bepaald dat IPK verantwoordelijk was voor de coördinatie van het project en dat het voor de uitvoering van de werkzaamheden zou worden bijgestaan door drie partners, namelijk de Franse onderneming Innovence, de Italiaanse onderneming Tourconsult en de Griekse onderneming 01-Pliroforiki.
6 Bij brief van 4 augustus 1992 stelde de Commissie IPK in kennis van haar besluit om voor het project een financiële bijdrage van 530 000 ECU toe te kennen, hetgeen 53 % van de voor het project voorziene uitgaven vertegenwoordigde, en verzocht zij haar de bij deze brief gevoegde verklaring van de begunstigde van de steun (hierna: „verklaring”), die de voorwaarden voor de ontvangst van de steun bevatte, te ondertekenen en terug te zenden.
7 In de verklaring werd bepaald dat 60 % van de steun zou worden betaald op het tijdstip waarop de Commissie de door IPK naar behoren ondertekende verklaring ontving, en dat het saldo moest worden betaald op het tijdstip waarop de Commissie de verslagen over de uitvoering van het project had ontvangen en aanvaard, te weten een tussentijds verslag dat binnen drie maanden na de aanvang van het project moest worden ingediend en een eindverslag, vergezeld van rekeningen, dat binnen drie maanden na de voltooiing van het project en uiterlijk op 31 oktober 1993 moest worden ingediend.
8 De verklaring is op 23 september 1992 door IPK ondertekend en op 29 september 1992 bij de Commissie ingekomen bij het directoraat-generaal Ondernemingenbeleid, Handel, Toerisme en Sociale Economie (DG XXIII).
9 Bij brief van 23 oktober 1992 deelde de Commissie IPK mee, dat zij het eerste verslag uiterlijk op 15 januari 1993 zou ontvangen. In dezelfde brief heeft de Commissie IPK ook verzocht om uiterlijk op 15 april 1993 en 15 juli 1993 twee aanvullende tussentijdse verslagen in te dienen. Ten slotte herhaalde zij, dat het eindverslag uiterlijk op 31 oktober 1993 moest worden ingediend. De Commissie heeft IPK ook voorgesteld dat een Duitse onderneming, de Studienkreis für Tourismus (hierna: „Studienkreis”), aan het project zou deelnemen.
10 Op 24 november 1992 nodigde het afdelingshoofd van DG XXIII IPK en 01-Pliroforiki uit voor een bijeenkomst, die plaatsvond in afwezigheid van Innovence en Tourconsult. Hij zou tijdens die vergadering hebben geëist dat het grootste deel van de werkzaamheden en de middelen aan 01-Pliroforiki zouden worden toegewezen. IPK maakte bezwaar tegen dit vereiste.
11 De eerste tranche van de steun, te weten 318 000 ECU (60% van de totale subsidie van 530 000 ECU), is in januari 1993 betaald.
12 Tijdens een bijeenkomst bij de Commissie op 19 februari 1993 werd de deelname van Studienkreis aan het project besproken. Enkele dagen na die vergadering werd de projectzaak teruggetrokken uit het afdelingshoofd van DG XXIII. Tegen hem is vervolgens een tuchtprocedure ingeleid, die tot zijn ontslag heeft geleid.
13 Studienkreis heeft uiteindelijk niet aan het project deelgenomen. Op 29 maart 1993 sloten IPK, Innovence, Tourconsult en 01-Pliroforiki een formele overeenkomst over de verdeling van taken en middelen binnen het project. Deze verdeling werd toegelicht in het eerste verslag van IPK, dat in april 1993 werd ingediend.
14 IPK diende in juli 1993 een tweede verslag in en in oktober 1993 een eindverslag. Voorts heeft zij de Commissie uitgenodigd voor een presentatie van de voltooide werkzaamheden, die op 15 november 1993 heeft plaatsgevonden.
15 Bij brief van 30 november 1993 deelde de Commissie IPK mee, dat zij van mening was, dat de op 31 oktober 1993 voltooide werkzaamheden niet op bevredigende wijze overeenstemden met hetgeen in het voorstel was voorzien, en dat zij de resterende 40 % van haar voorgestelde bijdrage van 530 000 ECU voor het project niet mocht betalen. De Commissie heeft in de punten 1 tot en met 5 van die brief de redenen uiteengezet die haar tot de vaststelling van dat besluit hadden gebracht:
„1. Het project is nog lang niet voltooid. Het oorspronkelijke voorstel voorzag namelijk in een proeffase als vijfde fase van het project. De fasen zes en zeven waren respectievelijk systeemevaluatie en systeemuitbreiding (naar de twaalf lidstaten) en uit het tijdschema op bladzijde 17 van het voorstel blijkt duidelijk dat deze moesten worden voltooid als onderdeel van het door de Commissie mede te financieren project.
2. De proefvragenlijst was duidelijk te gedetailleerd voor het betrokken project, met name gelet op de beschikbare middelen en de aard van het project. Het had gebaseerd moeten zijn op een meer realistische beoordeling van de belangrijkste informatie die nodig is voor degenen die zich bezighouden met vraagstukken op het gebied van toerisme en milieu. .
3. De koppeling van een aantal databanken om een distributiesysteem op te zetten, is op 31 oktober 1993 nog niet gerealiseerd.
4. Het type en de kwaliteit van de gegevens van de testregio’s zijn het meest teleurstellend, temeer daar er slechts vier lidstaten waren met elk drie regio’s. Een groot deel van de gegevens in het systeem is van marginaal belang of irrelevant voor kwesties in verband met de milieuaspecten van het toerisme, met name op regionaal niveau.
5. Deze redenen, en andere redenen die ook duidelijk zijn, tonen voldoende aan dat het project slecht door IPK is beheerd en gecoördineerd en niet is uitgevoerd op een wijze die in overeenstemming is met zijn verplichtingen.”
16 Voorts heeft de Commissie IPK in die brief meegedeeld dat zij zich ervan moest vergewissen dat de 60 % van de reeds betaalde steun, namelijk 318 000 ECU, overeenkomstig de verklaring enkel was gebruikt voor de verwezenlijking van het project en heeft zij in de punten 6 tot en met 12 van die brief enkele opmerkingen gemaakt over het verslag van IPK over het gebruik van de middelen.
17 IPK was het niet eens met de inhoud van de brief van 30 november 1993, met name in een brief aan de Commissie van 28 december 1993. Op 29 april 1994 had IPK een ontmoeting met vertegenwoordigers van de Commissie om hun meningsverschillen te bespreken.
18 Bij de bestreden beschikking deelde de directeur van DG XXIII IPK mee, dat haar brief van 28 december 1993 niets bevatte dat de Commissie ertoe zou brengen haar standpunt te wijzigen. Hij bevestigde dat de Commissie om de in de brief van 30 november 1993 uiteengezette redenen geen verdere betalingen voor het project zou verrichten. Voorts zou zij met de andere diensten blijven nagaan of zij al dan niet om terugbetaling door IPK van een deel van de reeds betaalde steun van 60 % moet verzoeken.
Procedure19 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 13 oktober 1994, heeft IPK beroep tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking ingesteld.
20 Bij arrest van 15 oktober 1997, IPK/Commissie (T-331/94, Jurispr. blz. II-1665), heeft het Gerecht dit beroep verworpen.
21 In punt 47 van dat arrest heeft het Gerecht geoordeeld:
“... [IPK] kan niet stellen dat de Commissie de vertraging bij de voltooiing van het project heeft veroorzaakt. [IPK] heeft tot maart 1993 gewacht alvorens met haar partners besprekingen te beginnen over de verdeling van de taken met het oog op de voltooiing van het project, ook al was zij verantwoordelijk voor de coördinatie van het project. [IPK] heeft dus de helft van de voor de voltooiing van het project voorziene tijd laten verstrijken voordat zij redelijkerwijs in staat was met de goede werkzaamheden te beginnen. Ook al heeft [IPK] enig bewijs geleverd dat een of meer ambtenaren van de Commissie zich tussen november 1992 en februari 1993 met het project hebben bemoeid, zij heeft geenszins aangetoond dat deze inmenging haar belette vóór maart 1993 een behoorlijke samenwerking met haar partners aan te gaan.”
22 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 22 december 1997, heeft IPK krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van 15 oktober 1997, IPK/Commissie.
23 In zijn arrest van 5 oktober 1999, IPK/Commissie (C-433/97 P, Jurispr. blz.
„15
Blijkens punt 47 van het arrest [van het Gerecht van eerste aanleg van 15 oktober 1997, IPK/Commissie] heeft [IPK] enig bewijs geleverd van de inmenging van de ambtenaren van de Commissie in het beheer van het project, waarvan de bijzonderheden zijn vermeld in de punten 9 en 10 van het arrest [van het Gerecht van eerste aanleg, IPK/Commissie]. Deze inmenging heeft waarschijnlijk gevolgen gehad voor de goede werking van het project.
16
In een dergelijke situatie stond het aan de Commissie om aan te tonen dat [IPK], ondanks de betrokken inmenging, het project nog steeds op bevredigende wijze kon beheren.
17
Hieruit volgt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door [IPK] te verplichten het bewijs te leveren dat het optreden van de ambtenaren van de Commissie het haar onmogelijk heeft gemaakt om naar behoren samen te werken met haar partners bij het project.”
24 Bijgevolg heeft het Hof het arrest van het Gerecht van 15 oktober 1997, IPK/Commissie, vernietigd en de zaak overeenkomstig artikel 54, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG terugverwezen naar het Gerecht.
25 Na deze verwijzing heeft IPK voor het Gerecht twee middelen tot nietigverklaring aangevoerd, ontleend aan schending van een aantal algemene rechtsbeginselen en van artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG).
Bestreden arrest26 Wat het voorwerp van het geschil betreft, heeft het Gerecht in punt 35 van het bestreden arrest vastgesteld dat de brief van 30 november 1993 uit twee delen bestond. Het eerste onderdeel, te weten de punten 1 tot en met 5 van de brief, betrof de weigering van de Commissie om de tweede tranche van de steun te betalen en bevatte dus de gronden waarop de bestreden beschikking was gebaseerd. Het tweede onderdeel, de punten 6 tot en met 12 van de brief, betrof de eventuele terugvordering van 60 % van de reeds betaalde steun.
27 Het Gerecht heeft in punt 36 van het bestreden arrest geoordeeld dat, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, de punten 6 tot en met 12 van de brief van 30 november 1993 niet tot de motivering van de litigieuze beschikking behoorden. Aangezien deze punten enkel aan de orde zijn gesteld in het kader van een eventuele toekomstige beschikking van de Commissie waarbij terugbetaling van de reeds betaalde steun wordt geëist, heeft het Gerecht geoordeeld dat de argumenten die IPK in haar verzoekschrift met betrekking tot de punten 6 tot en met 12 van de brief van 30 november 1993 had aangevoerd, niet-ontvankelijk moesten worden verklaard.
28 Met betrekking tot het eerste middel van IPK inzake schending van verschillende algemene rechtsbeginselen heeft het Gerecht in de punten 42 tot en met 55 van het bestreden arrest om te beginnen de argumenten van partijen over de termijn voor de voltooiing van het project samengevat. Zij concludeerde dat IPK op grond van het besluit tot toekenning van de steun van 4 augustus 1992 en de daarbij gevoegde verklaring verplicht was het project uiterlijk op 31 oktober 1993 af te ronden en dat IPK op bladzijde 89 van haar eindverslag erkende dat dit de datum was voor de voltooiing van het project.
29 In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 56 tot en met 63 van het bestreden arrest de argumenten van partijen over de stand van het project op 31 oktober 1993 onderzocht, alvorens te concluderen dat niet werd betwist dat het project op die datum niet voldeed aan de voorwaarden van het voorstel van IPK, althans wat de zevende fase betreft.
30 In de derde plaats heeft het Gerecht in de punten 64 tot en met 75 van het bestreden arrest de door IPK aangevoerde rechtvaardigingsgronden voor de overschrijding van de termijn van 31 oktober 1993 onderzocht, te weten de te late betaling van de eerste tranche van de financiële bijstand, de bijeenkomst van 24 november 1992 en de pogingen van de Commissie om Studienkreis bij de uitvoering van het project te betrekken. Volgens het Gerecht blijkt uit het dossier, dat de Commissie vanaf de zomer van 1992 tot ten minste 15 maart 1993 druk bleef uitoefenen op IPK om Studienkreis bij het project te betrekken.
31 In de vierde plaats heeft het Gerecht in de punten 76 tot en met 85 van het bestreden arrest onderzocht of de Commissie het bewijs had geleverd dat IPK, ondanks de inmenging die ertoe strekte Studienkreis bij het project te betrekken, het project nog steeds op bevredigende wijze kon beheren (zie arrest van het Hof van 5 oktober 1999, IPK/Commissie, reeds aangehaald, punt 16). Indien rekening wordt gehouden met het feit dat de ingreep van de Commissie het project tot maart 1993 heeft vertraagd, heeft het Gerecht in punt 84 van het bestreden arrest geoordeeld dat daaruit niet kan worden afgeleid dat het feit dat het project op 31 oktober 1993 slechts gedeeltelijk was uitgevoerd, ook te wijten is aan de vermeende incompetentie van IPK.
32 In het bestreden arrest heeft het Gerecht onder meer het volgende geoordeeld:
„85
In die omstandigheden en aangezien de Commissie geen andere argumenten heeft aangevoerd, moet worden vastgesteld dat de Commissie niet heeft aangetoond dat, ondanks haar inmenging, met name die om Studienkreis bij het …-project te betrekken, „[IPK] het project op bevredigende wijze heeft kunnen beheren”.
86
Aangezien de Commissie van de zomer van 1992 tot ten minste 15 maart 1993 erop heeft aangedrongen dat [IPK] Studienkreis bij het …-project betrok (hoewel het voorstel van [IPK] en het besluit tot toekenning van de steun niet voorzagen in de deelname van deze onderneming aan het project), hetgeen noodzakelijkerwijs de uitvoering van het project vertraagde, en de Commissie niet heeft aangetoond dat [IPK] ondanks haar inmenging in staat bleef het project op bevredigende wijze te beheren, moet worden vastgesteld dat de Commissie het beginsel van goede trouw heeft geschonden door te weigeren de tweede tranche van de steun te betalen op grond dat het project op 31 oktober 1993 niet was voltooid.”
33 Het Gerecht heeft dit middel dus aanvaard, zonder dat de andere beroepen van de Commissie behoeven te worden onderzocht.
34 In de punten 88 en 89 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het in punt 10 van het onderhavige arrest genoemde argument van de Commissie inzake onrechtmatige heimelijke verstandhouding tussen het afdelingshoofd van DG XXIII, Tzoanos, 01-Pliroforiki en IPK uiteengezet. Vervolgens heeft het dit middel in de volgende bewoordingen afgewezen:
“90
… vermeldt noch in de bestreden beschikking, noch in de brief van 30 november 1993, waarnaar de [litigieuze] beschikking verwijst, een heimelijke verstandhouding tussen Tzoanos, 01-Pliroforiki en [IPK], waardoor de betaling van de tweede tranche van de steun aan IPK werd verhinderd. De [litigieuze] beschikking en de brief van 30 november 1993 geven bovendien geen enkele aanwijzing dat de Commissie van mening was dat de wijze waarop de steun aan IPK was verleend, onregelmatig was. In die omstandigheden kan de verklaring van de Commissie betreffende het vermeende bestaan van een heimelijke verstandhouding tussen de betrokken partijen niet worden geacht in de loop van de procedure de in het bestreden besluit uiteengezette redenen te verduidelijken (zie in die zin arrest Hof van 13 december 1981, Michel/Parlement, 195/80, Jurispr. blz. 2861, punt 22; Zaak T-16/91 RV Rendo e.a./Commissie, Jurispr. 1996, blz. II-1827, punt 45; en zaak T-77/95 RV Ufex e.a./Commissie, Jurispr. 2000, blz. II-2167, punt 54).
91
Indien rekening wordt gehouden met het feit dat het Gerecht zich krachtens artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) moet beperken tot een toetsing van de wettigheid van de litigieuze beschikking aan de hand van de in die handeling uiteengezette redenen, kan het argument van de Commissie betreffende het beginsel fraus omnia corrumpit niet worden aanvaard.
92
Hieraan moet worden toegevoegd dat indien de Commissie, na de bestreden beschikking te hebben vastgesteld, had geoordeeld dat de in punt 89 hierboven genoemde elementen volstonden om te concluderen dat er sprake was van een heimelijke verstandhouding tussen Tzoanos, 01-Pliroforiki en [IPK] die de procedure voor de toekenning van de steun aan het …-project had aangetast, in plaats van in de onderhavige procedure een niet in de bestreden beschikking genoemde grond aan te voeren, zij deze beschikking had kunnen intrekken en een andere beschikking had kunnen geven waarbij niet alleen de betaling van de tweede tranche van de steun was geweigerd, maar ook de terugbetaling van de reeds betaalde tranche was gelast.
93
Bijgevolg moet de bestreden beschikking nietig worden verklaard zonder dat het andere middel van [IPK] behoeft te worden onderzocht.”
35 Het Gerecht heeft derhalve de litigieuze beschikking nietig verklaard en de Commissie verwezen in haar eigen kosten en in die van IPK voor het Gerecht en het Hof."
De door zowel klager als de Commissie tegen dit arrest ingestelde hogere voorzieningen zijn door het Hof van Justitie in zijn bovengenoemde arrest van 29 april 2004 afgewezen.
Gebeurtenissen na de einduitspraak van het Hof van JustitieBrief van de Commissie van 30 september 2004
Bij brief van 30 september 2004 deelde de Commissie de heer F., de voorzitter van de klager, mee dat sinds haar oorspronkelijke besluit van 3 augustus 1994 om de tweede tranche voor het betrokken project niet te betalen, diepgaande onderzoeken waren uitgevoerd met betrekking tot de heer Tzoanos. Volgens de Commissie waren er aanwijzingen gevonden dat Tzoanos een frauduleuze regeling had opgezet die hem in staat stelde persoonlijke, onwettige voordelen te verkrijgen uit veel van de subsidieovereenkomsten waarvoor zijn eenheid verantwoordelijk was geweest. Als gevolg daarvan was in Frankrijk en België een strafrechtelijke procedure ingeleid. In Frankrijk was de heer Tzoanos bij beslissing van het Hof van Beroep van Parijs van 30 april 2003 schuldig bevonden aan corruptie; de procedure in België liep op het moment van schrijven. De Commissie voegde daaraan toe dat in dit verband was vastgesteld dat Tzoanos de praktijk had gehad om opdrachten toe te wijzen aan projecten waaraan door hem voorgestelde Griekse ondernemingen als partners deelnamen en waardoor hij profijt trok van de projecten.
De Commissie heeft erop gewezen dat zij in deze omstandigheden de procedure voor de toekenning van de subsidie in casu opnieuw had onderzocht om de wettigheid en regelmatigheid ervan na te gaan.
Volgens de Commissie was zij op grond van een aantal (in de brief uiteengezette) redenen tot de conclusie gekomen dat de toekenning van het subsidieproject onwettig en onregelmatig was, aangezien het was verkregen door een heimelijke verstandhouding tussen Tzoanos en klager.
De Commissie heeft erop gewezen dat zij derhalve voornemens was een besluit te nemen tot intrekking van het eerdere besluit tot toekenning van een subsidie van 530 000 EUR aan het betrokken project. Het gevolg van een dergelijk besluit zou zijn dat de Commissie zou weigeren de tweede tranche van de subsidie ten bedrage van 212 000 EUR en het verzoek van klager om rente te betalen. Ten tweede zou de Commissie klager ook verzoeken het voorschot van 318 000 EUR, eventueel vermeerderd met rente, terug te betalen.
De Commissie voegde daaraan toe dat zij, alvorens dit te doen, klager in staat wilde stellen zijn recht om te worden gehoord uit te oefenen.
Reactie van klagerIn de brief van zijn advocaat van 26 november 2004 was klager van mening dat de beweringen van de Commissie lasterlijk en ongegrond waren. Het wees erop dat het betrokken was bij talloze toeristische projecten over de hele wereld en dat geen van deze projecten ooit had geresulteerd in claims van heimelijke afspraken.
Klager was ook van mening dat de Commissie verjaard was met de intrekking van de toekenningsbeschikking van 4 augustus 1992 en met het gelasten van de terugbetaling van de in het kader daarvan reeds betaalde bedragen, overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2988/95 van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (2). Volgens deze bepaling bedraagt de verjaringstermijn vier jaar vanaf het tijdstip waarop de (vermeende) onregelmatigheid is begaan.
Klager maakte gedetailleerde opmerkingen om aan te tonen dat de beweringen in de brief van de Commissie van 30 september 2004 ongegrond waren. Zij heeft ook verwezen naar bepaalde verzoeken om toegang tot documenten die zij had ingediend.
Het lijkt erop dat de Commissie klager op 9 december 2004 een aantal van de gevraagde documenten heeft toegezonden.
In zijn antwoord van 23 december 2004 bevestigde klager de argumenten die hij in zijn brief van 26 november 2004 had uiteengezet en maakte hij opmerkingen over de documenten waartoe hij toegang had gekregen.
De klachtIn zijn klacht bij de Ombudsman beweerde klager dat de beschuldigingen en aantijgingen van de Commissie volledig ongegrond waren. Klager voerde aan dat de Commissie rechtmatig moest handelen en dat zij de tweede tranche van de subsidie, die 212 000 EUR bedroeg, moest betalen.
Het onderzoek
Advies van de CommissieIn haar advies maakte de Commissie de volgende opmerkingen:
Op 2 augustus 2004 had klager een nieuw verzoek tot betaling van de tweede termijn, vermeerderd met vertragingsrente, ingediend. De Commissie had op 30 september 2004 geantwoord dat zij voornemens was een nieuw besluit tot nietigverklaring van de toekenning van de subsidie te nemen op grond dat deze onregelmatig was omdat zij door heimelijke verstandhouding was aangetast. Na een uitwisseling van nota's en de toezending van documenten uit de dossiers van de Commissie had de Commissie de argumenten van klager bestudeerd, maar was zij uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat de aanwijzingen voor heimelijke afspraken voldoende sterk waren om het besluit tot nietigverklaring van de toekenning van de subsidie te nemen.
Op 13 mei 2005 had de Commissie het besluit tot nietigverklaring van de subsidie en tot terugvordering van het voorschot aan klager toegezonden. Deze beschikking was volledig in overeenstemming met het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-199/01 P en C-200/01 P IPK München GmbH/Commissie.
Op 29 juli 2005 had klager beroep ingesteld tegen de beschikking van 13 mei 2005 (zaak T-297/05 IPK International World Tourism Marketing Consultants/Commissie (3)).
De onderhavige klacht had tot doel de Commissie te verplichten de resterende 40 % van de subsidie (ten bedrage van 212 000 EUR) te betalen. Het beroep in zaak T-297/05 betrof het besluit van de Commissie van 13 mei 2005 om de toekenning van die subsidie nietig te verklaren. Het was duidelijk dat beide zaken hetzelfde onderwerp betroffen, namelijk de vraag of de Commissie verplicht was het resterende deel van de subsidie te betalen.
Hoewel de Commissie in staat was de brief van 30 september 2004 uitvoerig te motiveren en te documenteren, achtte zij dit niet langer passend, aangezien klager bij het Gerecht van eerste aanleg een beroep tegen de Commissie had ingesteld.
Overeenkomstig artikel 2, lid 7, van het Statuut van de Europese Ombudsman en artikel 10, lid 3, van de uitvoeringsbepalingen van de Europese Ombudsman moest de Ombudsman een lopend onderzoek niet-ontvankelijk verklaren of beëindigen indien "een gerechtelijke procedure wordt ingeleid met betrekking tot aangelegenheden die door de Ombudsman worden onderzocht".
Als gevolg van de nauwe relatie tussen beide zaken moet de Ombudsman overwegen het onderzoek af te sluiten.
Opmerkingen van klagerHet standpunt van de Commissie werd aan klager toegezonden voor zijn opmerkingen. Ter gelegenheid van een telefoongesprek op 6 december 2005 deelde de advocaat van klager het bureau van de Ombudsman mee dat hij niet van plan was opmerkingen te maken en dat hij verwachtte dat het besluit van de Ombudsman het onderzoek zou afsluiten.
BESLUIT
1 Vermeend wanbeheer bij de behandeling van een subsidie1.1 In maart 2005 diende IPK International - World Tourism Marketing Consultants GmbH ("IPK"), een Duits bedrijf, bij de Europese Ombudsman een klacht in tegen de Europese Commissie. Deze klacht betrof financiële steun ten bedrage van 530 000 EUR die de Commissie op 4 augustus 1992 had besloten toe te kennen aan een project betreffende de oprichting van een databank over ecologisch toerisme in Europa en, meer in het bijzonder, de behandeling van deze kwestie door de Commissie na het eindarrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-199/01 P en C-200/01 P IPK München GmbH/Commissie (4) van 29 april 2004. De Commissie betaalde slechts de eerste 60 % van de subsidie (318 000 EUR). In een brief van 30 september 2004 stelde de Commissie dat zij op grond van een aantal (in de brief uiteengezette) redenen tot de conclusie was gekomen dat de toekenning van het subsidieproject onwettig en onregelmatig was, aangezien dit was verkregen door een heimelijke verstandhouding tussen de heer Tzoanos (de ten tijde van de feiten bevoegde ambtenaar van de Commissie) en klager. De Commissie heeft erop gewezen dat zij derhalve voornemens was een besluit te nemen tot intrekking van het eerdere besluit tot toekenning van een subsidie van 530 000 EUR aan het betrokken project. Het gevolg van een dergelijk besluit zou zijn dat de Commissie zou weigeren de tweede tranche van de subsidie ten bedrage van 212 000 EUR te betalen (evenals het verzoek van klager om rente). Ten tweede zou de Commissie klager ook verzoeken het voorschot van 318 000 EUR, eventueel vermeerderd met rente, terug te betalen.
In zijn klacht bij de Ombudsman beweerde klager dat de beschuldigingen en aantijgingen van de Commissie volledig ongegrond waren. De klager voerde aan dat de Commissie rechtmatig moest handelen en dat zij de resterende 40 % van de subsidie ten bedrage van 212 000 EUR moest betalen.
1.2 In haar advies wees de Commissie erop dat zij op 13 mei 2005 het besluit tot nietigverklaring van de subsidie en tot terugvordering van het voorschot aan klager had toegezonden en dat klager op 29 juli 2005 een verzoek tegen dit besluit had ingediend (zaak T-297/05 IPK International World Tourism Marketing Consultants/Commissie (5)).
De Commissie voerde aan dat de onderhavige klacht tot doel had haar te verplichten de resterende 40 % van de subsidie (ten bedrage van 212 000 EUR) te betalen. Zij heeft daaraan toegevoegd dat het beroep in zaak T-297/05 betrekking had op het besluit van de Commissie van 13 mei 2005 om de toekenning van die subsidie nietig te verklaren. Volgens de Commissie was het duidelijk dat beide zaken hetzelfde onderwerp betroffen, namelijk de vraag of de Commissie verplicht was het resterende deel van de subsidie te betalen.
De Commissie stelde daarom voor dat de Ombudsman zou overwegen zijn onderzoek af te sluiten.
1.3 Het standpunt van de Commissie werd voor opmerkingen aan klager toegezonden. Ter gelegenheid van een telefoongesprek op 6 december 2005 deelde de advocaat van klager het bureau van de Ombudsman mee dat hij niet van plan was opmerkingen te maken en dat hij verwachtte dat het besluit van de Ombudsman het onderzoek zou afsluiten.
1.4 Overeenkomstig artikel 1, lid 3, van het Statuut van de Europese Ombudsman (6) mag de Ombudsman zich niet mengen in gerechtelijke procedures. Indien een gerechtelijke procedure wordt ingeleid met betrekking tot de feiten die in een klacht naar voren zijn gebracht, moet de Ombudsman zijn onderzoek derhalve beëindigen. In een dergelijk geval moeten de resultaten van de onderzoeken die tot die datum zijn uitgevoerd, overeenkomstig artikel 2, lid 7, van genoemd Statuut zonder verdere stappen worden ingediend.
1.5 De Ombudsman is van mening dat het voorwerp van de onderhavige klacht en dat van het door klager bij het Gerecht van eerste aanleg ingediende verzoekschrift (zaak T-297/05) inderdaad nauw met elkaar verbonden zijn en dat het onderhavige onderzoek derhalve moet worden beëindigd.
2 ConclusieAangezien klager beroep heeft ingesteld bij het Gerecht van eerste aanleg, besluit de Ombudsman zijn onderzoek te beëindigen en het resultaat van het tot dusver gevoerde onderzoek in te dienen.
De voorzitter van de Europese Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.
Met vriendelijke groet,
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
(1) Gevoegde zaken C-199/01 P en C-200/01 P, IPK München GmbH/Commissie, Jurispr. 2004, blz. I-4627. De beschikking van het Gerecht, waartegen hogere voorziening is ingesteld, is zaak T-331/94, IPK-München/Commissie, Jurispr. 2001, blz. II-779.
(2) PB L 312, blz. 1.
(3) Zie voor een samenvatting van de zaak PB 2005, C 257, blz. 13.
(4) Gevoegde zaken C-199/01 P en C-200/01 P, IPK München GmbH/Commissie, Jurispr. 2004, blz. I-4627. De beschikking van het Gerecht, waartegen hogere voorziening is ingesteld, is zaak T-331/94, IPK-München/Commissie, Jurispr. 2001, blz. II-779.
(5) Zie de samenvatting van de zaak in PB 2005, C 257, blz. 13.
(6) Besluit 94/262 van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese Ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn taken (PB L 113, blz. 15).