FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Besluit van de Europese Ombudsman over klacht 106/2005/TN tegen de Europese Commissie

De klacht had betrekking op de vermeende weigering van de Commissie om het salaris te betalen van de dochter van klager, een voormalig ambtenaar van de Commissie, die kort na haar indiensttreding ziek werd. Nadat zij enige tijd op de ziekenlijst had gestaan, verklaarde de Commissie het resultaat van het medisch onderzoek dat de dochter van klager vóór haar indiensttreding had ondergaan, ongeldig. De Commissie heeft aangevoerd dat zij ten tijde van het medisch onderzoek reeds ziek moet zijn geweest. De zaak werd voorgelegd aan het Gerecht van eerste aanleg, dat de beschikking van de Commissie nietig verklaarde, en de dochter werd opnieuw als ambtenaar aangesteld. Omdat ze nog steeds ziek was, kon ze niet werken en kreeg ze uiteindelijk vanaf november 2002 een arbeidsongeschiktheidspensioen. De Commissie heeft de dochter van klager echter geen salaris betaald voor de periode van mei 2001 tot oktober 2002, met het argument dat zij geen enkel bewijs had verstrekt waaruit bleek dat haar afwezigheid te wijten was aan medische redenen. De dochter van klager diende een klacht in over de kwestie op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut, maar ontving niet binnen de gestelde termijn een antwoord. Klager diende daarom namens haar dochter een klacht in bij de Ombudsman.

Klager voerde aan dat de Commissie reeds over de nodige informatie beschikte om te concluderen dat haar dochter in de betrokken periode ziek was geweest, aangezien haar arbeidsongeschiktheid in die periode door de invaliditeitscommissie van de Commissie was beoordeeld. Klager voerde aan dat het besluit van de Commissie om de afwezigheid van haar dochter in de periode mei 2001-oktober 2002 als ongeoorloofd aan te merken, onredelijk was. Klager verzocht de Commissie haar dochter haar salaris voor de betrokken periode te betalen.

In haar advies verklaarde de Commissie dat zij had besloten de klacht van de dochter op grond van artikel 90, lid 2, te aanvaarden en dat zij haar het achterstallige loon voor de betrokken periode had betaald. Klager erkende dat het salaris was betaald, maar vond het opmerkelijk dat de Commissie geen rente had betaald.

De Ombudsman merkte op dat de dochter van klager in haar klacht op grond van artikel 90, lid 2, niet alleen had aangevoerd dat haar achterstallige salaris moest worden betaald, maar ook dat de Commissie rente moest betalen. Aangezien de Commissie in haar advies uitlegde dat zij een besluit had genomen "om de klacht van [de dochter] op grond van artikel 90, lid 2, te aanvaarden", achtte de Ombudsman het passend nader onderzoek in te stellen en de Commissie te vragen waarom zij geen rente had betaald.

In antwoord daarop erkende de Commissie dat rente moest worden betaald en de klager deelde de Ombudsman vervolgens mee dat de Commissie deze had betaald. Zij bedankte de diensten van de Ombudsman voor hun hulp bij het oplossen van de kwestie.


Straatsburg, 30 maart 2006

Geachte mevrouw R.,

In augustus 2004 diende uw dochter, mevrouw R., bij de Europese Ombudsman (referentienummer 2505/2004/TN) een klacht in tegen de Europese Commissie over onder meer de betaling van haar salaris als voormalig ambtenaar.

De klacht van R. werd op 16 september 2004 niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij de interne rechtsmiddelen niet had uitgeput overeenkomstig artikel 2, lid 8, van het Statuut van de Europese Ombudsman. Ten tijde van de indiening van haar klacht bij de Ombudsman was de termijn voor de Commissie om te antwoorden op haar klacht uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Statuut nog niet verstreken.

Na het verstrijken van de termijn voor een antwoord van de Commissie op de klacht van mevrouw R. uit hoofde van het Statuut heeft u op 15 december 2004 namens mevrouw R. een nieuwe klacht ingediend bij de Ombudsman. De klacht is ontvankelijk verklaard onder nummer 106/2005/TN.

Op 19 januari 2005 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Commissie. De Commissie heeft op 11 mei 2005 advies uitgebracht. Ik heb het u toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 22 juni 2005 hebt toegezonden.

Op 5 juli 2005 heb ik de Commissie schriftelijk om nadere informatie over uw klacht verzocht. Op 13 oktober 2005 heb ik het antwoord van de Commissie ontvangen. Ik heb u het antwoord toegezonden met de uitnodiging om uiterlijk op 30 november 2005 opmerkingen te maken. Op die datum zijn geen schriftelijke opmerkingen van u ontvangen.

Toen mijn diensten op 27 januari 2006 telefonisch contact met u opnamen, legde u uit dat u van mening was dat de zaak was opgelost.

Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.


Het KLACHT

Klacht 2505/2004/TN:

In 1995 begon mevrouw R., Zweeds staatsburger, als ambtenaar voor de Europese Commissie te werken. Vrij snel na het opnemen van haar taken werd ze ziek, met pijn in haar schouders en nek. Na een tijdje op de ziekenlijst te hebben gestaan, werd duidelijk dat haar situatie ernstig en langdurig was. Vervolgens heeft de Commissie het resultaat van het medisch onderzoek dat zij vóór haar indiensttreding had ondergaan, ongeldig verklaard. Volgens de Commissie moet zij ten tijde van het medisch onderzoek reeds ziek zijn geweest. De zaak is voorgelegd aan het Gerecht van eerste aanleg, dat de beschikking van de Commissie nietig heeft verklaard en R. opnieuw als ambtenaar is aangesteld. Aangezien zij echter nog steeds ziek was, kon zij niet werken en kreeg zij per november 2002 eindelijk een invaliditeitspensioen. De Commissie heeft R. echter geen salaris betaald voor de periode van mei 2001 tot oktober 2002 en zij heeft daarom een klacht ingediend op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut. Mevrouw R. diende hierover ook een klacht in bij de Ombudsman, maar haar klacht werd niet-ontvankelijk verklaard omdat zij de interne rechtsmiddelen niet had uitgeput overeenkomstig artikel 2, lid 8, van het Statuut van de Europese Ombudsman. Ten tijde van de indiening van haar klacht bij de Ombudsman was de termijn voor de Commissie om te antwoorden op haar klacht uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Statuut nog niet verstreken.

De onderhavige grief:

In december 2004 heeft de moeder van mevrouw R. bij de Ombudsman een nieuwe klacht over deze kwestie ingediend. Volgens de klager zijn de relevante feiten, samengevat, de volgende:

De Commissie heeft niet geantwoord op de klacht van R. op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut, hetgeen een stilzwijgend besluit tot afwijzing van het beroep vormt.

De Commissie heeft geweigerd R. haar salaris voor de periode van mei 2001 tot en met oktober 2002 te betalen, op grond dat R. geen enkel bewijs had geleverd waaruit bleek dat haar afwezigheid te wijten was aan medische redenen. De Commissie beschikte echter reeds over de nodige gegevens om te concluderen dat zij in de betrokken periode ziek was geweest.

In november 2000 zond R. de Commissie een medisch attest waaruit bleek dat haar arbeidsongeschiktheid een invaliditeit vormde. Op basis van deze informatie werd haar zaak in oktober 2001 voorgelegd aan de invaliditeitscommissie van de Commissie. Het comité heeft op 5 september 2002 een besluit over haar invaliditeit genomen. Het besluit van de Commissie om de afwezigheid van R. in de periode van mei 2001 tot oktober 2002 als "ongeoorloofd" aan te merken, is derhalve onredelijk, aangezien uit haar medisch attest en de beraadslagingen en documenten van de invaliditeitscommissie van de Commissie duidelijk bleek dat zij in die periode ziek was.

Klager voerde aan dat het besluit van de Commissie om de afwezigheid van mevrouw R. in de periode van mei 2001 tot oktober 2002 als ongeoorloofd aan te merken, onredelijk was.

Klager verzocht de Commissie R. haar salaris voor de betrokken periode te betalen.

Het onderzoek

Advies van de Commissie

In haar advies heeft de Commissie samenvattend de volgende opmerkingen gemaakt:

R. is op 1 juli 1995 als ambtenaar aangeworven. Onmiddellijk na het verstrijken van haar proeftijd was zij voor langere tijd met ziekteverlof. De medische dienst was van mening dat zij bij het medisch onderzoek voorafgaand aan haar aanwerving onnauwkeurige informatie had verstrekt, wat uiteindelijk tot de nietigverklaring van haar aanwerving met ingang van 1 februari 1999 heeft geleid. Mevrouw R. heeft dit besluit met succes aangevochten en de Commissie heeft haar daarom opnieuw in dienst genomen.

Sinds 1 november 2002 is R. arbeidsongeschikt verklaard op grond van een besluit van de invaliditeitscommissie. Vóór de vaststelling van dit besluit was R. echter met ingang van 1 januari 2001 afwezig op het werk, zonder toestemming te hebben verkregen of een medisch attest te hebben overgelegd. Bovendien is R. op een bepaald moment tijdens die periode van niet-toegestane afwezigheid teruggekeerd naar Zweden, waarvoor krachtens artikel 60 van het Statuut toestemming vereist zou zijn geweest, zelfs indien de afwezigheid door een medisch attest was gedekt. Bijgevolg heeft de Commissie de betaling van het salaris van R. met ingang van 1 mei 2001 opgeschort.

Bij brief van 17 mei 2004 heeft R. de Commissie verzocht haar het resterende salaris voor de periode van mei 2001 tot oktober 2002 te betalen. Op 23 februari 2004 heeft de Commissie de opschorting van de betaling bevestigd.

Op 17 mei 2004 heeft R. krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het besluit van de Commissie van 23 februari 2004. R. voerde aan dat zij, aangezien zij in november 2000 een medisch attest had overgelegd, geen aanvullende medische attesten hoefde over te leggen voor verdere afwezigheden. R. voerde aan dat, aangezien zij in november 2000 ziek was en vanaf 1 november 2002 arbeidsongeschikt was verklaard, het onredelijk was dat de Commissie haar afwezigheid in de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 oktober 2002 als ongeoorloofd beschouwde.

Op 14 december 2004 heeft de Commissie besloten de klacht van mevrouw R. op grond van artikel 90, lid 2, te aanvaarden. Op 16 februari 2005 heeft de Commissie R. een bedrag van 52 065,63 EUR betaald, wat overeenkomt met haar openstaande salaris voor de periode van mei 2001 tot en met oktober 2002.

Opmerkingen van klager

In haar opmerkingen van 22 juni 2005 erkende klager dat het openstaande salaris voor de periode mei 2001 tot en met oktober 2002 in februari 2005 aan mevrouw R. was uitbetaald. Klager achtte het echter opmerkelijk dat de Commissie geen rente had betaald.

Nadere inlichtingen

Na zorgvuldige bestudering van het standpunt van de Commissie en de opmerkingen van klager bleek dat nader onderzoek noodzakelijk was.

De Ombudsman merkte op dat de Commissie R. het openstaande salaris voor de periode mei 2001-oktober 2002 had betaald, maar dat er geen rente leek te zijn betaald. De Ombudsman merkte voorts op dat mevrouw R. in de klacht bij de Commissie op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut niet alleen aanvoerde dat haar achterstallige salaris moest worden betaald, maar ook dat de Commissie rente moest betalen. Aangezien de Commissie in haar advies over de klacht aan de Ombudsman had uitgelegd dat zij een besluit had genomen "tot aanvaarding van de klacht van mevrouw [R.] op grond van artikel 90, lid 2", leek het passend de Commissie te vragen waarom zij mevrouw R. geen rente over het bedrag had betaald.

Antwoord van de Commissie

In haar antwoord van 13 oktober 2005 heeft de Commissie erkend dat rente over het verschuldigde salaris had moeten worden betaald, zoals R. in haar klacht op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut had gevraagd. Daarom moest een extra betaling van 4 147,58 EUR worden verricht.

Opmerkingen van klager

De Ombudsman verzocht klager opmerkingen in te dienen over het antwoord van de Commissie. De klager heeft geen schriftelijke opmerkingen ingediend.

Op 27 januari 2006 belden de diensten van de Ombudsman klager, die uitlegde dat mevrouw R. de openstaande rente had ontvangen en dat zij van mening was dat de zaak door de Commissie naar haar en naar tevredenheid van mevrouw R. was opgelost. Zij bedankte de diensten van de Ombudsman voor hun hulp bij het oplossen van de kwestie.

BESLUIT

1 De beweerdelijk onredelijke beslissing en de daarmee verband houdende vordering

1.1 De klacht werd ingediend namens mevrouw R., een voormalig ambtenaar van de Commissie, die kort na haar indiensttreding ziek werd. Na een tijdje op de ziekenlijst te hebben gestaan, werd duidelijk dat de situatie van R. ernstig en langdurig was. Vervolgens heeft de Commissie het resultaat van het medisch onderzoek dat zij vóór haar indiensttreding had ondergaan, ongeldig verklaard. De zaak is voorgelegd aan het Gerecht van eerste aanleg, dat de beschikking van de Commissie nietig heeft verklaard en R. opnieuw als ambtenaar is aangesteld. Aangezien zij echter nog steeds ziek was, kon zij niet werken en kreeg zij per november 2002 eindelijk een invaliditeitspensioen. De Commissie heeft R. echter geen salaris betaald voor de periode van mei 2001 tot oktober 2002, met het argument dat R. geen enkel bewijs had geleverd dat haar afwezigheid om medische redenen was. Klager voerde aan dat de Commissie reeds over de nodige informatie beschikte om te concluderen dat mevrouw R. in de betrokken periode ziek was geweest. R. heeft een klacht ingediend op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut. De Commissie heeft de statutaire klacht van R. niet binnen de gestelde termijn beantwoord, hetgeen een stilzwijgend besluit tot afwijzing van het beroep vormt. Klager diende daarom namens mevrouw R. een klacht in bij de Ombudsman, waarin hij aanvoerde dat het besluit van de Commissie om de afwezigheid van mevrouw R. in de periode van mei 2001 tot oktober 2002 als ongeoorloofd aan te merken, onredelijk was en dat de Commissie R. haar salaris voor de betrokken periode moest betalen.

1.2 In haar advies deelde de Commissie de Ombudsman mee dat zij had besloten de klacht van mevrouw R. op grond van artikel 90, lid 2, te aanvaarden en dat zij mevrouw R. een bedrag van 52 065,63 EUR had betaald, wat overeenkomt met haar openstaande salaris voor de periode mei 2001-oktober 2002.

1.3 Klager erkende dat het openstaande salaris voor de periode mei 2001-oktober 2002 in februari 2005 aan mevrouw R. was uitbetaald. Klager achtte het echter opmerkelijk dat de Commissie geen rente had betaald.

1.4 De Ombudsman merkte op dat mevrouw R. in haar klacht bij de Commissie op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut niet alleen had aangevoerd dat haar achterstallige salaris moest worden betaald, maar ook dat de Commissie rente moest betalen. Aangezien de Commissie in haar advies over de klacht aan de Ombudsman had uitgelegd dat zij een besluit had genomen "tot aanvaarding van de klacht van mevrouw [R.] op grond van artikel 90, lid 2", heeft de Ombudsman nader onderzoek verricht om van de Commissie te vernemen waarom zij mevrouw R. geen rente had betaald.

1.5 In antwoord op de verdere onderzoeken van de Ombudsman erkende de Commissie dat rente over het verschuldigde salaris had moeten worden betaald, zoals gevraagd in de klacht van mevrouw R. op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut. Daarom moest een extra betaling van 4 147,58 EUR worden verricht.

1.6 Op 27 januari 2006 namen de diensten van de Ombudsman telefonisch contact op met klager, die zij uitlegde dat mevrouw R. de openstaande rente had ontvangen en dat zij van mening was dat de kwestie door de Commissie naar tevredenheid van haarzelf en mevrouw R. was opgelost. Zij bedankte de diensten van de Ombudsman voor al hun hulp bij het oplossen van de kwestie.

1.7 Gezien het bovenstaande is de Ombudsman van mening dat de Commissie passende maatregelen lijkt te hebben genomen om de zaak op te lossen en daarmee de klager tevreden heeft gesteld.

2 Conclusie

Uit de door de Commissie en de klager verstrekte informatie blijkt dat de Commissie stappen heeft ondernomen om de zaak te schikken en de klager daarmee tevreden heeft gesteld. De Ombudsman sluit daarom de zaak.

De voorzitter van de Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.

Met vriendelijke groet,

 

P. Nikiforos DIAMANDOUROS

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!