Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 3336/2004/(AU)TN tegen de Europese Commissie
Besluiten
Zaak 3336/2004/(AU)TN - Geopend op Donderdag | 09 december 2004 - Besluit over Vrijdag | 15 december 2006
Straatsburg, 15 december 2006
Geachte heer B.,
Op 11 november 2004 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen de Europese Commissie over het voorstel voor een richtlijn betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen (2002/0047/COD).
Op 9 december 2004 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Commissie. De Commissie heeft haar advies op 11 maart 2005 toegezonden en ik heb u verzocht desgewenst uiterlijk op 30 april 2005 opmerkingen te maken. Op die datum zijn geen opmerkingen van u ontvangen.
Bij brief van 1 juli 2005 heb ik u meegedeeld dat het onderzoek van uw dossier aan de gang was, dat het besluit van de Ombudsman normaliter binnen een jaar na de klacht wordt genomen en dat alles in het werk zal worden gesteld om het besluit over uw klacht indien mogelijk eerder af te ronden.
Na een nadere analyse van de zaak bleek echter dat aanvullende informatie nodig was om een beslissing te nemen. Op 25 oktober 2005 heb ik de Commissie daarom schriftelijk om nadere informatie verzocht. De Commissie heeft haar antwoord op 6 december 2005 toegezonden en ik heb u verzocht desgewenst uiterlijk op 31 januari 2006 opmerkingen te maken. U heeft geen opmerkingen ontvangen.
Na analyse van de informatie die de Commissie in antwoord op mijn verdere onderzoeken had verstrekt, bleek dat verdere verduidelijkingen nodig waren om mijn onderzoek te kunnen afronden. Op 20 juni 2006 heb ik de Commissie daarom schriftelijk om een dergelijke verduidelijking verzocht. De Commissie heeft haar antwoord op 11 september 2006 toegezonden en ik heb u verzocht desgewenst uiterlijk op 31 oktober 2006 opmerkingen te maken. U heeft geen opmerkingen ontvangen.
Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan. Mijn excuses voor de tijd die het heeft gekost om uw zaak te behandelen.
Het KLACHT
Volgens de klager zijn de relevante feiten, samengevat, de volgende:
Hij beklaagt zich erover dat het voorstel voor een richtlijn betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen (2002/0047/COD) niet in het Pools is vertaald. Hij was ook van mening dat het feit dat het Poolse parlement het voorstel in kwestie niet had ontvangen, terwijl het in hun respectieve talen naar de parlementen van de "oude" lidstaten was gestuurd, in strijd was met het Verdrag van Amsterdam.
Volgens klager bepaalde het Verdrag van Amsterdam dat alle raadplegingsdocumenten van de Commissie (groenboeken, witboeken en mededelingen) na publicatie rechtstreeks door de Commissie aan de nationale parlementen van de lidstaten moesten worden toegezonden en dat alle wetgevingsvoorstellen die aan het Europees Parlement en de Raad van Ministers werden toegezonden, tegelijkertijd aan de nationale parlementen van de lidstaten moesten worden toegezonden.
Klager voerde aan dat de Commissie had nagelaten:
- Vertaal het bovenstaande voorstel in de Poolse taal;
- Het Poolse parlement en de parlementen van de andere nieuwe lidstaten op de hoogte brengen van bovengenoemd voorstel, zodat zij hun mening erover kunnen geven.
Klager voerde aan dat de Commissie het Poolse parlement en de parlementen van de andere nieuwe lidstaten vertalingen van het voorstel in hun respectieve talen moest verstrekken.
In zijn klacht voerde klager ook aan dat de Europese Ombudsman de procedure die tot de vaststelling van de richtlijn leidde, moest opschorten totdat de nationale parlementen de mogelijkheid hadden gehad hun standpunt kenbaar te maken.
Wat dit laatste argument betreft, herinnerde de Ombudsman eraan dat het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Statuut van de Ombudsman precieze voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een klacht bevatten. De Ombudsman kan alleen een onderzoek instellen als aan deze voorwaarden is voldaan.
Een van deze voorwaarden is:
Artikel 195 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap:
"Overeenkomstig zijn taken verricht de Europese Ombudsman onderzoeken die hij gegrond acht (...)".
Na een zorgvuldig onderzoek van de klacht concludeerde de Ombudsman dat er geen redenen waren om deze laatste vordering te behandelen, omdat de Ombudsman niet bevoegd is om de procedure in kwestie op te schorten.
De Ombudsman besloot echter een onderzoek in te stellen naar de aantijgingen van klager en zijn eerste vordering tegen de Commissie.
Het onderzoek
Advies van de CommissieIn haar advies heeft de Commissie samenvattend de volgende opmerkingen gemaakt:
Het voorstel in kwestie is op 20 februari 2002 door de Commissie goedgekeurd, op dezelfde dag aan het Parlement en de Raad toegezonden en in het Publicatieblad (1) bekendgemaakt in de toenmalige elf officiële talen van de Europese Unie. Het Parlement heeft op 24 september 2003 advies in eerste lezing uitgebracht en de Raad heeft op 18 mei 2004 een politiek akkoord over het voorstel bereikt.
Gezien de moeilijkheden die de instellingen van de Unie ondervonden bij het waarborgen van voldoende vertaalcapaciteit in de nieuwe officiële talen in de periode na de uitbreiding, dat wil zeggen na de toetreding van de tien nieuwe lidstaten op 1 mei 2004, was het noodzakelijk overgangsregelingen in te voeren tussen de drie instellingen die bij de medebeslissingsprocedure betrokken zijn.
De interinstitutionele samenwerkingsgroep, bekend als de Neunreither-groep, heeft op 13 juli 2004 richtsnoeren gepubliceerd waarin de verdeling van de vertaalwerkzaamheden met betrekking tot wetgevingsvoorstellen tussen de instellingen werd bepaald. Overeenkomstig deze richtsnoeren zouden het Parlement en de Raad verantwoordelijk zijn voor de vertaling van respectievelijk medebeslissingsvoorstellen en raadplegings- en instemmingsvoorstellen die de Commissie vóór 1 mei 2004 heeft ingediend, terwijl de Commissie verantwoordelijk zou zijn voor de vertaling van alle voorstellen die na 1 mei 2004 zijn ingediend.
Op grond van deze richtsnoeren zou de Raad dus verantwoordelijk zijn voor het opstellen van zijn gemeenschappelijk standpunt in alle officiële talen, terwijl het Parlement in beginsel verantwoordelijk zou zijn voor de vertaling van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie in de nieuwe talen toen het advies in eerste lezing uitbracht.
Deze regels moeten van toepassing zijn op het voorstel in kwestie, dat vóór 1 mei 2004 is aangenomen. Het gemeenschappelijk standpunt over dit voorstel zou hoe dan ook naar verwachting op een datum na de datum van uitbreiding worden aangenomen.
Wat het informeren van het Poolse parlement en de parlementen van de andere nieuwe lidstaten betreft, zij erop gewezen dat in het aan het Verdrag van Amsterdam gehechte protocol betreffende de nationale parlementen is bepaald dat alle raadplegingsdocumenten van de Commissie (groenboeken, witboeken en mededelingen) onverwijld aan de nationale parlementen van de lidstaten moeten worden toegezonden en dat de wetgevingsvoorstellen van de Commissie tijdig ter beschikking moeten worden gesteld, zodat de regering van elke lidstaat ervoor kan zorgen dat haar eigen nationale parlement deze op passende wijze ontvangt. Hoewel de Commissie dus verplicht is raadplegingsdocumenten aan de nationale parlementen toe te zenden, is zij niet verplicht met betrekking tot wetgevingsvoorstellen. Volgens het protocol is het aan de regeringen van de lidstaten om deze voorstellen tijdig aan de nationale parlementen voor te leggen. Bijgevolg moet elke klacht over een gebrek aan informatie aan een nationaal parlement over een wetgevingsvoorstel van de Commissie worden gericht aan de betrokken nationale regering.
Voorts is de verwijzing van klager naar bepalingen op grond waarvan de Commissie de nationale parlementen in kennis moet stellen van wetgevingsvoorstellen overgenomen uit het protocol betreffende de nationale parlementen bij het ontwerp van Europese grondwet, dat nog niet in werking was getreden. De Commissie was niet voornemens deze bepalingen van de Grondwet vóór de inwerkingtreding ervan ten uitvoer te leggen.
Opmerkingen van klagerDe Ombudsman verzocht klager opmerkingen in te dienen over het standpunt van de Commissie. Van klager zijn geen opmerkingen ontvangen.
Nadere inlichtingenNa zorgvuldige bestudering van het standpunt van de Commissie bleek dat nader onderzoek noodzakelijk was.
De Ombudsman merkte op dat de Commissie in haar standpunt leek aan te voeren dat zij met betrekking tot de taak om wetgevingsvoorstellen te vertalen in de talen van de lidstaten die op 1 mei 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden, had gehandeld in overeenstemming met de richtsnoeren van de Neunreither-groep van 13 juli 2004.
De Ombudsman merkte echter ook op dat deze richtsnoeren niet openbaar leken te zijn. Om het onderzoek naar de onderhavige klacht te kunnen afronden, heeft de Ombudsman de Commissie derhalve verzocht hem een kopie van de richtsnoeren te verstrekken.
Antwoord van de CommissieIn antwoord op het verzoek van de Ombudsman heeft de Commissie een kopie verstrekt van de richtsnoeren van de Neunreither-groep van 13 juli 2004.
Opmerkingen van klagerKlager werd verzocht opmerkingen te maken over het antwoord van de Commissie en over de bovengenoemde richtsnoeren. Van klager zijn geen opmerkingen ontvangen.
Tweede ronde van verdere onderzoekenNa analyse van de door de Neunreither-groep uitgevaardigde richtsnoeren voor vertaaltaken bleek dat verdere verduidelijkingen nodig waren om de Ombudsman in staat te stellen zijn onderzoek naar de klacht af te ronden.
De Commissie werd derhalve verzocht aan te geven welke instelling (indien van toepassing) het voorstel in kwestie in de nieuwe talen moest vertalen of uit te leggen waarom dergelijke vertalingen volgens haar niet hoefden te worden voorbereid.
De Commissie werd ook verzocht een kopie van de vertaling te verstrekken, indien het voorstel in het Pools was vertaald.
Antwoord van de CommissieIn haar antwoord heeft de Commissie samengevat de volgende opmerkingen gemaakt:
Het oorspronkelijke voorstel van de richtlijn in kwestie is nooit in het Pools vertaald. De eerste volledige tekst in de Poolse taal met betrekking tot dit voorstel voor een richtlijn die door de Commissie is vastgesteld, is het gemeenschappelijk standpunt van de Raad dat op 14 juni 2005 in het Pools in het Publicatieblad is bekendgemaakt (2). Deze vertaling, waarin de door de Raad goedgekeurde wijzigingen van het oorspronkelijke voorstel zijn verwerkt, is naar alle waarschijnlijkheid door de taalkundige diensten van de Raad gemaakt. Dit sluit aan bij de richtsnoeren van de groep Neunreither, waarin is bepaald dat dossiers die op 1 mei 2004 in afwachting waren van een gemeenschappelijk standpunt, door de Raad moeten worden vertaald. Dit was het geval voor het voorstel voor een richtlijn in kwestie. Voor dit voorstel vond de eerste lezing door het Parlement plaats op 24 september 2003, terwijl het gemeenschappelijk standpunt pas op 7 maart 2005 werd aangenomen.
De Commissie herinnerde eraan dat de richtsnoeren van de Neunreither-groep zijn opgesteld om te voldoen aan de vereisten van de lopende wetgevingsprocedure. Er werden vertalingen gepland waarbij rekening werd gehouden met de behoeften in de fase van de wetgevingsprocedure waarin de wetgevingshandeling zich op het moment van de uitbreiding bevond. Wat een gemeenschappelijk standpunt van de Raad betreft, behoeft de bekendmaking ervan geen vertaling van het oorspronkelijke voorstel, aangezien de gemeenschappelijke standpunten van de Raad gewoonlijk in beknopte vorm worden gepresenteerd. Indien een dossier op 1 mei 2004 in afwachting was van een gemeenschappelijk standpunt van de Raad, was derhalve niet voorzien in een vertaling van het oorspronkelijke voorstel.
Een volledige vertaling met terugwerkende kracht in de nieuwe talen van alle dossiers die op 1 mei 2004 in behandeling waren, zou een overdaad aan werkzaamheden voor de taalkundige diensten van de instellingen tot gevolg hebben gehad. Deze diensten waren tegelijkertijd verantwoordelijk voor de vertaling van de nieuwe dossiers waarvoor zij vanaf 1 mei 2004 verantwoordelijk waren. Zij stonden ook nog steeds voor de uitdaging om voldoende gekwalificeerde vertalers voor de nieuwe talen aan te werven.
Het ontbreken van een vertaling in het Pools van het voorstel van de Commissie van 20 februari 2002 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen (2002/0047/COD) is dus in overeenstemming met de richtsnoeren van de Neunreither-groep. Bij deze richtsnoeren zijn overgangsregelingen vastgesteld voor de vertaling van wetgevingsdossiers die op 1 mei 2004 in behandeling waren, door een reeks regels op te stellen op basis van het beginsel van samenhang en evenredigheid.
Er zij ook op gewezen dat het voorstel in kwestie uiteindelijk in tweede lezing door het Parlement is verworpen.
Opmerkingen van klagerKlager werd verzocht opmerkingen te maken over het antwoord van de Commissie. Van klager zijn geen opmerkingen ontvangen.
BESLUIT
1 Vermeend verzuim om een Poolse vertaling van het richtlijnvoorstel te verstrekken1.1 De klacht betrof het voorstel van de Europese Commissie voor een richtlijn betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen (2002/0047/COD). Klager beweerde dat de Commissie het voorstel niet in het Pools had vertaald.
1.2 De Commissie voerde aan dat het voorstel in kwestie op 20 februari 2002 door de Commissie is goedgekeurd, op dezelfde dag aan het Europees Parlement en de Raad is toegezonden en in het Publicatieblad (3) in de toenmalige elf officiële talen van de Europese Unie is bekendgemaakt. Het Parlement heeft op 24 september 2003 advies in eerste lezing uitgebracht en de Raad heeft op 18 mei 2004 een politiek akkoord over het voorstel bereikt.
Gezien de moeilijkheden die de instellingen van de Unie ondervonden bij het waarborgen van voldoende vertaalcapaciteit in de nieuwe officiële talen in de periode na de uitbreiding, dat wil zeggen na de toetreding van de tien nieuwe lidstaten op 1 mei 2004, was het noodzakelijk overgangsregelingen in te voeren tussen de drie instellingen die bij de medebeslissingsprocedure betrokken zijn. De interinstitutionele samenwerkingsgroep, bekend als de Neunreither-groep, heeft op 13 juli 2004 richtsnoeren gepubliceerd waarin de verdeling van de vertaalwerkzaamheden met betrekking tot wetgevingsvoorstellen tussen de instellingen werd bepaald.
Overeenkomstig deze richtsnoeren zouden het Parlement en de Raad verantwoordelijk zijn voor de vertaling van respectievelijk medebeslissingsvoorstellen en raadplegings- en instemmingsvoorstellen die de Commissie vóór 1 mei 2004 heeft ingediend, terwijl de Commissie verantwoordelijk zou zijn voor de vertaling van alle voorstellen die na 1 mei 2004 zijn ingediend. Op grond van deze richtsnoeren zou de Raad dus verantwoordelijk zijn voor het opstellen van zijn gemeenschappelijk standpunt in alle officiële talen, terwijl het Parlement in beginsel verantwoordelijk zou zijn voor de vertaling van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie in de nieuwe talen toen het advies in eerste lezing uitbracht. Deze regels moeten van toepassing zijn op het voorstel in kwestie, dat vóór 1 mei 2004 is aangenomen.
1.3 Naar aanleiding van een verzoek van de Europese Ombudsman heeft de Commissie een kopie van de richtsnoeren van de Neunreither-groep verstrekt. Na analyse van deze richtsnoeren , bleek echter dat verdere verduidelijkingen nodig waren om de Ombudsman in staat te stellen zijn onderzoek naar de klacht af te ronden. De Commissie werd derhalve verzocht aan te geven welke instelling (indien van toepassing) het voorstel in kwestie in de nieuwe talen moest vertalen of uit te leggen waarom dergelijke vertalingen volgens haar niet hoefden te worden voorbereid. De Commissie werd ook verzocht een kopie van de vertaling te verstrekken, indien het voorstel in het Pools was vertaald.
1.4 In antwoord op het verzoek om verduidelijking van de Ombudsman legde de Commissie uit dat het oorspronkelijke voorstel voor de richtlijn in kwestie nooit in het Pools is vertaald. De eerste volledige tekst in de Poolse taal betreffende het richtlijnvoorstel is het gemeenschappelijk standpunt van de Raad dat op 14 juni 2005 in het Pools is bekendgemaakt (4). De Commissie herinnerde eraan dat de richtsnoeren van de Neunreither-groep zijn opgesteld om te voldoen aan de vereisten van de lopende wetgevingsprocedure. Wat een gemeenschappelijk standpunt van de Raad betreft, behoeft de bekendmaking ervan geen vertaling van het oorspronkelijke voorstel, aangezien de gemeenschappelijke standpunten van de Raad gewoonlijk in beknopte vorm worden gepresenteerd. Indien een dossier op 1 mei 2004 in afwachting was van een gemeenschappelijk standpunt van de Raad, was derhalve niet voorzien in een vertaling van het oorspronkelijke voorstel. Een volledige vertaling met terugwerkende kracht in de nieuwe talen van alle dossiers die op 1 mei 2004 in behandeling waren, zou een overdaad aan werkzaamheden voor de taalkundige diensten van de instellingen tot gevolg hebben gehad. Het ontbreken van een vertaling in het Pools van het voorstel van de Commissie van 20 februari 2002 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen (2002/0047/COD) is dus in overeenstemming met de richtsnoeren van de Neunreither-groep. Bij deze richtsnoeren zijn overgangsregelingen vastgesteld voor de vertaling van wetgevingsdossiers die op 1 mei 2004 in behandeling waren, door een reeks regels op te stellen op basis van het beginsel van samenhang en evenredigheid. De Commissie heeft er echter op gewezen dat het betrokken voorstel door het Parlement in tweede lezing is verworpen.
1.5 De Ombudsman merkt op dat het voorstel in kwestie, toen het Pools op 1 mei 2004 een officiële taal van de Europese Unie werd, door het Parlement in eerste lezing met amendementen was goedgekeurd en in afwachting was van de vaststelling van een gemeenschappelijk standpunt door de Raad. Overeenkomstig de richtsnoeren van de groep Neunreither met betrekking tot wetgevingsdossiers die in afwachting zijn van het gemeenschappelijk standpunt van de Raad na de medebeslissingsprocedure, is de Raad belast met de vertaling van zijn gemeenschappelijk standpunt in alle twintig talen. Zoals de Commissie heeft verduidelijkt, voorzagen de richtsnoeren van de Neunreither-groep echter niet in een vertaling van een voorstel voor een richtlijn in de talen die op 1 mei 2004 officiële talen van de Europese Unie werden, indien het voorstel in kwestie op die datum in afwachting was van een gemeenschappelijk standpunt van de Raad. Er bestaat dus geen vertaling van het voorstel in kwestie in het Pools.
1.6 De Ombudsman concludeert derhalve dat het ontbreken van een vertaling van het voorstel in de talen die op 1 mei 2004 officiële talen van de Europese Unie zijn geworden, in overeenstemming lijkt te zijn met de richtsnoeren van de interinstitutionele samenwerkingsgroep, ook wel de Neunreither-groep genoemd. Deze vaststelling geeft echter geen antwoord op de vraag of het niet verstrekken van dergelijke vertalingen verenigbaar was met de beginselen van behoorlijk bestuur. De Ombudsman is van mening dat burgers recht hebben op informatie over de wetgevingsvoorstellen die de Commissie bij de communautaire wetgever indient. Om ervoor te zorgen dat deze informatie voor alle geïnteresseerde burgers toegankelijk is, zou het daarom niet onredelijk zijn ervan uit te gaan dat zij in alle talen van de Gemeenschap beschikbaar moet zijn. Wat de onderhavige zaak betreft, merkt de Ombudsman echter op dat het betrokken voorstel volgens de door de Commissie verstrekte informatie uiteindelijk door het Parlement is verworpen. Gezien dit feit en rekening houdend met het feit dat klager geen opmerkingen heeft gemaakt over de opmerkingen van de Commissie, is de Ombudsman van mening dat er in deze zaak geen redenen zijn voor verder onderzoek naar deze kwestie.
2 Vermeend verzuim om het Poolse parlement in kennis te stellen2.1 Klager was van mening dat het feit dat het Poolse parlement het voorstel in kwestie niet had ontvangen, terwijl het in hun respectieve talen aan de parlementen van de "oude" lidstaten was toegezonden, in strijd was met het Verdrag van Amsterdam. Volgens klager bepaalde het Verdrag van Amsterdam dat alle raadplegingsdocumenten van de Commissie (groenboeken, witboeken en mededelingen) na publicatie rechtstreeks door de Commissie aan de nationale parlementen van de lidstaten moesten worden toegezonden en dat alle wetgevingsvoorstellen die aan het Parlement en de Raad van Ministers werden toegezonden, tegelijkertijd aan de nationale parlementen van de lidstaten moesten worden toegezonden. Klager beweerde dat de Commissie het Poolse parlement en de parlementen van de andere nieuwe lidstaten niet in kennis had gesteld van bovengenoemd voorstel, zodat zij hun standpunt daarover kenbaar konden maken.
2.2 De Commissie voerde aan dat in het aan het Verdrag van Amsterdam gehechte protocol betreffende de nationale parlementen is bepaald dat alle raadplegingsdocumenten van de Commissie (groenboeken, witboeken en mededelingen) onverwijld aan de nationale parlementen van de lidstaten moeten worden toegezonden en dat de wetgevingsvoorstellen van de Commissie tijdig ter beschikking moeten worden gesteld, zodat de regering van elke lidstaat ervoor kan zorgen dat haar eigen nationale parlement deze op passende wijze ontvangt. Hoewel de Commissie dus verplicht is raadplegingsdocumenten aan de nationale parlementen toe te zenden, is zij niet verplicht met betrekking tot wetgevingsvoorstellen. Volgens het protocol is het aan de regeringen van de lidstaten om deze voorstellen tijdig aan de nationale parlementen voor te leggen. Bijgevolg moet elke klacht over een gebrek aan informatie aan een nationaal parlement over een wetgevingsvoorstel van de Commissie worden gericht aan de betrokken nationale regering. Voorts is de verwijzing van klager naar bepalingen op grond waarvan de Commissie de nationale parlementen in kennis moet stellen van wetgevingsvoorstellen overgenomen uit het protocol betreffende de nationale parlementen bij het ontwerp van Europese grondwet, dat nog niet in werking was getreden. De Commissie was niet voornemens deze bepalingen van de Grondwet vóór de inwerkingtreding ervan ten uitvoer te leggen.
2.3 De Ombudsman merkt op dat in punt I.2 van het Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, is bepaald dat voorstellen voor wetgeving van de Commissie tijdig ter beschikking moeten worden gesteld, zodat de regering van elke lidstaat ervoor kan zorgen dat haar eigen nationale parlement deze zo nodig ontvangt. De Ombudsman acht het derhalve duidelijk dat de Commissie niet verantwoordelijk is voor de toezending van wetgevingsvoorstellen aan de nationale parlementen. De Ombudsman herinnert er voorts aan dat het voorstel in kwestie werd gedaan voordat Polen en negen andere Europese staten op 1 mei 2004 lid werden van de Europese Unie. Ten tijde van de indiening van het voorstel hadden de nationale parlementen van de tien staten die later tot de Unie zijn toegetreden, dus geen recht op informatie uit hoofde van het protocol. De Ombudsman merkt voorts op dat de verklaring van klager dat de Commissie haar wetgevingsvoorstellen tegelijk met de toezending ervan aan het Parlement en de Raad aan de nationale parlementen moest toezenden, lijkt te zijn gebaseerd op artikel 2 van de versie van het protocol in bijlage 1 bij het ontwerp-Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, dat nog niet in werking is getreden.
2.4 Op basis van het bovenstaande constateert de Ombudsman geen wanbeheer door de Commissie met betrekking tot dit aspect van de klacht.
3 Het argument van de klager3.1 Klager voerde aan dat de Commissie het Poolse parlement en de parlementen van de andere nieuwe lidstaten vertalingen van het voorstel in hun respectieve talen zou moeten verstrekken.
3.2 De Ombudsman is van mening dat, gezien de bovenstaande bevindingen (zie punt 2.4), de bewering van klager moet mislukken.
4 ConclusieOp basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht is de Ombudsman van oordeel dat er geen redenen zijn om verder te gaan met de kwestie van het vermeende verzuim van de Commissie om het voorstel voor een richtlijn in het Pools te vertalen. Wat betreft het vermeende verzuim om het Poolse parlement in kennis te stellen van het voorstel in kwestie, lijkt er geen sprake te zijn geweest van wanbeheer door de Commissie.
De Ombudsman sluit daarom de zaak.
De voorzitter van de Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.
Met vriendelijke groet,
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
(1) PB 2002, E 151, blz. 129.
(2) PB 2005, C 144 E, blz. 9.
(3) PB 2002, E 151, blz. 129.
(4) PB 2005, C 144 E, blz. 9.