Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit in zaak 2725/2004/(PB)ID - Vermeend verzuim toe te zien op naleving van de milieurichtlijnen bij een stuwdamproject in Portugal
Besluiten
Zaak 2725/2004/(PB)ID - Geopend op Donderdag | 30 september 2004 - Besluit over Dinsdag | 23 oktober 2007
De klagers dienden bij de Commissie een klacht over een inbreuk in, die betrekking had op het Alquevadam-en-stuwmeerproject in Portugal. In hun klacht aan de Ombudsman beweerden zij, kort samengevat, dat de Commissie verzuimd had actie te ondernemen om toe te zien op de naleving van de Richtlijnen 85/337[1] en 92/43[2] bij voornoemd project.
De Ombudsman was van mening dat de doelen van Richtlijn 85/337 beter kunnen worden nagestreefd door geschillen over de adequaatheid en correctheid van een milieueffectbeoordeling (MEB) overeenkomstig de artikelen 3 en 5 van de richtlijn voor te leggen aan en te laten beoordelen door de bevoegde nationale instanties, in het kader van de vergunningsprocedure ingevolge de artikelen 6 en 8 van de richtlijn. Aangezien de Commissie moet toezien op de naleving van artikel 8 van de richtlijn, moet zij klachten over een inbreuk waarin beweerd wordt dat een lidstaat in strijd met artikel 8 een vergunning heeft verleend, naarstig afhandelen. In de onderhavige zaak doen de klagers echter niet specifiek een dergelijke bewering.
De Ombudsman heeft zich eveneens gebogen over de situatie die optreedt wanneer beweringen over niet-naleving van de artikelen 3 en 5 van Richtlijn 85/337 rechtstreeks aan de Commissie worden voorgelegd via een klacht over een inbreuk. Gegeven het wetenschappelijke en technische karakter van de inhoud van de MEB kan de Ombudsman de verwerping door de Commissie van dergelijke beweringen pas als wanbeheer aanmerken als er in de klacht over een inbreuk beweringen en ondersteunend bewijs zouden zijn vervat, waaruit zou blijken dat de lidstaat een manifeste beoordelingsfout heeft begaan door de MEB te beschouwen als in overeenstemming met de eisen van de artikelen 3 en 5 van de richtlijn. In de onderhavige zaak konden de klagers niet laten zien dat zij relevante argumenten hadden ingebracht waaruit op voldoende specifieke en overtuigende wijze blijkt dat er sprake is van een dergelijke manifeste beoordelingsfout.
Voor wat betreft de archeologische vindplaatsen die blijkbaar voor het eerst zijn ontdekt tijdens de uitvoering van het project, merkte de Ombudsman op dat er substantiële, objectief redelijke twijfel bestaat over de vraag of Richtlijn 85/337 van toepassing is. Bovendien trokken de klagers met hun argument betreffende de onafhankelijkheid van de betwiste MEB's in wezen in twijfel of de richtlijn zelf wel van wijsheid getuigt en adequaat is. Hierbij gaat het dus niet om een mogelijk geval van wanbeheer.
Wat de bescherming van de Iberische lynx en de naleving van Richtlijn 92/43 aangaat, concludeerde de Ombudsman dat de klagers niet hadden aangetoond dat ze de Commissie voldoende specifieke en goed onderbouwde argumenten hadden verschaft waaruit zou blijken dat de Portugese lijst van gebieden die in aanmerking komen om als gebied van communautair belang te worden aangewezen, ondeugdelijk was of dat Portugal verzuimd had zijn verplichtingen in het kader van artikel 12 van die richtlijn na te komen.
In het licht van het bovenstaande en rekening houdende met de door de Commissie verstrekte informatie over het MEB-onderzoek waartoe zij opdracht had gegeven alvorens communautaire middelen aan het project toe te kennen en de overige stappen die zij had ondernomen om te zorgen dat de communautaire milieuwetgeving bij dit project zou worden nageleefd, was de Ombudsman van oordeel dat de bewering van de klagers ongegrond was.
[1] Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40.
[2] Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
Straatsburg, 23 oktober 2007
Geachte heer X, Geachte de heer Y,
Op 26 juli 2004 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen de Europese Commissie over het Alqueva Dam-project in Portugal.
Op 30 september 2004 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Commissie. De Commissie heeft haar advies op 23 december 2004 toegezonden. Ik heb het u doorgestuurd met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 21 februari 2005 hebt toegezonden. Op 24 en 25 februari 2005 heeft u mij aanvullende documenten met betrekking tot uw opmerkingen toegezonden.
Op 29 april 2005 heb ik besloten verder onderzoek te doen, en ik heb u op die datum daarvan in kennis gesteld. De Commissie heeft op 27 juni 2005 haar antwoord op mijn verdere onderzoeken toegezonden. Ik heb u een uitnodiging tot het indienen van opmerkingen toegezonden, die u in mededelingen van 7, 8 en 12 augustus 2005 hebt toegezonden. Op 31 maart 2006 heb ik besloten aanvullende onderzoeken in te stellen en heb ik u daarvan in kennis gesteld. De Commissie heeft haar antwoord op 17 oktober 2006 toegezonden. Ik heb u doorgestuurd met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 30 januari 2007 hebt toegezonden. Op 25 september 2007 heb ik van u nadere informatie en documentatie ontvangen met betrekking tot uw klacht.
Ik schrijf nu om u te laten weten wat de resultaten zijn van de onderzoeken die zijn gedaan. Gelieve mijn oprechte verontschuldigingen te aanvaarden voor de vertraging bij de behandeling van uw zaak.
Om misverstanden te voorkomen, is het belangrijk eraan te herinneren dat het EG-Verdrag de Europese Ombudsman de bevoegdheid geeft om alleen bij de activiteiten van communautaire instellingen en organen onderzoek te doen naar mogelijke gevallen van wanbeheer. In het Statuut van de Europese Ombudsman is specifiek bepaald dat tegen geen enkele andere autoriteit of persoon een klacht bij de Ombudsman kan worden ingediend.
De onderzoeken van de Ombudsman naar uw klacht zijn daarom gericht op het onderzoeken of er sprake is van wanbeheer bij de activiteiten van de Commissie.
DE KLACHT
Klagers hadden bij de Europese Commissie een inbreukklacht ingediend met betrekking tot de Alqueva Dam en het Reservoir in Portugal, die het grootste kunstmatige meer van Europa hebben gecreëerd. De bouw van de hoofdconstructie van de Dam werd in 2002 voltooid. De ontwikkelaar van de dam was de Portugese staat, die communautaire financiering voor het project in het kader van het Cohesiefonds van de Gemeenschap had ontvangen. Klagers hadden een aantal brieven aan de Commissie geschreven met het verzoek maatregelen te nemen om het project stop te zetten. Zij waren van mening dat het damproject aanzienlijke schade zou toebrengen aan het milieu en het cultureel erfgoed van het gebied. Zij maakten zich met name zorgen over de bescherming van de Iberische Lynx en het behoud van bepaalde rotstekeningen. De klagers waren van mening dat de nationale milieueffectbeoordelingen („MEB’s”) en de op verzoek van de Commissie uitgevoerde milieueffectstudie, specifiek in verband met de financiering uit het Cohesiefonds, ontoereikend waren. Zij waren van mening dat de aanleg van de dam in strijd was met Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten(1) („Richtlijn 85/337”) en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna(2) („Richtlijn 92/43”).
De Commissie heeft de klagers geantwoord door onder meer te constateren dat:
I) het besluit om het Alqueva-damproject uit te voeren viel onder de bevoegdheid van de nationale autoriteiten, niet van de Commissie;
II) de Commissie het project nauwlettend heeft gevolgd om ervoor te zorgen dat het Gemeenschapsrecht wordt nageleefd en dat aan de voorwaarden voor toekenning van communautaire financiering wordt voldaan;
(III) De Commissie heeft reeds twee andere klachten onderzocht, volgens welke Portugal bepaalde geplande mitigatiemaatregelen ter bescherming van de habitat van de Iberische Lynx niet had uitgevoerd;
IV) aangezien de door klager genoemde prehistorische rotsschilderingen waren ontdekt na de effectbeoordeling en de goedkeuring van het project, was richtlijn 85/337 op dit punt niet van toepassing;
V) naar aanleiding van de ontdekking van het rotssnijwerk hadden de Portugese autoriteiten intensief onderzoek verricht en een volledige inventarisatie gemaakt van het rotssnijwerk, maar waren tot de conclusie gekomen dat er geen speciale beschermingsmaatregelen nodig waren, aangezien de sedimentlaag het rotssnijwerk zou beschermen.
In hun klacht bij de Ombudsman voerden klagers samenvattend aan dat de Commissie geen actie had ondernomen om de naleving van richtlijn 85/337 en richtlijn 92/43 met betrekking tot het project Alqueva Dam en Reservoir te waarborgen. Zij waren van mening dat de Commissie de financiering van het project had moeten inhouden of anderszins maatregelen had moeten nemen om het damproject te stoppen. Op 30 september 2004 heeft de Ombudsman een onderzoek ingesteld naar bovengenoemde beweringen van klagers.
HET ONDERZOEK
Het advies van de CommissieAchtergrond
Het Alqueva Dam-project maakte deel uit van een multifunctioneel project dat aan twee volledige MEB-procedures was onderworpen, die respectievelijk in 1994 en 1995 werden afgesloten. Deze procedures waren gebaseerd op milieueffectstudies die in 1992 werden uitgevoerd voor de eerste MEB-procedure en in 1995 voor de tweede. Beide werden gevolgd door perioden van openbare raadpleging en beoordeling door een evaluatiecomité. Ze hadden betrekking op alle milieuaspecten van het multifunctionele project, waaronder de overstromingen van Aldeia da Luz, natuurbeschermingskwesties en de impact op het landschap en de archeologische vindplaatsen. Na afloop van deze procedures hebben de Portugese autoriteiten op 14 augustus 1995 het project goedgekeurd. Naast de twee milieueffectstudies die in het kader van deze MEB-procedures zijn uitgevoerd, zijn nog twee studies over het project uitgevoerd, een in 1987 en een in 1996. Deze twee studies hadden ook betrekking op alle milieu-impactaspecten van het project. De studie van 1996 werd uitgevoerd in opdracht van de Commissie in het kader van het verzoek om communautaire financiering en werd uitgevoerd na goedkeuring van het project door de Portugese autoriteiten.
De communautaire financiering werd in juli 1997 goedgekeurd onder een aantal voorwaarden, waaronder de tenuitvoerlegging van de in het plan voor milieubeheer van het project beschreven mitigatie- en compensatiemaatregelen, alsmede maatregelen die vervolgens in de MEB’s voor de verschillende afzonderlijke projecten zouden worden vastgesteld. De uitvoering van deze maatregelen werd gecontroleerd door een commissie onder voorzitterschap van het Portugese ministerie van Milieu, waaraan nationale en regionale milieu-autoriteiten en milieu-ngo’s deelnamen.
Aangezien het project was voorgelegd aan een MEB, dat openbare raadpleging omvatte en de tenuitvoerlegging van mitigatie- en compensatiemaatregelen in het kader van een milieubeheersplan vaststelde, voldeed het dus aan de vereisten van richtlijn 85/337.
De impact van het project op de Iberische LynxEen project gericht op de instandhouding van de Iberische Lynx werd in 1995-1997 medegefinancierd door het LIFE-Nature-programma. Het project omvatte een gedetailleerde studie van alle gebieden die van belang zijn voor het behoud van de soort op het Portugese vasteland. Zij heeft alle gebieden met bevestigde of niet-bevestigde aanwezigheid van de soort geïdentificeerd en is afgesloten met een aanbeveling waarin belangrijke gebieden voor de instandhouding van de Iberische Lynx worden gespecificeerd die in het Natura 2000-netwerk moeten worden opgenomen.
Slechts één gebied, bekend als Alcarrache-Guadelim, in het gebied dat werd getroffen door het Alqueva Dam-project, werd geïdentificeerd als een gebied van potentiële aanwezigheid van de soort, in de vorm van een onbevestigde aanwezigheid van één Iberische Lynx. Dit gebied maakte geen deel uit van de lijst van gebieden die werden aanbevolen voor opname in Natura 2000. Hoewel het gebied niet bijzonder relevant werd geacht voor de bescherming van de soort, bevatte het een soort habitat (eiken „montado”) die uiteindelijk door de Iberische Lynx kon worden gebruikt. Het milieubeheerplan van het project omvatte daarom maatregelen om eventuele gevolgen voor de Iberische Lynx en zijn habitat te beperken en te compenseren. Deze maatregelen omvatten i) een geprogrammeerde verwijdering van vegetatie om de ecologische effecten van het project tot een minimum te beperken; II) een plan voor het redden van niet-vliegende gewervelde dieren uit het te ontruimen gebied; III) het toezicht op verschillende activiteiten; IV) de ontwikkeling van een irrigatieplan dat kwetsbare gebieden uitsluit; (V) het openen van ecologische corridors; en vi) het planten en terugwinnen van kurk en holm eiken „montados”. De planning van de vegetatieruiming is opgesteld op basis van een aantal wetenschappelijke studies van de belangrijkste habitats en soorten (dier en plantaardig) die in het gebied aanwezig zijn. Zowel bij de uitwerking van het plan voor de verwijdering van vegetatie als bij de daaropvolgende herzieningen was speciaal rekening gehouden met de mogelijke aanwezigheid van de Iberische Lynx. De potentiële aanwezigheidsgebieden van de soort werden in termen van natuurlijk erfgoed als zeer gevoelig beschouwd en dienovereenkomstig behandeld in het plan voor het verwijderen van vegetatie. Bovendien eisten de Portugese autoriteiten dat alle werkzaamheden moesten worden stopgezet in geval van een waarneming van een Iberische Lynx op het gebied van het project en dat een dergelijke waarneming moest worden meegedeeld aan de Portugese natuurbeschermingsautoriteiten, met name het ICN („Instituto da Conservação da Natureza”). Hieruit volgt dat de Portugese autoriteiten, na bovengenoemde maatregelen te hebben genomen om de gevolgen voor de Iberische Lynx en haar habitat te verzachten en te compenseren, artikel 12 van richtlijn 92/43 in acht hebben genomen.
De Commissie was op geen enkel moment op de hoogte van de aanwezigheid van de Iberische Lynx in het betwiste gebied gedurende het gehele proces. In feite was de aanwezigheid van de soorten in het overstroomde gebied tot op heden niet bevestigd. De Commissie financierde in 1995/97 een studie in het kader van een LIFE-Natuurproject dat gericht was op het behoud van de Iberische Lynx. In deze studie werd in detail het gehele grondgebied van het Portugese vasteland behandeld en werden alle gebieden met bevestigde of niet-bevestigde aanwezigheid van de soort geïdentificeerd. In de studie werd een aanbeveling gedaan over alle belangrijke gebieden voor het behoud van de Lynx die in het Natura 2000-netwerk moeten worden opgenomen. Deze aanbeveling omvatte geen gebied dat door het Alqueva-project werd getroffen.
Overige opmerkingenHet besluit om de Alqueva-dam of enig ander ontwikkelingsproject uit te voeren viel onder de bevoegdheid van de nationale autoriteiten en niet van die van de Commissie. De Commissie heeft niet de bevoegdheid om te beslissen of een project al dan niet aanvaardbaar is. De Commissie moet nagaan of de communautaire wetgeving correct is toegepast en heeft deze informatie aan de klagers meegedeeld.
De nationale autoriteiten, niet de Commissie, zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de MEB van projecten. De Commissie kan alleen nagaan of een dergelijke beoordeling in overeenstemming is met de vereisten van de communautaire wetgeving. Zij bevestigde dat zij dat in dit geval had gedaan.
De Commissie heeft in 2001 een eerste reeks klachten over het Alqueva-project geregistreerd (klachten 2001/4401 en 2001/4402). Klacht 2001/4401 had specifiek betrekking op de vernietiging van de habitat van de Iberische Lynx door de verwijdering van vegetatie voor de Alqueva-dam, terwijl klacht 2001/4402 betrekking had op de algemene tenuitvoerlegging van de mitigatie- en compensatiemaatregelen met betrekking tot de gevolgen van het project voor de natuur. Bij brieven van 26 september 2001 en 19 juni 2002 heeft het directoraat-generaal Milieu van de Commissie de Portugese autoriteiten van deze twee klachten in kennis gesteld en om verduidelijking gevraagd. Bovendien heeft de Commissie tijdens verschillende bijeenkomsten met de Portugese autoriteiten op 5 november 2001, 3 december 2002, 21 maart 2003 en 25 maart 2004 beide kwesties besproken. Met betrekking tot klacht 2001/4401 was de Commissie van oordeel dat er geen sprake was van schending van het gemeenschapsrecht, met name van artikel 12 van richtlijn 92/43. Na door klager om opmerkingen te hebben verzocht, had de Commissie op 16 oktober 2002 besloten het dossier over die klacht te sluiten.
Wat klacht 2001/4402 betreft, was de Commissie bij haar beoordeling van deze klacht tot de conclusie gekomen dat het project was voorgelegd aan een MEB die voldeed aan de vereisten van richtlijn 85/337. De uitvoering van het milieubeheersplan van het project was echter aan de gang en de Commissie hield het dossier derhalve open om ervoor te blijven zorgen dat de in het kader van de communautaire financiering en het milieubeheersplan van het project vastgestelde mitigatie- en compensatiemaatregelen correct werden uitgevoerd.
In 2002 had de Commissie een derde klacht ingediend over de mogelijke verslechtering van twee speciale beschermingszones („SPA’s”) die door Portugal zijn aangewezen op grond van artikel 4 van Richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand(3) en twee pSCI’s (voorgestelde gebieden van communautair belang) langs de Guadiana, stroomafwaarts van de Alqueva-dam (klacht 2002/4720).
Na de registratie van de klacht heeft DG Milieu bij brief van 4 april 2002 en tijdens vergaderingen van 3 december 2002 en 21 maart 2003 de Portugese autoriteiten daarvan in kennis gesteld en hen om verduidelijking gevraagd. De Commissie concludeerde dat de situatie in Portugal in strijd was met artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43, volgens hetwelk
„De lidstaten nemen passende maatregelen om in de speciale beschermingszones de achteruitgang van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten te voorkomen, alsmede verstoring van de soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen, voor zover deze verstoringen significant kunnen zijn in verhouding tot de doelstellingen van deze richtlijn.”.
Daarom heeft de Commissie in het kader van artikel 226 van het EG-Verdrag een aanmaningsbrief tegen Portugal uitgevaardigd.
ConclusiesDe Commissie had de door de klagers aan de orde gestelde problemen onderzocht en was tot de conclusie gekomen dat zij geen inbreuken op de communautaire wetgeving kon vaststellen met betrekking tot de impact van het Alqueva Dam-project op de Iberische Lynx in het door het project overstroomde gebied.
De Commissie concludeerde dat de MEB van het project werd uitgevoerd in overeenstemming met de relevante communautaire wetgeving.
Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt, was het door het project overstroomde gebied niet rechtstreeks van belang voor de instandhouding van de Iberische Lynx en was het derhalve niet opgenomen in de Portugese lijst van pSCI’s (voorgestelde gebieden van communautair belang). In het milieubeheerplan van het project waren mitigatie- en compensatiemaatregelen opgenomen om eventuele gevolgen van het project voor de Iberische Lynx en de habitat ervan aan te pakken.
Er was nog een klachtendossier over de uitvoering van het plan open om de Commissie in staat te stellen erop toe te zien en ervoor te zorgen dat de maatregelen waarin het plan voorziet correct werden uitgevoerd. Er liep een inbreukprocedure met betrekking tot een bepaald aspect van de mitigatiemaatregelen die van invloed waren op de stroom van zoet water in de Guadiana stroomafwaarts van het project.
Opmerkingen van klagerIn hun gedetailleerde opmerkingen handhaafden de klagers hun klacht. Zij benadrukten dat zij geen toegang hadden tot officiële registers en documentatie over het betrokken project. Ze moesten overgaan tot meer fragmentarisch bewijs, normaal gesproken beschikbaar voor het grote publiek. Zij verwezen dus naar een aantal publicaties, zoals tijdschriften en kranten, die het damproject gedurende meerdere jaren bekritiseerden. De klagers leken te suggereren dat de Portugese MEB’s in feite waren uitgevoerd met een gebrek aan onafhankelijkheid.
Verdere onderzoekenNa zorgvuldige bestudering van het advies van de Commissie en de opmerkingen van klager bleek dat verder onderzoek noodzakelijk was. De Ombudsman heeft de Commissie derhalve verzocht hem informatie te verstrekken over de vraag of zij had gecontroleerd of de MEB’s in voldoende mate onafhankelijk waren uitgevoerd.
Antwoord van de CommissieIn haar antwoord op de verdere onderzoeken van de Ombudsman heeft de Commissie samenvattend de volgende opmerkingen gemaakt:
Richtlijn 85/337 voorziet in een kader van procedurele vereisten die in acht moeten worden genomen om de milieueffecten van openbare en particuliere projecten te beoordelen. Naleving van deze eisen zorgt ervoor dat de beoordeling nauwkeurig is en in voldoende mate onafhankelijk wordt uitgevoerd.
Volgens richtlijn 85/337 is het de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever om de voor de beoordeling benodigde informatie te verstrekken. Het vereiste van openbare raadpleging zorgt er echter voor dat bij de beoordeling rekening wordt gehouden met alle relevante kwesties, onafhankelijk van de door de projectontwikkelaar ingediende studies. Bovendien vallen de analyse en de definitieve beslissing over alle elementen die de projectontwikkelaar tijdens de MEB-procedures ter beschikking stelt, onder de bevoegdheid van de overheid.
De Commissie heeft tot taak ervoor te zorgen dat de vereiste procedure correct wordt gevolgd, dat het publiek toegang heeft tot de relevante informatie en dat de autoriteiten rekening houden met alle beschikbare informatie, zoals vereist uit hoofde van artikel 8 van richtlijn 85/337. Dit betekent echter niet noodzakelijkerwijs dat de bevoegde autoriteiten alle opmerkingen die tijdens de openbare raadpleging zijn gemaakt, moeten aanvaarden. De richtlijn bevat geen specifieke eisen (zoals kwalificaties, technische vaardigheden of andere voorwaarden) waaraan de auteurs van effectstudies moeten voldoen. Bijgevolg kan de Commissie niet interveniëren met betrekking tot de keuze van de adviseurs van een projectontwikkelaar.
Zoals in het eerste advies van de Commissie is opgemerkt, maakte het Alqueva Dam-project deel uit van een multifunctioneel project dat aan twee volledige MEB-procedures was onderworpen, die respectievelijk in 1994 en 1995 waren afgesloten. Deze MEB-procedures waren gebaseerd op milieueffectstudies, waarvan de eerste in 1992 en de tweede in 1995 werd uitgevoerd. Beide werden gevolgd door de perioden van openbare raadpleging en beoordeling door een evaluatiecomité. Na afloop van deze procedures hebben de Portugese autoriteiten het project op 14 augustus 1995 goedgekeurd.
De Environmental Impact Studies hadden betrekking op alle milieuaspecten van het multifunctionele project, waaronder de overstromingen van Aldeia da Luz, natuurbeschermingskwesties en impact op het landschap en de archeologische vindplaatsen. Wat de grensoverschrijdende effecten betreft, waren de Spaanse autoriteiten geraadpleegd in het kader van de MEB over het project.
Naast de twee milieueffectstudies die in het kader van deze MEB-procedures zijn uitgevoerd, zijn nog twee studies over het project uitgevoerd, een in 1987 en een in 1996.
Hoewel de studie van 1987 een voorstudie was in opdracht van de projectpromotor, werd de studie van 1996 door de Commissie van ESB International(4) uitgevoerd in het kader van het verzoek van de nationale autoriteiten om communautaire EFRO-financiering(5), met het oog op de controle van de eerder gemaakte beoordelingen. Deze studie, uitgevoerd door professionals die geen banden hebben met de projectontwikkelaars, omvatte bezoeken aan de gebieden van het project door zeven specialisten en vergaderingen, niet alleen met de projectontwikkelaars en met de Portugese milieu- en landbouwautoriteiten, maar ook met de twee grootste Portugese milieu-ngo’s. Tot de in de studie geanalyseerde elementen behoren de volledige MEB’s die eerder zijn verricht, met inbegrip van de opmerkingen die tijdens de openbare raadplegingen zijn ingediend. In de door ESB International uitgevoerde studie werd geconcludeerd dat de negatieve effecten van het project voldoende in aanmerking waren genomen in de MEB’s en werden aanbevelingen gedaan met betrekking tot de uit te voeren mitigatie- en compensatiemaatregelen. Deze zijn opgenomen in het milieubeheerplan van het project. Op basis van de bevindingen van deze studie werd communautaire financiering toegekend.
Zo had de Commissie alle mogelijke zorgvuldigheid betracht om ervoor te zorgen dat de door de Portugese autoriteiten uitgevoerde MEB-procedures aan de vereisten van richtlijn 85/337 voldeden, en uit de informatie waarover de Commissie beschikte, bleek dat de Alqueva Dam aan de relevante wettelijke vereisten voldeed.
Opmerkingen van de klagersIn hun opmerkingen handhaafde klager zijn klacht en verwees opnieuw naar verschillende bronnen van kritiek op het Alqueva Dam-project.
Klagers hebben ook opmerkingen gemaakt over de opmerkingen van de Commissie over de aard van de MEB’s die richtlijn 85/337 voorschrijft, en over haar eigen rol in dit verband. Zij voerden aan dat de procedurele vereisten van de richtlijn niet voldoende mate van onafhankelijkheid waarborgen, en verklaardendat"een particuliere opdrachtgever kan worden beperkt door de procedurele vereisten vanRichtlijn 85/337/EEG. De kwestie wordt ingewikkelder wanneer de ontwikkelaar de lidstaat is en de verstrekte gegevens afhankelijk zijn van [de] nationale autoriteiten. Er kan dus geen garantie van onafhankelijkheid bij de beoordeling wordengesteld. Wat de rol van de Commissie betreft, leken de klagers van mening te zijn dat de Commissie haar verantwoordelijkheid ten onrechte beschouwde als een beoordeling van de naleving van de procedurele vereisten.
Aanvullende onderzoekenNa zorgvuldige bestudering van de argumenten die klager en de Commissie in deze zaak naar voren hebben gebracht, heeft de Ombudsman laatstgenoemde verzocht opmerkingen te maken over zijn voorlopige juridische interpretatie van een aantal kwesties, als volgt:
(1) Kwestie van de geschiktheid van het project en de bevoegdheden van de Commissie in dit verbandIn haar eerste advies verklaarde de Commissie dat "hetbesluit om de Alqueva-dam of enig ander ontwikkelingsproject uit te voeren onder de bevoegdheid van de nationale autoriteiten valt, niet van de Europese Commissie. De Commissie heeft niet de bevoegdheid om te beslissen of een project al dan niet aanvaardbaar is. De Commissie moet nagaan of de communautaire wetgeving correct wordt toegepast (...)(punt 3.1 van het advies, blz. 3, cursivering van mij).
Artikel 6 van het EG-Verdrag stelt echter het integratiebeginsel vast, dat bepaalt dat „deeisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het communautaire beleid als bedoeld in artikel 3 van het [EG]-Verdrag, met name met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling”. De uitdrukking „milieubeschermingseisen” moet worden beschouwd als een verwijzing naar de doelstellingen, beginselen en criteria van artikel 174 van het EG-Verdrag. Het woord „tenuitvoerlegging” lijkt niet alleen betrekking te hebben op de vaststelling van afgeleide communautaire wetgeving, maar ook op de toepassing ervan door de lidstaten. De clausule inzake milieu-integratie houdt niet alleen in dat bij een ander communautair beleid ten minste rekening wordt gehouden met de bescherming van het milieu. Het Hof heeft beklemtoond dat deze bepaling een uitdrukking is van het beginsel dat „alle communautaire maatregelen moeten voldoen aan de eisen van milieubescherming”(6). In dit verband, de verordening op grond waarvan de Commissie in casu communautaire financiering heeft toegekend, namelijk verordening nr. 1164/94 tot oprichting van een Cohesiefonds. In artikel 8, lid 1, van die verordening is bepaald dat „uithet Fonds gefinancierde projecten [...] in overeenstemming [zijn] met de bepalingen van de Verdragen, met de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten en met het beleid van de Gemeenschap, met inbegrip van het beleid inzake milieubescherming (...)”.
Het standpunt van de Commissie dat zij niet bevoegd is om te beslissen of een project aanvaardbaar is, kan derhalve in twijfel worden getrokken voor zover het kan worden geacht in overeenstemming te zijn met de hierboven genoemde beginselen en regels.
(2) Kwestie van de verwoesting (overstroming) van een dorpHet lijkt erop dat het standpunt van de Commissie dat zij niet bevoegd is om te beslissen of een project al dan niet aanvaardbaar is (zie punt 1), zich ook uitstrekt tot de vernietiging van een dorp (overstroming) door het damproject.
In dit verband herinnert de Ombudsman echter aan het integratiebeginsel en het grondrecht op eerbiediging van het privé- en thuisleven, zoals verankerd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de relevante jurisprudentie(7). Op grond van bovengenoemd beginsel en het grondrecht moet een handeling van de Gemeenschap of van een lidstaat die i) op het gebied van het gemeenschapsrecht wordt genomen en ii) het milieu zodanig beïnvloedt dat het zijn recht op persoonlijke integriteit, het vreedzaam genot van zijn woning (of kantoor) en de eerbiediging van het privé- en gezinsleven aanzienlijk nadelig beïnvloedt of kan veroorzaken, een billijke afweging van de betrokken belangen weerspiegelen. Hoewel de bevoegde besluitvormer in dit verband over een ruime beoordelingsmarge beschikt, veronderstelt een dergelijke afweging normaliter een milieueffectrapport, dat wordt opgesteld door wetenschappelijke deskundigen die voor de taak zijn gekwalificeerd, aangezien het op basis van de meest recente en betrouwbare wetenschappelijke gegevens en in het licht van de beste wetenschappelijke kennis op dit gebied naar behoren moet worden onderbouwd. Wanneer het beginsel van eerbiediging van het thuis- en privéleven van toepassing is, lijkt de Commissie dus bevoegd te zijn om het besluit van de lidstaat inzake de billijke afweging van de betrokken concurrerende belangen te herzien.
(3) Rol van de Commissie met betrekking tot de eerbiediging van richtlijn 85/337 (en artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43)In haar adviezen heeft de Commissie uitdrukkelijk opmerkingen gemaakt over haar rol als hoedster van het Verdrag. In haar tweede advies van 27 juni 2005 heeft de Commissie uitdrukkelijk verklaard dat haar rol met betrekking tot richtlijn 85/337:
„ervoormoet worden gezorgd dat de vereiste procedure correct wordt gevolgd, dat het publiek toegang heeft tot de relevante informatie en dat bij het besluit van de autoriteiten rekening wordt gehouden met alle beschikbare informatie zoals vereist op grond van artikel 8 van de richtlijn (...). De richtlijn bevat geen specifieke eisen (bv. kwalificaties, technische vaardigheden of andere voorwaarden) waaraan de auteurs van het effect moeten voldoen. Bijgevolg kan de Commissie niet interveniëren met betrekking tot de keuze van adviseurs door een projectontwikkelaar.
De Commissie heeft ook opgemerkt dat zij zelf opdracht heeft gegeven tot een milieueffectstudie in verband met de communautaire financiering die aan het damproject is toegekend. De Commissie heeft echter geen specifieke of algemene verklaring afgelegd over haar verplichtingen op dit gebied.
In het licht van het voorgaande heeft de Ombudsman de Commissie verzocht opmerkingen te maken over het volgende:
De doelstellingen van richtlijn 85/337 worden beter gediend wanneer argumenten betreffende de toereikendheid en deugdelijkheid van een MEB, gelet op de bepalingen van de artikelen 3 en 5 van de richtlijn, overeenkomstig de artikelen 6 en 8 van de richtlijn aan de bevoegde nationale autoriteiten worden voorgelegd en door de bevoegde nationale autoriteiten worden onderzocht. Aangezien de Commissie ervoor moet zorgen dat artikel 8 van de richtlijn wordt nageleefd, moet de Commissie zorgvuldig omgaan met beweringen in een klacht uit hoofde van artikel 226 dat een lidstaat in strijd met artikel 8 „ontwikkelingsvergunning” heeft verleend. In een dergelijk geval heeft de lidstaat mogelijk geen rekening gehouden met de resultaten van bepaalde raadplegingen en specifieke informatie die op grond van de artikelen 5 tot en met 7 van de richtlijn zijn verzameld, met name de door het publiek verstrekte informatie en adviezen met betrekking tot de toereikendheid en betrouwbaarheid van de door de opdrachtgever verstrekte MEB.
Wanneer beschuldigingen van niet-naleving van de bepalingen van de artikelen 3 en 5 van richtlijn 85/337 rechtstreeks bij de Commissie worden ingediend via een klacht wegens inbreuk op artikel 226, is de toetsing door de Commissie van de toereikendheid en betrouwbaarheid van een MEB normaliter beperkt. In het bijzonder, en gelet op de wetenschappelijke en technische aard van de MEB, beperkt de beoordeling van de Commissie zich tot de verificatie of de lidstaat een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat de MEB aan de vereisten van de artikelen 3 en 5 van de richtlijn voldeed. Een dergelijke fout is bijvoorbeeld waarschijnlijk te vinden wanneer de MEB de interactie tussen de in artikel 3 genoemde factoren niet beschrijft en beoordeelt, of wanneer de MEB de voorgenomen maatregelen niet beschrijft om significante nadelige milieueffecten te voorkomen, te verminderen en zo mogelijk te verhelpen.
Met betrekking tot de kwalificaties van de personen die een MEB-rapport opstellen, vereisen richtlijn 85/337 en artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43 dat de MEB passend is, hetgeen betekent dat het moet worden opgesteld op basis van de beste wetenschappelijke kennis op dit gebied(8). Dit betekent dat het moet worden gemaakt door wetenschappelijke deskundigen die gekwalificeerd zijn voor de taak.
Wat betreft de MEB die namens de Commissie wordt uitgevoerd in verband met communautaire financiering, lijkt de Commissie in beginsel niet verplicht te zijn haar eigen MEB op te stellen om na te gaan of een MEB die door een lidstaat wordt geacht te voldoen aan de vereisten van richtlijn 85/337 (en die van artikel 6 van richtlijn 92/43), adequaat en correct is. Wanneer de Commissie echter een dergelijke stap zet, zoals zij in casu heeft gedaan, en zich op een dergelijke MEB beroept om een klacht wegens schending van artikel 226 af te wijzen, vereisen de beginselen van behoorlijk bestuur dat de MEB passend is, hetgeen normaliter impliceert dat de MEB moet worden voorbereid door voor de taak gekwalificeerde wetenschappelijke deskundigen, op basis van de beste wetenschappelijke kennis op dit gebied.
(4) Kwestie met betrekking tot de rotstekeningenMet betrekking tot de kwestie van bepaalde rotstekeningen, die volgens de Commissie in het gebied zijn overstroomd nadat de „vergunning” was verleend, en nadat de noodzaak van een aanvullende MEB was vastgesteld, heeft de Commissie met name opgemerkt dat:
„dein Richtlijn 85/337/EEG bedoelde effectbeoordeling wordt uitgevoerd op basis van de tot dusver beschikbare passende informatie. Volgens de vereisten van de richtlijn, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, zou een nieuwe milieueffectbeoordeling alleen nodig zijn als de ontwikkelaar wijzigingen had aangebracht in de oorspronkelijke projecten die onvoorziene gevolgen zouden kunnen hebben. Het geval van Alqueva Dam was echter anders, aangezien het project [zelf]geen relevante wijzigingen had ondergaan na zijn toestemming" (blz. 3 van zijn eerste advies).
De Commissie lijkt dus van mening te zijn dat het Hof van Justitie heeft geoordeeld of gesuggereerd dat, nadat de „ontwikkelingsvergunning” is verleend, „een nieuwe MEB alleen nodig zou zijn indien de ontwikkelaar (...) wijzigingen aan het oorspronkelijke project heeft aangebracht die onvoorziene gevolgen kunnen hebben”.
Het Hof lijkt echter geen dergelijke regel te hebben aangekondigd (zie in dit verband zaak C-81/96 betreffende de toepasselijkheid ratione temporis van richtlijn 85/337). De omstandigheden in de onderhavige zaak lijken vergelijkbaar met die in die zaak, voor zover:
(I) de „ontwikkelingsvergunning” met betrekking tot de dam reeds was gegeven;
II) de toestemming niet was voorafgegaan door een milieubeoordeling met betrekking tot de archeologische vindplaatsen in kwestie;
(III) het gebied van deze archeologische vindplaatsen nog niet was overstroomd en derhalve de toestemming niet was gebruikt, althans voor een relevant deel;
(IV) de Portugese autoriteiten hebben blijkbaar besloten de inhoud van de „vergunning” opnieuw te onderzoeken op basis van een nieuwe studie over deze archeologische vindplaatsen en de kwestie van de bescherming ervan.
Richtlijn 85/337 moet hoe dan ook worden uitgelegd in het licht van artikel 174, lid 2, van het EG-Verdrag (zie de zaken C-418/97(9), C-318/98(10)), het doel van de richtlijn (zie zaak C-72/95(11)) en de noodzaak om de nuttige werking ervan te waarborgen (zie zaak C-81/96(12)).
Gelet op het voorgaande kan afbreuk worden gedaan aan de juistheid van het standpunt van de Commissie met betrekking tot de toepasselijkheid van richtlijn 85/337 met betrekking tot de betrokken rotstekeningen.
Antwoord van de CommissieIn haar memorie van antwoord heeft de Commissie in de eerste plaats opgemerkt dat haar uitlegging van het gemeenschapsrecht, wanneer zij optreedt als hoedster van het Verdrag met betrekking tot inbreukprocedures, een zaak is die alleen door het Hof van Justitie kan worden getoetst en die in het algemeen buiten het begrip wanbeheer valt. Bijgevolg kan een louter verschil in de uitlegging van het recht tussen de Ombudsman en de Commissie niet worden beschouwd als een geval van wanbeheer. De Commissie heeft vervolgens onder meer de volgende opmerkingen gemaakt.
Als hoedster van het Verdrag controleert de Commissie of projecten in overeenstemming zijn met de milieuwetgeving en het milieubeleid van de Gemeenschap en kan zij de communautaire financiering opschorten of annuleren wanneer zich tijdens de uitvoering van het project een overtreding voordoet of ontdekt. In het kader van de Structuurfondsen werkt de Commissie met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en partnerschap. Vóór de vaststelling van het besluit tot toekenning van financiële bijstand beoordeelt de Commissie alle beschikbare milieu-informatie. Bovendien moeten de projecten tijdens de uitvoeringsfase in overeenstemming zijn met het EG-recht.
In casu heeft de Commissie, rekening houdend met de aard van het project, de omvang ervan en de nabijheid van beschermde gebieden, alvorens de financiering van het project toe te kennen, een aanvullende studie verricht met het oog op de controle van de eerder verrichte beoordelingen om na te gaan of deze in overeenstemming waren met het EG-milieurecht. Tot de in de studie geanalyseerde elementen behoren de twee volledige MEB’s, met inbegrip van de opmerkingen die tijdens de openbare raadpleging zijn ingediend. In de studie werd geconcludeerd dat de negatieve effecten van het project voldoende in aanmerking waren genomen in de MEB’s en werden aanbevelingen gedaan met betrekking tot de uit te voeren mitigatie- en compensatiemaatregelen, namelijk met betrekking tot natuurbescherming. Deze maatregelen zijn vervolgens opgenomen in het milieubeheerplan van het project. De studie werd uitgevoerd door deskundigen die geen banden hadden met de projectontwikkelaars, inclusief bezoeken aan het gebied van het project door specialisten en vergaderingen, niet alleen met de projectontwikkelaars en met Portugese milieu- en landbouwautoriteiten, maar ook met Portugese milieu-ngo’s.
De uitvoering van het milieubeheersplan wordt nauwlettend gevolgd door de Commissie, die periodieke verslagen ontvangt van een commissie die is opgericht om de milieukwesties te monitoren. Voorts is een inbreukprocedure ingeleid met betrekking tot de impact van het project op twee speciale beschermingszones langs de Guadiana stroomafwaarts van de dam en na het uitbrengen van het met redenen omkleed advies werd de communautaire financiering van het project opgeschort. De zaak werd vervolgens afgesloten en de opschorting van de financiering werd opgeheven toen de lidstaat aantoonde dat het sluiten van de dampoorten geen invloed zou hebben op het behoud van de in het wild levende vogels in de SBZ’s.
Wat de overstromingen van Aldeia de Luz betreft, is de milieueffectbeoordeling volgens richtlijn 85/337 een factor die volgens richtlijn 85/337 in aanmerking moet worden genomen. Dit was een probleem dat de MEB’s voor het project behandelden. Een van de voorgestelde maatregelen om de negatieve impact van het project op de bevolking tot een minimum te beperken, was de wederopbouw van het genoemde dorp op een andere plaats.
Ten slotte heeft de Commissie met betrekking tot het gesteente dat in het te overstroomde gebied werd aangetroffen, nogmaals verklaard dat zij vijf jaar na de goedkeuring van het project waren ontdekt. Richtlijn 85/337 heeft niet uitdrukkelijk betrekking op de situatie waarin tijdens de uitvoering van een project een nieuw element verschijnt en de uitlegging van het Hof tot op heden slechts voorziet in de uitvoering van een nieuwe MEB wanneer de projectontwikkelaar wijzigingen aan het project doorvoert. In ieder geval hadden de Portugese autoriteiten, na de ontdekking van het rotssnijwerk, intensieve studies uitgevoerd om alle rotstekeningen langs de gehele oevers van de Guadiana-rivier te identificeren en werd een volledige inventarisatie gemaakt. De Portugese autoriteiten concludeerden echter dat er geen speciale beschermingsmaatregelen nodig waren tegen de overstromingen van de dam, aangezien de sedimentlaag de archeologische vindplaatsen zou beschermen.
Opmerkingen van de klagersIn hun gedetailleerde opmerkingen verwierpen de klagers in de eerste plaats de argumenten van de Commissie dat haar uitlegging van het gemeenschapsrecht, wanneer zij optreedt als hoedster van het Verdrag, niet kan neerkomen op wanbeheer. De klagers merkten met name op dat zij hun stelling handhaafden en voerden een aantal ondersteunende argumenten aan. Zij hebben bij hun opmerkingen ook twee studies betreffende het betrokken project gevoegd(13).
HET BESLUIT
1 Voorlopige opmerking1.1 In haar antwoord van 17 oktober 2006 op de aanvullende onderzoeksbrief van de Europese Ombudsman van 31 maart 2006 merkte de Europese Commissie op dat haar interpretatie van het Gemeenschapsrecht, wanneer zij optreedt als hoedster van het Verdrag met betrekking tot inbreukprocedures, een zaak is die alleen door het Europees Hof van Justitie kan worden getoetst en in het algemeen buiten het begrip wanbeheer valt. Bijgevolg kan een louter verschil in uitlegging van het recht tussen de Ombudsman en de Commissie niet worden beschouwd als een geval van wanbeheer. In hun opmerkingen verwierpen de klagers bovengenoemd argument van de Commissie.
1.2 De Ombudsman merkt op dat de Commissie een soortgelijk argument heeft aangevoerd in andere zaken die reeds door de Ombudsman zijn afgesloten. Deze kwestie zal worden behandeld in de lopende studie van de Ombudsman naar de follow-up van kritische opmerkingen van de betrokken instellingen. Om deze reden en rekening houdend met zijn bevinding dat er geen sprake is van wanbeheer (zie punt 2 hieronder), acht de Ombudsman het niet gerechtvaardigd om in het onderhavige besluit op dit argument te antwoorden.
2 Vermoeden dat de Commissie geen actie heeft ondernomen om de naleving van de richtlijnen 85/337 en 92/43 met betrekking tot het project Alqueva Dam en Reservoir te waarborgen2.1 De klagers hadden bij de Commissie een inbreukklacht ingediend met betrekking tot de Alqueva Dam en het Reservoir in Portugal. Zij maakten zich met name zorgen over twee kwesties, namelijk de bescherming van de Iberische Lynx en het behoud van bepaalde rotstekeningen. De klagers waren van mening dat de nationale milieueffectbeoordelingen („MEB’s”) (voorbereid in 1992 en 1995) en de op verzoek van de Commissie uitgevoerde milieueffectbeoordeling, specifiek in verband met de financiering van het project in het kader van het Cohesiefonds, ontoereikend waren. Zij voerden aan dat richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten(14) ( hierna: „richtlijn 85/337”) en richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna(15) (hierna: „richtlijn 92/43”) waren geschonden en dat de Commissie geen maatregelen had genomen om de naleving van deze richtlijnen te waarborgen. De Commissie verwierp deze bewering. Na onderzoek van de argumenten van klager heeft zij geen overeenkomstige inbreuken op het Gemeenschapsrecht vastgesteld(16).
2.2 Zoals in de aanvullende onderzoeksbrief van de Ombudsman van 31 maart 2006 is opgemerkt, kunnen de doelstellingen van richtlijn 85/337 beter worden gediend wanneer argumenten betreffende de toereikendheid en deugdelijkheid van een MEB, in het licht van de artikelen 3 en 5 van de richtlijn, worden voorgelegd aan en in aanmerking worden genomen door de bevoegde nationale autoriteiten in het kader van de procedure voor de verlening van een vergunning overeenkomstig de artikelen 6 en 8 van de richtlijn. Aangezien de Commissie ervoor moet zorgen dat artikel 8 van de richtlijn wordt nageleefd, moet zij zorgvuldig omgaan met beweringen in een inbreukklacht dat een lidstaat in strijd met artikel 8 een „vergunning” heeft verleend. In dergelijke gevallen heeft de lidstaat mogelijk geen rekening gehouden met de resultaten van bepaalde raadplegingen en specifieke informatie die op grond van de artikelen 5 tot en met 7 is verzameld, met name door het publiek verstrekte informatie en adviezen met betrekking tot de toereikendheid en betrouwbaarheid van de MEB die door de opdrachtgever zijn verstrekt. Een dergelijke specifieke bewering werd echter niet door de klagers aangevoerd.
2.3 In zijn aanvullende onderzoeksbrief van 31 maart 2006 verwees de Ombudsman naar de situatie waarin wordt beweerd dat de artikelen 3 en 5 van richtlijn 85/337 niet worden nageleefd, via een klacht wegens inbreuk op artikel 226. In dit verband heeft de Ombudsman aangegeven dat een constatering van wanbeheer door de Commissie met betrekking tot de afwijzing van deze beschuldigingen in het algemeen gebaseerd is op bepaalde vooronderstellingen. In het bijzonder veronderstelt een dergelijke vaststelling van wanbeheer, gelet op de wetenschappelijke en technische aard van de MEB, dat de aan de Commissie overgelegde beweringen en bewijsstukken hebben aangetoond dat de lidstaat een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat de MEB voldeed aan de vereisten van de artikelen 3 en 5 van de richtlijn. In het onderhavige geval hebben de klagers echter geen specifieke verwijzingen gemaakt naar de inhoud van de twee MEB’s die voorafgingen aan de „ontwikkelingsvergunning”. Bovendien hebben de klagers niet aangetoond dat zij bij de Commissie relevante argumenten hadden ingediend waaruit op voldoende specifieke en overtuigende wijze een dergelijke kennelijke beoordelingsfout bleek.
2.4 Met betrekking tot de overstromingen in Aldeia de Luz heeft de Commissie opgemerkt dat volgens Richtlijn 85/337 de gevolgen voor de mens een factor zijn die door de MEB moet worden onderzocht, en dat dit een probleem was dat in de MEB’s met betrekking tot het project in kwestie aan de orde kwam. De klagers hebben geen specifieke verwijzingen gemaakt naar de relevante delen van de betwiste MEB’s van de Portugese autoriteiten. Voorts hebben de klagers niet aangetoond dat zij bij de Commissie relevante argumenten hadden ingediend waaruit op voldoende specifieke en overtuigende wijze bleek dat Portugal een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt door te oordelen dat de MEB’s in dit verband aan de vereisten van de artikelen 3 en 5 van de richtlijn voldeden. De klagers hadden immers geïmpliceerd dat Portugal duidelijk de grenzen van de ruime beoordelingsmarge waarover het beschikte, had overschreden toen, gelet op de inhoud van de MEB’s en met het oog op de „ontwikkelingsvergunning”, de belangen van de inwoners van Aldeia de Luz met betrekking tot hun privéleven en de belangen van de samenleving als geheel werden afgewogen. De klagers toonden echter niet aan dat zij bij de Commissie voldoende specifieke en overtuigende argumenten hadden ingediend om dit standpunt te staven.
2.5 Wat de bescherming van de Iberische Lynx en de eerbiediging van richtlijn 92/43 betreft, heeft de Commissie in de eerste plaats het volgende opgemerkt. Een project ter waarborging van de instandhouding van de Iberische Lynx werd in 1995-1997 medegefinancierd door het LIFE-Nature-programma. Dit project omvatte een gedetailleerde studie van alle gebieden die van belang zijn voor het behoud van de soort op het Portugese vasteland. Zij heeft alle gebieden met bevestigde of niet-bevestigde aanwezigheid van de soort geïdentificeerd en is afgesloten met een aanbeveling waarin belangrijke gebieden voor de instandhouding van de Iberische Lynx worden gespecificeerd die in het Natura 2000-netwerk moeten worden opgenomen. Slechts één gebied, bekend als Alcarrache-Guadelim, in het gebied dat werd getroffen door het Alqueva Dam-project, werd geïdentificeerd als een plaats van mogelijke aanwezigheid van de soort, met de onbevestigde aanwezigheid van één individuele Iberische Lynx. Dit gebied maakte geen deel uit van de lijst van gebieden die werden aanbevolen voor opname in Natura 2000. De klagers voerden echter in wezen aan dat Portugal, door op grond van de richtlijn het overstroomde gebied niet op te nemen in de nationale lijst van gebieden die in aanmerking komen voor identificatie als gebieden van communautair belang, zijn verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn niet was nagekomen. Gelet op de regels voor de opneming van gebieden in een dergelijke nationale lijst, veronderstelt de bovengenoemde vermeende schending van de richtlijn dat Portugal ofwel i) niet voldeed aan de criteria van bijlage III bij de richtlijn, ofwel ii) de grenzen van de beoordelingsmarge waarover het beschikte toen het bij de Commissie een voorstel indiende op basis van de toepassing van de criteria van de richtlijn(17) heeft overschreden. Dit laatste is onlosmakelijk verbonden met, vaak complexe, wetenschappelijke evaluaties op basis van relevante milieu-informatie. De klagers toonden echter niet aan dat zij bij de Commissie voldoende specifieke en naar behoren onderbouwde argumenten hadden ingediend waaruit bleek dat de Portugese lijst van gebieden die in aanmerking kwamen voor aanwijzing als gebieden van communautair belang, op een van de hierboven vermelde manieren gebrekkig was.
2.6 Met betrekking tot de Iberische Lynx heeft de Commissie ook het volgende opgemerkt. Hoewel het betrokken gebied misschien niet bijzonder relevant is voor de bescherming van de soort, herbergt het een soort habitat (oak „montado”) die mogelijk door de Iberische Lynx kan worden gebruikt. Het milieubeheerplan van het project omvatte daarom maatregelen om eventuele gevolgen voor de Iberische Lynx en zijn habitat te beperken en te compenseren. Deze maatregelen omvatten i) een geprogrammeerde verwijdering van vegetatie om de ecologische effecten van het project tot een minimum te beperken; II) een plan voor het redden van niet-vliegende gewervelde dieren uit het te ontruimen gebied; III) het toezicht op verschillende activiteiten; IV) de ontwikkeling van een irrigatieplan dat kwetsbare gebieden uitsluit; (V) het openen van ecologische corridors; en vi) het planten en terugwinnen van kurk en holm eiken „montados”. De planning van de vegetatieruiming is opgesteld op basis van een aantal wetenschappelijke studies van de belangrijkste habitats en soorten (dier en plantaardig) die in het gebied aanwezig zijn. Zowel bij de uitwerking van het plan voor de verwijdering van vegetatie als bij de daaropvolgende herzieningen was speciaal rekening gehouden met de mogelijke aanwezigheid van de Iberische Lynx. De potentiële aanwezigheidsgebieden van de soort werden in termen van natuurlijk erfgoed als zeer gevoelig beschouwd en dienovereenkomstig behandeld in het plan voor het verwijderen van vegetatie. Bovendien eisten de Portugese autoriteiten dat alle werkzaamheden moesten worden stopgezet in geval van een waarneming van een Iberische Lynx op het gebied van het project en dat een dergelijke waarneming moest worden meegedeeld aan de Portugese natuurbeschermingsautoriteiten, met name het ICN („Instituto da Conservação da Natureza”). Hieruit volgt dat de Portugese autoriteiten, nadat zij bovengenoemde maatregelen hadden genomen om de gevolgen voor de Iberische Lynx en haar habitat te verzachten en te compenseren, artikel 12 van richtlijn 92/43 hadden nageleefd. De klagers betwistten deze conclusie van de Commissie. Zij vroegen zich af waarom het noodzakelijk was mitigatiemaatregelen te nemen ten behoeve van een soort die in het betrokken gebied zogenaamd niet bestond. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, zijn de bovengenoemde maatregelen echter genomen in het licht van het feit dat het gebied een type habitat herbergt dat uiteindelijk door de Iberische Lynx zou kunnen worden gebruikt. Bovendien hebben de klagers niet aangetoond dat zij bij de Commissie voldoende specifieke en naar behoren onderbouwde argumenten hadden ingediend waaruit bleek dat Portugal zijn krachtens artikel 12 van de richtlijn op hem rustende verplichtingen met betrekking tot de Iberische Lynx niet was nagekomen.
2.7 Met betrekking tot de rotstekeningen in het te overstromende gebied merkte de Commissie op dat deze vijf jaar na de goedkeuring van het project werden ontdekt. Richtlijn 92/43 heeft niet uitdrukkelijk betrekking op de situatie waarin tijdens de uitvoering van een project nieuwe informatie verschijnt en de uitlegging van het Hof tot op heden slechts voorziet in de uitvoering van een nieuwe MEB wanneer de projectontwikkelaar wijzigingen aan het project doorvoert. In ieder geval hebben de Portugese autoriteiten na de ontdekking van het rotssnijwerk intensief onderzoek verricht om alle rotstekeningen langs de gehele oevers van de rivier de Guadiana te identificeren en een volledige inventarisatie te maken. De Portugese autoriteiten concludeerden echter dat er geen speciale beschermingsmaatregelen nodig waren tegen de overstromingen van de dam, aangezien de sedimentlaag de archeologische vindplaatsen zou beschermen. De klagers voerden aan dat het ongerechtvaardigd was dat de ontwikkelaar dit houtsnijwerk niet tijdig ontdekte, met name omdat soortgelijke archeologische vindplaatsen in Spanje (in 1995) langs de oevers van de rivier de Guadiana werden ontdekt. Niettemin hebben zij niet aangetoond dat zij bij de Commissie relevante argumenten en passende bewijzen hadden overgelegd waaruit op voldoende specifieke en overtuigende wijze bleek dat Portugal een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt door te oordelen dat de betwiste MEB’s (die in 1992 en 1995 waren voorbereid) voldeden aan de vereisten van de artikelen 3 en 5 van de richtlijn, hoewel zij niet naar de betrokken rotsplaten verwezen. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, heeft richtlijn 85/337 bovendien niet uitdrukkelijk betrekking op de situatie waarin archeologische vindplaatsen tijdens de uitvoering van een project voor het eerst worden ontdekt. Rekening houdend met de rechtspraak van het Hof met betrekking tot richtlijn 85/337 stelt de Ombudsman dus vast dat er in omstandigheden als die welke in casu zijn besproken, wezenlijke, objectief redelijke twijfel bestaat over de toepasselijkheid van richtlijn 85/337.
2.8 Wat betreft de kwestie van de onafhankelijkheid in de betwiste MEB’s van 1992 en 1995 die door klagers aan de orde zijn gesteld, merkt de Ombudsman op dat klagers in dit verband in wezen de wijsheid en toereikendheid van richtlijn 85/337 lijken te hebben betwist(18). Dit argument heeft geen betrekking op een mogelijk geval van wanbeheer bij de activiteiten van de Commissie, maar op de verdiensten van de communautaire wetgeving. Daarom verwijst het naar een kwestie die buiten het toepassingsgebied van wanbeheer en, als zodanig, het mandaat van de Ombudsman valt.
2.9 Bovendien herinnert de Ombudsman eraan dat de Commissie een aanvullende MEB-studie van het project heeft verricht, alvorens daarvoor communautaire financiering te verlenen. Zoals de Commissie opmerkt, waren onder de in de studie geanalyseerde elementen de twee volledige MEB’s, met inbegrip van de opmerkingen die tijdens de openbare raadpleging zijn ingediend. In de studie werd geconcludeerd dat de negatieve effecten van het project voldoende in aanmerking waren genomen in de MEB’s en werden aanbevelingen gedaan met betrekking tot de uit te voeren mitigatie- en compensatiemaatregelen, namelijk met betrekking tot natuurbescherming. Deze werden vervolgens opgenomen in het milieubeheerplan van het project. De studie werd uitgevoerd door deskundigen die geen banden hadden met de projectontwikkelaars, inclusief bezoeken aan het gebied van het project door specialisten en vergaderingen, niet alleen met de projectontwikkelaars en met Portugese milieu- en landbouwautoriteiten, maar ook met Portugese milieu-ngo’s.
Ten slotte merkte de Commissie op dat zij de uitvoering van het milieubeheersplan van het project nauwlettend heeft gevolgd en een inbreukprocedure had ingeleid over een bepaald aspect van de betrokken verzachtende maatregelen. Zij legde ook uit hoe zij omging met drie andere klachten over de milieueffecten van het betrokken project en de uitkomst van de relevante procedures. De Ombudsman merkt met name op dat de Commissie een aanmaningsbrief heeft uitgevaardigd met betrekking tot klacht 2002/4720, betreffende de verslechtering van twee speciale beschermingszones („SPA’s”) langs de rivier Guadiana stroomafwaarts van de dam en vervolgens de communautaire financiering van het project heeft opgeschort. De zaak werd vervolgens afgesloten en de opschorting van de financiering werd opgeheven toen de lidstaat aantoonde dat het sluiten van de dampoorten geen invloed zou hebben op het behoud van de in het wild levende vogels in de SBZ’s.
2.10 In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman van mening dat de bewering van klagers niet is onderbouwd. De Ombudsman vindt dus geen overeenkomstige gevallen van wanbeheer van de kant van de Commissie.
3 ConclusieOp basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht lijkt er geen sprake te zijn geweest van wanbeheer door de Commissie. De Ombudsman sluit de zaak daarom af.
De voorzitter van de Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.
De uwe oprecht,
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
(1) PB L 175, blz. 40.
(2) PB L 206, blz. 7.
(3) PB L 103, blz. 1.
(4) De klagers hadden in hun eerste reeks opmerkingen verwezen naar ESB International. In het antwoord van de Commissie op de verdere onderzoeken van de Ombudsman werd verwezen naar „EEB International”. Op 16 december 2005 heeft de Commissie aan de diensten van de Ombudsman verduidelijkt dat ESB („Electricity Supply Board”) International de juiste referentie was, en niet de EEB („European Environmental Bureau”) International.
(5) „Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling”
(6) C-62/88, Griekenland/Raad, Jurispr. 1990, blz. I-1527, punt 20.
(7) Zaak Moreno Gómez/Spanje, arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 16 november 2004, punten 53 en 55; Zaak López Ostra/Spanje, arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 december 1994, punt 51; Zaak Taskin/Turkije, arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 10 november 2004, punten 113, 115 en 116.
(8) Zie zaak C-127/02, Waddenvereniging en Vogelbeschermingsvereniging, Jurispr. 2004, blz. I-7405, punt 61 (betreffende het vereiste van een passende milieueffectbeoordeling uit hoofde van artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43).
(9) Gevoegde zaken C-418/97 en C-419/97, ARCO Chemie Nederland e.a., Jurispr. 2000, blz. I-4475.
(10) Zaak C-318/98, Fornasar e.a., Jurispr. 2000, blz. I-4785.
(11) Zaak C-72/95, Kraaijeveld, Jurispr. 1996, blz. I-5403.
(12) Zaak C-81/96 Gedeputeerde Staten van Noord-Holland (C- 81/96, Jurispr. blz. I-3923).
(13) De eerste studie, opgesteld in 2005, heeft de titel „De Alqueva dam — Hoe de EIB heeft bijgedragen aan de financiering van milieuvernietiging in Portugal.” De tweede studie, opgesteld in 2004, heeft de titel „The Iberian Lynx Emergency”.
(14) PB L 175, blz. 40.
(15) PB L 206, blz. 7.
(16) In dit verband zij eraan herinnerd dat de Commissie de klagers heeft meegedeeld dat zij reeds twee andere klachten onderzocht, volgens welke Portugal bepaalde geplande mitigatiemaatregelen ter bescherming van de Iberische Lynx-habitat niet had uitgevoerd.
(17) Zie het besluit van de Ombudsman inzake klacht 3660/2004/PB, punt 2.4. Voor een gedetailleerde presentatie van de relevante regels van de richtlijn, zie punt 2.1 van hetzelfde besluit.
(18) In hun tweede reeks opmerkingen voerden de klagers aan dat de procedurevoorschriften van de richtlijn geen voldoende mate van onafhankelijkheid garanderen, waarbij zij verklaardendat"een particuliere ontwikkelaar kan worden beperkt door de procedurele vereisten vanRichtlijn 85/337/EEG. De kwestie wordt ingewikkelder wanneer de ontwikkelaar de lidstaat is en de verstrekte gegevens afhankelijk zijn van [de] nationale autoriteiten. Er kan dus geen garantie van onafhankelijkheid bij de beoordeling wordengesteld.