Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 2073/2003/GG tegen de Europese Commissie
Besluiten
Zaak 2073/2003/GG - Geopend op Maandag | 17 november 2003 - Besluit over Donderdag | 30 september 2004
Straatsburg, 30 september 2004
Geachte heer V.,
Op 27 oktober 2003 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend over uw werkzaamheden voor de Europese Commissie.
Op 17 november 2003 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Europese Commissie. De Commissie heeft op 6 februari 2004 advies uitgebracht. Ik heb het op 16 februari 2004 aan u toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 3 maart 2004 hebt toegezonden.
Op 7 april 2004 heb ik de Commissie verzocht nadere informatie over uw zaak te verstrekken. De Commissie heeft haar antwoord op 1 juni 2004 toegezonden. Ik heb het u op 10 juni 2004 toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken, die u op 7 juli 2004 hebt toegezonden.
Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.
Het KLACHT
AchtergrondDe Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (“de Regeling”) is onder meer van toepassing op de tijdelijke functionarissen van de EU.
Artikel 2 van de voorwaarden omschrijft het begrip „tijdelijk functionaris” als volgt:
"a) personeelsleden die zijn aangesteld om een ambt te vervullen dat is opgenomen in de lijst van ambten die is gevoegd bij de afdeling van de begroting die op elke instelling betrekking heeft en die door de begrotingsautoriteiten als tijdelijk zijn aangemerkt;
b) personeelsleden die zijn aangesteld om tijdelijk een vast ambt te vervullen dat is opgenomen in de lijst van ambten die is gevoegd bij de afdeling van de begroting die op elke instelling betrekking heeft;
c) (…);
d) het personeel dat wordt aangeworven om tijdelijk een vast ambt te vervullen dat wordt bezoldigd uit onderzoeks- en investeringskredieten en dat is opgenomen in de lijst van ambten die bij de begroting van de betrokken instelling is gevoegd."
Volgens artikel 8 van de regeling kunnen tijdelijke functionarissen op wie artikel 2, onder a), van toepassing is, voor bepaalde of onbepaalde tijd in dienst worden genomen. In de versie die van toepassing was ten tijde van de feiten die tot de onderhavige zaak hebben geleid, bepaalde artikel 8, laatste (vijfde) alinea, voorts:
“De overeenkomsten van tijdelijke functionarissen waarop artikel 2, onder a) of d), van toepassing is en die voor bepaalde tijd worden aangeworven, kunnen niet meer dan eenmaal voor bepaalde tijd worden verlengd. Elke verdere verlenging is voor onbepaalde tijd."(1)
Op 13 november 1996 (2) heeft de Commissie een besluit vastgesteld tot vaststelling van een nieuw beleid ten aanzien van tijdelijke functionarissen waarop artikel 2, sub a, van de voorwaarden van toepassing is. Dit besluit beperkt de contracten die kunnen worden toegekend aan tijdelijke functionarissen die zijn aangeworven op grond van artikel 2, onder a), van de voorwaarden tot drie jaar, met de mogelijkheid van één enkele verlenging voor een beperkte periode (3).
Zaak van klagerOp 16 december 1999 werd klager op grond van artikel 2, onder a), van de voorwaarden aangeworven als tijdelijk functionaris voor een periode van drie jaar en was hij werkzaam bij het directoraat-generaal Handel (DG) van de Commissie. In haar brief van 29 november 1999 waarbij het contract aan klager werd toegezonden, wees het DG Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie erop dat het contract "slechts met een maximumtermijn van drie maanden kon worden verlengd, overeenkomstig het besluit van de Commissie van 13 november 1996 waarbij voor de verschillende soorten contracten een maximumtermijn werd vastgesteld". Klager werd aanvankelijk ingedeeld in rang A5, salaristrap 1. Dit werd vervolgens (en met terugwerkende kracht) gewijzigd in rang A4, salaristrap 1.
Op 15 oktober 2002 heeft DG Handel het DG Personeelszaken en algemeen beheer schriftelijk verzocht om verlenging van het contract van klager met drie maanden. Op 19 november 2002 deelde DG Personeelszaken en algemeen beheer klager mee dat deze verlenging was toegestaan.
In een nota aan DG Personeelszaken en algemeen beheer van 24 februari 2003 wees DG Handel erop dat het contract van klager uit hoofde van artikel 2, onder a), van de voorwaarden op het punt stond te verstrijken en niet meer kon worden verlengd ("ne peut plus être prolongé"). DG Handel heeft echter de wens en de noodzaak geuit om de diensten van klager te behouden na de datum waarop zijn (verlengde) contract afliep (15 maart 2003). DG Handel merkte op dat klager twee uiterst zeldzame talenten combineerde, namelijk een informaticadeskundige van zeer hoog niveau en een grondige kennis van de internationale handel, en dat hij gebruik wenste te maken van de diensten van klager in verband met de komende WTO-conferentie in Cancún die in september 2003 zou worden gehouden. Zij heeft te kennen gegeven voornemens te zijn klager een contract als tijdelijk functionaris aan te bieden op grond van artikel 2, onder b), van de voorwaarden, dat tot eind september 2003 moet worden beperkt (4). DG Handel merkte op dat dergelijke contracten normaal gesproken alleen konden worden aangeboden voor rangen tot en met A6. Gezien de bijzondere omstandigheden van de zaak verzocht DG Handel echter om een afwijking van deze regel, zodat het mogelijk zou zijn de klager in zijn huidige rang te handhaven.
In zijn nota wees DG Handel erop dat de post van klager intern was gepubliceerd, met als uiterste datum voor het indienen van sollicitaties 26 februari 2003. Er waren echter nog geen kandidaten naar voren gekomen en DG Handel was van mening dat het niet mogelijk zou zijn binnen de Commissie een kandidaat te vinden met dezelfde kwalificaties en dezelfde ervaring. DG Handel merkte ook op dat het op grond van artikel 2, onder a), van de voorwaarden was begonnen met het zoeken naar een tijdelijk functionaris om klager te vervangen, maar dat het onwaarschijnlijk zou zijn dat een kandidaat binnen korte tijd de ervaring zou hebben die nodig was voor de conferentie in Cancún.
Op 12 maart 2003 heeft DG Personeelszaken en algemeen beheer DG Handel meegedeeld dat zijn verzoek was ingewilligd. Bij brief van 14 maart 2003 deelde het DG Personeelszaken en algemeen beheer klager mee dat hem een nieuwe arbeidsovereenkomst voor tijdelijke functionarissen op grond van artikel 2, onder b), van de voorwaarden was toegekend voor een duur van 6,5 maanden (tot en met 30 september 2003), die niet kon worden verlengd.
Op 12 juni 2003 diende klager een klacht in op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut (5). Hij voerde aan dat zodra de Commissie had besloten om zijn diensten in dezelfde functie, in dezelfde rang en zonder onderbreking van de dienst te handhaven, zij hem een overeenkomst als tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd had moeten aanbieden overeenkomstig artikel 2, onder a), van de voorwaarden, zoals bepaald in artikel 8, laatste volzin, van de voorwaarden. Volgens klager kon er geen reden zijn om hem een contract toe te kennen op grond van artikel 2, onder b), van de voorwaarden, behalve om de Commissie in staat te stellen artikel 8, laatste zin, van de voorwaarden te omzeilen. Klager baseerde zich ook op wat hij beschouwde als een algemeen beginsel van sociaal en arbeidsrecht, volgens hetwelk het in omstandigheden als de onderhavige verplicht was om een overeenkomst voor onbepaalde tijd te verlenen. Volgens klager was de beschikking van de Commissie van 13 november 1996 ook in strijd met de laatste zin van artikel 8 van de voorwaarden.
Klager voerde ook aan dat de toekenning van een nieuw contract aan hem op grond van artikel 2, onder b), van de voorwaarden een gewettigd vertrouwen had gewekt in de verlenging van zijn contract voor onbepaalde tijd.
Op 28 augustus 2003 heeft de Commissie de klacht van klager afgewezen. Volgens de Commissie was haar beschikking in de onderhavige zaak juist, zoals bevestigd door het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 11 juli 2002 in de gevoegde zaken T-137/99 en T-18/00, Martínez Páramo/Commissie, dat betrekking had op een soortgelijke situatie. De Commissie was voorts van mening dat haar bevoegdheden voor een redelijk en juist doel waren uitgeoefend en dat er dus geen sprake was van misbruik van bevoegdheid. Zij heeft ook aangevoerd dat de beschikking van de Commissie van 13 november 1996 niet op de onderhavige zaak was toegepast en dat de geldigheid ervan dus niet ter discussie stond.
In zijn klacht bij de Ombudsman herhaalde klager de standpunten die hij in zijn klacht op grond van artikel 90, lid 2, naar voren had gebracht. Hij voerde aan dat de omstandigheden van zijn zaak fundamenteel verschilden van die in de zaak die het Hof in de door de Commissie aangehaalde zaak had beslecht. Klager benadrukte met name dat in dat geval de contracten uit hoofde van artikel 2, onder b), van de voorwaarden waren toegekend ten behoeve van het betrokken personeel, terwijl dit in zijn geval uitsluitend ten behoeve van de Commissie was gebeurd.
Volgens klager heeft de Commissie ook geen rekening gehouden met richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB L 175, blz. 43).
Klager voerde derhalve in wezen de volgende beweringen aan:
(1) Het besluit van de Commissie om hem een overeenkomst op grond van artikel 2, sub b, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen toe te kennen in plaats van een overeenkomst voor onbepaalde tijd op grond van artikel 2, sub a, van de Regeling was onrechtmatig.
(2) De betrokken beschikking vormde misbruik van bevoegdheid door de Commissie.
Het onderzoek
Advies van de CommissieIn haar advies verwees de Commissie naar haar besluit van 28 augustus 2003 tot afwijzing van de klacht van klager op grond van artikel 90, lid 2. De Commissie was van mening dat zij deze beschikking alleen maar kon herhalen.
Opmerkingen van klagerIn zijn opmerkingen handhaafde klager zijn klacht. Hij benadrukte dat uit de nota van DG Handel van 24 februari 2003 overduidelijk bleek dat er een belemmering was geweest om hem een verlenging van zijn overeenkomst op grond van artikel 2, onder a), van de voorwaarden aan te bieden. Klager voerde aan dat de Commissie zijn bezorgdheid over de beschikking van de Commissie van 13 november 1996 niet had weggenomen. Voorts verwees hij naar het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 27 november 2003 in de gevoegde zaken T-331/00 en T-115/01, Bories e.a./Commissie, waarin het Gerecht volgens klager had vastgesteld dat een intern beleid van de Commissie, vergelijkbaar met het beleidsbesluit van 1996, onverenigbaar was met artikel 8 van de voorwaarden.
Klager benadrukte dat de toekenning van het contract op grond van artikel 2, onder b), van de voorwaarden in het eigen belang van de Commissie was geweest. Hij voegde daaraan toe dat hij bij het verlaten van de dienst van de Commissie ervan in kennis was gesteld dat hij de mogelijkheid had verloren om de pensioenrechten die hij tijdens zijn dienstverband op grond van artikel 2, onder a), had verworven, over te dragen, aangezien hij op grond van een overeenkomst op grond van artikel 2, onder b), was vertrokken. Klager voerde aan dat het daarom moeilijk voor te stellen was hoe dit contract kon worden geïnterpreteerd als zijnde in zijn persoonlijk belang.
Nadere inlichtingenNa zorgvuldige bestudering van het standpunt van de Commissie en de opmerkingen van klager bleek dat nader onderzoek noodzakelijk was.
Verzoek om nadere informatieOp 7 april 2004 richtte de Ombudsman daarom een verzoek om nadere informatie tot de Commissie, met het verzoek (1) uit te leggen waarom de mogelijkheid om klager een nieuw contract toe te kennen op grond van artikel 2, onder a), van de voorwaarden niet in overweging was genomen, (2) opmerkingen te maken over de opmerkingen van klager over zijn standpunt en (3) zijn standpunt kenbaar te maken over de conclusies die voor de onderhavige zaak moeten worden getrokken uit het arrest van het Hof in de zaak Bories, met name punt 62. De Commissie werd ook verzocht een kopie te verstrekken van de bepalingen van de “nouvelle politique des agents temporaires relevant de l’article 2a du RAA” die zij in november 1996 had vastgesteld.
Antwoord van de CommissieIn haar antwoord maakte de Commissie de volgende opmerkingen:
Klager had zijn contract vrijwillig ondertekend zonder de wettigheid ervan te betwisten alvorens zijn klacht op grond van artikel 90, lid 2, bij de Commissie in te dienen. De conferentie van Cancún, d.w.z. een zeer specifieke en tijdelijke situatie, was de enige reden waarom klager een nieuw contract was aangeboden op grond van artikel 2, onder b), van de voorwaarden.
In het kader van de organisatie van haar diensten beschikte de Commissie over een ruime beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de duur en de verlenging van tijdelijke arbeidsovereenkomsten. De verlenging van de contractuele relatie op grond van artikel 2, onder b), van de voorwaarden was in het belang van de dienst, maar ook in overeenstemming met de bestaande regels.
De beschikking van 1996 was volkomen verenigbaar met artikel 8 van de voorwaarden. De algemene regel in dit besluit was dat de duur van tijdelijke contracten werd beperkt tot drie jaar, met de mogelijkheid van een verlenging met maximaal één jaar. In gevallen waarin, om redenen die aan de beoordeling van de Commissie zijn overgelaten, een verdere verlenging zou kunnen worden voorgesteld op grond van artikel 2, onder a), van de voorwaarden, zou een dergelijke overeenkomst echter van onbepaalde duur zijn, zoals bepaald in artikel 8 van de voorwaarden.
De Commissie heeft de beginselen van zorgvuldigheid en gewettigd vertrouwen ten aanzien van klager in acht genomen. In feite had klager geprofiteerd van een verlenging van zijn contract, waardoor hij de gevolgen van het einde van zijn contractuele relatie met de Commissie gemakkelijker kon beheersen.
Wat de mogelijkheid betreft om de actuariële tegenwaarde van de door een tijdelijk functionaris verworven pensioenrechten over te dragen, was het juist dat dit alleen gold voor overeenkomsten op grond van artikel 2, onder a), c) en d), van de voorwaarden. Hoewel tijdelijke functionarissen (6) geen gebruik konden maken van deze mogelijkheid om pensioenrechten over te dragen, hadden zij wel recht op de uitkering bij vertrek als bedoeld in artikel 12 van bijlage VIII bij het Statuut.
Het arrest in de zaak Bories bevestigde dat een intern besluit waarbij de duur van een overeenkomst wordt beperkt tot een duur die korter is dan die welke is toegestaan op grond van artikel 8 van de voorwaarden, geen rechtvaardiging kan vormen voor een later besluit om de verlenging van een overeenkomst te weigeren. Het arrest legde echter geen verplichting op om de overeenkomst van een tijdelijk functionaris te verlengen, maar betekende alleen dat een dergelijke verlenging niet volledig kon worden uitgesloten.
De Commissie heeft een afschrift overgelegd van een document van 12 november 1996 met de titel „Politique des agents temporaires relevant de l’article 2 a) du régime applicable aux autres agents des Communautés européennes (RAA)”, dat op 13 november 1996 bij de Commissie moest worden ingediend.
Opmerkingen van klagerIn zijn opmerkingen stelde klager zich op het standpunt dat de beschikking van de Commissie van 1996 op grond van artikel 2, sub a, van de voorwaarden vaste limieten voor contracten oplegde en geen enkele flexibiliteit toestond, zoals het antwoord van de Commissie impliceert. Klager benadrukte ook dat de ondertekening van het contract op grond van artikel 2, onder b), niet betekende dat hij afstand had gedaan van zijn recht om het soort contract dat hem werd aangeboden, te betwisten.
Wat de kwestie van de overdraagbare pensioenrechten betreft, merkte klager op dat hij van de Commissie zou hebben verwacht dat zij haar stelling zou staven dat hij geen schade aan zijn belangen heeft geleden.
Klager wees erop dat hij het op prijs zou stellen als de Ombudsman een besluit zou nemen over zijn zaak.
BESLUIT
1 Niet-toekenning van verlenging van de overeenkomst op grond van artikel 2, sub a, van de voorwaarden1.1 Klager werd in december 1999 aangesteld als tijdelijk functionaris op grond van artikel 2, onder a), van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna "de Regeling" genoemd) voor een periode van drie jaar en was werkzaam bij het directoraat-generaal Handel van de Commissie (hierna "DG" genoemd). Artikel 2, onder a), van de voorwaarden heeft betrekking op personeel dat wordt aangesteld om een ambt te vervullen dat als tijdelijk wordt beschouwd. In haar brief van 29 november 1999 waarbij het contract aan klager werd toegezonden, wees het DG Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie erop dat het contract "slechts met een maximumtermijn van drie maanden kon worden verlengd, overeenkomstig het besluit van de Commissie van 13 november 1996 waarbij voor de verschillende soorten contracten een maximumtermijn werd vastgesteld". In 2002 werd het contract met nog eens drie maanden verlengd tot 15 maart 2003. In een nota aan DG Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie van 24 februari 2003 wees DG Handel erop dat het contract van klager uit hoofde van artikel 2, onder a), van de voorwaarden op het punt stond te verstrijken en niet langer kon worden verlengd ("ne peut plus être prolongé"). DG Handel merkte op dat het gebruik wenste te maken van de diensten van klager in verband met de komende WTO-conferentie in Cancún, die in september 2003 zal worden gehouden. Zij heeft derhalve haar voornemen kenbaar gemaakt om klager een contract als tijdelijk functionaris aan te bieden op grond van artikel 2, onder b), van de voorwaarden, dat beperkt moet blijven tot eind september 2003. Artikel 2, onder b), van de voorwaarden heeft betrekking op personeel dat tijdelijk wordt aangeworven om een vast ambt te vervullen. Bij brief van 14 maart 2003 deelde het DG Personeelszaken en algemeen beheer klager mee dat hem een nieuwe arbeidsovereenkomst voor tijdelijke functionarissen op grond van artikel 2, onder b), van de voorwaarden was toegekend voor een duur van 6,5 maanden (tot en met 30 september 2003), die niet kon worden verlengd.
1.2 In zijn in oktober 2003 bij de Ombudsman ingediende klacht voerde klager aan dat, zodra de Commissie had besloten zijn diensten in dezelfde positie, in dezelfde rang en zonder onderbreking van de dienst te handhaven, zij hem een contract als tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd had moeten aanbieden overeenkomstig artikel 2, onder a), van de voorwaarden, zoals bepaald in de laatste zin van artikel 8 van de voorwaarden. Klager voerde daarom aan dat het besluit van de Commissie om hem een contract toe te kennen op grond van artikel 2, onder b), van de voorwaarden onwettig was.
1.3 De Commissie stelde dat zij in het kader van de organisatie van haar diensten over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikte met betrekking tot de duur en de verlenging van tijdelijke arbeidsovereenkomsten. Volgens de Commissie was de verlenging van de contractuele relatie op grond van artikel 2, onder b), van de voorwaarden in het belang van de dienst, maar ook in overeenstemming met de bestaande regels. De Commissie wees er ook op dat klager vrijwillig zijn contract had ondertekend zonder de wettigheid ervan te betwisten alvorens een klacht in te dienen.
1.4 De Ombudsman merkt op dat de Commissie niet voorstelt conclusies te trekken uit het feit dat klager het laatste contract heeft ondertekend zonder de wettigheid ervan te betwisten. Om alle twijfel weg te nemen, acht de Ombudsman het echter nuttig te benadrukken dat het loutere feit van de ondertekening van het contract op grond van artikel 2, onder b), niet betekende dat klager afstand wilde doen van zijn recht om het soort contract dat hem werd aangeboden, te betwisten.
1.5 De Ombudsman merkt op dat artikel 8 van de voorwaarden bepaalt dat overeenkomsten van tijdelijke functionarissen waarop artikel 2, onder a), van toepassing is en die voor bepaalde tijd worden aangeworven, niet meer dan eenmaal voor bepaalde tijd kunnen worden verlengd en dat elke verdere verlenging "voor onbepaalde tijd" geschiedt. Artikel 8 voorziet dus duidelijk in de mogelijkheid dat overeenkomsten voor bepaalde tijd uit hoofde van artikel 2, onder a), die reeds met een andere vaste periode zijn verlengd, opnieuw kunnen worden verlengd, ditmaal voor onbepaalde tijd. Deze uitlegging wordt bevestigd door het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 27 november 2003 in de gevoegde zaken T-331/00 en T-115/01, Bories e.a./Commissie (7), dat betrekking had op opdrachten op grond van artikel 2, onder d), van de voorwaarden. Opgemerkt zij dat in de versie die van toepassing was ten tijde van de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de onderhavige zaak (en van de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het arrest in de zaak Bories), de bovengenoemde bepalingen van artikel 8 van toepassing waren op overeenkomsten op grond van artikel 2, onder a), en op overeenkomsten op grond van artikel 2, onder d), van de voorwaarden.
1.6 Klager had een overeenkomst voor bepaalde tijd op grond van artikel 2, onder a), die eenmaal met een nieuwe vaste periode was verlengd. Uit het bovenstaande volgt dat de Commissie in februari/maart 2003 dus de mogelijkheid had om de overeenkomst van klager uit hoofde van artikel 2, onder a), te verlengen, op voorwaarde dat een dergelijke verlenging in het belang van de dienst was. De Ombudsman merkt op dat de toekenning van het contract op grond van artikel 2, onder b), van de voorwaarden te wijten was aan het feit dat de Commissie tijdens de WTO-conferentie in Cancún in september 2003 gebruik wenste te maken van de diensten van klager. Het was dus duidelijk dat de dienst er belang bij had de duur van het dienstverband van klager bij de Commissie te verlengen. Weliswaar lijkt deze reden slechts betrekking te hebben gehad op een verlenging voor een beperkte periode, en niet voor onbepaalde tijd. In dit verband moet echter rekening worden gehouden met het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 11 juli 2002 in de gevoegde zaken T-137/99 en T-18/00, Martínez Páramo/Commissie (8). Deze zaak had betrekking op tijdelijke functionarissen wier arbeidsovereenkomst overeenkomstig artikel 2, onder a), van de voorwaarden was verstreken en aan wie de Commissie een nieuw contract overeenkomstig artikel 2, onder b), voor een beperkte periode had gegund om deze personen in staat te stellen deel te nemen aan interne vergelijkende onderzoeken. Het Hof was van oordeel dat de Commissie in het belang van verzoekster had gehandeld en dat de artikelen 2 en 8 van de voorwaarden niet waren geschonden (9). Zij voegde daaraan toe dat de Commissie, in plaats van een contract op grond van artikel 2, onder b), toe te kennen, het contract ook op grond van artikel 2, onder a), van de voorwaarden voor onbepaalde tijd had kunnen verlengen, aangezien een dergelijk contract zonder opgaaf van redenen kon worden opgezegd met een opzegtermijn van drie maanden (10). De Ombudsman is van mening dat indien het Hof een verlenging van een contract op grond van artikel 2, onder a), mogelijk achtte in de zaak Martínez Páramo, waarin de Commissie in het belang van de eiser had gehandeld, dit a fortiori moet gelden in de onderhavige zaak, waarin de verlenging van het dienstverband van de klager duidelijk in het belang van de dienst was.
1.7 In het licht van het bovenstaande is de Ombudsman van mening dat de Commissie in dit geval over twee mogelijkheden beschikte, namelijk de verlenging van het contract op grond van artikel 2, onder a), van de voorwaarden of de toekenning van een nieuw contract op grond van artikel 2, onder b). Uit het bewijsmateriaal waarover de Ombudsman beschikt, blijkt duidelijk dat de Commissie nooit de mogelijkheid heeft overwogen om klager uit hoofde van artikel 2, onder a), een verlenging van zijn contract te verlenen. De Ombudsman merkt ook op dat de Commissie, ondanks het uitdrukkelijke verzoek van de Ombudsman om de kwestie aan te pakken, geen enkele verklaring heeft verstrekt waarom zij deze mogelijkheid niet in overweging heeft genomen. Het is juist dat de Commissie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt met betrekking tot de duur en de verlenging van tijdelijke arbeidsovereenkomsten. De Ombudsman is echter van mening dat de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid veronderstelt dat de Commissie alle mogelijkheden die haar ter beschikking staan, in overweging neemt alvorens voor een van deze mogelijkheden te kiezen. Dit is in casu duidelijk niet het geval.
1.8 In deze omstandigheden is de Ombudsman van mening dat het verzuim van de Commissie om de mogelijkheid te overwegen om het contract van klager uit hoofde van artikel 2, onder a), van de voorwaarden te verlengen in plaats van hem een nieuw contract uit hoofde van artikel 2, onder b), te geven, wanbeheer vormt. In dit verband zal een kritische opmerking worden gemaakt.
1.9 Om mogelijke misverstanden te voorkomen, sluit de Ombudsman niet uit dat de Commissie, indien zij zich naar behoren op deze kwestie had toegelegd, terecht had kunnen concluderen dat er goede redenen waren om klager een contract aan te bieden op grond van artikel 2, onder b), in plaats van artikel 2, onder a), van de voorwaarden. Het door de Ombudsman geconstateerde wanbeheer is dat de Commissie zich nooit heeft gebogen over de vraag wat een goede keuze tussen deze twee mogelijkheden zou zijn.
2 Machtsmisbruik2.1 Klager voerde aan dat de Commissie, door te handelen zoals zij heeft gedaan, misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt. Volgens klager kon er geen reden zijn om hem een contract toe te kennen op grond van artikel 2, onder b), van de voorwaarden, behalve om de Commissie in staat te stellen artikel 8, laatste zin, van de voorwaarden te omzeilen.
2.2 De Commissie was van mening dat zij had gehandeld in overeenstemming met de toepasselijke regels.
2.3 Volgens vaste rechtspraak is er slechts sprake van misbruik van bevoegdheid wanneer op basis van objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende gegevens blijkt dat een handeling uitsluitend of althans hoofdzakelijk is vastgesteld om een ander doel te bereiken dan het gestelde, dan wel om zich te onttrekken aan een procedure waarin het Verdrag specifiek voorziet om aan de omstandigheden van het geval het hoofd te bieden (arresten Hof van 11 juli 1997, Italië/Commissie, C-285/94, Jurispr. blz. I-3519, punt 52, en 14 juli 1995, Ferriere Nord/Commissie, T-143/89, Jurispr. blz. II-917, punt 68).
2.4 In het onderhavige geval voerde klager aan dat de Commissie, nadat zij had besloten om zijn diensten in dezelfde positie, in dezelfde rang en zonder onderbreking van de dienst te handhaven, hem een contract als tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd had moeten aanbieden overeenkomstig artikel 2, onder a), van de voorwaarden, zoals bepaald in de laatste zin van artikel 8 van de voorwaarden.
2.5 De Ombudsman is van mening dat het standpunt van klager op het eerste gezicht redelijk lijkt, aangezien een dergelijke verlenging de gemakkelijkste oplossing voor de behoeften van de Commissie lijkt te zijn geweest. Opgemerkt moet worden dat de toekenning van een contract op grond van artikel 2, onder b), van de voorwaarden het ook noodzakelijk maakte dat de Commissie een afwijking van haar interne regels toestond om het mogelijk te maken de klager in zijn vorige rang te handhaven. De keuze voor een van de twee mogelijkheden vormt echter geen bewijs van misbruik van bevoegdheid, ook al is de gekozen mogelijkheid misschien niet de meest voor de hand liggende.
2.6 De Ombudsman merkt op dat klager ook heeft aangevoerd dat in het besluit van de Commissie van 1996 betreffende een nieuw beleid ten aanzien van tijdelijke functionarissen vaste limieten waren vastgesteld voor contracten op grond van artikel 2, onder a), van de voorwaarden en dat dit de reden was waarom geen verlenging van zijn contract op grond van artikel 2, onder a), was toegestaan.
2.7 De Commissie aanvaardde dat het arrest in de zaak Bories (waarnaar klager had verwezen) bevestigde dat een intern besluit waarbij de looptijd van een overeenkomst werd beperkt tot een periode die korter was dan die welke is toegestaan op grond van artikel 8 van de voorwaarden, geen rechtvaardiging kon vormen voor een later besluit om de verlenging van een overeenkomst te weigeren. De Commissie voerde echter aan dat haar beschikking van 1996 volkomen verenigbaar was met artikel 8 van de voorwaarden. Volgens de Commissie was de algemene regel in dit besluit dat de duur van tijdelijke contracten beperkt was tot drie jaar, met de mogelijkheid van een verlenging met maximaal één jaar. In gevallen waarin, om redenen die aan de beoordeling van de Commissie zijn overgelaten, een verdere verlenging zou kunnen worden voorgesteld op grond van artikel 2, onder a), van de voorwaarden, zou een dergelijke overeenkomst echter van onbepaalde duur zijn, zoals bepaald in artikel 8 van de voorwaarden.
2.8 Naar aanleiding van het verzoek van de Ombudsman om een kopie van dit besluit over te leggen, diende de Commissie een kopie in van een document van 12 november 1996 met de titel "Politique des agents temporaires relevant de l’article 2 a) du régime applicable aux autres agents des Communautés européennes (RAA)", dat op 13 november 1996 bij de Commissie moest worden ingediend.
2.9 De Ombudsman acht het niet nodig te beslissen of de interpretatie van deze tekst door de Commissie juist is. Er zij echter op gewezen dat volgens punt 6, onder b), van deze tekst contracten uit hoofde van artikel 2, onder a), eenmaal kunnen worden verlengd, waardoor de contractperiode maximaal vier jaar bedraagt. De Ombudsman is van mening dat het overduidelijk is dat de diensten van de Commissie ten minste vast van mening waren dat dit besluit hen belette een verdere verlenging van een contract uit hoofde van artikel 2, onder a), toe te staan in omstandigheden als de onderhavige. Er zij aan herinnerd dat het DG Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie in zijn brief van 29 november 1999 waarbij het contract aan klager werd toegezonden, erop heeft gewezen dat het contract "slechts met een maximumtermijn van drie maanden [kan] worden verlengd, overeenkomstig het besluit van de Commissie van 13 november 1996 tot vaststelling van een maximumtermijn voor de verschillende soorten contracten"(11). In zijn nota aan DG Personeelszaken en algemeen beheer van 24 februari 2003 wees DG Handel erop dat het contract van klager uit hoofde van artikel 2, onder a), van de voorwaarden op het punt stond te verstrijken en niet meer kon worden verlengd ("ne peut plus être prolongé").
2.10 In deze omstandigheden is de Ombudsman van mening dat de benadering van de Commissie in deze zaak duidelijk onjuist was. Zoals gezegd (zie punt 2.3), moet een handeling echter, om misbruik van bevoegdheid te kunnen vormen, uitsluitend of althans hoofdzakelijk zijn vastgesteld om een ander doel te bereiken dan het aangegeven doel of om zich te onttrekken aan een procedure die het Verdrag specifiek voorschrijft om de omstandigheden van het geval aan te pakken. In het onderhavige geval lijkt de Commissie zich niet bewust te zijn van de mogelijkheid om de overeenkomst van klager te verlengen op grond van artikel 2, onder a), van de voorwaarden. In deze omstandigheden lijkt er onvoldoende bewijs te zijn om aan te tonen dat de Commissie heeft gehandeld met het doel zich te onttrekken aan een procedure waarin het gemeenschapsrecht specifiek voorziet om de omstandigheden van de zaak aan te pakken. Er kan dus geen sprake zijn van wanbeheer met betrekking tot dit aspect van de klacht.
3 Conclusie3.1 Op basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht moet de volgende kritische opmerking worden gemaakt:
De Commissie beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de duur en de verlenging van tijdelijke arbeidsovereenkomsten. De Ombudsman is echter van mening dat de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid veronderstelt dat de Commissie alle mogelijkheden die haar ter beschikking staan, in overweging neemt alvorens voor een van deze mogelijkheden te kiezen. In casu heeft de Commissie klager een nieuw contract gegund op grond van artikel 2, onder b), van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Regeling”), zonder de mogelijkheid te overwegen om zijn contract te verlengen op grond van artikel 2, onder a), van de Regeling, een mogelijkheid waarin uitdrukkelijk is voorzien in artikel 8 van de Regeling. Dit is een geval van wanbeheer.
3.2 Aangezien dit aspect van de zaak betrekking heeft op procedures in verband met specifieke gebeurtenissen in het verleden, klager geen uitdrukkelijke vordering tot schadevergoeding heeft ingediend en de Ombudsman om een beslissing over zijn klacht heeft verzocht, is het niet passend een minnelijke schikking van de zaak na te streven. De Ombudsman sluit daarom de zaak.
De voorzitter van de Europese Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.
Met vriendelijke groet,
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
(1) De nieuwe versie van artikel 8, lid 1, die sinds 1 mei 2004 van kracht is, luidt als volgt: "Tijdelijk personeel waarop artikel 2, onder a), van toepassing is, kan voor bepaalde en onbepaalde tijd worden aangeworven. De arbeidsovereenkomsten van deze personeelsleden die voor bepaalde tijd worden aangeworven, kunnen niet meer dan eenmaal voor bepaalde tijd worden verlengd. Elke verdere verlenging is voor onbepaalde tijd."
(2) Dit lijkt de meest waarschijnlijke datum voor de vaststelling van dit besluit te zijn. Er zij echter op gewezen dat klager en sommige van de door klager ingediende documenten van de Commissie verwijzen naar "14 november".
(3) Klager verwijst naar één jaar, terwijl de Commissie in haar brief van 29 november 1999 waarin zij het contract aan klager doorstuurt (zie hieronder) een maximumperiode van drie maanden vermeldt.
(4) Het lijkt erop dat de betrokken functie werd vervuld door een ambtenaar die tot en met 30 september 2003 gedetacheerd was.
(5) Naar analogie van toepassing op tijdelijke functionarissen op grond van artikel 46 van de voorwaarden.
(6) Het is niet duidelijk of het hier alleen gaat om tijdelijke functionarissen die op grond van artikel 2, onder b), van de voorwaarden in dienst zijn.
(7) Zie punt 59 van het arrest.
(8) [2002] JurAmbt. blz. I-A-119, II-639.
(9) Reeds aangehaald, r.o. 92 e.v., 107.
(10) Arrest Loc. cit., punt 105.
(11) Op basis van de door de Commissie verstrekte tekst van de beschikking van 1996 zou dit standpunt ook onjuist zijn geweest met betrekking tot de maximumperiode van de eerste verlenging, aangezien de genoemde beschikking een maximumperiode van vier jaar toestaat.