Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?
- NL Nederlands
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.
Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 1967/2003/JMA tegen het Europees Parlement
Besluiten
Zaak 1967/2003/JMA - Geopend op Dinsdag | 21 oktober 2003 - Besluit over Vrijdag | 10 december 2004
Straatsburg, 10 december 2004
Geachte mevrouw S.,
Op 19 augustus 2003 schreef u aan de Europese Ombudsman een klacht in te dienen tegen zowel de Europese Commissie als het Europees Parlement in verband met het vermeende gebruik van discriminerende handelspraktijken door een Belgische bank.
Aangezien uw aantijgingen tegen twee instellingen zijn gericht, heb ik besloten ze onder twee verschillende dossiernummers te registreren. Uw aantijgingen tegen het Europees Parlement zijn geregistreerd onder klachtnummer 1967/2003/JMA en die tegen de Commissie onder referentienummer 1618/2003/JMA.
Uw klacht tegen de Commissie over het vermeende verzuim van deze instelling om het probleem, ondanks uw talrijke verzoeken, naar behoren te onderzoeken, is het voorwerp van een afzonderlijk onderzoek dat momenteel aan de gang is.
Dit besluit heeft derhalve alleen betrekking op uw klacht tegen het Parlement, die betrekking had op het vermeende verzuim van de instelling om te antwoorden op de brief die u op 15 februari 2003 aan haar juridische dienst had gericht met betrekking tot het vermeende gebruik van discriminerende handelspraktijken door een Belgische bank.
Op 21 oktober 2003 heb ik uw klacht met een verzoek om opmerkingen doorgestuurd naar de Voorzitter van het Europees Parlement. Op 23 november 2003 heeft u mij aanvullende informatie gestuurd. Op 8 december 2003 heb ik het advies van het Parlement ontvangen, dat ik u met een verzoek om opmerkingen heb toegezonden. Op 23 januari 2004 heeft u mij een kopie van uw vorige brief van 23 november 2003 toegezonden. Op 27 januari 2004 heeft u mij uw opmerkingen over het advies van het Parlement toegezonden. Op 15 september 2004 heeft u mij schriftelijk verzocht om opheldering over de reikwijdte van het onderzoek van de Ombudsman met betrekking tot uw beide klachten en om toegang tot alle documenten in verband met uw zaken.
Ik schrijf u nu om u de resultaten te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan. Mijn excuses voor de tijd die het heeft gekost om uw klacht te behandelen.
Het KLACHT
De feiten van de zaak zijn samengevat als volgt:
Klager, een Fins staatsburger, opende in april 1997 een rekening bij een Belgische bank. Vanwege haar status als vreemdeling die in een andere EU-lidstaat woont, werd haar destijds gevraagd een deposito van 15 000 Belgische frank (ongeveer 372 EUR) te storten om een mogelijke niet-nakoming van haar verplichtingen jegens de bank te dekken. De Bank rechtvaardigde haar verzoek niet op basis van een schriftelijke regeling. Klager werd er ook van in kennis gesteld dat over haar deposito geen rente zou worden betaald.
Klager verwees ook naar een aantal handelspraktijken van de bank die volgens haar oneerlijk waren, met name met betrekking tot valutawissels. Zij legde bijvoorbeeld uit dat de transactie, nadat zij om een bepaalde deviezentransactie had verzocht, pas werd uitgevoerd nadat de wisselkoers gunstiger was geworden voor de financiële instelling. Klager legde ook uit dat de bank in augustus 2000 verklaringen had afgegeven waaruit bleek dat haar tegoeden voor een deel van dat jaar op een lopende rekening in USD waren aangehouden en niet, zoals sinds 1997 gebruikelijk en gebruikelijk was, op een spaarrekening. Dit verzuim van de bank veroorzaakte een verlies aan rente voor de rekeninghouder. Ondanks haar fout weigerde de bank haar schade te vergoeden.
Klager merkte op dat de bank in haar geval besloot dat fax- of telefoonopdrachten niet langer zouden worden uitgevoerd. Als gevolg daarvan was voor orders voor financiële transacties vereist dat de rekeninghouder fysiek aanwezig was in de gebouwen van de bank. Deze praktijk was volgens klager een willekeurige en discriminerende handeling die een verkapte beperking van het vrije verkeer van kapitaal en betalingen vormde, in strijd met Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
Klager verwees naar een aantal technische fouten van de bank met betrekking tot financiële transacties die voor haar tot verliezen hebben geleid.
De bank besloot de rekening van klager op 8 juli 2002 te sluiten.
Om een oplossing te vinden voor de talrijke problemen met haar Belgische bank, wendde klager zich tot een aantal ambtenaren en instellingen van de EU voor hulp. Ze hoopte een buitengerechtelijke gang van zaken na te streven en zo tijdrovende en dure rechtszaken te voorkomen. Wat het Europees Parlement betreft, heeft zij brieven gestuurd naar de Commissie juridische zaken en interne markt, de Commissie economische zaken, de Commissie verzoekschriften, de Juridische Dienst van het Parlement en de Voorzitter van het Parlement.
Op haar brief van 11 december 2002 aan de Commissie juridische zaken en de Commissie interne markt is op 10 januari 2003 geantwoord. In haar antwoord legt de commissie uit dat haar brief als een verzoekschrift moet worden beschouwd en als zodanig moet worden behandeld. Volgens klager had de commissie waarschijnlijk een geldige reden voor haar aanbeveling.
Ook op 11 december 2002 schreef klager een brief aan de Commissie economische zaken. In haar antwoord van 17 juli 2003 stelde de commissie voor dat klager zich tot de Ombudsman voor Banken wendde. Volgens klager vormde de tijd die nodig was om te antwoorden wanbeheer, aangezien dit in strijd was met artikel 17 van de Europese code van goed administratief gedrag (redelijke termijn voor het nemen van besluiten).
Klager schreef op 15 februari 2003 ook een brief aan de Juridische Dienst van het Europees Parlement. Ze kreeg geen antwoord. In haar telefoongesprekken met deze dienst werd klager meegedeeld dat haar brief was doorgestuurd naar een andere instelling van de EU, maar de persoon met wie zij sprak weigerde te zeggen wanneer en aan wie haar brief was doorgestuurd. Volgens klager vormde dit beroep wanbeheer, aangezien het in strijd was met de artikelen 15 (verplichte overplaatsing naar de bevoegde dienst) en 17 (redelijke termijn voor het nemen van besluiten) van de Europese code van goed administratief gedrag.
Klager legde ook uit dat zij op 30 september 2002 een verzoekschrift bij het Europees Parlement heeft ingediend, dat onder nummer 1351/2002 is geregistreerd. Pas op 30 juli 2003 ontving zij een mededeling van de commissie waarin haar werd meegedeeld dat haar verzoekschrift niet-ontvankelijk was verklaard, zonder verdere toelichting. Volgens klager vormde dit beroep wanbeheer, aangezien het in strijd was met artikel 10 (gewettigd vertrouwen) en artikel 18 (verplichte motivering) van de Europese code van goed administratief gedrag.
In haar klacht vermeldde klager dat zij op 15 maart 2003 ook een brief aan de voorzitter van het Europees Parlement had gestuurd. Hoewel zij geen antwoord had ontvangen, was zij door haar telefonische vragen van mening dat de president de zaak zorgvuldig onderzocht en meer tijd nodig had om tot een met redenen omkleed advies te komen. Zij was dan ook bereid op zijn antwoord te wachten.
In het licht van de in de klacht verstrekte informatie heeft de Ombudsman een onderzoek ingesteld tegen het Europees Parlement. De Ombudsman heeft het Parlement verzocht een advies uit te brengen over de volgende beschuldigingen:
Klager beweerde dat het Europees Parlement geen antwoord had gegeven op de brief die zij op 15 februari 2003 aan zijn juridische dienst had gestuurd over het vermeende gebruik van discriminerende handelspraktijken door een Belgische bank.
Op 23 november 2003 schreef klager een brief aan de Ombudsman. In haar brief legde zij uit dat er sprake leek te zijn van een technische fout, aangezien haar eerste klacht bij de Europese Ombudsman op 19 augustus 2002 was ingediend, werd geregistreerd en het referentienummer 1532/2002/VK werd toegekend. Klager wees erop dat haar klacht tegen een Belgische bank niet alleen betrekking had op haar frauduleuze gedrag bij financiële transacties en haar discriminerende praktijken, maar ook op geestelijke terreur en onophoudelijke intimidatie gedurende een aantal jaren. Zij legt ook uit dat haar aantijgingen tegen het Europees Parlement niet beperkt waren tot het uitblijven van een antwoord op haar brief aan de juridische diensten, maar ook betrekking hadden op de antwoorden van haar diensten en van verschillende leden van het Europees Parlement, waaronder de Voorzitter. Klager merkte op dat nadat haar klacht bij de Ombudsman was ingediend, nog een andere Belgische bank besloot haar rekening te sluiten.
Op 23 januari 2004 zond klaagster een andere kopie van haar brief van 23 november 2003, waarbij zij erop wees dat zij geen antwoord op haar eerste brief had ontvangen en aangaf dat zij uiterlijk op 31 januari 2004 zou antwoorden op de brief van de Ombudsman van 16 december 2003.
Het onderzoek
Advies van het Europees ParlementIn zijn advies heeft het Parlement eerst de feitelijke achtergrond van de zaak beschreven. Zij legde uit dat klager verschillende organen in het Europees Parlement had aangeschreven over de vermeende discriminerende handelspraktijken van sommige Belgische financiële instellingen.
Volgens het Reglement van het Parlement is de Commissie juridische zaken en interne markt niet bevoegd om klachten van burgers te behandelen. De diensten van het Parlement stelden klager voor haar klacht als een verzoekschrift te behandelen. Ze accepteerde de suggestie. De Commissie verzoekschriften heeft klager op 30 juli 2003 schriftelijk meegedeeld dat haar verzoekschrift niet-ontvankelijk was verklaard omdat het Europees Parlement overeenkomstig zijn Reglement alleen verzoekschriften kan behandelen waarvan het onderwerp binnen het kader van de werkzaamheden van de Europese Unie valt. De commissie was van mening dat niet aan deze voorwaarde was voldaan in het geval van het door klager ingediende verzoekschrift.
Wat de correspondentie met de Juridische Dienst van het Parlement betreft, merkte de instelling op dat deze dienst op 5 maart 2003 een brief van klager van 15 februari 2003 ontving. De brief verwees naar een geschil tussen particulieren, een onderwerp dat niet overeenkomt met de taken die onder de verantwoordelijkheid van de Juridische dienst vallen. De brief werd daarom doorgestuurd naar de dienst die al met het dossier was belast, namelijk het secretariaat van de Commissie verzoekschriften.
Vervolgens werd contact opgenomen met de Juridische Dienst, niet door klager zelf, maar schijnbaar door een mannelijk familielid. Hij werd ervan in kennis gesteld dat de correspondentie naar een andere afdeling van het Parlement was doorgestuurd en dat klager reeds een antwoord van de Commissie verzoekschriften had moeten ontvangen.
Tot slot verklaarde het Parlement dat, aangezien klager een antwoord op haar brief van 15 februari 2003 van een afdeling van het Europees Parlement had ontvangen, zij niet echt kan stellen dat er sprake was van wanbeheer omdat zij haar brief niet had beantwoord.
Opmerkingen van klagerIn haar opmerkingen over het standpunt van het Parlement herhaalde klager een aantal van de beweringen in haar klacht.
Klager maakte echter enkele inleidende opmerkingen. Zij merkte op dat haar eerste brief aan de Europese Ombudsman in augustus 2002 was verzonden en dat in oktober 2002 een tweede brief met aanvullende bijlagen was verzonden. Haar brieven zijn geregistreerd onder dossiernummer 1532/2002/VK. Klager benadrukte derhalve dat de datum van haar klacht bij de Ombudsman augustus 2002 was in plaats van augustus 2003.
Klager benadrukte dat, hoewel de Ombudsman slechts één van de beweringen in haar klacht aan het Parlement had voorgelegd, zij in feite een aantal aanvullende beweringen had gedaan met betrekking tot vermijdbare vertraging, discriminatie, het niet waarborgen van de nakoming van gewettigd vertrouwen, weigering om informatie te verstrekken en nalatigheid van de Commissie juridische zaken, de Commissie economische zaken, de Juridische dienst, de Commissie verzoekschriften en de Voorzitter van het Parlement.
Wat de inhoud van het advies van het Parlement betreft, wees klager erop dat de Commissie juridische zaken klager niet voorstelde een verzoekschrift in te dienen, maar op eigen initiatief haar brief doorstuurde naar de Commissie verzoekschriften, terwijl zij dat al had gedaan. Klager voegde daaraan toe dat zij het antwoord van de commissie van 30 juli 2003 nooit heeft ontvangen.
Wat de Commissie verzoekschriften betreft, verklaarde klager dat zij op 19 augustus 2003, elf maanden na de registratie van haar verzoekschrift, zonder verdere informatie ervan in kennis werd gesteld dat haar verzoekschrift niet-ontvankelijk was.
Zij merkt op dat het advies van het Parlement geen enkele verwijzing bevat naar haar correspondentie met de Commissie economische zaken en herinnert aan de talrijke telefoon- en briefwisselingen met de voorzitter van deze commissie.
In verband met de acties van de Juridische Dienst gaf klager aan dat zij nooit een ontvangstbevestiging van deze dienst heeft ontvangen waarin werd aangegeven aan wie en wanneer haar brief was doorgestuurd. Evenmin had zij een brief van andere diensten van het Europees Parlement ontvangen waarin de ontvangst van die brief werd bevestigd.
Klager verwees naar een lijst van EP-leden en ambtenaren van het Parlement met wie zij contact had opgenomen, waaronder de heer Ward Bayen; mevrouw Miert Smet, lid van het Europees Parlement; en onder meer mevrouw Patsy Sörensen, lid van het Europees Parlement. Zij voegt daaraan toe dat zij, hoewel zij aanvankelijk bereid was de voorzitter van het Europees Parlement het voordeel van de twijfel te geven en van mening was dat hij gewoon meer tijd nodig had, tot de conclusie was gekomen dat het uitblijven van een antwoord op haar brief van 15 maart 2003 ook wanbeheer vormde.
BESLUIT
1 Inleidende opmerkingen Aardvan het geschil tussen klager en een Belgische bank
1.1 Om misverstanden te voorkomen, moet eraan worden herinnerd dat het EG-Verdrag de Europese Ombudsman de bevoegdheid verleent om alleen bij het optreden van de communautaire instellingen en organen onderzoek te doen naar mogelijke gevallen van wanbeheer. Het statuut van de Europese Ombudsman bepaalt uitdrukkelijk dat tegen geen enkel optreden van een andere autoriteit of persoon een klacht bij de Ombudsman kan worden ingediend.
1.2 Het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht had derhalve tot doel na te gaan of er sprake was van wanbeheer bij de activiteiten van het Europees Parlement. De Ombudsman is niet bevoegd om onderzoek te doen naar de aantijgingen van klager tegen haar Belgische bank.
Eerdere klachten ingediend bij de Ombudsman1.3 In haar opmerkingen over het standpunt van het Europees Parlement geeft klager aan dat haar eerste brieven aan de Europese Ombudsman respectievelijk in augustus en oktober 2002 zijn verzonden. De Ombudsman heeft deze brieven geregistreerd onder dossiernummer 1532/2002/VK. Klager benadrukt dan ook dat de datum van haar klacht bij de Ombudsman augustus 2002 moet zijn in plaats van augustus 2003.
1.4 Het lijkt erop dat klager de Ombudsman voor het eerst op 19 augustus 2002 een brief heeft gestuurd. Haar klacht betrof de onregelmatigheden en de verdwijning van geld van haar rekening bij een Belgische bank, en het verzuim van het management van de bank om op haar talrijke brieven te antwoorden. De Ombudsman wijst erop dat deze klacht op 20 september 2002 niet-ontvankelijk is verklaard, aangezien zij geen verband hield met een handeling van een instelling of orgaan van de Gemeenschap, zoals artikel 2, lid 1, van zijn Statuut vereist. In zijn brief waarin klager op de hoogte werd gesteld van de niet-ontvankelijkheid van haar klacht, stelde de Ombudsman voor contact op te nemen met de Ombudsman van de Belgische Vereniging van Banken.
De Ombudsman merkt op dat klager in een andere brief aan de Ombudsman van oktober 2002 erop wees dat zij de Commissie had geschreven en dat de ontvangen antwoorden mogelijk wanbeheer vormden. In een antwoord van 29 januari 2003 deelde de Ombudsman klager mee dat zij, indien zij een klacht tegen de Commissie wenste in te dienen, gebruik moest maken van het bij het antwoord gevoegde klachtenformulier.
In een brief aan de Ombudsman van juni 2003 verzocht klager om toegang tot alle documenten met betrekking tot dossier 1532/2002/VK. Overeenkomstig artikel 13 van zijn uitvoeringsbepalingen heeft de Ombudsman op 29 juli 2003 toegang verleend tot de gevraagde documenten.
1.5 De Ombudsman vestigt de aandacht van klager op het feit dat haar eerste klacht van 19 augustus 2002 (geregistreerd onder nummer 1532/2002/VK) betrekking had op het optreden van een particuliere onderneming. Aangezien deze beroepen buiten de bevoegdheid van de Ombudsman vielen, werd de klacht niet-ontvankelijk verklaard.
Haar klacht bij de Ombudsman van 19 augustus 2003, geregistreerd onder nummer 1967/2003/JMA en het voorwerp van dit besluit, was gericht tegen het Europees Parlement en betrof andere beschuldigingen dan die in klacht 1532/2002/VK.
De Ombudsman acht het daarom passend dat de twee klachten die klager respectievelijk op 19 augustus 2002 en 19 augustus 2003 heeft ingediend, onder verschillende dossiernummers worden geregistreerd en dat de datum van de tweede klacht wordt vastgesteld op de datum waarop klager haar nieuwe beweringen heeft verzonden.
De Ombudsman herinnert er ook aan dat de beweringen van klager in klacht 1618/2003/JMA tegen de Commissie zijn gericht en derhalve verschillen van die in klacht 1532/2002/VK.
Reikwijdte van het onderzoek van de Ombudsman1.6 In haar opmerkingen over het standpunt van het Parlement merkt klager op dat de Ombudsman weliswaar slechts één van de in haar klacht geuite beschuldigingen aan de Voorzitter van het Parlement heeft voorgelegd, maar dat zij in feite een aantal bijkomende beschuldigingen heeft geuit met betrekking tot vermijdbare vertraging, discriminatie, het niet waarborgen van de nakoming van het gewettigd vertrouwen, de weigering om informatie te verstrekken en nalatigheid van de Commissie juridische zaken, de Commissie economische zaken, de Juridische dienst, de Commissie verzoekschriften en de voorzitter van het Europees Parlement.
1.7 De Europese Ombudsman merkt op dat zijn bevoegdheden zijn vastgelegd in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het statuut van de Europese Ombudsman. Deze wetsteksten stellen precieze voorwaarden aan de ontvankelijkheid van een klacht. De Ombudsman kan alleen een onderzoek instellen als aan deze voorwaarden is voldaan.
Een van deze voorwaarden, neergelegd in artikel 2.2 van zijn Statuut, luidt als volgt:
"Iedere burger van de Unie [...] kan [...] bij de Ombudsman een klacht indienen wegens wanbeheer [...]"
1.8 Naar aanleiding van een verzoek van het Europees Parlement om een duidelijke definitie van wanbeheer heeft de Ombudsman in zijn jaarverslag 1997 de volgende definitie gegeven:
"Er is sprake van wanbeheer wanneer een overheidsinstantie niet handelt overeenkomstig een voor haar bindende regel of beginsel."
Het Europees Parlement heeft in 1998 een resolutie aangenomen waarin deze definitie wordt goedgekeurd.
1.9 Om de grenzen van wanbeheer in verband met de politieke werkzaamheden van het Europees Parlement te verduidelijken, heeft de Ombudsman in zijn jaarverslag over 1997 een aantal overwegingen naar voren gebracht. Hij verklaarde dat artikel 195 (voorheen artikel 138 e) van het EG-Verdrag niets zegt over de politieke werkzaamheden van het Europees Parlement. Het klassieke bureau van de ombudsman in de Noordse landen is echter opgericht om namens het Parlement toezicht te houden op het openbaar bestuur en niet om toezicht te houden op de politieke activiteiten van het Parlement. Ook ombudsmannen in andere lidstaten lijken geen toezicht te houden op de politieke werkzaamheden van hun respectieve parlementen. De Europese Ombudsman past derhalve een constitutioneel beginsel toe dat de lidstaten gemeen hebben en behandelt geen klachten tegen besluiten van het Europees Parlement of zijn commissies, met inbegrip van de Commissie verzoekschriften. Deze klachten worden derhalve niet geacht onder het mandaat van de Ombudsman te vallen (1).
1.10 De Ombudsman is ook van mening dat klachten over de administratieve procedures van de commissies van het Europees Parlement evenmin onder zijn bevoegdheid vallen, aangezien de organisatie van de werkzaamheden van deze commissies onder de politieke verantwoordelijkheid van de instelling valt. Het komt er dus op neer dat het Europees Parlement zijn diensten zodanig organiseert dat het zijn institutionele taken kan vervullen. Volgens de Ombudsman doen deze klachten eerder politieke kwesties rijzen dan wanbeheer (2).
1.11 Gezien het bovenstaande was de Ombudsman van mening dat de beschuldigingen van klager tegen de Commissie juridische zaken, de Commissie economische zaken en de Commissie verzoekschriften van het Europees Parlement geen betrekking hadden op wanbeheer en in plaats daarvan politieke kwesties aan de orde stelden die niet binnen zijn mandaat vallen.
Aangezien de Ombudsman niet bevoegd is om deze aspecten van de zaak te behandelen, konden de desbetreffende beschuldigingen niet worden behandeld in zijn verzoek om opmerkingen aan de Voorzitter van het Europees Parlement.
De Ombudsman merkt op dat er op het moment dat klager haar oorspronkelijke klacht indiende, geen beschuldigingen tegen de voorzitter van het Europees Parlement waren geuit.
2 Vermeend verzuim van de diensten van het Parlement om een brief te beantwoorden2.1 Klager beweert dat het Europees Parlement geen antwoord heeft gegeven op de brief die zij op 15 februari 2003 aan zijn juridische dienst had gestuurd over het vermeende gebruik van discriminerende handelspraktijken door een Belgische bank.
2.2 Het Parlement merkt op dat deze dienst op 5 maart 2003 een brief van klager van 15 februari 2003 heeft ontvangen. Aangezien het onderwerp van de brief niet onder de verantwoordelijkheid van deze dienst viel, werd deze doorgestuurd naar de verantwoordelijke eenheid, namelijk het secretariaat van de Commissie verzoekschriften. Na een telefoongesprek van een vertegenwoordiger van de klager deelde de Juridische Dienst de beller mee dat de brief was doorgestuurd naar de bevoegde dienst, namelijk het secretariaat van de Commissie verzoekschriften.
Het Parlement is van mening dat zijn diensten naar behoren hebben gehandeld sinds zijn Commissie verzoekschriften klager op 30 juli 2003 heeft geantwoord.
2.3 De Ombudsman merkt op dat de gedragscode van het Europees Parlement (3) betrekking heeft op de gedragsnormen die van ambtenaren worden verwacht bij het beantwoorden van correspondentie van burgers in punt III.A.1. Deze bepaling luidt als volgt:
"Wanneer een externe persoon een schriftelijk verzoek stuurt naar een administratieve dienst van het Parlement, moet de ontvangst ervan snel worden bevestigd, met vermelding van de naam, voornaam, functie en kantooradres van de persoon die verantwoordelijk is voor de verwerking ervan. Deze gegevens moeten worden vermeld in alle correspondentie die aan de aanvrager wordt verzonden. Het antwoord wordt opgesteld in de officiële taal van de Unie die door de aanvrager wordt gebruikt en wordt, overeenkomstig het besluit van het Bureau van 10 juli 1997, binnen 45 dagen gegeven."
Indien de ontvangende dienst niet verantwoordelijk is voor de inhoud van de brief, is in punt III.A.3 van de gedragscode van het Parlement het volgende bepaald:
"Wanneer verzoeken aan de verkeerde administratieve dienst zijn gericht, geven de ambtenaren of andere personeelsleden die ze ontvangen deze onmiddellijk door aan de bevoegde dienst en stellen zij de afzenders in kennis van het gevolg dat eraan is gegeven."
2.4 Uit de beschikbare informatie blijkt dat de Juridische Dienst van het Europees Parlement na ontvangst van de brief van klager van 15 februari 2003 van oordeel was dat de daarin vervatte vragen niet onder de verantwoordelijkheid van de Juridische Dienst vielen. Dienovereenkomstig heeft zij de brief doorgestuurd naar het secretariaat van de Commissie verzoekschriften, zodat met de inhoud ervan rekening kon worden gehouden in het kader van een verzoekschrift dat reeds door klager was ingediend en dat op dat moment door de Commissie verzoekschriften werd behandeld.
Ook blijkt dat de Juridische Dienst van het Parlement de vertegenwoordiger van klager mondeling in kennis heeft gesteld van het gevolg dat aan de brief is gegeven.
De Ombudsman is van mening dat de maatregelen die de diensten van het Europees Parlement hebben genomen met betrekking tot de brief van klager van 15 februari 2003 in overeenstemming lijken te zijn met de verplichtingen van de eigen gedragscode van de instelling, die niet lijken af te wijken van die van de Europese code van goed administratief gedrag. De Ombudsman stelt derhalve geen wanbeheer vast.
3 ConclusieOp basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht lijkt er geen sprake te zijn geweest van wanbeheer door het Europees Parlement. De Ombudsman sluit daarom de zaak.
De voorzitter van het Europees Parlement zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.
Met vriendelijke groet,
P. Nikiforos DIAMANDOUROS
(1) Europese Ombudsman, Jaarverslag 1997, blz. 26-27.
(2) Europese Ombudsman, Jaarverslag 1996, klacht 420/9.2.96/PLMP/B, blz. 15.
(3) De tekst van de code is te vinden op het volgende internetadres: http://www.ombudsman.europa.eu/code/en/default.htm