FOR PREVIEWING & TESTING PURPOSES ONLY.
This notification will disappear once the page will be published.
This link is available for less than 30 minutes.
  • Makkelijk te lezen
  • Tekstgrootte

Wilt u een klacht indienen tegen een instelling of orgaan van de EU?

Huidige taal: 
  • Nederlands
Brontaal: 
beschikbare talen: 
De vertaling van deze pagina is automatisch geproduceerd met behulp van machinevertaling.
Machinevertalingen kunnen fouten bevatten die de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de informatie kunnen schaden; de Ombudsman kan niet aansprakelijk worden gehouden voor eventuele afwijkingen. Voor de grootste mate van betrouwbaarheid en rechtszekerheid wordt verwezen naar de bronversie in het Engels (klik op de link hierboven).
Meer informatie vindt u in ons taal- en vertaalbeleid.

Besluit van de Europese Ombudsman inzake klacht 1187/2003/JMA tegen de Europese Commissie


Straatsburg, 5 mei 2004

Geachte heer A.,

Op 24 juni 2003 heeft u bij de Europese Ombudsman een klacht ingediend tegen de Europese Commissie over het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek COM/TB/99 om uw naam niet op te nemen bij de 60 beste kandidaten.

Op 24 juli 2003 heb ik de klacht doorgestuurd naar de voorzitter van de Europese Commissie. Op 6 oktober 2003 heb ik het advies van de Commissie ontvangen en u het toegezonden met een uitnodiging om opmerkingen te maken. Ik heb uw opmerkingen ontvangen op 5 december 2003.

Ik schrijf u nu om u het resultaat te laten weten van de onderzoeken die zijn gedaan.


Het KLACHT

Volgens de klager zijn de feiten van de zaak, samengevat, als volgt:

Op 5 juli 1999 publiceerde de Commissie de aankondiging van intern vergelijkend onderzoek COM/TB/99 voor de opstelling van een reservelijst voor onder meer een aantal medewerkers van rang B3/B2. Klager diende zijn aanvraag in voor het vergelijkend onderzoek, dat werd geregistreerd onder nummer 00458. In zijn sollicitatie en curriculum vitae vermeldde klager dat zijn moedertaal Spaans was en dat hij ook een goede kennis van het Engels en het Portugees had. Zoals in de aankondiging is uiteengezet, zouden kandidaten die geslaagd waren voor de schriftelijke tests een mondeling gesprek moeten voeren, waaruit de jury de 60 beste kandidaten zou selecteren die op de reservelijst van het vergelijkend onderzoek zouden worden geplaatst.

Nadat klager geslaagd was voor de schriftelijke toets, werd hij uitgenodigd voor het mondelinge gesprek met de jury, dat plaatsvond op 29 juni 2000. Op 19 juli 2000 werd klager ervan in kennis gesteld dat zijn score in de mondelinge toets 23 van de 50 was geweest. Aangezien de minimumscore voor de toets 25 punten bedroeg, deelde de jury hem mee dat zijn naam niet op de reservelijst van het vergelijkend onderzoek kon worden geplaatst.

Op 8 augustus 2000 heeft klager beroep ingesteld bij de jury. Hij voerde aan dat de criteria voor de beoordeling van zijn taalvaardigheden hem onbekend waren en wees erop dat hem tijdens het mondeling examen geen vraag in het Portugees was gesteld. Op 12 september 2000 heeft de jury haar besluit van 19 juli 2000 bevestigd.

Klager heeft vervolgens op 14 november 2000 een formeel beroep bij de Commissie ingesteld. Het antwoord van de Commissie van 25 juni 2001 bevestigde het standpunt van de jury en verwierp het beroep. Zij wees erop dat alle kandidaten op dezelfde basis waren beoordeeld. Aangezien het vergelijkend onderzoek niet gericht was op de selectie van taalkundigen, besloot de jury alle kandidaten te testen op hun moedertaal en op hun tweede taal van de Gemeenschap.

Klager beweert dat de jury bij de selectie van kandidaten een aantal beperkende criteria heeft toegepast die niet tot de aankondiging behoorden. Hij wijst met name op het beperkte aantal talen dat tijdens het mondeling examen moet worden getest. In de aankondiging van het vergelijkend onderzoek werd de talenkennis van de kandidaten genoemd als een van de relevante criteria, en daarom had de jury rekening moeten houden met de talenkennis. Door dit niet te doen, heeft de jury het beginsel van gelijke behandeling geschonden, aangezien zij de kennis van andere talen door een aantal kandidaten niet naar behoren heeft beoordeeld.

In zijn klacht bij de Ombudsman stelt klager kort samengevat dat de jury de voorwaarden van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek niet in acht heeft genomen, aangezien de leden van de jury hem tijdens het mondeling onderhoud geen vragen hebben gesteld om zijn talenkennis te beoordelen.

Het onderzoek

Advies van de Europese Commissie

In haar advies herinnerde de Commissie aan de feitelijke achtergrond van de zaak.

De instelling beschreef de inspanningen van de jury om ervoor te zorgen dat het non-discriminatiebeginsel in acht wordt genomen. Zij merkte op dat voorafgaand aan het examen de criteria voor de beoordeling van de kandidaten waren vastgesteld.

Wat de beoordeling van de talenkennis van de kandidaten betreft, heeft de jury besloten alle kandidaten eerst in hun moedertaal te interviewen en vervolgens de kennis van de in hun sollicitatieformulier vermelde tweede taal te testen. Aangezien de aankondiging van het vergelijkend onderzoek geen nadere gegevens over de beoordeling van de talen bevatte, paste de jury de statutaire criteria toe volgens welke de kandidaten een grondige kennis van een taal van de Gemeenschap en een voldoende kennis van een andere taal van de Gemeenschap moeten hebben, voor zover dit voor de uitoefening van hun functie noodzakelijk was.

De vragen die de jury aan de kandidaten stelde, waren bedoeld om hun uitdrukkingsvermogen, hun mondelinge vaardigheden en, meer in het algemeen, hun vermogen om hun toekomstige taken als ambtenaren van de Gemeenschap uit te voeren, te beoordelen.

De Commissie legde uit dat het curriculum vitae, dat de kandidaten samen met hun sollicitatieformulier moesten indienen, niet bestemd was voor de jury, maar bedoeld was om aan de diensten van de Commissie te worden toegezonden indien de naam van de kandidaat op de reservelijst van het vergelijkend onderzoek zou worden geplaatst.

Opmerkingen van klager

In zijn opmerkingen herhaalde klager de beweringen in zijn klacht. Hij benadrukte dat, hoewel de jury haar beoordeling van de talenkennis van de kandidaten had gerechtvaardigd op basis van artikel 28 van het Statuut, deze bepaling slechts minimumvoorwaarden bevat waaraan de ambtenaren van de Gemeenschap moeten voldoen. Volgens klager had de jury, door zich tot deze minimumeisen te beperken, de verdiensten van elke kandidaat niet op dezelfde basis naar behoren beoordeeld. Hij concludeerde dat het gelijkheidsbeginsel niet was geëerbiedigd, aangezien geen rekening was gehouden met de verdiensten van kandidaten met een talenkennis die verder ging dan de minimumcriteria van het Statuut.

BESLUIT

1. Beoordeling van de talenkennis van de kandidaten

1.1 Klager beweert dat de jury de voorwaarden van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek niet in acht heeft genomen, aangezien de leden van de jury hem tijdens het mondeling onderhoud geen vragen hebben gesteld om zijn talenkennis te beoordelen. Klager voerde aan dat de jury haar beoordeling van de talenkennis van de kandidaten had beperkt tot slechts twee talen, hetgeen in strijd was met de aankondiging van het vergelijkend onderzoek.

1.2 De Commissie stelt dat de jury, bij gebreke van een duidelijkere formulering in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek met betrekking tot de beoordeling van de talen, de criteria van het Statuut heeft toegepast volgens welke kandidaten een grondige kennis van een communautaire taal en een bevredigende kennis van een andere communautaire taal moeten hebben, voor zover dat nodig is voor de uitoefening van hun functie.

1.3 De Ombudsman merkt op dat het vaste rechtspraak is dat de jury over een ruime beoordelingsmarge beschikt met betrekking tot de regelingen voor en de gedetailleerde inhoud van de in het kader van een vergelijkend onderzoek voorgeschreven toetsen(1). De gedetailleerde inhoud van een examen kan niet worden herzien, tenzij deze de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek vastgestelde grenzen overschrijdt of in strijd is met de doelstellingen van het examen of van het vergelijkend onderzoek(2).

1.4 Gezien de informatie die tijdens het onderzoek van de Ombudsman beschikbaar was, lijkt het doel en de inhoud van het mondeling examen van het vergelijkend onderzoek, zoals uiteengezet in deel IV van de mededeling, als volgt te zijn:

"Het mondeling examen bestaat uit een gesprek van de jury met de kandidaten die tot deze fase van het vergelijkend onderzoek zijn toegelaten.

Dit gesprek heeft tot doel de mondelinge uitdrukking en het vermogen van de kandidaten (met inbegrip van hun talenkennis) om de in deel I van de mededeling bedoelde functies uit te oefenen, te beoordelen [...]."

In deel I van de mededeling wordt de aard beschreven van de taken die de ambtenaren van de Gemeenschap in de rangen B5/B4 (Secretarieel medewerker), B3/B2 (Administratief medewerker) en B1 (Principaal administratief medewerker) moeten uitvoeren. In deze bepaling wordt niet verwezen naar de noodzaak van specifieke taalkundige voorwaarden op basis van het belang van de dienst.

Voor de uitoefening van de functies die in het algemeen door een ambtenaar van de Gemeenschap worden uitgeoefend, is de door het Statuut vereiste talenkennis vastgesteld in artikel 28, onder f), dat bepaalt dat hij (of zij) in het bezit moet zijn van:

"[een] grondige kennis van een van de talen van de Gemeenschappen en van een bevredigende kennis van een andere taal van de Gemeenschappen, voor zover dit voor de uitoefening van zijn ambt noodzakelijk is."

1.5 Na bestudering van de verschillende bepalingen, waaronder de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, is de Ombudsman zich ervan bewust dat nergens in de tekst sprake lijkt te zijn van een verwijzing naar de talenkennis van de kandidaten of naar bijzondere taalvereisten waarmee rekening moet worden gehouden vanwege de aard van de vacante posten.

Gezien de bewoordingen van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek is de Ombudsman van mening dat de jury haar juridische bevoegdheid niet heeft overschreden door te besluiten dat, wat de beoordeling van de taalvaardigheden van de kandidaten betreft, de criteria van het Statuut naar analogie moeten worden toegepast, waarbij de kandidaten alleen een grondige kennis van een communautaire taal en een bevredigende kennis van een andere communautaire taal hoefden aan te tonen. De Ombudsman stelt derhalve geen wanbeheer door de Europese Commissie vast.

2. Conclusie

Op basis van het onderzoek van de Ombudsman naar deze klacht lijkt er geen sprake te zijn geweest van wanbeheer door de Commissie. De Ombudsman sluit daarom de zaak.

De voorzitter van de Commissie zal ook van dit besluit in kennis worden gesteld.

Met vriendelijke groet,

 

P. Nikiforos DIAMANDOUROS


(1) Zie zaak T-132/89, Gallone tegen Raad, Jurispr. 1990, blz. II-549, punt 27.

(2) Zie gevoegde zaken 64, 71 tot en met 73 en 78/96, Sergio e.a. tegen Commissie, Jurispr. 1988, blz. 1399, punt 22, en zaak T-156/89, Valverde Mordt tegen Hof van Justitie, Jurispr. 1991, blz. II-407, punt 121.

Wat vond u van deze automatische vertaling? Deel uw mening!